bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

14-01-2014

‘Close to the edge’ of hoe een plaat twee vrienden zo mooi weet te beschrijven

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 09:43

Een tijdje geleden vroeg iemand me op facebook naar mijn meest diebare platen. Een top tien. Nadat ik deze had ingevuld kreeg ik het idee om over elk album wat te schrijven.

Close to the edge of hoe een plaat twee vrienden zo mooi weet te beschrijven

We moesten nog flink wat kilometer fietsen. Wind tegen. Op een veel te goedkope fiets. Volgens mij waren de banden niet eens stevig opgepompt. We slingerden wat. Ik voel nu nóg het zweet langs mijn rug naar beneden glijden wanneer ik terug denk aan dat tochtje van Roggel naar Weert. Mijn pa fietste deze afstand in de zomer haast iedere dag voor z’n werk dus eigenlijk moest ik me niet aanstellen, zo vond ik. Er was echter één groot verschil: mijn pa had meestal die avond daarvoor niet gigantisch doorgezakt. We waren bezig onze kater ergens tussen het ‘Leef, klein aardig dörpke’ en het Roggestekersriek te lozen. We hadden veel van de wijn gesnoept om de zenuwen te onderdrukken. Binnen niet al te lange tijd zouden mijn vriend en ik oog in oog staan met de man wiens muzikale leven mij in elk geval enorm heeft verrijkt.

Die avond ervoor bedacht ik samen met die goede vriend van mij enkele vragen. Vragen voor een interview met een van de meest gevierde gitarist in mijn platenkast: Steve Howe van de legendarische band Yes. Ik kende deze symfonische band in eerste instantie alleen van Owner of a lonely heart. Een draak van een nummer. Vind ik nog steeds, overigens. Maar op een vrijdagnacht kwam die goede vriend van mij aanzetten met Close to the edge.
Het album leek als een vuurpijl aan mij voorbij te schieten. Ik werd telkens op een dwaalspoor gezet, het vloog alle kanten op en kwam op mij tamelijk chaotisch over. En ik was toch wel wat gewend met de muziek van Frank Zappa. En dan die hoes. Fel groen, verre van aantrekkelijk. Toch verdween het album regelmatig in de speler om na twee speelronden er pas weer uit te komen. Langzaam groeide de plaat, beet het zich vast in mijn hoofd en uiteindelijk heeft het nooit meer los gelaten. De teksten blijven onnavolgbaar. Zanger Jon Anderson heeft ooit eens gezegd dat hij die teksten vooral voor de klank heeft geschreven. Dat is goed mogelijk want is allemaal nogal vaag. Hier en daar heeft het wat raakvlakken met Siddartha van Herman Hesse (lezen!). Het gaat over vallen en opstaan. Over komen en gaan. Golfbewegingen. Zo klinkt de muziek dan ook. Het sloot perfect aan op mijn belevingswereld als puber. Het ene moment zat mijn dag vol euforische momenten het andere moment was het diepe droefenis. Zoekend naar de juiste balans en naar antwoorden die je pas echt op het einde van je leven krijgt. Als je geluk hebt! Yes was de ideale soundtrack hiervoor Natuurlijk; de muziek van Yes klinkt pompeus, pastoraal zelfs. Maar ik ben nooit vies geweest van dikke producties en theater binnen de muziek. Minimalisme is niet echt aan mij besteed.

Ik leerde Yes dus steeds beter kennen. Ze draaiden het niet in de lokale kroeg waar wij iedere vrijdag en zaterdag kwamen. En dus werd het meestal thuis, zo na een uur of drie in de nacht, nog eens opgezet. Niet veel later had ik al het werk van Yes in huis en niet veel later kwam het bericht dat de gitarist van Yes een solo show zou geven in Weert. Ik bedacht me geen moment en vroeg een interview aan. Meneer Howe zou ons op zaterdagmiddag, zes uur voor de show, ontvangen. Als een gek begonnen we met z’n tweeën vragen te bedenken, dvd’s te kijken met concerten van Yes, maar bovenal onze gigantische zenuwen weg te drinken. We stonden straks oog in oog met iemand die onze vriendschap zo heeft bezegeld.

Terug naar de fietstocht. De kater was bij aankomst wel zo’n beetje verdwenen. We moesten ons melden bij de balie van het Golden Tulip hotel. We waren maar liefst een uur te vroeg. Een gewoonte die ik sindsdien steeds met me meedraag. Lang liet Steve ons niet in de lobby zitten. Een vriendelijk lachende, maar fragiele meneer met sloffen aan z’n voeten heette ons in zeer correct Engels hartelijk welkom. Dit was hem. Het gitaarwonder. We stelden Steve allerlei vragen en hij gaf keurig uitgebreid antwoord. Hij signeerde alles wat we bij ons hadden en kletsten na afloop nog lang na. Hij zou ook nog door iemand anders geinterviewd worden maar die kwam te laat. Tja…

Het concert was magistraal. Een andere vriend van me kwam ook kijken. Hij is de grootste Yes-fan die ik ooit heb gezien. Alleen al van Rick Wakeman (toetsenist) heeft hij simpelweg alles in de kast staan. Deze vriend is heel speciaal voor me. Hij liet me kennis maken met 1001 muziekjes, heeft mijn leven verrijkt en bovendien een stuk leuker gemaakt. In mijn studententijd ging ik vaak naar hem toe om wat aan te sterken. Hij is een stuk ouder, heeft een baan en destijds dus veel meer geld dan ik had. Dat kwam goed uit, want drie keer in de week pizza op je achttiende kan natuurlijk nooit goed zijn. Tijdens die aansterkmomenten werd ik getrakteerd op muziek waar ik nog nooit van had gehoord.

Steve Howe speelde die avond vreselijk ingewikkelde stukken. Op een gegeven moment was ik bijna oververmoeid van zoveel virtuositeit. Steve Howe stelde halverwege de show een interessante quizvraag. Het publiek moest raden wat het zojuis gespeelde nummer was. Ik moest lachen, want in het hele lied zat geen melodie die je zo even kon meezingen. Wie kon dit nu raden? Naast me brulde iemand het goede antwoord. Drie keer raden wie dat was…
Met open mond zag ik hem naar voren lopen. Degene met het goede antwoord kreeg de nieuwe cd van Howe.

Niet veel later zag ik samen met hem de voltallige band Yes tijdens het Arrow Classic Rock Festival. Het was een grote wens van ons alletwee om de band samen te zien. Tijdens And you and I voelde ik mijn ogen nat worden. Ik keek opzij en ik zag dat ook hij zichtbaar geroerd was. Uiteraard zeiden we niets tegen elkaar. Mannen weten dat gewoon van elkaar.

Twee totaal verschillende vrienden die me Yes leerden luisteren. De een jonger, de ander ouder. Met de een op een vrijdagnacht in mijn ouderlijk huis en bij de ander thuis, ver weg van waar ik woonde. Ik heb nog steeds contact met ze. Eentje is op dit moment een fantastische regisseur in Amsterdam. Hij maakt prachtige dingen en ik ben waanzinnig trots op hem. Volgens mij heb ik dat nog nooit tegen hem gezegd. Hij heeft hoe dan ook succes. Met de ander gaat het op dit moment niet zo goed. Een zware depressie, een burn-out… ze weten nog niet precies wat het is. Maar hij luistert geen muziek meer, is angstig en stil. Ik maak me zorgen en hoop op een goed volgend jaar voor hem en zijn gezin.

Traditioneel luister ik tegen het einde van het jaar Close to the edge. Dit jaar kwam hulpeloosheid en euforie wel heel dichtbij in de vorm van deze twee vrienden. Zij vertolken op dit moment de teksen van Jon Anderson en de muziek van Yes. Aan de ene kant onderzoekend, spelend en uitdagend. En aan de andere kant de duisternis en het onverwachte.
Heb een goede jaarwisseling.

Tim Op het Broek
Maastricht, december 2013

Naschrift van mij:

Dank je wel, Tim!
Helaas zit er een fout in je verhaal. Tijdens dat concert van Steve Howe (op 29 mei 2005 in De Bosuil in Weert) riep ik inderdaad de titel van een nummer: Surface Tension. Het was niet als antwoord op een vraag van Howe, maar het was een verzoeknummer. Howe zei: ‘Oei, da’s een moeilijke.’ Maar hij speelde het toch. En hoe.
Even later stelde hij inderdaad een vraag: ‘Wat is de titel van mijn zevende solo-album?’ Ik brulde: ‘The Grand Scheme Of Things!’ en had het goed. Mocht naar voren komen en kreeg zijn toen kersverse dvd Remedy Live. Ik wilde hem de hand schudden, maar hij gaf er alleen maar een high-five op.
Na afloop van het concert liet ik natuurlijk mijn dvd door hem signeren en vertelde ik dat The Grand Scheme Of Things het enige Howe-album was dat ik (nog) niet had…

Apeldoorn, 14 januari 2014

bazbo_steve1
(Foto: Tim Op het Broek – 29 mei 2005)

• • •
 

04-12-2009

Freak Out!

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 18:50

LET OP:
Dit bericht is niet meer actueel!

Iedere zondagavond is er een bijzondere radio-uitzending op 3ML, lokale radio uit Heythuisen, Limburg. Het programma heet ‘Freak Out!’ en wordt gepresenteerd door Tim Op het Broek. Vaste side-kicks zijn de broers Frank en John Hölsgens.

Het programma zit vol bizarre muziek, van Frank Carillo & the Bandoleros tot BZN en van The Police tot Frank Zappa. Daarnaast wil John nogal eens zijn poëzie voordragen.

Je kunt het programma iedere zondagavond van 20.00 tot 22.00 uur live beluisteren via http://www.3ml.nl/gemist.php?id=webcam. Dan zie je de heren via de webcam rechtstreeks aan het werk in de studio.
Heb je de uitzending gemist? Geen ramp. Drie weken lang is de uitzending nog terug te vinden via http://www.3ml.nl/content.php?id=15. Even naar beneden scrollen en het juiste deel van Freak Out! aanklikken.

bazbo doet sinds 22 november 2009 een radiocolumn rond half 10, rechtstreeks via de telefoon. Hij zit dus meestal in het tweede deel.

=

Belangrijk bericht:
Door omstandigheden is er voorlopig geen uitzending van Freak Out!
Houd deze webpagina in de gaten voor actuele zaken.
Zo gauw het programma weer wordt gemaakt en uitgezonden, zie je hier bericht!

=

Geschiedenis:

2010:

25 april: geen uitzending

18 april: column ‘Meisje op schoot’

11 april: geen uitzending

4 april: geen uitzending ivm Pasen

28 maart: column ‘Ik heb GEEN dwangstoornis!’

21 maart: muziekcolumn ‘King Crimson – Lizard’

14 maart: geen column ivm technische problemen

7 maart: geen uitzending ivm vakantie

28 februari: geen column ivm internetverbindingsprobleem

21 februari: ‘Ik kook – een culicolumn’

14 februari: geen uitzending ivm Vastelaovend

7 februari: column ‘Alcoholcontrole’

31 januari: geen uitzending

24 januari: geen uitzending

17 januari: geen column ivm technische problemen

10 januari: geen uitzending

3 januari: geen uitzending ivm ziekte

2009:

27 december: geen column ivm een feestje elders

20 december: geen uitzending ivm sneeuw en lamgelegd treinverkeer

13 december: column ‘Goed schijten’

6 december: geen uitzending ivm ziekte

29 november: muziekcolumn ‘Meat Loaf – Paradise By The Dashboard Light’

22 november: muziekcolumn ‘Yes!’

• • •
 

23-03-2009

Wanneer Maastricht in bloei staat

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:40

Het felle ochtendlicht doet pijn aan m’n ogen wanneer ik de deur van het café open zwaai. Maastricht staat in bloei. De smalle straatjes die naar het Vrijthof leiden, kennen alle kleuren van de regenboog. De stoeptegels met hun ingetrokken mix van confetti en bier ; slingers dwarrelen in het rond. In mijn hoofd het suizen van drank en flarden van liederen die zonet nog, schouder aan schouder, uit onze dorstige kelen klonken. Een vertrapt masker ligt aan mijn voeten. Het feest is voorbij. Voor deze nacht. Straks gaat alles weer verder. De kinderen, fris en uitgeslapen in hun beste pakjes, lopen dan de muziek weer achterna. Ze kondigen een nieuwe dag aan. Wat nu rest is de stilte, op een enkele vuilniswagen na die dreigend en beslist een eind maakt aan de laatste sporen van wat de nacht ons bracht.

Ik houd me met één hand staande aan de deurpost van het café. De weg naar huis duurt vast een eeuwigheid. Kom op en verman je! Straks is het weer voorbij, dan is het bedje weer gespreid. Ik probeer een stap vooruit te zetten. Dat lukt tenauwernood. Ik wankel als ik een volgende stap naar voren doe en val, als in een stomme film, heel langzaam en doeltreffend op de grond. Iemand schaterlacht. Het is een jonge vrouw, verkleed als bloemkool. Ze heeft het hele schouwspel van achter een lantaarnpaal waargenomen. Ik grinnik beschaamd. De jonge vrouw komt naar me toe en reikt me een hand en helpt me omhoog. Ze is mooi, maar erg dronken. Chantal is haar naam. Ze slaat een arm om me heen en helpt me de laatste meters richting huis. Een hele tijd weet ik niets te zeggen. De stad slaapt en ik slaap stil met haar mee. Zachtjes neuriet Chantal de carnavalsschlager het jaar. Ze port me in mijn zij; ik moet meezingen. Met mijn laatste stukje stem stoot ik wat klanken uit die lijken op de melodie die Chantal steeds harder door de slapende straten van Maastricht zingt.

In het portiek van één van de oudste kroegen in deze stad, slaapt een man met een grote trom voor zich. Chantal stopt onmiddellijk met zingen en legt streng haar hand op mijn mond. Dan laat ze me voor een moment los en gaat gehurkt bij de slapende man zitten. Ze streelt hem zachtjes door zijn bezwete haar en zegt iets tegen hem dat ik niet kan verstaan. Ik wil naar huis. Ik wil niet meer op haar wachten. Het is niet ver meer; ik kan best alleen lopen. De man met de grote trom wordt wakker. Hij geeuwt, wrijft zich door het gezicht en lacht flauwtjes naar Chantal. Ze glimlacht terug en helpt de man omhoog. Hij probeert zijn dikke trom te dragen, maar valt voorover terug op de grond. Ik vind het maar een zielig schouwspel en neem aanstalten om de weg naar huis te vervolgen, maar Chantal is onverbiddelijk. Ik moet bij haar blijven.

De koude lucht daalt op ons drieën neer. Lantaarnpalen knippen automatisch uit. Ik hoor de eerste gezangen van vogels die voorzichtig de stad binnenvliegen op zoek naar iets eetbaars uit de rotzooi die de nacht heeft achtergelaten. Het suist in mijn oren. De eerste frisse man fietst de hoek om. Hij heeft een grote tas op z’n bagagedrager. ‘Zou hij het feest gemist hebben?’ vraag ik me af.  Met een grote zwaai stapt hij van zijn fiets. Hij opent de grote tas en haalt er een stapel kranten uit Ik probeer zijn gezicht te zien. Hij kijkt erg ontevreden. Chantal tikt op mijn rug, de man met de dikke trom die nu stevig om zijn middel gebonden is, fier naast haar. We kijken elkaar een poosje aan en schateren het uit. Kijk ons hier nou staan; wat een schitterend treurig plaatje. Als drie verdwaalden, dwalend in een palet met daarop de klodders van een magistrale avond.

Het Vrijthof. We staan met z’n drietjes op het Vrijthof. Chantal staat heel dicht naast me. Ik knijp zachtjes in haar hand. ‘Laten we dansen!’ roept ze opeens. Ze slaat haar arm om mijn middel en sleept me naar het midden van het Vrijthof toe. De man met de dikke trom strompelt hikkend van het lachen achter ons aan. Hij slaat links en rechts op de strakke tromvellen. De kapot gevallen glazen knisperen onder onze voeten een heerlijke melodie. Zelfs het ongecontroleerde getrom van de man klinkt wonderschoon. Mijn hart tromt mee. Mijn oren suizen alsmaar luider. Chantal tilt me op en houdt me een aantal seconden boven de grond. Ik snak naar adem, kan niet meer stoppen met lachen. Ik voel tranen in mijn ogen opkomen. Ik was haast vergeten hoe het was om verliefd te zijn. Ben ik verliefd? De man met de dikke trom slaat het antwoord. Ja. Ja. Ja. Ja.

• • •
 

De grote dag

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:39

Vandaag is het de grote dag. Het huis van Henry is al dagen versierd en het hele dorp is uitgelopen om hem straks op te halen. Hij is de koning van schutterij ‘Sint Petrus’. Henry schoot die windstille zomerdag, terwijl zijn maten al stomdronken op hun geweren leunden, de laatste broodjes worst van hand tot hand gingen en het publiek steeds luidruchtiger werd. Die zomerdag op het schuttersfeest schoot Henry de allesbeslissende vogel af. Met zijn wijsvinger trillend bij de trekker, het zware geweer rustend op zijn schouder, zijn beste vriend vlak achter hem, wijselijk stil maar met zichtbare zenuwtrekjes rond zijn mond. Één verkeerd schot zou de overwinning voor de ander betekenen. Even keek Henry naar links, naar de andere partij ‘Sint Paulus’. Een venijnige grijns op het pokdalige gezicht van de opperschutter ontsierde al het pracht en praal waarmee hij behangen was. Twee schutters durfden niet te kijken, maar vouwden hun handen en prevelden zachtjes vrome woordjes. Zweetdruppels op het voorhoofd van de jury, zij die de hele dag niet mochten drinken en een kruis zouden slaan wanneer dit schouwspel eindelijk voorbij was. Doodstil was het, niemand durfde geluid te maken, bang de magie van de laatste schoten voorgoed te verknallen en de kans op gratis consumptiebonnen van de schutter mis te lopen. Iemand van ‘Sint Paulus’ moest niezen. Kwade gezichten, sissende slangentongen. “Afleiding, pure afleiding,” riep een dorpsgenoot dronken, maar beslist. Henry concentreerde zich weer op de loop van het geweer. Hij sloot zijn ogen, dacht aan de heilige maagd Maria, kneep één oog dicht, deed het ander wagenwijd open en schoot. Raak! Als een groep kinderen die eindelijk de bestemming van het schoolreisje bereikt heeft, klonk het gejuich van de dronken groep mannen en vrouwen. Veel tijd om na te denken had Henry niet, en waarom zou hij ook? Hij werd letterlijk op handen gedragen, iedereen riep z’n naam. Voorlopig hoefde hij zich nergens druk om te maken. Tot diep in de nacht danste hij met zijn Marie. De vrouw die bij elke aangelegenheid dat haar man moest optreden als schutter aanwezig was. En dat vond ze niet erg; het hoorde erbij. Haar vriendinnen klaagden wel eens dat ze nooit meer langs kwam omdat ze samen met Henry op pad moest, maar dan haalde ze onverschillig haar schouders op en was ze stiekem maar wat trots op haar man en wilde hem met alles wat ze maar in zich had dienen.

Henry drukte haar dicht tegen zich aan toen de laatste plaat door de boxen knalde in de feesttent en de dienstdoende bardames de stuk gevallen glazen bij elkaar stonden te vegen. Midden in de kots en bloedplassen schuifelden twee mensen die al langer dan dertig jaar met elkaar getrouwd waren. Al zijn vrienden waren getrouwd, maar velen ook gescheiden of in de gaten gehouden omdat ze met hun poten niet van al die jonge prinsessen op de praalwagens konden afblijven. Henry daarentegen was een en al trouw aan zijn vrouw. Marie wist dat. Op weg naar huis, begeleid door een fanfare met daarin slechts enkele overgebleven, nuchter wordende leden, vertelde Henry voor de eerste keer aan zijn vrouw dat hij van haar hield. Écht van haar hield. Hij zocht op de tast in zijn door alcohol benevelde brein naar woorden die hij werkelijk meende. En ofschoon Marie hem door de herrie van de fanfare haast niet kon verstaan, wist ze dat dit een ontzettend belangrijk moment was. Misschien wel het laatste mooie moment. Ze liepen samen de nacht in, zagen samen de maan in het hemelrijk zwiepen. Wat waren ze dronken.

Wat er allemaal bij komt kijken wanneer je een vogel hebt afgeschoten! Marie kon het allemaal niet meer bijbenen en vroeg hulp aan haar zussen. Zij stonden te springen om maar iets voor het koningspaar te kunnen betekenen. In de cafés was Henry al een tijd niet meer te zien, hij moest zich opladen voor de grote dag. Maar men sprak wel over hem. Het moment van het verlossende schot werd uitvoerig en steeds sterker aan elkaar verteld. Totdat de kastelein er genoeg van had en de dronkebroeders foto’s liet zien van zijn eigen schuttersgilde. Het inmiddels ter ziele ‘Sint Sebastianus’. Door slecht geldbeheer en vage, door drank benevelde avonden kwam die schutterij aan een bizar einde. Van de ene op de andere dag werd op het gemeentehuis de schutterij uit de officiële lijst geschrapt, zonder enig protest van de direct betrokkenen. Dat Henry, die vroeger regelmatig tegen ‘Sint Sebastianus’ moest schieten, nu ook nog koning was geworden, kon de kastelein niet verkroppen. Midden in de nacht, de dag voor het grote feest, brak er dan ook een knokpartij in het café uit, nadat enkele uit balans gebrachte stamgasten met barkrukken op de hoofden van fanatieke Sint Petrus aanhangers begonnen in te slaan. Ze hadden genoeg van de messiasverschijning die ze Henry noemden.

Henry sliep slecht die nacht. Had hij wel aan alles gedacht? De buurtvereniging had hem zo goed geholpen. In de hele straat, op elke lantaarnpaal was een foto van hemzelf geplakt. De lokale omroep had hem wel drie uur lang geïnterviewd; hij werd nog emotioneel toen het over zijn vader ging. Zijn vrouw, zijn lieve vrouw, had samen met haar zussen gekookt en gepoetst. Het huis rook naar vers gebakken vlaai. Niets over het hoofd gezien, aan alles gedacht. Morgen vroeg op en naar de kerk. Daarna feest, drank en misschien wel een toespraak van de burgemeester. Welke gekke sketches zullen er bedacht zijn? Met zijn hoofd vol verwachtingen en een arm om Marie geslagen, viel Henry in slaap.

Het is half vijf in de vroege ochtend als Henry wakker wordt. Het is vandaag de grote dag en hij kan niet meer slapen. Maar hij durft niet op te staan. Hij voelt zich weer als een klein kind dat straks jarig is. Marie slaapt diep en zucht zwaar. Buiten schreeuwt een dronken fan. ‘Henry…wakker worden…wakker worden Henry’.

Hij stapt uit bed, zet het slaapkamerraam op een kier en zwaait naar de dronken man beneden. ‘Ga toch naar bed, mafkees’, roept Henry lachend. ‘Ik zie je morgen wel in de kerk’. Hij sluit het raam en kijkt nog eens naar Marie die nergens van wakker wordt. Natuurlijk, hij houdt van haar, al eeuwen lang. Maar wat is het lang geleden dat ze nog eens met elkaar naar bed zijn geweest. ‘Vind ik dat erg?’, vraagt hij zich af. Hij zou haar kunnen wakker maken, even met elkaar zoenen, misschien wel meer. Maar zijn gedachten dwalen af naar straks. De kerk, de zalige woorden van pastoor, het feest en de drank. Het heeft volgens Henry geen enkele zin meer om terug naar bed te gaan. Hij sluipt naar beneden. Daar zet koffie en doet zijn computer aan. Even kijken of er nog mail is. In zijn postvakje verschijnen wat advertenties, een enkele verlate felicitatie en notulen van de schutterijvergadering. Het klokje op de computer staat op vijf uur. Nog precies vierenhalf uur voordat de fanfare hem straks feestelijk komt ophalen. Als hij zijn ogen sluit kan hij het trompetgeschal al horen.

Henry weet wat er te koop is op internet. Op kantoor laten collega’s hem regelmatig kennismaken met sites met daarop afbeeldingen waar hij nooit over durfde te dromen. Hij voelde zich er nooit gemakkelijk bij, zelfs een beetje beschaamd. Marie was zijn enige, daar kwam niemand tussen. Ook geen smakelijke dame op plasmascherm. ‘Het is pure verveling dat ik nu op een porno site zit’, denkt Henry wanneer hij voor het eerst in zijn leven een pornofilm zit te downloaden. In de keuken pruttelt de koffie. Henry snijdt stiekem een stuk versgebakken vlaai af, schenkt koffie in zijn lievelingsmok en loopt terug naar de woonkamer. Daar verschijnt op het beeldscherm van zijn computer een heftige pornofilm. Twee jonge meisjes spelen met een student. De beelden zijn schokkerig, wellicht opgenomen met een mobiele telefoon. Het wordt ruiger, harder, gillend komen ze klaar. Van schrik morst Henry wat koffie op zijn pyjama. Hij zet het geluid snel uit . Maar hij wil veel meer zien. En dat kan, want overal word je netjes doorgesluisd naar het volgende avontuur. Dikke negerinnen, net geen achttien, veertien mannen op één vrouw, striptease, alles gratis te downloaden en binnen enkele seconden op het scherm. Henry vergeet zijn schaamte. Voelt een enorme opwinding. De tijd tikt. Af en toe brengt de trouwfoto hem terug bij een onbehaaglijk gevoel. Maar hij schudt eveneens de schaamte van zijn schouder en zoekt door. ‘Waarom wil ik dit zien?’ vraagt Henry zich af. ‘Omdat het nooit kon’, antwoordt hij zelfverzekerd. Het is vast gezond.

Het is acht uur als de wekker gaat. Marie wordt knorrig wakker. Maar als ze beseft dat dit, na het trouwfeest, de belangrijkste dag uit haar mans leven zal worden, staat ze vrolijk op. Ze lacht als ze ziet dat Henry al wakker is. Beneden is Henry de tijd vergeten. Hij is zelfs vergeten dat hij de koning is. De huldiging, de kerk, het kan hem gestolen worden. Alle playmates vanaf de jaren tachtig gearchiveerd op het net! Zelfs onder zijn matras verstopte hij in dertig jaar huwelijk nooit een smerig blaadje. De eerste lichtstralen vallen door het stoffen gordijn. Een krant valt in de bus. Henry hoort het niet. Marie loopt naar beneden. Ze haalt de krant uit de brievenbus, maar vindt de koppen zo treurig. Morgen zal ze het abonnement opzeggen. Wanneer ze de kamerdeur opendoet, ziet ze Henry hijgend, met zijn pyjamabroek naar beneden gestroopt masturberen voor het scherm. Hij hoort haar niet, ook niet het snikken en de verontwaardiging.

Marie schreeuwt. Henry schrikt, wilt de smerigheid van het scherm wegklikke en laat de koffiemok op de grond vallen.Die breekt in duizenden stukjes. Net als het hart van Marie. Vol woede stort ze zich in de armen van Henry. Snotterend probeert Marie haar gedachten te ordenen. Ze houdt nu een man vast die haar doet walgen. Henry weet niets te zeggen. Of toch wel? ‘Ik deed het…omdat ik niet wist wat het is om…’, maar Marie laat hem niet uitpraten. Ze rukt zich van hem los. Ze denkt aan alle diensten die zij ooit voor hem heeft bewezen. Het thuisblijven wanneer hij op stap ging. De maaltijden die zij zorgvuldig kookte. Uren die ze vrijmaakte voor zijn vereniging, zijn vrienden, zijn leven en plezier. En al haar vriendinnen die haar hadden gewaarschuwd; ze had haar schouders opgehaald, zich er nooit iets van aangetrokken. En diezelfde man had nu haar hart vertrapt. Was de hele nacht in haar ogen vreemdgegaan. Het enige dat Henry uit kon brengen was ‘dat hij niet wist hoe het was om…’.

Het is negen uur in de ochtend als Henry in zijn koningspak en met rode ogen zit te wachten op de fanfare die hem komt halen. Marie is naar de badkamer om zich op te maken, maar ze is er met haar hoofd niet bij. Wat ze zag blijft kleven. Haar handen trillen als ze naar de lipstick grijpt. De fanfare is slechts enkele straten van het huis van Henry verwijderd. Hij denkt alleen nog maar aan zijn Marie en de naakte meisjes van het internet. Zijn medailles rinkelen koninklijk, maar hij voelt zich een nar. Marie komt naar beneden, stampvoetend, nog steeds jankend. Hij staat op, wil haar in zijn armen sluiten, het goed maken. De Heer zal hem later wel vergeven. Marie loopt de deur uit, richting het schuurtje. De fanfare komt alweer een straat dichterbij. Henry denkt aan zijn vader. Wat zou hij trots zijn geweest op hem. Maar zijn gedachten slaan weer af richting de schaamte. Zou het ooit nog goed komen met hem? Marie komt terug de keuken in met het geweer, waarmee Henry de vogel afschoot, ferm in haar handen gedrukt. Ze loopt in één ruk naar de huiskamer. De koning wil het geweer in ontvangst nemen, zijn troef, zijn instrument dat hij dadelijk nogmaals zal laten zien aan zijn vrienden. Maar Marie staat in gevechtshouding en schiet drie kogels in zijn buik. Het bloed spuit uit zijn ingewanden, terwijl op de achtergrond de eerste maten te horen zijn van de kapel in de vroege ochtendzon.

• • •
 

Solo concert

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:37

De vloer komt in beweging en schokt hevig. Ik zie het landschap aan me voorbij razen. Grasvelden, een akker, dan weer wat water. Het volgende station is Eindhoven. Vier jaar geleden probeerde ik in deze stad mijn opleiding voort te zetten, maar het bier in de talrijke kroegen smaakte me beter dan de in mijn ogen overbodig opgelegde kennis van professoren die de lagen stof van hun ziel kuchten bij iedere zin die ze zo tergend traag uitspraken. Ik sliep in deze stad op de bank van menig ex-vriendin. Ik kreeg het voor elkaar dat ze me telkens binnen lieten. Ook al waren er zoveel borden gesneuveld en was er zoveel pijn geschied. In de luwte van de ochtend werd ik weer op straat gezet omdat ze moesten werken of studeren. Met een baard van drie dagen, vuile kleren en weinig geld op zak at ik brood in de verwarmde stationshal en miste ik alweer mijn enige doel: te worden wat van me werd verwacht.

Stop. Alles staat stil. Deuren zwaaien moeizaam en krakend open.

Ik zit hier alleen. Er stappen wel mensen in, maar ze verdwijnen allemaal naar andere gangen. Op andere stoelen of banken. Een aan stukken gescheurde krant ligt aan het voeteneind van het bankje naast mij. Er staan smerige voetsporen op. Toch kan ik nog ontcijferen wat er staat geschreven. Het dringt niet tot me door. Elk woord zweeft in het rond, vindt geen aansluiting in een zin en blijft zeurend, nutteloos in mijn kop spoken.

Alles komt weer in beweging. Ik kijk uit op het perron. Buiten rennen mensen een stukje mee. Er zit een slecht geklede vrouw te knikkebollen op een bankje. Mijn ogen volgen haar tot ik haar niet meer kan zien. Iemand komt mijn kaartje controleren. Ik vergeet meteen z’n gezicht. Ik zie geen grasvelden, geen akkers en al helemaal geen water meer. Hier en daar een huis of een flat waar licht brandt. Maar het is vooral de vroege avond die buiten alles zwart kleurt. Mijn ogen zijn zwaar; ze vallen dicht.

Station Tilburg. Als ik uitstap slaat meteen de kou om me heen. Ik knoop mijn jasje helemaal tot boven dicht en loop met opgetrokken schouders en mijn handen diep in de jaszakken gestopt richting het centrum. De mensen lachen. Ze dragen grote tassen vol cadeaus. Het ruikt naar verse oliebollen en suikerspinnen. Ik twijfel of ik nog wat zal eten in een van de gezellig cafés die het winkelende publiek naar binnen zuigen of om meteen naar de poptempel te lopen. Ik kies voor het laatste.

Ik zie bekenden. Ze zwijgen allemaal. Eens per jaar zien we elkaar omdat we toevallig van dezelfde muziek houden. Af en toe durf ik te knikken naar iemand  met wie ik vorig jaar nog stond te drinken. Maar ik ben bang dat ze me niet meer herkennen. Een grote golf van slenterende mensen begeeft zich naar de ingang. Ik zwem mee en alweer wordt er een kaartje gecontroleerd.

T-shirts kosten dertig euro per stuk; de laatste cd is hier vijf euro goedkoper dan bij mijn vaste platenboer. Ik besluit de cd te kopen en wat muntjes in te slaan voor straks. Er staat een flinke rij bij de muntautomaat. De man voor mij draagt een tour-shirt van de band die ik straks ga zien. Het is de tour van de eerste plaat, heel veel jaren geleden. Hoe graag had ik ze toen gezien! Als ik aan de beurt ben en mijn geld in de gleuf stop, kletteren er vier gele muntjes in het vakje. Dat zijn dan twee grote emmers bier voor vanavond. Mijn vaste plaats aan de bar blijkt bezet. Je kunt hier prima het concert volgen, bier drinken en eventueel flirten met de dienstdoende bardame. Dat deze plaats nu is ingenomen door een erg jonge kerel met jeugdpuistjes, doet me alleen maar goed. Tijd is alles en het heeft me ingehaald. Ik dien me elders te vermaken in de grote zaal. Steeds meer mensen zoeken een goede plaats voor het podium. De pauzemuziek is prettig en herkenbaar. Mijn eerste emmer bier bestel ik aan de bar. Op het moment dat ik twee muntjes overhandig, dooft het licht in de zaal en begint de muziek vanaf het podium te spelen.

Ik zweef. Tussen meezingers en spannende improvisaties. Het geluid van een oude mellotron rommelt in mijn onderbuik. Een lage, zachte toon borrelt omhoog en leidt tot een gigantische explosie. Bijna orgastisch is de beleving van deze zuivere kunst. Mijn lievelingslied voor de toegift roert me tot tranen. Een jong stel houdt elkaar stevig vast. Ze zoenen. Mensen schreeuwen om meer. De muziek heeft ze de hele tijd in hun greep gehouden; de ontlading is massief. De zaal trilt. Ik beef. Het zweet loopt langs mijn rug naar beneden. Ik heb nog twee muntjes voor een emmer bier. Door de mensenmassa probeer ik mij een weg te banen naar de bar. Een prachtige studente helpt me aan drank. Ik zeg vriendelijk ‘dankjewel’, en loop naar de zijkant van het podium. Nu kan ik alles erg goed zien. De toegift is bezig. Een episch stuk van twintig minuten, dat alle kanten uitschiet, raast door de zaal. En verstopt zich in de oren en de harten van de mensen. Elke slok van mijn bier smaakt fris. Dan zie ik een fan eenzaam en alleen in de zaal staan. Ook hij heeft niemand om vast te houden. Hij draagt een tour-shirt van de periode waarin ik de band graag had willen zien. Het is de man die voor me stond bij de muntmachine! Ik moet me inhouden om niet naar hem toe te gaan en om hem niet te omhelzen. In plaats daarvan concentreer ik me op de laatste minuten van het muziekstuk. Het einde is voorspelbaar als altijd, maar nog even indrukwekkend als toen ik het voor het eerst hoorde. In Eindhoven was dat. Ergens midden in de nacht. Het was die nacht dat ik besloot dat ik nooit meer zou studeren. Dat ze allemaal kapot mochten vallen. Het effect van de laatste maten was als een donderslag bij heldere hemel. In één teug klokte ik het laatste restje bier naar achteren.

Als eerste sta ik weer buiten de poptempel. Twijfelend. Zal ik nog wachten op de man met dat gave t-shirt? Maar om niet alweer de weg kwijt te raken moet ik op pad. In het centrum is iedereen al naar bed. Enkele kroegen zijn nog open. Iemand zingt luid in het portiek tussen twee grote winkelketens. Wolken drijven voor de maan. Af en toe valt er licht op mijn pad. De muziek dendert maar door in mijn hoofd en verwarmt nog immer mijn ziel. Ik houd alle noten bij elkaar. Ik ken ze uit mijn hoofd. Spreken kan ik niet; zingen wel. Zachtjes neurie ik de laatste minuten van het epische stuk.

Alles komt weer in beweging. Het schokt en dendert maar door. We staan nog even stil. Vijf, acht, vijftien minuten. Station Eindhoven. Dronken supporters gunnen mij geen eenzaamheid. Ze schreeuwen platte liederen en vragen mij waar ik vandaan kom. Ik geef ze zacht antwoord. De dronken supporters schenken geen aandacht meer aan me. Ik zie hoe ze met elkaar op de vuist gaan. Ze vliegen door de coupé. Een belachelijk gezicht. De controleur grijpt in, maar durft geen ferme actie te ondernemen. Zodra de controleur verdwijnt, begint het gejoel en gevecht weer opnieuw. Ik word er zenuwachtig van. Station Roermond. De dronken supporters stappen niet uit. Even overweeg ik om naar een andere coupé te gaan. Maar mijn ogen worden weer zwaar. En ze vallen dicht.

Met een grote vriendengroep gaan we naar Pinkpop. Ik kan het gras nu nog steeds ruiken. Kula Shaker speelt de sterren van de hemel en ik ben voor het eerst dronken. Mijn haar is lang en hangt voor mijn ogen. Door mijn licht blonde haren zie ik mijn meisje dansen. Ze gaat helemaal op in de muziek. Ik heb zin om haar vast te houden, maar we willen niet al te klef overkomen. Natuurlijk niet. We zijn zestien. Het jaar later gaan we naar Lowlands. Voor het eerst drink ik een fles wodka op in mijn eentje. Mijn haren zijn korter, mijn meisje is al maanden met een ander. Ik waggel over de camping en val over een paar scheerlijnen. De maan bungelt aan de hemel. Overal is muziek te horen. Mijn vrienden zoenen onbekende meisjes. Ik val uitgeput in het gras en word pas uren later wakker. Zoveel concerten gezien, zoveel vergeten. Verzopen verleden, geen duidelijke foto of ansichtkaart in mijn bezit. Alles is kwijt, maar ik ben tevreden. Geen enkel berouw voor zoveel kinderachtigheid.

Station Sittard. Ik schrik wakker. De dronken supporters staan buiten op het perron te gillen. Ik stap uit en trek alweer mijn schouders omhoog en stop mijn handen in de jaszakken. Op het perron staan, naast de supporters, drie jonge meisjes te wachten. Ze hebben het koud, maar stralen gelukkig. Dit is vast hun eerste avond uit. Ook zij zijn naar een concert geweest. Ze houden de gekochte merchandise stevig vast. Ik verlaat het perron en loop richting mijn huis. Dit is mijn stad niet. Iedereen slaapt al. De kroegen zijn al uren gesloten en bij de snackbar valt haast niets meer te halen. Nog drie straten en ik ben thuis. Ik heb geen zin om wat te zingen. Ben veel te bang iemand wakker te maken. Ik lach zacht om zoveel schaamte. Maar het lachen vergaat me snel wanneer ik bedenk dat het morgenvroeg weer wennen zal zijn zonder behaaglijke hoofdpijn, de smaak van de kater, op te staan.

Dit is mijn huis. Ik steek mijn sleutel in het slot, veeg mijn voeten, smijt de sleutel op het dressoir en stap de kamer in. Daar staat mijn bed. Het dekbed opengeslagen. Ik poets mijn tanden en bekijk mijn gezicht. Dan trek ik mijn kleren uit en stap in het koude, koude bed.

• • •
 

De storm

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:34

Ik ben nat omdat het buiten regent. De kamer ziet blauw van de sigarettenrook. Blijkbaar hebben werkers hier gepauzeerd tijdens het renoveren van de overloop. M’n huisgenoten waren allemaal al vertrokken. Iemand had nog een briefje op mijn deur geplakt, met daarop de vraag wat er met mijn spullen moet gebeuren. Gelukkig heeft niemand zich daar verder om bekommerd, want zover ik kon inschatten stond alles nog in mijn kamer. De flinke stapel post, die tijdens mijn afwezigheid in opdracht van de huisbaas werd bewaard, ligt netjes met elastiek bij elkaar gebonden op het bureau. Ik til het pakketje op en check vluchtig of er iets belangrijks tussen zit. Behalve wat incassobrieven lijkt niemand daadwerkelijk in mij geïnteresseerd. Veel reclame, giroafschriften en een verkeerd bezorgde vakantiekaart. Ik stop de incassobrieven in mijn jaszak en ga op de rand van het bed zitten. Het beddengoed ligt nog slordig opengeslagen. Precies zoals ik het die bewuste middag had achtergelaten. Ik pak het kussen en ruik er voorzichtig aan. Een muffige geur herinnert me aan de ongezonde dagen die ik hier gesleten heb. Ik probeer de jaren van mijn verblijf te tellen, maar moet telkens opnieuw beginnen. De tijd heeft hier voorgoed stilgestaan. Omdat ik me niet thuis voel, besluit ik de kamer weer te verlaten.

De spullen mogen worden weggegooid ; ik hecht niet meer aan de sporen van wat ooit is geweest. De archeoloog van mijn eigen rotzooi, die ik zorgvuldig heb opgebouwd in de afgelopen jaren, is definitief gestopt met graven. Weg met de overpeinzingen, het schuldgevoel. Ik sta op, loop naar de kamerdeur en kijk niet meer om. De trap naar beneden, naar de voordeur, lijkt langer dan normaal. Ik twijfel nog even, zucht dan eens diep en tel rustig tot drie. Één voor wat achter mij ligt, twee voor de toekomst, drie voor de angsten wat dit met zich meebrengt en go, go, go! Elke trede die ik afdaal naar het zonlicht, kraakt onheilspellend onder mijn voeten. Beneden vliegt de deur open. Ik schrik en sta even stil. De werkers zijn inmiddels weer terug van hun lunch-break. Ze schreeuwen, bulderen van het lachen, boeren en kennen geen schaamte. Ze groeten mij niet eens, lopen langs me de trap weer op naar de overloop. Ik weet niet eens wat ze precies komen doen. Mijn huisbaas heb ik al in geen maanden meer gesproken. Het mag een wonder heten dat hij mijn spullen nog niet aan de straat heeft gezet tijdens mijn afwezigheid. Iemand zal de rotzooi wel weer voor me hebben opgelost. Ik ril bij de gedachte dat ik alweer niks alleen kan. De afhankelijkheid werkt verslavend en tegelijkertijd beklemmend. Vooral omdat ik zoveel dank verschuldigd ben aan diegenen die mijn leven weer op orde proberen te brengen. Maar ik kan ze niet danken; ik haat ze. Ik houd me stevig aan de leuning van de trap vast als ik heel voorzichtig naar beneden loop. Mijn kop zit nog vol medicijnen en mijn evenwicht is niet al te best.

De laatste tree voelt als een verlossing en wanneer ik de deur open zwaai, het licht weer in mijn armen sluit en als ik de eerste smerige uitlaatgassen van het opeengestapelde autoverkeer ruik, voel ik me zowaar gelukkig. ‘Niet te snel, Tim. Probeer eerst eens een aantal stappen voorruit te komen,’ bedenk ik me. De duizeligheid verdwijnt langzaam. Het huis waar ik zo-even was, ligt aan een druk kruispunt. Ik zie de stoplichten wel, maar de kleuren niet. Groen, oranje, rood, niets van dit al kan ik waarnemen. Ik ben vreselijk bang om over te steken. Er wordt luid getoeterd. Mensen kijken me lachend na. Ik waag het erop, steek de straat over en hijgend van de inspanning ga ik zitten op de stoeprand.

Ik graaf een groot kanaal op het Scheveningse strand. Vanaf de zee naar de duinen. Ik denk dat kinderen in Afrika nu voldoende water krijgen. De hele middag ben ik niet in zee geweest. Zeker tien keer heeft mijn moeder gevraagd of alles in orde was. Ze begrijpt maar niet dat ik me de hele dag heb kunnen vermaken met enkel een schep en emmer. Het water komt steeds dichterbij. Nog een paar minuten en het water zal door het grote kanaal naar de andere kant van het strand stromen, richting de afvoerputjes, linea directa naar Afrika. Een man met een witte hoed en veel te lange zwembroek neemt mijn werkzaamheden, vanaf zijn drijvende rubber bootje in zee, waar. Hij komt naar me toe gevaren, stapt met zijn plompe voeten uit de boot en spettert flink veel water in mijn gezicht. Zonder zich daarvoor te excuseren vraagt de man in een zwaar Amsterdams accent wat ik aan het doen ben. Ik leg uit dat ik voor het eind van de middag de kinderen in Afrika van water wil voorzien. De man lacht. Eerst vriendelijk, daarna heel gemeen. Hij legt me uit dat zoiets natuurlijk helemaal niet kan en duwt z’n smerige hand in mijn gezicht, waardoor ik midden in mijn net gegraven kanaaltje val.

De mensen op straat stinken. Thuis slaan ze vast hun kinderen of vrouwen. Ze schreeuwen allemaal door elkaar. Vulgaire groeten worden uitgewisseld; een kind valt hard op haar knietjes. Het arme wicht huilt hartverscheurend, maar het blijft liggen waar het viel. Met stevige passen probeer ik me een weg te banen naar het treinstation. Daar zal ik proberen een reis te boeken naar zee. Ik wil midden in de nacht alleen het ruisen van de zee horen. Af en toe het geronk van een motorboot, maar verder helemaal niets. De golvende stilte van een verlaten strand. De geur van zout en verse vis. Hier op straat ruikt het naar wiet en shoarma. Bedorven zielen proberen onder toeziend oog van het winkelend publiek elkaar de kop in te slaan en in het café is iedereen verzopen en bezopen. Of ze zitten buiten in hun betonnen tuintjes en kijken kwaad en ontevreden. Het liefste zou ik één voor één hun koppen willen inslaan. Ik wil met een soldeerbout brandplekken aanbrengen op hun lompe lichamen. Doodschoppen, fileren, met hun bloed de muren beschilderen. Ik zal om niemand een traan meer laten. Ook niet om diegenen die mij helpen, telkens weer. Het heeft geen enkele zin, niemand wordt er beter van. Maar altijd krijg ik weer een arm om mijn schouder of een brief met lieve woorden. Ik wil het niet meer! Ze kunnen allemaal dood vallen. Ze stoppen me uiteindelijk in het ziekenhuis, achter slot en grendel. Met verschillende kleuren pillen in mijn mik moet ik slapen van de dokter. Alleen maar slapen. Ik mag niet meer denken. Nooit meer denken. Het station ligt niet ver meer van dit verderf vandaan, maar ik krijg het steeds meer benauwd. Toch wil ik naar zee. De wilskracht is sterker dan mijn lichaam. Ik sleep me voort.

De badmeester is woedend. Kan ik dan helemaal niets horen onder water, luidt zijn retorische vraag. Ik kan simpelweg de ringen niet opduiken. Alle andere kinderen wel; zij staan al zeker tien minuten aan de kant. Ik voel een koude haak onder mijn buik. De badmeester takelt me omhoog en zet me op de kant bij de rest. Ze krijgen allemaal vrijaf. Één voor één springen ze het grote bad in waar ik nog niet in mag komen. Ik moet de ringen opduiken. De badmeester schopt me het water in. Een flinke pijn schiet door mijn rug, maar ik zal niet huilen. Ik mag niet huilen. Nooit meer huilen. Na twintig minuten geeft de badmeester het op. Nadat ik me heb afgedroogd en aangekleed, wacht ik buiten met natte haren op mama. Ze vraagt hoe het ging. Ik lieg en zeg dat ik vandaag een compliment heb gekregen van de badmeester. Zij gelooft me niet. Hij heeft al naar huis gebeld.

Hoe ik in de trein gekomen ben, weet ik niet. Zeker een uur is er uit mijn geheugen gewist. Ik check meteen mijn zakken of ik wel een kaartje heb gekocht. Het blijkt in orde te zijn. Er zit niemand anders in de trein. Het is dan ook al erg laat. Buiten is het pikkedonker, zodat geen enkel landschap me kan ontroeren. Neutraal zwart is wat ik zie, met hier en daar een kleine lichtflits. Ik voel me rustig en op m’n gemak. De dag dat ze me zijn komen halen terwijl ik nog lag te slapen, was precies zo’n dag. Alles was zwart, rustig en neutraal. Met veel geweld werd mijn deur opengerukt door een politieagent en een verpleger. Buiten stond de ambulance met gillende sirenes klaar. Om me heen was alles netjes in orde, maar op de gang lagen knuffels. Beren, olifantjes, honden, katten. Allemaal opgesneden en met ketchup besmeurd. Ik kreeg niet eens de gelegenheid om me te douchen, moest meteen meekomen naar het ziekenhuis. Wat is er daarna met mijn knuffels gebeurd? Ik zou het waarlijk niet weten. De mobiele telefoon brandt in mijn zak, maar ik zal niemand meer bellen. Wie is precies de schuldige van dit alles? Er valt niemand aan te wijzen. Het is een samenzwering van mensen die mij liefhebben. Maar waarom zouden ze mij liefhebben als ik zelf te laks ben om daadwerkelijk mijn leven te veranderen?

De trein stopt enkele meters voor de duinen. Op de tast glijd ik de duin af richting het grondoppervlak. Het zand voelt enorm koud aan mijn billen. Heel even huiver ik. De zee klinkt ruiger dan ooit. De zee fluit, sist, kolkt en beeft. Het strand is verlaten. Enkel en alleen een schepje steekt eenzaam en verlaten in het zand. Ik raap het op en maak een klein kanaaltje richting de duinen. Straks, als het vloed is, hebben de kinderen in Afrika weer water. Het schepje steek ik in mijn jaszak. Ik beweeg me langzaam naar de zee, sluit mijn ogen en snuif de geur van zoutwater diep op. Kinderen schreeuwen in mijn hoofd ; pas gevonden schelpen worden door vader terug in zee geworpen. De kinderen willen ijs. Een haring ligt met uitjes in een viskar te rotten. Dan voelen mijn voeten nat. Ik sta in het koude water. Het water kruipt omhoog richting mijn kruis. Nog steeds het geluid van schreeuwende kinderen in mijn kop. Ik moet ringen opduiken; een steek in mijn rug. Mama komt me zo ophalen en dan is vast alles weer goed. Mijn borst voelt koud; het zeewater staat tot mijn nek. Ik zucht eens diep en loop een meter verder. Het geschreeuw komt dichterbij. En dan de rust. En de rust. En…

• • •
 

07-08-2008

Avondschool

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 20:52

Beeld: een dronken leraar, groep acht. Hij zit aan tafel met drie vrijwilligers van het afscheidskamp. Er staan vier legen wijnflessen op tafel. Een van de vrijwilligers van het kamp is een politieagent en de vader van Mariska. Mariska is een meisje uit mijn klas met een sterke bril en twee stengels van benen. Niemand durft Mariska te pesten, want haar vader is politieman. Hij is net als onze leraar nogal dronken. De andere twee vrijwilligers kijken ons ietwat beschaamd aan als we de kantine binnenkomen. We kunnen niet slapen van de herrie die ze maken. In de kantine is net door ons nog een feestje gegeven met veel discolampen, meegebracht door Eddy, want ze hebben thuis een elektrozaak. Eddy mocht daarom de discolampen meenemen, want die werden toch niet zo goed verkocht. Onder strenge voorwaarde dat hij er voorzichtig mee om zou gaan. Iedereen die te dicht in de buurt van de lampjes kwam die avond, kreeg een vernietigende blik of een duw van Eddy. Ik mocht Eddy niet zo. Vond hem een omhooggevallen lul. Nu nog steeds trouwens. Hij heeft nochtans zijn eigen zaak in het dorp waar ik geboren ben. Een zaak in elektrotechniek.

Terug naar de kantine. Lege zakjes chips liggen nog op de grond. De stereo staat aan en op de achtergrond horen we muziek die niemand van ons heeft meegebracht. De grond onder onze voeten voelt koud aan. We hebben geen sokken aan. Twee van mijn beste vrienden, die me het hele schooljaar trouw zijn gebleven, staan naast me. Met slaperige ogen beklagen we ons bij de adolescenten. Giechelend schreeuwen ze overdreven kwaad dat we naar bed moeten. Ik snap dat het een grap is, maar vind het niet prettig. Ik weet even niet wat ik moet doen. Verontwaardigd, braaf terug naar de slaapzaal, of met ze mee lachen? Ik wil naar huis, de week heeft lang genoeg geduurd. De dronken politieagent staat op en komt wankelend dichterbij. Zou Mariska hem ooit zo gezien hebben? Hij kijkt ons alle drie streng aan. Z’n ogen zijn rood, z’n politiepak zit vol vouwen en stinkt een beetje naar rook. Hij komt steeds dichterbij en begint me te gebaren om mijn oor tegen zijn mond te leggen. “We gaan even een blokje om. Dat doet je vast goed, frisse lucht,” zegt hij. Ik walg van de drankgeur, maar laat het niet merken.

We lopen in het bos dat grenst aan het scouting gebouw waar we al een hele week verblijven. Het begint ochtend te worden. Het schijnt allemaal mooi te wezen als ik de agent moet geloven. Volgens hem heeft God zo de wereld in gedachte gehad toen-ie hem schiep, of zoiets. Ik heb het alleen maar koud, want ik ben meteen meegegaan zonder jas aan te trekken. Ik sta in mijn pyjamaatje midden in het bos en ik heb alleen maar oog voor de agent. Dit klopt niet. Mijn vriendjes zijn meegegaan, maar zeuren dat ze terug willen. Ik luister niet naar ze, maar voel me ellendig en alleen. Zou mijn vader al wakker zijn? Voor een moment ruik ik warme broodjes en verse jus.

Agent laat een boer en excuseert zich. Mijn vriendjes lachen niet eens, maar kijken chagrijnig naar me. “Wanneer gaan we terug?”, fluisteren ze overdreven. Ik haal mijn schouders op. Ik maak een gebaar richting mijn hoofd, waaruit mijn vriendjes kunnen opmaken dat ik de agent nogal gestoord vind. Ze moeten zich alle twee erg inhouden om niet in lachen uit te barsten. De agent zegt ons dat we moeten zitten in een kringetje. We doen wat hij zegt. Een hele tijd gebeurt er niets. Soms moet een van ons niezen. Het is vreselijk koud en onaangenaam in dit bos. Niemand van ons durft wat te zeggen. Ik zucht eens diep, in de hoop iets te kunnen veroorzaken. Maar het blijft nog langer stil en ik kan het niet meer aan.

Naast mij hoor ik diep gesnurk. Hij is in slaap gevallen. Ik stoot een van mijn vriendjes aan. “Zullen we nu weggaan?”, fluistert-ie stil, bang om hem wakker te maken. Het lijkt een idioot plan, maar ook ik krijg plotseling zin om hem hier gewoon achter te laten. We kijken elkaar een voor een aan. Niemand durft op te staan.

We zijn terug in het scoutinggebouw. De kantine is leeg. Alle flessen drank staan er nog. In de hoek, bij de weekendtas van de politieagent, zie ik nog meer lege flessen. Als ik terug de slaapzaal inloop, zit Eddy rechtop in zijn bed. “Hangen mijn discolampen er nog?”, vraagt-ie snel. Ik geef geen antwoord, maar gebaar hem dat het oké is en kruip mijn bedje in. “Mariska huilt al een tijdje”, zegt Eddy. Ik luister aandachtig en hoor inderdaad zachtjes snikken. Mariska ligt aan de andere kant van de slaapzaal. Ik durf niet naar haar te kijken en probeer in slaap te vallen. Morgen gaan we naar huis. Eindelijk.

• • •
 

30-07-2008

Tong

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 23:29

Maak me volwassen!”, riep ik tenslotte uit. Twintig hele lange minuten wachtte ik al op een tongzoen van haar. In godsnaam, geef me dat kleverige lapje spier. Hier en nu! Ik was het wachten meer dan zat.

Ze droeg een leuk, rood ziekenfonds brilletje op haar geleerde snuit. Het was een beetje beslagen. Dat kwam door de enorme vrieskou. Niet van de zogenaamde opwinding die tussen ons nauwelijks te voelen was. Met min twintig stond ik onder een besneeuwde lantaarnpaal, die maar voor de helft goed scheen, haar ijskoude hand vast te houden. IJspegels vormden zich rond mijn neusgaten. Een dooie, van kou versteende kraai lag op de grond tussen ons in en stak met het kopje net boven de bevroren sneeuw uit. In mijn hoofd telde ik de keren dat ik op bijzondere momenten een kraai zag. Op de dag dat ik te horen kreeg dat mijn oom zich had opgehangen, keek ik gebiologeerd naar een kraai op de vensterbank. Met priemende ogen wilde het beest me iets vertellen. Ik kreeg er kippenvel van. Of op mijn achttiende verjaardag. De hele tuin zat vol met zwart gevogelte. Toen ik mijn schizofrene vriend naar het hospitaal bracht, hij helemaal buiten zinnen en ik angstig dat hij me iets zou aandoen, zaten er vier zwarte kraaien voor het portaal uitzinnig te krijsen. Deze keer was de vogel dood. Maar desondanks bleef het dier ons alle twee strak aankijken. Ze zag niet dat ik rilde van angst. Niet alleen van de kou, maar vooral van angst. Dit lieve, erg jonge, geleerde meisje kende nog geen angsten. Enkel de plicht om te gehoorzamen en aan alle verwachtingen te voldoen. En dat deed ze dan ook. Moeiteloos. Van het ene naar het andere examen vloog ze van verwachting naar volbrenging. En met dit meisje stond ik in de kou, midden in de nacht, buiten klaar om eindelijk de warmte van een meisjes tong te kunnen voelen. Ze zou me proeven en misschien wel merken dat mijn zenuwen en angsten door mijn hele lichaam gierden. Wat moest ik met haar aanvangen? Haar grote borsten bolden haar winterjas schitterend op. Ik kreeg zowaar een stijve. Binnen, in de warme kroeg zaten mijn vrienden klaar voor een gedetailleerd verslag. Zij hadden allemaal al eens gevreeën. Ik was de laatste van het stel.

Het was een wekelijks ritueel geworden. Vrijdag op meisjesjacht, zaterdag je teleurstelling verzuipen in diezelfde kroeg, maar dan zonder die wijven. Op zondag deed je het nog eens dunnetjes over, al moest je dan wel voor twaalf uur thuis zijn om niet al te brak op maandagochtend op de fiets naar school te racen. Vaak interesseerde me die wetenschap geen bal als het half twee werd. Rillend van veel te veel alcohol probeerde ik de volgende dag de les te volgen. Ik zoop omdat ik nooit contact kreeg met vrouwen. Al mijn vrienden zopen ook, maar kregen wel contact met vrouwen. Dat zorgde er weer voor dat ik nog meer zoop. En zo werd ik op mijn zestiende al een alcoholist. Enkel en alleen in het weekend weliswaar. Dat weekend begon overigens al vaak op woensdagmiddag. Wat kon het schelen. Een volle kop vol drank zorgde in elk geval dat mijn sociale stoornis wat betreft meisjes, hetzij tijdelijk, zo goed als verholpen was. Maar nog immer kreeg ik het niet voor elkaar een hart te breken, een borst te strelen, een tong te masseren.

Tot die avond dat ik buiten stond. Ik had met mijn zatte kloten gewoon een type uitgezocht dat alleen aan de toog hing. Ze verveelde zich (geleerde meisjes vervelen zich snel) en ze dronk sinas met een rietje. Ik bestelde een whisky zonder ijs, stapte op haar af en begon ouderwets te bullshitten. Weezer knalde hard uit de geluidsboxen. Ze kon me slecht verstaan, sleurde me naar buiten en dat was het dan. Mijn vrienden keken me, elkaar aanstotend, na.

Zij liep voor me. Eerlijk is eerlijk, ze had een lekker lijf. Een iets te dikke kont, dat wel. Maar wat wist ik toen nog van konten. Ik was bang voor konten. Ze droeg een lange, zwarte jurk met daaronder zwarte lakschoentjes. Ik hield de deur niet voor haar open. Meteen viel me die verrekte kraai op. Ik begon te schaterlachen om de terugkerende symboliek.

 ‘Waarom lach je?’ vroeg mijn prooi ongemakkelijk. Ik durfde haar geen eerlijk antwoord te geven.
Zomaar, ik vind het een gekke avond. Jij niet? Vind je het geen gekke avond?’ vroeg ik zenuwachtig.
Het gaat wel. Mijn zus zou hier nog naar toe komen, maar volgens mij is ze thuis voor de tv in slaap gevallen.’
‘Ach zo.’
Het bleef even stil tussen mij en het professortje.
Wil je wat drinken, ik bedoel zal ik wat te drinken voor je halen?’ probeerde ik.
Neuh, net al wat gehad, zei ze ongeïnteresseerd.
Alweer een flinke stilte. Ik kon nu goed horen welke muziek ze in de kroeg draaiden. Ik kon zelfs verdomd goed alle gesprekken binnen volgen.
Ik vind die dooie kraai maar eng. Kunnen we niet ergens anders naar toe?’ vroeg ze snel.
Nee, die dooie kraai vind ik wel mooi. Ik bedoel, hij kijkt wel kwaad maar ergens vind ik dat… hoewel… ik… vaker al eens kraaien heb gezien, mooie beesten soms wat te zwart of euh, onheilspellend maar altijd wel… gezellig.’ Goeie genade, wat een hoop onzin zat ik weer uit te kramen.
Maar het geleerde meisje leek verliefd. Ik had wel eens gelezen dat meisjes dol zijn op onbereikbare figuren, donkere types zogezegd. Ik kreeg de smaak te pakken en blaatte verder.

Mijn grootvader verzamelde kraaien. Hij trok dan een voor een hun pootjes uit om ze aan de deur van zijn kleinkinderen vast te nagelen. Soms trok hij er soep van. Mijn moeder heeft er nog nachtmerries van. Elke zondag,als ze op bezoek was bij mijn grootvader,kreeg ze kraaien soep voorgeschoteld. En als ze het weigerde te eten, dan stopte grootvader een flinke trechter in haar muil en begon-ie, zonder pardon, een echte rauwe kraai naar binnen te proppen. Kokhalzend rende mam dan naar het toilet om de kraai in de wc uit te kotsen. Dat vond mijn grootvader zo respectloos van mijn moeder, dat-ie er met de broekriem overheen ging, waarbij hij de nodige krasgeluiden maakte. Hij was ook altijd in het zwart gestoken, herinner ik me nu.’

Mijn god, wat een onzin allemaal. De whisky, in combinatie met speciale biertjes en een flinke joint die ik nog thuis had opgerookt voordat ik op stap ging, begon er behoorlijk in te hakken. Ik wilde zo snel mogelijk naar binnen, had helemaal geen zin meer in tong. Al die meisjes konden wat mij betreft gestolen worden. Ik kon niets anders dan maar door ratelen over mijn debiele grootvader die niet eens bestond.

Gelukkig is het de laatste tijd wat minder geworden met zijn kraaien obsessie. Hij heeft nochtans een plakboek met enkele bijzondere kraai soorten maar dat is het wel. Op regenachtige zondagen mogen wij er wel eens even in bladeren.’ Ik werd werkelijk misselijk van mezelf en kreeg zin in nog een whisky. Net toen ik aanstalten wilde maken om naar binnen te gaan voor nog een whisky, schuifelde ze iets dichterbij.
Je bent wat zenuwachtig, is het niet? Heb je nog nooit een meisje gezoend?’
Shit, ik viel behoorlijk door de mand. Ik voelde de spottende ogen van mijn vrienden, die zich inmiddels allemaal bij het raam hadden verdrongen, in mijn rug priemen. Vanuit een ooghoek zag ik dat ze vulgaire gebaren maakten. Ik hoopte maar dat zij het zou zien en dan van afschuw me een klap in het gezicht zou geven. Maar in plaats daarvan kwam ze steeds dichterbij.

Ik dacht aan kraaien. De eerste kraai die ik ooit zag,pikte me toen ik zes was. Ik zat rustig in de zandbak te spelen met mijn speelgoed vrachtwagen Ik ging zo op in het spel,dat ik niet meekreeg dat ik in de gaten gehouden werd door een kraai. Het beest moet me tijdens het hele spel hebben aangekeken, want ik was me van geen indringer bewust. Toen ik wilde opstaan om een plasje te doen, schrok de vogel op en omdat ik van schrik schreeuwde en met mijn knuisten het beest weg wilde slaan, pikte de kraai me boven in het oog. Ik schreeuwde het uit van angst. De pijn viel eigenlijk nog wel mee. Mama kwam naar buiten gerend en aaide me weer in rust.

Waar was mama nu?
Ze keek me vragend aan. Wat was de vraag ook alweer? Of ik eerder een meisje heb gezoend.
Ach ja zoveel,’ loog ik. ‘Of nee, toch niet,’ herstelde ik me. Ik vond het de hoogste tijd worden voor de waarheid, na al deze malligheid. Maak me volwassen!’ riep ik tenslotte uit. Ik drukte me lomp tegen haar aan en begon voorzichtig haar lippen te proeven. Ik hoorde ze joelen, mijn vrienden. Ik zou ze straks een voor een de strot afsnijden, stelletje asociale apen. Mij een beetje belachelijk maken op zo’n belangrijk moment.

Onze monden zochten elkaar. Ik schuurde met mijn koude lippen langs de hare. Wie van ons twee durfde als eerste een tong naar binnen te wurmen. Voorzichtig stak ik het puntje van mijn tong uit, ik raakte haar lip. Ik schrok. Zoveel had ik nog nooit van een meisje gevoeld. Duizend en een voorbeelden uit films schoten door mijn hoofd. Moest ik mijn hand nu op haar billen leggen of volstond een kleine aai over haar rug? Wat voor type was het eigenlijk? Moest ik hardhandig al in haar broek alvorens ik überhaupt nog maar een kus had gegeven of was ze meer het lieflijke type dat het rustig aan wilde doen? Stond ik niet gigantisch voor lul? Erg veel tijd om na te denken had ik niet. Met veel geweld propte ze haar tong in mijn mond en begon als een koe in het rond te draaien. Haar tong kwam diep in mijn gehemelte, maar ik kon het fatsoen nog houden om niet te kotsen. Ik voelde haar hand tussen mijn benen. Ze was bezig mijn pik te masseren, geen onprettig gevoel. Alleen dat oeverloos gedraai met haar tong! Ik werd er horendol van. En lang dat het duurde! Toen de geil geworden mondhygiëniste klaar was met de behandeling, duwde ze me ruw van zich af. Haar ogen draaiden omhoog en ze likte haar lippen.

Kan ik naar binnen?’ vroeg ik ijskoud.
Ik wachtte het antwoord niet af, stapte de kroeg in, wierp mijn vrienden een venijnige blik toe en bestelde een halve liter bier en dronk die in een teug leeg.

• • •
 

14-07-2008

Requiem voor een kroeg

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 10:30

Het was een huis voor velen. Als het regende, de Ark van Noach. Je kon er schuilen. Tegen pijn, verwarring en de liefde. Want de liefde zat je soms op de hielen. In het huis was een pinda en een trappist voldoende om de nare smaak van teleurstelling weg te spoelen.
Of de smaak van de eerste tongzoen. Zoiets smerigs had ik nog nooit meegemaakt. Het gebeurde plotseling buiten met het meisje dat ik niet eens echt zag zitten. “Maak me volwassen,” was het enige dat ik kon uitbrengen in de vrieskoude van december 1995. Toen ik me parmantig van haar afkeerde om terug naar binnen te lopen, rilde mijn hele lichaam. Mijn vrienden zaten al zeker een kwartier binnen op uitgebreid verslag te wachten. Een andere keer zag ik door het venster van mijn huis het meisje van wie ik echt hield iemand anders volwassen maken. Het gebeurde hier iedereen wel eens. Het bier steeg naar je hoofd; alles kwam goed. Na enkele uren stond je met een man arm in arm te zingen. Wat kon ons de rest nog schelen nu het drie uur in de nacht was.

Lantaarn palen schijnen, een toverlicht op straat.

De underdog vond er zijn kennel. De man met de hoed zat steevast aan het eerste tafeltje bij de deur. Hij hield er vele meningen op na. Een voor een vuurde hij ze af op niemand die het hoorde wilde. Bij een kaars, aan de bar, zat de eeuwige eenzame. Hij leek gelukkig met wat hij had. Met helemaal niets. Een foto van zijn overleden vrouw brandde al die jaren in z’n portemonnee. Heel af en toe, wanneer de avond langzaam verstreek en de laatste gasten hun schade aan de huismeester betaalden, de alcohol-nevel rond zijn droeve staalblauwe ogen een schaduw van hemzelf begon af te tekenen, keek hij nog eens naar de foto. Ooit was die vrouw op de foto ook hier regelmatig te gast. De laatste keer dat ze er kwam, kreeg hij ruzie met haar. Hij liet haar alleen naar huis gaan. Onderweg werd ze geschept door een dronken vrachtwagenchauffeur. Schuldgevoelens stapelden zich bij hem op, elke dag weer. Hij ging jaren gebukt onder zware huilbuien en gevoelens van spijt. Iedereen zag z’n betraande gezicht, de wallen onder z’n ogen die verraadden dat hij zelden sliep. Maar wat kon het hem schelen, nu het drie uur in de nacht was.

Een kerklok in de verte die vroeg zijn uren slaat.

De jeugd vond haar eerste liefde. Jonge meisjes zoenden ervaren mannen. Stuntelig tegen de rand van de bar, de tijd vergeten. Moeders lagen onrustig thuis in bed te woelen. Ze hadden al lang thuis moeten zijn. Maar jonge meisjes willen niet naar huis. De volgende dag huisarrest. Twee weken lang zag je ze niet meer in het huis. En dan opeens, wanneer je het niet verwachtte, waren ze er weer. Ze trokken zich niets aan van alle waarschuwingen die ze al twee weken te horen kregen van hun opvoeders. Want wat kon het ze nog schelen, nu het drie uur in de nacht was?

En niemand die zich druk maakt over wat er komen gaat.

We lieten ons huis in de steek. Vergaten de opvoeding die we er genoten. Geen ouder die ons bij kon bijbrengen wat we daar allemaal zagen, voelden en proefden. Soms een delirium nabij, maar altijd met de nodige nazorg. Door een vriend die je even hielp naar de plee. We gingen elders genieten. Treuren soms. De underdog vond zijn bot via het internet. Al twee jaar gelukkig samen. In een ander huis. Met dezelfde warme kachel, maar zonder al die heerlijke verschillende mensen. Maar met zichzelf en een nieuwe kans. De kussende meisjes vind je nu misschien in de Gouden Gids. Ze zijn voor zichzelf begonnen. Ze hoeven niemand meer te zoenen om in zichzelf te geloven. En ik? Ik zit al jaren in een verkeerde kroeg…

Je zou haast nog geloven dat dit sprookje nog bestaat.

*Het schuingedrukte zijn teksten van Oud West -Lantaarnpalen.

• • •
 

02-07-2008

De vertraging

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:31

Het was best gezellig in de stilstaande trein naar Sittard. Er lag iets op de rails, zo wist ik te ontcijferen, want die omroepinstallaties van de Nederlandse Spoorwegen dateren nog uit de Tweede Wereldoorlog. Nu kon ik wel als een dolle stier enkele coupés tot wild natuurgebied verbouwen, maar je zit toch met meer mensen opgescheept. En dat schept een band, of je nu wil of niet.

Zo zat tegenover mij een man ongestoord een boek te lezen. ‘Hoe ik de modulatie in moderne muziek vermijd,’ stond op de kaft. Een muzikant, zo oordeelde ik. En jawel hoor, naast hem op de bank lag een koffer met daarin vast een muziekinstrument. Al moet je daar op de dag van vandaag ook mee uitkijken. Voor je het weet houd je een tuba voor een volautomatische magnum.
De trein stond nu al zo’n tien minuten stil. Ik ben normaliter niet zo van het ‘tijd doden’; ik heb wel iets beters te doen. Maar dit leek mij wel een uitgelezen moment om de man, muzikant wellicht, te vragen of-ie wat op z’n volautomatische magnum wilde spelen. Ik kreeg meteen een kleur en verbeterde me snel. “Ik bedoel natuurlijk tuba, beste man,” waarop de onbekende zijn koffer openklapte en me daar een solo gaf die ze in Kerkrade tijdens het ‘Bronsconcour’ nog nooit gehoord hebben!

In plaats van dat de coupé met man en macht kwaad op de man met de tuba dook, werd er vrolijk meegefloten, gezongen en zelfs uitbundig gelachen. Een polonaise werd ingezet, ramen met zelfgemaakte slingers versierd, links en rechts klonken er huwelijksaanzoeken, en er werd zelfs een gedicht voorgedragen.

Een prachtige dame met lang blond haar en fel blauwe ogen kwam de coupé binnen gewandeld met de mededeling dat ze een man zocht voor een nacht ijs. Dat vond ik zó origineel gevonden dat het me haast ontroerde. Ze droeg een zomers rokje in de kleur blauw. Ze had een paar stevige benen en droeg een kanten slip die een klein stukje boven het rokje uitstak. Twee volle watermeloenen bolden haar sportieve topje op.
Gulzig keek ik haar aan en ik hoopte dat ze mij zou kiezen voor een stevige vrijpartij in de eerste klas coupé. Maar zoals zo vaak werd pudding tarzan ingeruild voor een echte hunk met valse beloftes.
Ze vertrokken samen hand in hand naar de eerste klas. Ik kon het niet laten om stiekem door de automatische schuifdeuren het jonge stel te volgen.Er volgde een omroepbericht. Dat het nog wel even kon duren allemaal. Er lag iets op de rails waarvan de honden geen brood lustten, zo werd gezegd. Prompt daarop staken de twee schitterende benen van de blonde femme fatale de lucht in. Ik wendde mijn hoofd af; zoveel hoefde ik ook weer niet te zien.

Ondertussen ging het feest in de trein in alle hevigheid door. Er werd gesnoven, gespoten en gerookt. Vieze blaadjes werden uit de keurige, poepbruine aktetassen gehaald. Een zakenman stond stiekem in een hoek te masturberen. De man tegenover mij stopte plots met tuba spelen en barstte in snikken uit. Zijn vrouw had hem enkele uren voor deze treinreis verlaten.
Opeens had het hele treinstel wel iets om over te grienen. De een had een incestverleden achter zich dat weer naar boven kwam, de ander een oorlogtrauma. Ik had tot dusver niets. Het viel mij op hoe rustig en behouden ik eigenlijk op dit zooitje ongeregeld reageerde.

Een zwaarlijvige dame met een zakje drop kwam naast me zitten. Ze zei verder niets. Ze stak een voor een een dropje in haar mond. Ik voelde me ongemakkelijk en wilde nu wel eens weten of we de reis konden voortzetten. De hele coupé was bij elkaar in de armen gevallen. Er werd getroost, gezopen en gebruikt. Iemand stelde voor een kampvuur te maken.
Hoewel ik niet vol in het feestgedruis meeliep, voelde ik me wel thuis. De warmte was overweldigend en het broederschap ongekend.

Na anderhalf uur gingen de deuren van de trein open. Iedereen werd verzocht het treinstel te verlaten en verder te gaan per taxi. Die werd vergoed door de NS. Er klonk gejuich.

Eenmaal buiten stond ik weer alleen. Zul je altijd zien.

Juni 2008

• • •
 
Volgende pagina »