bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

22-11-2012

Regensburg: woord vooraf

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 09:08

In het voorjaar van 2007 lukt het de redactie van de columns op FOK! niet om iedere dag een column te plaatsen. Na wat geschuif is de week toch gevuld, behalve de zondag. Columnist tuvokki komt met het idee om een vervolgverhaal te maken, waar alle columnisten aan mee kunnen schrijven.

Het zijn tuvokki en bazbo die met de eerste aflevering op de proppen komen. Tijl schrijft de tweede. Vanaf de derde aflevering schrijven tuvokki en bazbo samen de afleveringen.
Leuk weetje: veel namen en kreten zijn afgeleid van destijds fanatieke lezers op FOK!

Van begin af aan zijn de reacties van lezers negatief en de serie wordt ook niet goed gelezen.
Als het vijfde deel in concept klaar staat, is de eindredacteur dermate enthousiast, dat hij tuvokki en bazbo toezegt dat zij vijfentwintig afleveringen mogen plaatsen. ‘Dan evalueren we en kijken we of en hoe we verder gaan.’

De vijfde aflevering wordt echter weer niet goed gelezen en gewaardeerd. De eindredacteur moet van hogerhand ingrijpen: de serie stopt onmiddellijk.
Dat is jammer, want er lagen nog vier afleveringen op de plank.

Hieronder leest u de vijf afleveringen die ooit op FOK! zijn geplaatst, aangevuld met de vier nooit verschenen delen.
Ze staan in omgekeerde volgorde, dus de eerste vindt u als u eerst helemaal naar onderen scrollt.
Hoe het verhaal eindigt, zullen we wel nooit te weten komen …

• • •
 

16-01-2008

Regensburg aflevering IX – ‘(titelloos)’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 19:53

Het was donker en leeg op de Plaza di Primera Pagina. Willy van de Berg wankelde in de richting van het smalle straatje dat erop uitkwam. Langs het plein stonden de oude herenhuisjes met mooie geveltjes. In sommige panden was een kantoor gevestigd, wist Willy. In weer andere brandde licht; deze werden bewoond. Tussen de gevels van twee huizen door zag hij de grote schoorsteenpijp van de fabriek die even buiten het stadje stond. De schemering was inmiddels overgegaan in het donker van de avond.
“Verdomme, het regent nog steeds,” mompelde Willy in zichzelf. “Word je door je ex het huis uitgeschopt, sta je middenin de regen.”
Willy was die morgen wakker geworden op de bank van zijn twaalfde ex. Gisterenavond laat had hij bij haar aangebeld, hopend op een plekje in haar bed, maar ze had hem resoluut afgewezen. De bank in de woonkamer, die wilde ze wel voor hem ter beschikking stellen. Zelf had ze zich teruggetrokken in haar slaapkamer. Willy was naar de koelkast gelopen en vond wat blikken bier en een halve fles rosé.
Op het grote plein stond een viskraam, maar die was nu gesloten. Waar was dat straatje ook weer?
“Shit, ik heb nú alweer teveel op,” brabbelde Willy. Toen zijn twaalfde ex hem rond het middaguur definitief haar huis had uitgezet, had Willy zichzelf eerst maar eens moed ingedronken in zijn eigen appartementje. Maar daar was het bier en de whisky nu ook op, dus ging hij zijn heil zoeken in een café. “Ik heb eigenlijk helemaal geen geld, maar ik vind wel een tent waar ik wat krediet heb.”
Ondertussen had hij het smalle straatje gevonden. Langzaam en onvast waggelde hij over de donkere klinkers.
“Kijk daar, daar heb je dat Grand Café, van waaruit ik laatst die radio-uitzending heb gemaakt.” Willy keek naar het grote uithangbord. ‘Il Giornale Copertura’ stond erop. Er stonden wat fietsen en auto’s voor de deur. Buiten, onder een luifel, stonden twee tafeltjes met wat stoelen. Er zat niemand. Wie ging er nou ook op een terras zitten op dit uur met dit pokkeweer? Achter de kleine raampjes brandde licht. Willy zocht de deurklink. De eerste keer greep hij mis. De tweede poging lukte beter. Maar de deur ging niet open. Hij zette zijn schouder tegen de deur en drukte met zijn volle gewicht er tegenaan. Hij viel bijna letterlijk met de deur in huis.
Willy kon zijn evenwicht nog net bewaren. Met een tollend hoofd keek hij de donkere ruimte rond. Het was een typische dorpskroeg die zijn best deed om er als Grand Café uit te zien. Her en der stonden wat kleine tafeltjes met rood pluchen banken. Ook waren er wat hardhouten stoelen. Aan enkele tafels zaten mensen; achter de bruine bar stond een jong meisje bier te tappen. Ze droeg een wit hemdje en een jeans heupbroek. Haar zwarte haren had ze los over haar schouders hangen.
Willy liep naar de toog. “Mag ik een trappist?” vroeg hij. Hij nam plaats op een barkruk aan het einde van de bar. Niet veel later nam hij de eerste teug, waarmee hij het enorme glas voor de helft ledigde.

De deur van het café ging open. Er kwam een meisje binnen. “En als er meisjes binnenkomen, dan wil ik altijd wel even kijken,” grinnikte Willy in zichzelf. “Eens zien wat voor grietje dit is. Ze draagt witte sportschoenen onder een donkerblauwe joggingbroek. Haar korte sweatshirt met capuchon is drijfnat. Er druipt water uit haar lange blonde haar dat ze in een paardenstaart draagt.”
“Hee, Didixie!” riep het barmeisje. “Regent het zó erg buiten?”
Didixie trok haar kletsnatte sweatshirt uit. Ze had er een roze naveltruitje onder aan en droeg gouden kettingen om haar hals. Glimlachend liep ze naar de bar.
Willy hield haar belangstellend in de gaten. “Lekker meidje,” dacht hij. “Wel wat jong. Maar ’s horen wat ze allemaal te melden heeft.” Hij ging zo onopvallend mogelijk zitten en spitste zijn oren. “Gelukkig loopt mijn recorder altijd mee, voor als ik weer eens een blackout heb, ” stelde Willy zichzelf gerust.

“Dit is geen regen meer; dit is een zondvloed,” zei Didixie.
Het meisje achter de bar moest lachen. “Moest je werken?” vroeg ze.
“Ja, er was een grote order binnengekomen, waardoor het personeel langer moest blijven. En dan is het druk in de fabriekskantine.”
“Een grote bestelling? Van wie of van welk bedrijf?” vroeg het meisje van achter de bar.
“Ja, dat weet ik ook niet.” Didixie haalde haar schouders op. “Maar wat kan mij dat boeien. Ik doe het voor het geld.”
“Wil je wat drinken?”
“Doe maar een breezer, Nicolien.”
Het meisje achter de bar ging een breezer halen. Didixie keek ondertussen het café rond. Willy draaide zijn hoofd weg. Toen hij voorzichtig weer keek, was het mooie meidje al weer in gesprek.
“Het is hier niet druk voor een zondagavond.”
Het barmeisje zette een roze breezer op de bar en zei: “Nee, en lekkere kerels zijn er ook al niet.”
“Waar is je broer?” vroeg Didixie.
“Weet ik veel waar Rahmi uithangt,” antwoordde Nicolien. “Die is maar bezig met rare zaakjes, hoor.”
“Joh, dat valt wel mee. Met mij in de buurt heeft hij maar tijd voor één ding.” Didixie grinnikte.
“Stil, daar heb je pa,” fluisterde Nicolien.
Achter de bar ging een deur open en er verscheen een man van rond de vijftig. Hij was licht kalend; het weinige haar dat hij nog was grijzend. Hij droeg een wit hemd met grijze streepjes en daaroverheen een leren vestje zonder mouwen.
“Dag meneer Il Linguetta,” zei Didixie.
“Zo Didixie, jij ook weer ’s hier?” bromde de man. “Dit is een bruin Grand Café. Dat is geen plaats voor jonge meisjes zoals jij.”
“Waarom laat u uw eigen dochter hier dan werken?”
“Dat is bittere noodzaak. Pruttie zit volop in de overgang en mijn moeder kan niet meer werken.”
“Nee, ik zag Oma Linguetta laatst nog in het Bloempottenplantsoen rijden met haar rolstoel. Hoe gaat het met haar?”
“Ze kan na die hersenbloeding geen zinnig woord meer zeggen. En ze onthoudt ook niets meer. Als ik nú zeg dat ze vergeten is d’r broek dicht te doen, dan weet ze nú niet meer wat ik gezegd heb.”
“Wat erg.”
“Ja, het is wat met die hersenbloedingen. Mijn grootvader zaliger heeft er ook één gehad. Die verzamelde ze. Hij had een hele collectie van die dingen achter elkaar. En hij bewaarde ze in een vitrinekast op zijn werkkamer. Dat kwam zo, toen hij na de oorlog …”
Willy haakte af. Die lulverhalen van Johnny altijd.

“Dat gezeik met die wijven altijd,” mijmerde Willy nog maar eens, terwijl hij een tweede megaslok nam. “Die twaalfde ex was eigenlijk ook een takketeef, als je het goed beschouwde. Als ze moest uithuilen, wist ze hem wel te vinden. Maar als hij eens een dame zocht om zijn orgaan in leeg te snotteren, dan mocht hij op de bank pitten. De vorte hoer. Over hoeren gesproken, hij had hier in dit Grand Café na die radio-uitzending geprobeerd om die Bertha te pakken te krijgen, maar die was toen te druk met die Falco bezig. Die Bertha, die zag er goed uit. Lekker stevige kont onder dat corsetje. Maar dan weer tieten om op te schieten. Nee, dan de voorgevel van die Didixie hier, die ziet er smakelijk uit. Jammer dat het zo’n breezersletje is. Ze doet me trouwens denken aan mijn achtste ex. Die zoop zich ook een dilerium. En natuurlijk was ze zo weg als een ei als ik eens zin had. Ze zeggen wel eens dat een dronken vrouw een engel in bed is, maar deze engel lag er bewusteloos bij. Daar viel geen lol aan te beleven. Dan kon je net zo goed een opblaaspop kopen. De prijs van zo’n pop is lager dan het eindbedrag op haar bonnetje van de slijter.” Willy kreeg dorst van al dat gemijmer. Hij keek op en zag dat zijn glas leeg was. Toen probeerde hij weer het gesprek bij de toog te volgen.

… en nadat al die geiten hun kunstje gedaan hadden, is later dat hele circus nog opgedoekt. Máánden hebben ze ervan gegeten,” vertelde Johnny. Didixie en Nicolien luisterden duidelijk niet echt. Willy zag dat ze elkaar blikken van verstandhouding uitwisselden. Tijd dat hij eens ingreep.
“Goedenavond,” zei Willy, terwijl hij dichter bij kwam staan. “Johnny, heb je voor mij nog een trappist?”
“Nicolien,” zei Johnny tegen zijn dochter. “Tap jij Willy eens een lekker stevige goudblonde jongen.”
“Oké,” zei het meisje en ze ging aan het werk.
“Met de nadruk op blond,” fluisterde Johnny in haar oor, toen ze vlak langs hem kwam lopen. “Doe maar drie vingers schuim in plaats van twee. Ze moeten ons tot ons vijfenzestigste aan de kost laten komen, hoor. Hoe meer ze drinken, hoe beter we het hebben.”
“Dag,” zei Willy ondertussen zachtjes tegen Didixie.
“Dag,” zei Didixie zachtjes tegen Willy.
Ze keken elkaar aan, maar zeiden verder niets. Nicolien stond van een afstandje te kijken met grote ogen.
“Nicolien,” zei Johnny. “Werk je wel een beetje door? Straks komen de wethouders een borrel drinken en die moeten we gelijk kunnen bedienen. Die lui hebben een vermoeiende vergadering achter de rug, dus die hebben dorst. Wat stond er op de agenda ook weer? Wacht, hier is de krant, daar stond het … Hier: advies aangaande de milieu-ontheffing van de fabriek de Befmij. Opgevoerd door wethouder Jooscht Paul Bak ’n Ei. Het schijnt dat die vuilak van een Falco olie-afval wil dumpen in de rivier De Goot die langs zijn fabriek komt en dwars door ons dorp loopt.”
“Zou Didixie dat weten?” vroeg Nicolien zich hardop af. “Die is niet alleen de dochter van de wethouder, maar ze werkt ook nog eens in die fabriek, nota bene.”
“Kom jij hier vaker?” vroeg Willy zachtjes aan Didixie.
“Soms. Na het werk in de fabriek de Befmij. Nicolien is mijn beste vriendin. En de zus van mijn vriendje Rahmi.”
“Ach, zo.” Willy zei verder niets.
“En u?”
“Zeg maar jij. Of noem me Willy.” Verlegen keek hij naar de grond.
Didixie moest glimlachen. “Wil je weten hoe ik heet?” Ze stak haar hand uit. Willy pakte hem voorzichtig aan. “Ik heet Didixie.”
“Didixie,” stamelde Willy. “Het mooie meisje met de breezer.”
Didixie bloosde, maar vroeg: “En jij? Kom jij hier vaak? Jij was er toch bij de heropening?”
“Ja, toen maakte ik een rechtstreeks radioverslag. Maar ik kom hier ook af en toe. Meestal als ik door een ex op straat wordt geschopt. Of als een krant mijn column weer eens geweigerd heeft.”
“Oh? Ken je hier veel mensen?”
“Johnny kent iedereen. En Nicolien. En ik geloof dat ik met die bruine rakker daarginds nog wel eens buiten heb liggen matten nadat ik hem had uitgemaakt voor pleurismarokkaan.”
“Nou, zeg!” riep Dixie uit. “Dat is een heel goede vriend van Rahmi, hoor!”
“Ja, en?” probeerde Willy zich te verdedigen. “Ik was stomdronken toen ik dat deed, dus dat telt niet.”
“Ik geloof niet dat ik nog veel met jou te maken wil hebben, mislukte radiomaker,” zei Didixie terwijl ze haar neus omhoog hief.
Even zat Willy met open mond. Toen gebeurde er iets op de achtergrond.
De deur van het Grand Café werd ruw opengegooid en een oude man met een lange jas en een grote hoed kwam binnen rennen. Hij trok een nat spoor van regenwater over de vloer.
“Aufmachen! Of nein, ik meen aan die zijde!” riep de man. Terwijl hij naar de deur naar de achteruitgang snelde, was hij druk bezig zijn broek open te maken. “Dadelijk schaf ik het niet!”
“Dat is die vieze zwerver weer!” riep Johnny van achter de toog. “Ga weg!”
Ineens kreeg Willy de geest en de kans om indruk te maken op Didixie. “Wacht maar, Johnny!” riep hij. “Dat los ik wel op!” Hij was van zijn barkruk opgestaan en wilde naar de achterdeur rennen. De zwerver was inmiddels door die deur verdwenen naar het achterplaatsje. De vijftien blikken bier, de anderhalve fles whisky en de twee trappisten die Willy die middag en avond had genuttigd, eisten hun tol. Hij kon zijn ene been niet meer goed voor de andere zetten. Nog vóórdat zijn hoofd de vloer van het Grand Café raakte, was hij al bewusteloos.

(tuvokki en bazbo, juni 2007)

Deze aflevering is nooit verschenen op FOK!

• • •
 

03-12-2007

Regensburg aflevering VIII – ‘(titelloos)’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 23:30

Vorige keer in Regensburg:
Jaques zit in een lastig parket. In aflevering vier komt hij een duister figuur uit het verleden tegen. Een evenbeeld van hemzelf die alleen maar slechte bedoelingen heeft, en een fileermes…

Hier is Regensburg VIII

Het fileermes had hem verlost van de jeuk, zonder hem pijn te doen. Voor hij het wist lag Jaques op de vloer van het schuurtje. Zijn keel bloedde. Cazador Del Sol had geen woord gezegd. Jaques voelde dat hij langzaam weg dreef van de werkelijkheid. Het was alsof er langzaam een alles overweldigende lading psilocybine door zijn keel naar de rest van zijn lichaam stroomde. Was het een hallucinatie dat Cazador Del Sol zijn kleding aan het uitdoen was? En was het werkelijk dat ook Jaques naakt was? Bibberend lag Jaques op de grond. Hij had het idee dat de trip het leven uit zijn keel zoog. Hij probeerde de vloed te keren met zijn handen. Het duurde even voor hij zich realiseerde dat er bloed tussen zijn handen liep.
Zo lag Jaques te wachten op wat hij aanzag voor de zekere dood. Hij begreep het niet, want in een van zijn ontdekkingtrips was hem zijn dood heel anders voorspeld. De geur en de kleur kwamen hem wel bekend voor. Er was een tunnel van licht, en een bekend gezicht. De poeplucht drong zijn neusgaten in. Poeplucht? Dat was geen onderdeel van zijn visioen! Jaques keek op naar de hemel, maar zijn zicht werd geblokkeerd door een vage gestalte in een lange jas, met hoed. De man boog zich over Jaques heen en bracht zijn handen naar de gehavende keel van de kerkleider. “Déjà-vu,” dacht Jaques vlak voor hij het bewustzijn verloor.

Een moment later voelde Jaques een scherpe pijn in zijn keel. Hij probeerde te praten, maar dat ging niet. Toen hij zijn helderheid had herwonnen, zag hij de gestalte het huisje uit gaan.
“Ik moet die man bedanken!” Jaques kroop achter de figuur aan. Buiten bleek hij alleen. Of nee, hij zag zichzelf lopen richting het Marktplein van Regensburg. Strompelend toog hij dezelfde richting in. Hij volgde zichzelf op een afstand om niet ontdekt te worden. Dit was niet de man die hem gered heeft, maar zijn moordenaar. Jaques twijfelde of hij dood was of niet.
“Wacht even. Ik kan niet dood zijn, en tegelijkertijd mijzelf ook achtervolgen. Dit moet mijn evenbeeld zijn dat ik achtervolg.”
Cazador Del Sol ging verkleed als Jaques het stadje in. En de naakte kerkleider zat hem op de hielen.

Bij de Regensbrug hield Cazador Del Sol halt. Snel verborg Jaques zich in de bosjes. Dat was nog een heel gedoe, want hij gleed bijna uit. Toen hij keek wat er onder zijn blote voeten lag, ontdekte hij dat het gebruikte condooms en lege breezerflessen waren. Even verderop hoorde hij stemmen. Voetje voor voetje schuifelde hij dichterbij. Hij verstopte zich achter een dikke boom. Niet ver weg zag hij drie mannen. Het duurde niet lang voor hij ze alledrie herkende. Het waren Rahmi en Dirk-Hein, die stonden te praten met Cazador.
“Shit, ik kan ze niet horen.” Voorzichtig sloop Jaques binnen gehoorsafstand.
“Jongens,” hoorde Jaques zijn moordenaar zeggen, “pas op voor Jooscht Paul Bak ’n Ei!”
“Hoezo?” Rahmi keek verwonderd. “Die eikel doet ons niks hoor!”
Jaques was benieuwd wat Cazadors antwoord zou zijn. Maar die zei niets. Hij liep door. Ineens kreeg Jaques de behoefte om de jongens iets toe te fluisteren, maar daar was geen tijd voor. De jongens liepen weg, en Jaques volgde Cazador op zijn verdere pad.
Het leek wel of Cazador rechtstreeks terugliep naar het Grand Café. Jaques was opnieuw in het steegje waar hij Rahmi en de zwerver op de avond van de opening had gade geslagen. Cazador liep nog altijd voor hem uit. Jaques klom op het platte dak om via de bovenverdieping het café binnen te kunnen. Met moeite lukte het hem een raampje te forceren. Vanaf de balustrade zou hij goed zicht hebben op wat zijn moordenaar allemaal uit zou vreten in zijn naam.
Ineens hoorde Jaques gestommel op de trap. Snel verborg hij zich achter een gordijn. Hij hoorde een stem en herkende die van Johhny Il Linguetta.

“Godverdomme, Jaques,” klonk de cafévaas nijdig, “je praat niet over die dingen in een volle kroeg!”
“Ik zou dit niet doen als ik het niet belangrijk vond.”
“Verdorie,” bedacht Jaques, “de stem van Cazador Del Sol lijkt wel op die van mij.”
“Ik weet welk vuil spel jij en Falco hier spelen,” zei Cazador met de stem van Jaques.
Er ging een deur open en dicht. Jaques glipte even uit zijn schuilplek om niets van de conversatie te missen.
“Het kost me niet alleen geld om hier in mijn eigen kroeg te kunnen neuken; het levert me ook geen cent op!”
“Luister, Jaques,” zei Johnny, “ik heb het je voorgelegd en je wilde er verdomme niks van weten!”
“Allemensen,” fluisterde Jaques in zichzelf, “Johnny laat ineens een heel andere kant van hemzelf zien, zeg. Wat is hij lomp en woest!”
“Ik wilde niet dat het gebeurde,” ging Cazador verder, “maar nu er toch geld verdiend wordt, wil ik meedelen. Ieder een derde of ik ga met wat spannende informatie naar Bak ’n Ei. Die zal zeer geïnteresseerd zijn in dit handeltje. En hij zal het niet leuk vinden om er achter te komen wat jouw lieve zoontje met zijn dochter doet!”
Jaques kon zijn nieuwschierigheid niet bedwingen en duwde de deur op een kier. Hij zag zichzelf met zijn rug naar de deur staan. Het fileermes glinsterde vervaarlijk in het gezicht van Johnny, die witjes achteruit deinsde.
Toen ging alles ineens heel snel. Johnny wachtte niet op wat er gaat komen, maar pakte een pook uit de bak die bij de haard stond. Met één ferme zwaai sloeg hij de schedel van Cazador Del Sol in. Bloed spetterde alle kanten op.
“Vuile kutmongool, een beetje fucken met een Il Linguetta. Dat krijg je er van!”

Jaques wachtte niet af om te zien hoe zijn tweede dood die avond afliep. Hij vluchtte naar zijn kerk.
“Later zal ik wel zien hoe ik dit naar mijn hand kan zetten,” dacht hij.

Twee keer dood in een aflevering, hoeveel levens heeft Jaques?
Wat is dat toch met die hoeren is die kroeg?
Waar gaan al die lijken naar toe zo laat op de avond?
Lees het volgende week in ‘Regensburg’!

 

 

(Opnieuw een ongepubliceerde aflevering van Regensburg, geschreven door tuvokki en bazbo, juni 2007)

• • •
 

02-11-2007

Regensburg aflevering VII – ‘Didixie’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 21:28

Vorige keer in Regensburg:
Na de uitzending van Willy gaat het leven in Regensburg gewoon weer verder. Didixie heeft een roerig, jong leventje. Ze verdient haar geld op alle manieren die ze maar kan verzinnen. En dat gaat soms gepaard met een wijd opengesperde mond.

Hier is Regensburg Aflevering VII

Plotseling werd Didixie wakker. Haar kaken deden pijn. Ze tilde haar hoofd van het kussen en keek om zich heen.
“Waar ben ik?” dacht ze. “Ik herken deze vreemde slaapkamer niet.”
Naast het bed stond een stoel, waarop een hoop kleren lagen. Aan de muur hingen vage posters van dancefestivals. Op een bureau zag ze een stapel papier en verscheidene cd’s, sommige zonder doosje. In een hoek van de kamer stond een videocamera op een statief. Voor het kleine raam hing een gordijn. Door een spleetje kon ze zien dat het buiten licht was. Er hing een muffe geur in de kamer. Aan de andere kant van het bed stond een nachtkastje, met een digitale wekker erop. “11.20”, zei het apparaatje. Ze sloeg het dekbed van zich af en ontdekte dat ze geen kleren aanhad.
“Wat is er gebeurd?” vroeg Didixie zich af. “Hoe ben ik hier terechtgekomen?”
Ze ging rechtop zitten. Haar kleren lagen verspreid over de grond. Snel stond ze op en raapte ze op. Even haalde ze haar string langs haar neus. Ze schrok. Toch trok ze hem maar weer aan. Niet veel later zaten ook haar joggingbroek en haar naveltruitje weer aan haar lichaam. Haar haren hingen los. Normaal had ze die in een strakke paardenstaart, maar haar elastiekje kon ze niet vinden. Ze liep naar het raam en schoof het gordijn een stukje opzij.
Ze keek uit op een smal straatje. Het regende buiten. Aan de overkant stonden kleine stadswoninkjes aan elkaar vast gebouwd. De huizen hadden schilderachtige geveltjes en rode dakpannen op de daken. Zelf stond ze op de eerste verdieping. Beneden aan de overkant waren winkeltjes. Een tabakswinkel, een kapperszaak, een tattooshop.
“Shit, waar is mijn telefoon?” fluisterde ze. Ze keek om zich heen. Het apparaatje was nergens te bekennen. “Op welke dag leef ik? Wat is er gebeurd?” Ze herinnerde zich een feestavond in een Grand Café en een wilde brommerrit bij Rahmi achterop. Meer niet.
“Waar ben ik in godsnaam? Had ik die telefoon nou maar, dan kon ik pa bellen. Die zou me wel even komen halen. Of is dat wel een goed idee? Stel je voor, ik weet niet eens waar ik ben. Ik ken dit straatje in Regensburg niet.” Ze boog iets voorover en probeerde de straat verder uit te kijken. Zag ze daar de rivier De Goot? “Als pa zou vragen wat ik heb uitgespookt, wat zou ik dan moeten zeggen?” dacht Didixie. “Wie weet met welke knul ik nou weer meegegaan ben? Wat zou pa daarvan denken, de lul? Met zo’n mooie politieke carrière. Hij is zelf geen avond thuis. Wat heeft hij over mij dan te klagen? Ik ben een voorbeeldig kind. Ik haal zessen in het vmbo en ik ben zelfstandig. Ik verdien mijn eigen geld, bij die grote klotefabriek even buiten de stad. Wat een kutwerk evengoed, daar bij de BefMij. Maar pa moet niet zeiken. Ik ben hem geen moment tot last.”
Over straat liep een oude man in een lange jas en met een grote hoed op zijn hoofd. Hij had flink de pas erin, alsof hij haast had, maar liep ietwat wijdbeens. Hij duwde de deur van de tattooshop open en ging naar binnen.
“Volgens mij ken ik die engerd,” dacht Didixie bijna hardop. “Maar nu moet ik nodig plassen. Op zoek naar een wc, dus.”
Ze sloot het gordijn weer en liep naar de deur. Voorzichtig legde ze haar hand op de deurkruk en duwde die naar beneden. Voetje voor voetje schuifelde ze de slaapkamer uit. Ze kwam op een overloop van een woonhuis. Er was niemand te zien of te horen. Links en rechts zag ze een paar deuren. In een van de deuren zat onder de klink het ‘bezet’-draaibordje.
“Dat moet de badkamer zijn,” was haar conclusie. “En hij is niet bezet.” Tenminste, boven de deur zat een venster en daarachter was het donker. Snel liep Didixie erheen. Ze deed de deur achter zich op slot, maar liet het licht uit. Ze trok haar joggingbroek en string naar beneden en ging op de toiletpot zitten.
“Au!” riep ze bijna hardop, maar ze kon zich inhouden. “Ik heb pijn aan mijn reet. Het lijkt wel alsof die opgerekt is.”
Toen ze had gedaan wat ze moest doen, trok ze haar broek weer omhoog. Ze durfde niet door te trekken, omdat ze bang was dat ze ontdekt zou worden. Zachtjes verliet ze de toiletruimte. Links van haar zag ze een trap naar beneden. Voorzichtig liep ze ernaar toe. Van beneden klonken stemmen. Ze kon niet horen wat ze zeiden, maar ze klonken als stemmen van jongemannen. Behoedzaam zette ze een voet op de eerste tree naar beneden. Gelukkig, hij kraakte niet. Ze keek naar omlaag. Daar zag ze een gang en een deur. Ineens ging de deur open. Snel deed ze de stap terug. Ze zag iemand de gang in komen. Een man. Hij had donkere kleren aan.
“Zorg er maar voor dat je het regelt!” riep de man met even donkere stem. Didixie kon zijn gezicht niet zien, zo snel was hij ook weer weg. Toen was het weer even stil.
Traag zette ze zich weer in beweging. De tweede tree naar beneden kraakte ook niet. Langzaam maar zeker daalde ze de trap af. De deur naar de kamer stond op een kier. Nog even, en ze was onder aan de trap beland. Ze voelde iets kriebelen in haar neus. Snel kneep ze die dicht. De jeuk verdween. Zo, nu was ze beneden.
Ze schuifelde naar de deuropening. Nu kon ze horen wat er gezegd werd. Op het eerste gehoor waren er nu nog twee jongemannen in de kamer achter de deur.
“Je laat me niet zitten, man!” hoorde ze de ene stem. Die herkende ze maar al te goed.
“Rahmi,” wilde ze roepen, maar ze hield zich in.
“Je krijgt je geld heus wel,” antwoordde de andere jongeman.
“Francesco,” herkende ze.
“Ze was het geld meer dan waard,” zei Francesco. “Shit man, we hebben haar compleet uitgewoond!”
“Daarom. Je weet dat ze mijn chick is. Ik leen haar niet zomaar aan iedereen uit. Wat eenvoudig gefriemel voor een zakje M&M’s of een Big Mac was een; di­t was andere koek.”
“Jij bent mijn beste vriend, Rahmi. Je kunt van mij op aan. De andere jongens betalen me vanavond, dus dat komt helemaal goed.”
“Da’s je geraaien ook. En mondje dicht, hè. Dit hoeft niemand in Regensburg te weten. Ze is tenslotte de dochter van een invloedrijke wethouder hier.”
“Dat mobieltje van haar, daar kan ik vast nog wel wat voor vangen. Het is zo’n modern dingetje, erg geliefd bij sommige lui.”
“Doe met dat ding wat je niet laten kunt, Francesco. Als je maar met geld over de brug komt.”
“Wie weet hoeveel de film van vannacht oplevert.”
“Zoalang je d’r maar onherkenbaar maakt.”
“Dat komt helemaal goed. Shit, wat was ze gewillig, zeg.”
“Ze is bij mij wel wat gewend, Francesco.”
“Ook met meerdere kerels tegelijk, Rahmi? Wat die griet met haar mond kan … ”
Didixie liet een hand over haar pijnlijke onderkaak glijden.
“Ik hoef de film niet te zien, Francesco. En nogmaals: zorg ervoor dat niemand in Regensburg die film te zien krijgt.”
“Wat heeft haar vader eigenlijk met die fabriek te maken?”
“Het fijne weet ik er ook niet van, maar het had iets met zwart gemeentegeld van doen.”
“Maar zij werkt toch in de fabriek?”
“Ja, klopt. Maar zij hoeft dat allemaal niet te weten. Voor mij is het belangrijk dat ze weet hoe ze me moet plezieren.”
“Hehe, Rahmi. Het is een lekker sletje. Je vraagt er veel geld voor, maar ze is het waard.”
“Dat geld heb ik hard nodig voor die nieuwe stuff, weet je.”
Didixie had genoeg gehoord. Ze haalde diep adem en liep de kamer in. “Ik zou wel een breezer lusten,” zei ze.
 

Hebben Rahmi en Francesco een goudmijntje aangeboord?
Wat denkt haar papa hier van? Of weet hij van niks?
In welk duister zaakje zit Falco eigenlijk?
Welke stuff gaat Rahmi kopen met het geld?

Lees het volgende week in ‘Regensburg’! 
 

(tuvokki en bazbo, juni 2007)

• • •
 

24-10-2007

Regensburg aflevering VI – ‘De radio-uitzending 2’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 18:59

Een vorige keer in Regensburg:
Het Grand Café ‘Il Giornale Copertura’ is feestelijk heropend. Tijdens het feest is er een live radio-uitzending gemaakt.
Voor de lezer die het allemaal niet goed kon volgen, volgt hier de integrale weergave van die radio-uitzending, deel twee.

Hier is Regensburg VI

(‘Eenzame Kerst’ door André Hazes)
“Dank u wel, Johnny Il Linguetta, voor dit diepte-interview. Ik zit hier nog altijd in Grand Café ‘Il Giornale Copertura’, dat vandaag zijn feestelijke heropening viert. Kan ik nog een trappist krijgen? Ik ben Willy op de Berg namens Radio Regensburg, en naast mij is aangeschoven … Wie bent u nou weer?”
“Jooscht Paul Bak ’n Ei.”
“Welkom, meneer Paul Bak ’n Ei. Wat zijn uw indrukken van de heropening tot nu toe?”
“Een feestelijke gelegenheid. En terecht. Het Grand Café is er zeer op vooruit gegaan. Zeg nu zelf, die kroonluchters staan bijzonder mooi. De rood pluchen aankleding ziet er zeer verzorgd uit. Alleen die houten stoelen zitten kut. Alsof je in de kerk zit.”
“Fijn. Wat is uw rol geweest als wethouder?”
“Ik heb ervoor gezorgd dat er voldoende subsidiële middelen naar de eigenaar zijn gegaan.”
“Aha. U hebt de cafékas nogal gespekt.”
“Het is maar hoe u het uitlegt, meneer van de Berg.”
“Moest het Grand Café nog aan bepaalde eisen voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen?”
“Jazeker! Om de populatie in het dorp zuiver te houden, is het ten strengste verboden dat buitenlanders hier binnen … wat is dat?!”
“Dames en heren, luisteraars,” (op fluistertoon), “er gebeurt hier plotsklaps iets vreemds. Het lijkt wel of het licht kapot is. Het is hier ineens stikdonker.”
(Van ver weg klinken gilletjes, die overgaan in geroezemoes. Dan is het even helemaal stil.)
(Van ver weg, maar wel zeer luid:)
“AAAAAAAAAAAAAAAAAAH!”
“Dames en heren, luisteraars,” (nog steeds op fluistertoon) “ik bevind mij hier nog altijd in Grand Café ‘Il Giornale Copertura’ en zojuist is het licht uitgevallen. Niet lang daarna klonk een ijselijke kreet. Daar schrok iedereen heel erg van. Zelf heb ik mijn glas trappist omgestoten. Gelukkig had ik hem al leeg. Mijn gast, de heer Jooscht Paul Bak ’n Ei is momenteel aan het proberen om de gemoederen te sussen. Iedereen is verschrikkelijk in paniek.”
“Dames en heren, blijft u alstublieft rustig! Ik ben het, uw wethouder Jooscht Paul Bak ’n Ei! Ik zal het licht herstellen. Geen paniek!”
(Van ver weg, een onbekende stem:) “Je weet de weg hier wel verrekte goed, zeg, Ei! Kom je hier vaker? Boven zeker, dan! Bij de hoeren.”
(Van ver weg, een onbekende stem:) “Hoeren? Zijn hier hoeren? Dit was toch een beschaafd Grand Café?”
(Van ver weg, een onbekende stem:) “Moet je ’s op zondag komen! Dan voeren ze hier de gekste rituelen uit!”
(Van ver weg, iedereen zucht van opluchting:) “Oooooooooooh!”
“Dames en heren luisteraars, hier is Willy van de Berg weer. Het licht is inmiddels weer aangegaan. We zullen de situatie eens inschatten. Iets verderop zien we de heer Jaques Bupatih op een voet hinken. Zijn andere voet houdt hij angstvallig vast. Er stroomt bloed uit. Kijk, daar komt de heer Jooscht Paul Bak ’n Ei binnen. Hij is naar de meterkast gegaan en heeft de stroom er weer opgezet. Iedereen kijkt erg opgelucht. Enkele mensen knijpen hun neus dicht; het zijn de mensen die in de buurt van een nieuwe gast staan, een oude meneer met een lange natte regenjas en een grote hoed op. Ik heb inmiddels een nieuwe trappist gekregen. Volgens mij is er verder niets opvallends. Hoewel, de heer Falco Mela Aspera en mevrouw Bertha zijn spoorloos verdwenen. We zien de heer Ei trouwens ineens rap de trap op naar boven rennen. Wacht, we vragen opheldering aan deze meneer hier. Meneer, wat gaat er op dit moment door u heen?”
“Bloed.”
“Fijn. Hoe zou u de situatie willen inschatten?”
“Wel. Opdat de kanaries niet in de weg staan. Tenzij de schoorsteenveger. Maar dat Falco vies doet, moge duidelijk zijn. Met zijn dekmantelbedrijf. Wis en waarachtig drie. Onder de Regensbrug liggen kapotjes. Kijk daar, een eenzame breezer. Gaat Rahmi er vandoor op de brommer? Heeft hij de dochter van Bak ’n Ei bij zich?”
“U bent zo zat als een ei. Beetje weinig gegeten, zeker?”
“Frikadellenmoes, broodje rattenpaté, raapstelenstamppot, wezelworst en kaneelkransjes. Met de huiswijn. Maar die is goor. Godver, wat is die goor. Net zo goor als die Duitse zwerver. Die is bijna de enige hier zonder een tatoeage op zijn adamsappel. Maar daarover hoor je de melkboer niet klagen. Vandaar dat de raadsels met bakken uit de hemel komen. Perfect voor een dansje. Wanneer gaat u weer eens een column schrijven in plaats van een leuk verhaaltje? Over twee maanden, zeker? Met suiker en melk. David Copperfield ten top. En een rubber kip voordat de bom barst. Nietwaar?”
“Fijn. Plaat maar weer.”
(‘Whole Lotta Rosie’ van AC/DC)
“Dan hebben we nu hier een speciale gast achter de microfoon, dames en heren. Naast mij heeft plaatsgenomen de heer Jaques Bupatih. Meneer Jaques Bupatih, hoe staat het met u?”
“Ik kan nauwelijks staan!”
“Wat is er gebeurd?”
“O, meneer Willy! Ik stond gewoon een biertje te drinken en ineens ging het licht uit en toen gebeurde er even niets en ineens leek het wel of die olifant van een Bertha op mijn teen ging staan en het deed godskolerepijn en toen ging het licht weer aan en toen keek ik naar mijn teen en toen zag ik dat mijn nagel van mijn grote teen af lag en toen moest ik ineens nogal braken en toen bleek het maar goed dat ik de goede raad van mijn goede moeder heb opgevolgd, want zij zei altijd dat ik mijn eten goed moest kauwen, want nu had ik gebraakt en zag je niet eens klonten in mijn kots!”
“Fijn. Dank u wel, meneer Jaques Bupatih. Omdat u goed gekauwd heeft, heeft u geen klonten in de kots. Wat zijn uw verdere plannen?”
“Ik ga zo een frisse neus halen. Dit lokaal is me veel te benauwd.”
“Dan had u beter eerder een paar buitenmuren kunnen laten slopen voordat deze hele kuttent heropend werd, toch?”
“Ik ben toch niet de eigenaar? Ik ben maar mede-eigenaar, hoor.”
“U ook al?”
“Ja.”
“Maar hoe zit dat met die frisse neus?”
“Die haal ik straks buiten. Bovendien heb ik last van mijn pasgezette tattoo. Het is alsof ik het einde der tijden voel naderen op deze uiting van spiritualiteit die mijn keel siert.”
“Ojajoh?”
“Ja, joh. Hoog tijd dat ik met mijn garantiebonnetje terugga naar de maker, die Herman B. Schipmaker in de Pispottensteeg.”
“Fijn. Dank u wel, meneer Jaques Bupatih. We naderen langzamerhand het einde van uitzending. Maar eerst weer een plaat. Hier is The Who met het lied ‘Tattoo’. Of zullen we iets draaien van de Stones? Van het album ‘Tattoo You’? Kan het bommen!
(‘Tattoo’ door The Who. Of iets van het album ‘Tattoo You’ van The Rolling Stones. Kan het bommen.)
“Dit was het dan weer, dames en heren, vanuit een regenachtig Grand Café ‘Il Giornale Copertura’, waar we vanavond getuige zijn geweest van de feestelijke heropening en onverwachte gebeurtenissen. We wachten de band en de deegrollerslikster niet meer af. Volgende keer presenteer ik het programma vanuit het penitentiaire opvanghuis voor jongeren van onze gemeente. Dit was Willy van de Berg namens Regensburg Radio 1. Goedenavond. We gaan eruit met een gouwe ouwe.”
(‘Ode an die Freude’ van Ludwig von Beethoven)
“Mag ik nog een verse trappist?”

Een kerkgenootschap in Grand Café ‘Il Giornale Copertura’? Wat is dat ineens voor vaags? Of zag u het al aankomen?
Wat is de politieke overtuiging van Jooscht Paul Bak ’n Ei? En wat gebeurt er op de bovenverdieping van het Grand Café?
Wie is toch die stinkende zwerver? En wat is zijn vuile rol?
Hoe reageerde het volk van Regensburg op deze radiouitzending?

Lees het volgende week in deel VI van ‘Regensburg’!

(tuvokki en bazbo)

Deze aflevering is nooit geplaatst op FOK!

• • •
 

18-09-2007

Regensburg aflevering V – ‘De radio-uitzending 1’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 20:13

Een vorige keer in Regensburg:
Het Grand Café ‘Il Giornale Copertura’ is feestelijk heropend. Tijdens het feest is er een live radio-uitzending gemaakt.
Voor de lezer die het allemaal niet goed kon volgen, volgt hier de integrale weergave van die radio-uitzending.

Hier is Regensburg V

“Dan schakelen we nu rechtstreeks over naar Grand Café ‘Il Giornale Copertura’, waar onze verslaggever Willy van de Berg kond doet van de gebeurtenissen op het heropeningsfeest.”
“Kond doen? Wat een vreemde uitdrukking is dat toch. Maar goed, luisteraars. Hier is Willy van de Berg met uw vaste rubriek ‘Jikkel aan mijn sneuk’, voor Regensburg Radio 1, deze keer vanuit Grand Café ‘Il Giornale Copertura’. Het is hier een gezellige bende. Een trappist zou er best ingaan.”
(Openingsjingle)
“Een gezellige bende was het ook vanochtend, toen ik wakker werd. Even keek ik om me heen en ik herkende de woonkamer van een vorige ex. Ik lag op de bank. Dit gebeurt me wel vaker. U ook, luisteraar? Even had ik zin om mijn deel ter hand te nemen en mij even flink te verlichten, maar ik voelde dat de plicht riep. Snel ging ik naar hier ter plaatse.
We zijn hier in het sfeervolle Grand Café ‘Il Giornale Copertura’, waar vanavond de feestelijke heropening plaatsvindt. Alle plaatselijke notabelen zijn aanwezig en later op deze avond zullen enkele van deze plaatselijke notabelen naast mij aan de microfoon plaatsnemen. Maar laten we eerst een schets van de couleur locale geven.
Ik zie hier een donkerbruin Grand Café met in het midden een soort scheidslijn. Waarvoor die dient is mij onduidelijk! En naast de tafeltjes met damasten tafelkleedjes is er ook een podium, waar we zojuist een heuse buikdanseres hebben mogen aanschouwen. Als de berichten ons niet bedriegen, krijgen we straks nog een optreden van ‘Boze Baz en de Botte Bijlen’ en aansluitend een performance van een slangenbezwerende degenslikster.
Hier vlak voor mij zit Falco Mela Aspra, en met hem doen we iets later in de show een interview. Ook zie ik Romana van der Stang, en die krijg ik zeker wel hier voor wat woordjes en andere flauwekul. En wie weet lukt het ons om de grote Johnny Il Linguetta voor de microfoon te krijgen!
Kortom: het belooft een hete avond te worden, dunkt mij. Maar nu eerst: MUZIEK! Een plaat van de grootste kutgroep aller tijden, en ik kan het weten, want ik heb dit wetenschappelijk uitgezocht. Hier is ‘Norwegian Wood’ van de Bietels.
(Plaat. ‘Norwegian Wood’ van de Bietels.)
“Welkom terug, luisteraars. Ik zit hier opgescheept met mevrouw Romana van der Stang. Romana, welkom.”
“Hallootjes.”
“Wat is uw positie hier? Waarom bent u hier eigenlijk?”
“Ik ben hier namens de DJMO.”
“De wat?”
“De Jonge Meiden Organisatie.”
“Maar u bent zelf de vijftig ver voorbij!”
“Ja, maar nog altijd de groupie-bang-bang voor al die lekkere jonge knullen van de bandjes hier in het Café.”
“Fijn, en wat zijn de bezigheden van DJMO eigenlijk?”
“Wij zorgen ervoor dat de bandleden een fijne tijd hebben als ze niets te doen hebben.”
“En wat doet u dan zoal met die jongens?”
“We nemen ze mee naar de mooie plekjes van de stad. Of we laten ze andere lekkere plekjes leren kennen.”
“Fijn. Maar dan luisteren we nu even naar een recent rap-hitje. Hier is Francesco Zappo met ‘Tengo Na Minchia Tanta’!”
“Toepasselijk.”
“Hoe bedoelt u, mevrouw van der Stang?”
“Jouw Italiaans is niet geweldig, hè?”
“Kop dicht. Niet door een plaat heen praten.”
(‘Tengo Na Minchia Tanta’ door Francesco Zappo)
“Fijn. Welkom terug, luisteraars. Dit is Willy van de Berg van Regensburg Radio 1. We zijn hier op het openingsfeest van Grand Café ‘Il Giornale Corpertura’ en het wordt een heerlijk zatte zooi, ondertussen. Tijd om een van de belangrijke figuren van het Grand Café aan de tand te voelen. Het woord is aan Falco Mela Aspra.”
“Huh? Wat?”
“Goedenavond, meneer Falco.”
“O pardon. Even mijn tong uit de mond van deze deerne halen. Zo.”
“Wat een mooie deerne, meneer Falco. Ze ziet er mooi uit, met die rode netkousen en dat zwarte leren corset. Hoe heet zij?”
“Hoe heet jij?”
(Van ietwat verder weg:) “Bertha.”
“Ze heet Bertha, Willy.”
“Bertha 12 of Bertha 13?”
“Huh? Wat?”
“Grapje, Falco, grapje. Iets waar jij duidelijk niet mee opgevoed bent.”
“Ik ben heel goed opgevoed. Zoals mijn vader Padre Fragola altijd zei…”
“Hou toch eens op over je vader, Falco! Je vader, die is dood! Daar hebben we het maanden geleden al over gehad, toen ik je interviewde in dat vegetarisch restaurant ‘Lust Je Nog Peultjes?’, weet je nog wel?”
“Al sla je me dood.”
“Jou doodslaan? Heb je vijanden dan?”
“Vast wel. Als mede-eigenaar van een Grand Café en als directeur van de BefMij, toevallig de grootste werkgever in dit stadje, haal je je wellicht de haat van illustere figuren op de hals.”
“Over uw hals gesproken, meneer Falco. Wat is dat toch voor tatoeage die u daarop heeft?”
“Nou, dat is best een verhaal. Heeft u even?”
“Sorry, maar we moeten weer naar een plaat. Dank u wel, meneer Falco, voor uw bijdrage. Is er nog trappist? Hier zijn de Ramones met ‘Hey Ho Let’s Go!’.”
(‘Hey Ho Let’s Go’ door The Ramones)
“Zo. Een verse trappist. Fijn. Dan gaan we nu naar de volgende gast. En wie bent u nu weer? ”
“Ik ben Johnny Il Linguetta.”
“En wat doet u hier zoal?”
“Ik ben de bedrijfsleider van dit Grand Café.”
“Vreemd, dat zei de vorige spreker ook.”
“O? Is dat zo? Nou, volgens mij ben ik de enige eigenaar van dit café.”
“Als u de eigenaar bent, mag u de boel wel eens laten schoonmaken.”
“Hoezo?”
“Het stinkt hier naar poep.”
“Shit. Is die vieze zwerver nu alweer binnen?”
“Dat zei mijn zeventiende ex ook toen ik vanmorgen op haar bank wakker werd. Maar pardon, waar hadden we het ook weer over?”
“Rahmi! Ik dacht dat je die vagebond eruit had gegooid!”
(Van ver weg:) “Die is buiten gesmeten hoor, pa! Alleen zijn lucht hangt hier nog!”
“Dank u wel, Johnny Il Linguetta.”
“Graag gedaan, meneer Willy op de Berg. Mag ik u ook nog even wat vragen?”
“Hee, wat leuk, een gast die een vraag heeft. Gaat uw gang, meneer Il Linguetta.”
“Wanneer komt uw boek met verzamelde columns uit?”
“Over twee maanden. Maar om even terug te komen op dit café. Wat zijn uw ideeën over de toekomst?”
“We gaan dit Grand Café een chique uitstraling geven. Dat doen we door middel van hoge prijzen en elitaire bijeenkomsten en lezingen.”
“Er gaan geruchten over een obscuur kerkgenootschap dat zich hier in dit gebouw gevestigd zou hebben.”
“Gaan we praten over geruchten?”
“U wordt anders wel rood, meneer Il Linguetta.”
“Ik? Nee, hoor. Ik heb niets te verbergen.”
“Jawel! U wordt wel rood! Zelfs de tatoeage op uw adamsappel kleurt mee!”
“Ik weet van geen kerkgenootschap. Wat ik wel weet, is dat u een pijn in de kont bent. Ik heb mijn contacten. Een telefoontje naar de directie van Radio Regensburg en …”
“Plaat!”
(‘Eenzame Kerst’ door André Hazes)
(Door de plaat heen:) “Van de Berg, vuile mediageile kutpresentator! Ik maak je helemaal dood! Ik zorg ervoor dat het nooit iets wordt met die radio- en schrijfcarrière! Ik heb zo mijn contacten!”
“Kut! Die microfoon had jouw grote muil moeten raken, Il Linguetta! Zelfmoord is ook een optie, stuk Italiaans schorem!”
“Paparazzihoer!”
“Shit, de microfoon staat nog aan. Is er nog trappist?”

Wat staat er nog meer op de band van Willy?
Wie weet nog wat Jaques deed, volgende week zijn interview!
Snapt u het nog een beetje?
Wij niet, maar volgende week wordt het vast allemaal duidelijk, of niet?
De rest van de radio uitzending volgt!

Lees het volgende week in ‘Regensburg’!

(tuvokki en bazbo)

Deze aflevering werd oorspronkelijk geplaatst op FOK! op zondag 8 juli. Kijk ook hier hier.

• • •
 

10-09-2007

Regensburg aflevering IV – ‘De jeugd van tegenwoordig’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 14:53

Vorige keren in ‘Regensburg’:
Falco MaleAspra, Johnny en Jaques Bupatih zijn de eigenaren van Grand Café ‘Il Giorno Copertura’. Na het tumultueuze openeningsfeest van het café heeft Jaques Bupatih erge last van jeuk aan zijn tattoo. Hij gaat naar Herman B. Schipmaker voor een behandeling.
Meer informatie nodig? Lees dan de voorgaande afleveringen, luie bliksem!

Hier is Regensburg IV!

Die Rahmi. Het openingsfeest was afgelopen. Hij draaide het gas van zijn Vespa voluit en scheurde de straat uit. Grand Café ‘Il Giorna Copertura’ was snel uit het zicht verdwenen. Vanwege de snelheid moest het meisje achterop zich extra goed vastklemmen aan zijn middel.
“Voorzichtig!” riep ze. Rahmi wierp een blik naar achteren. Die Didixie was een lekker wijf. Ze had haar blonde haar in een strakke paardenstaart gestoken. Sportkleding sierde haar jonge lichaam. Haar ene arm hield ze om de zoon van de café-eigenaar heen geslagen; in haar andere hand kon ze met moeite de breezerfles rechtop houden. Doordat ze zich zo strak tegen Rahmi aandrukte, voelde hij hoe haar gezegende set tieten in zijn rug priemden. Hij kreeg het er warm van, ondanks dat de regen in bakken uit de hemel op hun haren neerkletterde. Het water spatte hoog op aan de kleine wielen van de bromscooter. Rahmi stuurde de tweewieler handig door de kleine straatjes, totdat hij op het Plaza di Prima Pagina uitkwam. Hier draaide hij naar rechts, in de richting van de Goot, het riviertje dat de stad doorkruist. Niet veel later hield hij halt onder de Regensbrug, de grote brug over de rivier.
Onhandig gleed Didixie van het tweepersoons zadel af. Ze verloor haar evenwicht en moest de breezerfles loslaten. Met een pats sloeg die aan scherven op de donkere klinkertjes. Rahmi parkeerde de bromscooter en controleerde zijn mobiele telefoon. Geen berichten. Toen hij hem weer dichtklapte, galmde het even onder de brug.
Hij liep naar Didixie toe en sloeg zijn armen om haar heen. Didixie zei iets tegen hem, maar hij kon het niet horen.
“Wacht even,” zei hij. Hij maakte een arm van haar los en bracht de hand naar zijn rechteroor. Snel trok hij het oordopje van zijn iPod uit de schelp, en even later ook die uit zijn linkeroor.
“Wat was je aan het luisteren, eigenlijk?”
“‘Tengo Na Minchia Tanta,’ een ouwe rap-hit van ene Francesco Zappo,” antwoordde Rahmi.
“Francesco? Ik wist niet dat Francesco ook rap maakte.”
“Nee domme koe, niet onze Francesco,” zei Rahmi gepikeerd. “Wat ben jij voor breezerslet?”
“Heb je een nieuwe?”
Rahmi liep terug naar de Vespa en opende het zadeldeksel. Daar had hij een half kratje breezers verborgen. “Welke smaak wil je?”

Francesco hoorde de brommer van Rahmi over het plein scheuren. “Zou hij zijn sletje bij zich hebben?” vroeg hij zich bijna hardop af. De vorige keer had hij Didixie naakt gezien voor een zakje M&M’s. Haar striptease had hij op video staan. Het zatte meisje waggelde met haar enorme tieten door het beeld. Francesco was zo enthousiast, dat Rahmi beloofde dat hij zou zorgen voor meer actie.
“Wat heb je er voor over?” had Rahmi gevraagd. “Je weet: ze is mijn chickie.”
“Ik kan aan goede Libanon komen,” was Francesco’s antwoord geweest. Hij had de camera’s al klaar staan. Iets dat Rahmi niet wist.
Vlug klikte Francesco de plaatjes die hij aan het sorteren was weg. Hij liep naar buiten, richting de brug.

“Hey, man. Hoe issie?” Francesco deed net alsof Didixie er niet was. Een coole manier van onverschillig zijn, die hij had afgekeken van tv. Hij liet zijn vuist tegen die van Rahmi botsen, als teken van begroeting.
“Lekkerrr … Heeft Dirk-Hein nog gebeld?” vroeg Rahmi. “Hij mailde me dat hij iets moest doen in die klotekerk van zijn pa.”
Didixie leunde tegen de scooter en lurkte aan haar flesje. Ze keek naar Francesco en ging met haar tong tachtig keer langs de hals.
“Het was een behoorlijke zooi op de opening.” Francesco genoot er altijd van als zijn vader voor schut stond. “Jaques zal die teen nog lang voelen.”
Het nieuws ging een beetje langs Rahmi heen. Hij vond Jaques sympathiek, maar wilde dat niet laten blijken. Wie vindt de vader van zijn beste vriend nou cool?
“Eej, hebben jullie gehoord van die psycho die ontsnapt is?” De redelijk dronken Didixie probeerde zich in het gesprek te mengen.
“Ja,” zei Francesco. “Ik zag het op FIK!, je weet wel, die populaire nieuwssite. Het schijnt een gevaarlijke TBS’er te zijn die uit een kliniek is gevlucht.”
“Die man was ooit een bekende in Regensburg,” vertelde Rahmi. Hij kende het verhaal. “Hij is een tijdje voorganger geweest in de kerk. Cazador Del Sol heette hij, geloof ik. Zat vast voor verkrachting en moord. Mijn pa dacht vroeger dat Jaques en hij een tweeling waren.”
“Saai!” riep Francesco. Hij wilde niet verder praten over zijn vader en was begonnen de tieten van Didixie te masseren. “Doe nog eens een dansje, ” hijgde hij.
“Wie weet wil ze wel even op haar knietjes.” De stem van Rahmi liet niks te raden over.
“Voor een hamburger doe ik alles,” zei het dronken meisje, terwijl ze zich door haar knieën liet zakken.
“Nu maar hopen dat die gek de weg hier naar toe niet meer weet,” lachte Rahmi. “Nog een mafketel in het dorp erbij en we kunnen officieel subsidie aanvragen.”
“Dat zal wel loslopen,” zei Francesco. “Die gasten gaan toch meteen de onderwereld weer in om niet gepakt te worden.” Francesco hoopte stiekem dat het niet zo zou gaan. Hij wist dondersgoed dat de verlichte kerk werd geleid door een van de grootste gekken van het dorp. De zachte mond van het tienermeisje maakte hem sprakeloos. Hij liet Didixie haar midnight-snack verdienen.
“Maarreh, Rahmi,” zei ze tussen twee halen door. “Wat betekent toch die tattoo op je adamsappel?”

Ondertussen liep Jaques Bupatih aan de andere kant van het dorp te dwalen.
“Die behandeling van Herman Schipmaker heeft me goed gedaan,” constateerde hij. “Het was af en toe wat benauwend, maar het werkte wel!” Onbewust was op het terrein achter het Grand Café gekomen, en nu liep hij naar het kleine gebouwtje dat daar stond.
In het donkere schuurtje hing de lucht van verse verf. Hier werden de specials gemaakt voor in de kroeg. Er stond wat oude rommel opgeslagen, zoals die levensgrote portretten van de stamgast van de week.
“Er wordt te weinig gerecycled in dit dorp.” De woorden kwamen moeizaam uit zijn mond.
Ietsjes verderop stond het kleine gemak. Tja, wilde je naar de plee, dan moest je naar buiten. Het kleine hokje had een hartvormig gat in de deur. Joachim Bauthächler nam er de tijd voor. Hij probeerde zijn oren te spitsen, om maar zoveel mogelijk geluiden van buitenaf op te vangen. Dat was nog lastig, want zijn afvalstoffen plonsden luid.
“De mensen maken van alles vies, maar ruimen nooit op,” hoorde hij Jaques zuchten. Het klonk alsof Jaques weer weg wilde gaan.
“Was doet deze man hier in das schuurtje?” Joachim Bauthächler wist het niet.
Jaques wist het zelf ook niet goed. Een soort van innerlijke stem vertelde hem dat hij hier moest zijn. “Schipmakers pilletje is goed voor mijn zere keel,” fluisterde hij voor zich uit. De massage was hard aangekomen op zijn getekende gelaat en het pilletje deed wat het moest doen. De pijn was een louterende wegwijzer geweest op zijn spirituele weg.
Joachim Bauthächler probeerde de laatste uitwerpselen uit zijn endeldarm te persen. Tegelijkertijd duwde hij de deur van het schijthuis een stukje open en keek hij naar het schuurtje. Hij zag Jaques net toen die naar buiten wilde gaan.
Jaques liep bijna tegen een rijzige figuur in de deuropening op. De man kwam hem vaag bekend voor. Ineens wist hij het.
“Cazador,” stamelde Jaques. “Mijn zonnekind. Je bent terug.”
In het grauwe licht glinsterde enkel het lemmet van een fileermes.
“Ik ben hier om op te ruimen … broer.”
 

Wat is Cazadors relatie tot Jaques Bupatih, en aan welke vorm van schoonmaakwoede lijdt hij?
Hoeveel betaalt Francesco voor Rahmi’s sletje?
Wat is de vuile rol van Joachim Bauthächler in dit geheel?

Lees het volgende week in ‘Regensburg’!

(tuvokki en bazbo)

Deze aflevering was oorspronkelijk geplaatst op FOK! en wel hier hier.

• • •
 

03-09-2007

Regensburg aflevering III – ‘Een ontdekking’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 15:17

Vorige keer in ‘Regensburg’:
Tijdens de feestelijke heropening van Grand Café ‘Il Griornale Copertura’ blijkt Jaques Bupatih niet alleen zijn teennagel te zijn kwijtgeraakt; ook krijgt hij nieuwe inzichten in de kerkelijke afsplitsing die opereert vanuit het Grand Café. Een stinkende zwerver duikt overal op. Een hoer, genaamd Bertha Perends, geilt mede-eigenaar Falco op en bezorgt hem eveneens jeuk.
En er gebeurde nog veel meer, maar als je d¡t allemaal wilt weten, moet je de vorige twee afleveringen maar lezen.

Hier is Regensburg III!

De vorige avond kriebelde nog na in zijn kop. “Pfft, het zijn niet eens die paar biertjes, die ik gratis heb gekregen,” zuchtte Jaques. “En ook niet die paddestoelen die ik in de zweethut heb genuttigd.” Zijn voet deed pijn en de korst op zijn keel jeukte als een gek. Jaques had gewoon een kutochtend. “Geen van de maitresses had een ontbijt voor me gemaakt. De de kinderen die in de kerkcommune aan het rennen waren maakten me gek.” Kerkcommune, zo heette de sekte officieel. Gisteren had een van de mensen in de commune een zalfje gemaakt die de jeuk een klein beetje verlichtte. Het zalfje brandde nog een beetje en Jaques besloot toch maar naar de dokter te gaan.

“Wat een feest, gisterenavond,” zei hij in zichzelf. “Het Grand Café is op passende wijze heropend. Jammer van die commotie toen het licht uitviel. En jammer van mijn teennagel.” Op zijn weg naar de dokter bedacht Jaques zich dat de tatoeëerder misschien wel raad wist. Herman B. Schipmaker was een rijzige gestalte. Alsof het zo hoorde had de man enorme armen en het uiterlijk van een dokwerker. Zijn lichaam zat vol met de meest afschrikwekkende tatoeages, piercings en andere bizarre vormen van lichaamskunst. Jaques vond het een van de beleefdste en prettigste figuren uit het dorp. Schipmaker had een warme stem en een intelligente kijk op de wereld. Als hij de pijn niet kon verlichten, zou Jaques naar de dokter gaan. Of een pilletje nemen, dat had hij nog niet besloten.

Binnen bij Schipmaker was het een beetje donker. De ruimte waarin getekend werd was schoon; de rest van de shop een enorme bende. Jaques zag de slapende tattooartiest en besloot hem zachtjes wakker te maken. De belletjes aan de deur en een hevige hoestbui maakten aan dit voornemen een eind.
“Hoi Schipmaker, ik heb jeuk.”
“Dan ben je niet de enige,” zei Schipmaker.
“O? Hoezo?”
“Falco schijnt ook jeuk te hebben.”
“Hoezo? Was hij hier dan? Heeft hij ook jeuk aan zijn tattoo?”
“Hij was niet hier, maar welingelichte bron vertelt me dat hij niet alleen jeuk aan zijn tattoo heeft.”
“Oh? Waar dan nog meer?”
“Aan zijn edele deel.”
“Da’s niet zo mooi voor hem, Schipmaker. Hoe komt hij daar aan?”
“Weet ik veel, het verhaal gaat over een troostmeisje.”
“Noemde hij een naam?”
“Nee, dat niet. Wel dat ze een zwart lederen corset droeg en geile rode netkousen.”
“Bertha,” fluisterde Jaques.
“Wat zeg je?” vroeg Herman Schipmaker.
“Oh, ik vroeg me af van wie je dit allemaal weet.”
“Ken je die zwerver?”
“Die met die lange jas en die grote hoed?”
“Ja. Joachim Bauthächler. Zo heet hij.”
“Waar komt hij vandaan?” vroeg Jaques.
“Uit Duitsland, maar dat is alles wat ik weet.” Schipmaker krabde aan een tattoo onder zijn rechteroksel. “Maar nu is hij overal.”
“Inderdaad,” zei Jaques. “Het stinkt overal naar poep.”
“Maar waar kwam je voor?” vroeg Herman.
“Jeuk. Onbedaarlijke jeuk. Aan mijn nieuwe tattoo.”
“Ga liggen. Dan behandel ik hem.”

Jaques ging liggen op de behandeltafel van de naaldkunstenaar. Herman B. Schipmaker boog zich over zijn hals. Jaques deed zijn ogen dicht.
“Als Falco seks had met een hoer, in de achterkamertjes van ons gezamenlijke café, dan zou dat vreselijk zijn!” Jaques dacht aan de verschrikkelijke dingen die dat spiritueel deden met het hele dorp. “Hoeren, waar ik niks van af weet? Dat is niet alleen spiritueel een ramp, maar zo loop ik ook nog eens inkomsten mis.” Falco kennende had hij dit allemaal met Johnny bekonkeld. “Nu lacht waarschijnlijk iedereen achter mijn rug om mijn domheid.” En als Jaques ergens boos van werd, was het wel spiritueel verval en roddels over zijn domheid. Hij was wel de man die de leegloop van zijn vaders kerk was tegengegaan door de nieuwe zon op te laten gaan in het eeuwig regenachtige dorpje.

Ineens klonk geklingel van de de bel boven de winkeldeur. Er kwam iemand binnen.
“Scheepmacher!” hoorde Jaques een stem met zwaar Duits accent roepen. “Kan ik hier maal kakken?”
Herman haalde zijn handen van Jaques’ adamsappel. Dat gaf Jaques de gelegenheid om zijn hoofd te draaien en naar de deuropening te kijken. Daar rende Joachim Bauthächler naar de deur van het toilet.
“Schnell!” kreunde de oude man. “Anders schaf ik het niet!” Hij gooide de deur van de wc open, stroopte zijn broek naar beneden en ging zitten. Hij vergat zijn lange jas omhoog te gooien. “Wat een drekzooi,” mopperde Joachim. “En het is al zo’n zwijnerij. Wie moet dat ja met Professor von d’Öbelstein?”

Meer kon Jaques niet horen. Het gemompel van de oude zwerver werd overstemd door onfrisse geluiden die van ver uit de endeldarm tevoorschijn schalden.
“Kennie weer?” vroeg Schipmaker.
“Graag,” zei Jaques. Hij draaide zijn hoofd weer naar de tattoeëerder. Ver weg hoorde hij het toilet doorgetrokken worden. “Help me alsjeblieft van deze afgrijselijke jeuk af.”
“Ik doe wat ik kan,” zei de enorme naaldwerker.
De bel van de winkeldeur klingelde opnieuw en sloeg toen dicht. Joachim Bauthächler was vertrokken.
Herman Schipmaker legde zijn beide handen om de hals van Jaques Bupatih en kneep ze traag, tergend langzaam, steeds strakker dicht.
 

(einde van deze derde aflevering)

Is Jaques jaloers op Falco? Hoe pakt dit conflict verder uit?
Wat is toch de vuile rol van Joachim Bauthächler in dit alles?
Overleeft Jaques zijn anti-jeukbehandeling?

Lees het volgende keer weer in aflevering vier van ‘Regensburg’!

(tuvokki en bazbo – Deze aflevering is oorspronkelijk geplaatst op FOK! en wel hier.)

• • •
 

27-08-2007

Regensburg aflevering II – ‘Jeuk’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 19:43

Vorige keer in Regensburg:
De zwerver Joachim Bauthächler is het Grand Café Gionale Copertura uitgeschopt door Rahmi, de zoon van bedrijfsleider en mede-eigenaar Johnny il Linguetta.
Tijdens de officiële heropening van de zaak overdenkt co-eigenaar Falco de situatie, en wordt opgegeild door ene Bertha Perends…

Plotseling werd het donker in Grand Café Giornale Copertura. Een seconde later klonk er een ijselijke kreet.
“In dit soort situaties ben ik op mijn best,” dacht Jooscht Paul Bak ’n Ei. “De mensen van het vriendelijke Regensburg hebben leiding nodig in crisissituaties.”
Jooscht Paul hoefde niet over een crisissituatie te struikelen om er een te herkennen.
“Mensen, blijf…” Verrek, er zat een kikker dwars in zijn keel. Zijn krakerige kreet verbrak de stilte, en dat was voor bijna iedereen die op de heropening van Copertura was afgekomen het teken om opgewonden door elkaar te gaan kakelen.
“Mensen, nog even uw aandacht alstublieft,” hoorde hij iemand roepen. “Blijf allemaal kalm! Ik zal de stop vervangen.”
Jooscht Paul besefte dat niemand welke stem dan ook hoorde. De tijd van speechen was voorbij; het was tijd voor actie.
Doordat hij zich op de tast naar de deur naast de bar bewoog, kneep hij steeds in mannen- en vrouwenvlees. Het wond hem op een vreemde manier op. De combinatie van het duister, zijn verantwoordelijkheid en de aanraking met al die lijven bezorgde hem een erectie.
Na een minuut had hij de deur gevonden, waarachter hij de meterkast wist. Hij kwam hier tenslotte nogal vaak. Het kabaal binnen was nu oorverdovend. Het leek of er vechtpartijen waren uitgebroken. Sommige vrouwen huilden, vooral aan de kant waar de familie en vrienden van Jaques Bupatih hadden gestaan. Opgelucht deed Jooscht Paul de deur achter zich dicht en sloot zo het kabaal buiten. De meterkast, die was – meende hij – rechtdoor.

Plotseling was het donker. Yvon il Linguetta wist wel wat er gebeurd was. Die ochtend had ze nog een stuiver gebruikt om een doorgebrand koperdraadje in het jaren-zeventig-espresso-apparaat te vervangen. Ze was vergeten die provisorische oplossing aan Rhami of Johnny door te geven. Grote kans dat nu heel Regensburg zonder stroom zat. In de geschrokken stilte klonk opeens een belachelijk gekraak – ze meende de stem van die overijverige gemeentesecretaris te herkenen, Paul Joost of iets in die sfeer. Het klonk een beetje alsof een doorgeroeste vrachtwagen over een lading stervende sprinkhanen heen reed. Nu begon iedereen te gillen en te roepen. Ook Yvon zelf slaakte een kreetje, toen ze vol in haar rechterborst geknepen werd. Op zichzelf een prettige sensatie. Even kreeg ze een visoen van een reusachtige orgie. In het pikkedonker zouden alle aanwezigen haar bepotelen en de knappere mannen in een lange rij staan om haar te… Maar het was tijd voor actie. Ze baande zich een weg door de krijsende cafébezoekers naar de bar, want daar stond het zo onhandig gerepareerde espresso-apparaat.

Het plotselinge duister gaf Bertha Perends een nieuwe kans. Haar opdracht was immers om Falco tussen haar benen te krijgen. Zelf had ze waarschijnlijk gekozen voor diens knappe zoontje. Maar in het beroep van Bertha leer je snel genoeg dat alle mannen ongeveer hetzelfde zijn in die twee minuten dat het er – voor hen – werkelijk om gaat. Ze greep onverwijld naar Falco’s kruis, wurmde haar hand onder zijn broekband, en probeerde zijn geslacht beet te vatten zonder per ongeluk de testikels te pletten. Ze voelde hoe Falco ontspande. Dat zijn café zonder stroom zat, was voor hem opeens kennelijk van minder belang.
“Wat zijn mannen toch zielige stakkers,” dacht ze – niet voor het eerst die dag. “Loop met me mee,” lispelde ze in zijn oor, en met haar vrije hand pakte ze Falco’s hand en legde die op haar linkerborst, die door het leren corset behoorlijk was opgestuwd. Zo leidde ze hem naar de deur naast de bar, waarachter een trap naar boven was. Ze zag niet uit naar haar taak, vooral omdat ze een ondraaglijke jeuk aan haar flamoes had. Zo’n jeuk die je alleen maar met een kapot bierglas lijkt te kunnen stillen. Maar ze werd er goed voor betaald en het scheen belangrijk te zijn voor de chef. Wie zegt dat werk altijd leuk moet zijn?

Plotseling was het pikdonker. Een seconde later voelde Jaques Bupatih, de grote Jaques Bupatih, leider van de Kerk van het Heilige Licht waar zowat iedereen in Regensburg toe behoorde – en dat wil wat zeggen in deze materialistische en egocentrische tijden – een seconde later voelde Jaques een knetterende pijn in zijn linkervoet. Hij zag een flits voor zich van de beul die de voeten van Jezus met een lange spijker aan het kruis nagelt, viel bijna flauw en slaakte toen een oerschreeuw die hij op tal van sessies in zijn zweethut met volgelingen had ingeoefend: de schreeuw van de vrouw in barensnood, de schreeuw van het hoofd dat van het hakblok afrolt, de schreeuw van de verzaakte vrouw, van het onverdoofd geslachte varken, van de vader die zijn zoontje onder een auto ziet dribbelen, de schreeuw van Onze Heer die het lijden van de mensheid op zich neemt: de oerschreeuw, kortom. Het was even donker als in de zweethut, en Jaques had het ook eventjes precies even warm, door de pijnscheut die van zijn teen via zijn buik doorschoot naar zijn hoofd; hij schreeuwde en schreeuwde en schreeuwde en schreeuwde zoals hij nog nooit geschreeuwd had.

De Senheiser van Willy van de Berg stond gelukkig aan toen het plotseling donker werd, en er een ijselijke gil door het café klonk. Dat zou leuke radio opleveren! Hij was op weg geweest naar Jooscht Paul Bak ’n Ei, maar die man had de vreselijke gewoonte om in zinnen te praten waar je als luisteraar zo in verdwaalde, dat je gedachten onherroepelijk afdreven naar vrolijker onderwerpen. De gil klonk alsof er iemand gevierendeeld werd. Daarna bleef het een paar seconden doodstil. Een stilte die door het onhandige gekakel van Bak ’n Ei verbroken werd. Onmiddellijk daarna brak er een behoorlijk gekrakeel los. Met zijn mond dicht op de microfoon sprak Willy zijn commentaar in: “De paniek is onbeschrijflijk hier… wat een een feestelijke heropening had moeten worden, draait uit op een drama. Tout Regensburg op zijn paasbest is hier verschenen, maar totaal ontredderd vraagt men zich af: is er een moord gepleegd? Zo ja, wie is de dader? En wie het slachtoffer? Ik ga nu op zoek naar de heer Bak ’n Ei, die als gemeentesecretaris nu het voortouw zal moeten nemen om rust en orde te herstellen. Lastig is alleen dat het pikdonker is. Beste luisteraars, soms droom ik van een tv-station voor Regensburg, maar vandaag zouden we daar bijzonder weinig aan hebben. Ik ben zo bij u terug, als ik de heer Bak ’n Ei heb weten te lokaliseren.”

Bertha was een vakvrouw, en het duurde niet lang of ze had Falco tussen haar benen. Gek genoeg gaf de wip haar enige verlichting van de jeuk. Op een aparte manier kon ze er dus zelf ook nog een beetje van genieten. Zeldzaam. Maar een verontrustende gedachte knaagde in haar achterhoofd: “Zou de camera in het donker wel het gewenste resultaat opleveren? En zo nee, zou het vorstelijke honorarium dat haar in het vooruitzicht was gesteld, wel haar kant opkomen? En zo nee, hoe zou ze dan die witgouden armband van Gucci kunnen betalen, die ze in de juwelierszaak had zien glimmen?”
Maar toen gebeurden er twee dingen tegelijk. Die armband was voor haar, want even hortend en stotend als het licht was uitgegaan ging het nu weer aan, juist toen Falco met een klaaglijke zucht ejaculeerde. En knipperend met zijn ogen stond daar – en dat was minder goed nieuws, want behalve de klanten hoefde niemand te weten welke nering boven Copertura gedreven werd – een onthutste Jooscht Paul Bak ’n Ei.

“Mijnheer Bak ’n Ei, dit is Willy van de Berg, van Radio Regensburg. Wat is uw commentaar op de situatie?”
“Wel, de situatie is op dit moment van dien aard dat ik zeg, het is nu de hoogste tijd om een en ander helder in kaart te brengen. We zullen daartoe natuurlijk rustig de tijd moeten nemen om een en ander in de juiste verhoudingen te kunnen blijven zien, juist nu en vooral ook thans, nu de emotionele eerste reactie misschien de overhand dreigt te nemen.”
“Vuile kutteringhoer! Had je de deur niet achter je kont dicht kunnen trekken!” Falco probeerde haastig zijn onderbroek over zijn nog steeds gezwollen lid te friemelen.
Bertha Perends keek voor de zekerheid nog even naar de camera, maar het zag er naar uit dat die ook het commentaar van Falco feilloos registreerde.

Beneden had Rahmi de hoofdschakelaar weer teruggezet. Kennelijk waren de twee Turkse klusjesmannen Agito N. en Agito P. erin geslaagd om Jaques Bupatih een beetje pijn te doen; wat hem betreft kon het feestje gewoon weer doorgaan. Maar eerst was het zaak de rust weer te herstellen.
Rustig liep hij naar de bar, pakte een anderhalve meter bierglazen en begon te tappen.
“Pssssssst”
Het werd meteen stil. Dat was nu eenmaal het effect dat Rahmi op massa’s had: waren de massa’s kalm, dan werden ze hysterisch, maar waren ze hysterisch, dan werden ze meestal kalm.
“Een gratis biertje, om van de schrik te bekomen?” zei hij zachtjes, met dat korenblonde timbre van hem dat vrouwen gek maakte en mannen zich deed schamen voor hun eigen onvolkomen stemgeluid.
Als lemmingen stelde men zich voor de bar op. Een voor een nam men het biertje aan. De angstvallige scheiding tussen kerkelieden en werknemers van de Befmij, was door het aanbod van een biertje opeens opgeheven.
Yvon kwam helpen tappen. Hier en daar begon een gesprekje. Het leek waarachtig wel een gewone heropening. Er kwam een man binnen met een lange jas, die vaag naar hondepoep rook; maar ook hij kreeg zijn gratis biertje.

Het opnameapparaat van Willy van de Berg nam allang niets meer op, maar Jooscht Paul Bak ’n Ei delibereerde voort: “In de ontstane afweging tussen privacy van prominente burgers, ja zelfs economische draagsteunen van Regensburg enerzijds, en het belang van een hernieuwde oriëntatie op normen en waarden en haast vergeten begrippen als fatsoen (moet je doen) en deugd (geeft vreugd) anderzijds, is het nodig nieuwe bakens te vinden en te hervinden, te ijken en te herijken… En ik zeg dit eens temeer, nu we zien hoe…”
“Godverdomme, wat heb ik een jeuk aan mijn leuter.”
Ook die woedende verzuchting van Falco Mela Aspera bleef de trouwe luisteraars van Radio Regensburg bespaard.

Jaques Bupatih was op een donkergrijze kliko geklommen, en had zijn bloederige sandaal uitgetrokken; hij keek mismoedig naar zijn voet. Zijn kleine teen was verbrijzeld. De nagel van de teen ernaast was eraf. Hij voelde zich een met Jezus in Zijn laatste uren, maar di­e had tenminste nog geweten wie zijn beulen waren; hij tastte daaromtrent geheel en al in het duister. Een ding stond vast: Jaques zou erachter komen wie hem dit kunstje had geflikt. En waarom. Als geestelijk leider van Regensburg zou hij daar snel genoeg achter komen. En daarbij: die kersverse tatoo op zijn adamsappel jeukte ook nog eens als de ziekte.

Wie deed het licht uit?
Wie heeft de video gemaakt, zit Rahmi hier achter?
Wat staat er allemaal op de band van Willy?
Wat doet die man met de lange jas in het Grand Café?
Begint het bij u ook zo te kriebelen? En waar?

U leest het in de volgende aflevering van ‘Regensburg!’

(Deze aflevering is grotendeels geschreven door Tijl, met edits van tuvokki en bazbo)

Deze aflevering werd oorspronkelijk geplaatst op FOK! en wel hier.

• • •
 

17-08-2007

Regensburg aflevering I – ‘De Opening’

Filed under: Regensburg project — bazbo @ 20:27

Allemensen, wat moest Joachim Bauthächler ineens kakken, zeg. Het kwam altijd ongelegen. Zeker nu. Het regende pijpenstelen. Het water spatte vanuit de plassen terug omhoog en maakte Joachims broekspijpen en lange jas nat. Gelukkig bleef zijn hoofd droog. Zo’n enorme zwarte hoed was handig in dit weer. Waar zou hij zijn gevoeg kunnen doen? Joachim keek eens rond. Hee, wat was dat? Even verderop was het café. Het zag er nieuwer uit dan hij zich herinnerde. Joachim had nooit geweten dat het café vernieuwd was.
“In een café geeft het een toilet,” dacht hij. “Tijd voor een pilsener. Ik heb geen geld, maar dat zien we dan later wel weer.” Hij spoedde zich naar de drinkgelegenheid. Zijn lange jas knoopte hij onderweg alvast open.Toen hij de deur van de kroeg opendrukte, drukte er iets anders van binnenuit tegen zijn sluitspier. Zou hij het halen? Snel keek hij om zich heen. Daar! Er stond weliswaar ‘Dames’ op de deur, maar dat maakte Joachim niet zoveel meer uit. Hij had lang haar, dus dat paste wel. Die witte baard dachten ze maar even weg, als ze daar een probleem mee hadden. Op het moment dat hij op de koude bril plaatsnam, verlieten de afvalstoffen zijn lichaam. Hij hoefde niet eens te persen. Vervuld van een orgasme-evenarende sensatie, dacht hij: “Poepen is fijn.”

Johnny had de zwerver zien binnenkomen. Hij had een hekel aan dat vieze tuig en kon ze al helemaal niet hebben als alles goed moest gaan. Vandaag was de dag van de opening. Her-opening eigenlijk, want het café bestond al veel langer. Hij had het gekocht van een Italiaanse zakenpartner van hem. Het café was niet helemaal van hem. Hij had nog twee stille vennoten. Maar hij was de baas. Omdat hij zijn Italiaanse identiteit wilde uitdrukken in zijn zaak, had hij gekozen voor de naam: Grand Café ‘La Giornale Copertura’. En zwervers wilde hij niet in zijn zaak. Hij zag de haveloze man de toiletten binnengaan en belde zijn zoon.
“Ga naar de damespispotten en flikker die klotezwerver uit mijn zaak voor ik hem achter in het steegje kapot schiet. Maak hem duidelijk dat hij ook niet meer terug hoeft te komen.”

Joachim kreunde bijna van genot. Ineens ging de deur open. Een imposante man stond in de opening.
“Wat moet jij hier, gore zwerver?” schreeuwde de man. Hij greep Joachim bij de jas en sleurde hem van de pot af. “Ben jij nou helemaal van de pot gerukt? Geen bier bestellen, maar wel een beetje ons damestoilet bevuilen? Eruit!”
De natte straatstenen voelden koud aan Joachims oude billen. Hij had geen tijd gehad die te reinigen. Toen hij opstond, gebruikte hij de binnenkant van zijn jas daarvoor. Even later had hij zijn broek weer opgehesen en wilde hij zijn weg vervolgen. Maar daar stond de man die hem net nog had buitengegooid ineens weer voor hem.

“Het moet toch ook niet gekker worden,” mompelde Johnny hoofdschuddend. Hij had staan kijken hoe zijn zoon de zwerver de tent uit gooide. Tevreden keek hij de kroeg in. Even daarvoor had hij Jaques Bupatih naar buiten zien gaan; de rest stond allemaal binnen. Precies zoals hij ’t had gewenst. Alleen die stank van de damestoiletten was hinderlijk. Hij gaf Jaques geen ongelijk dat-ie even buiten stond.

Jaques Bupatih stond buiten een sigaret te roken. Hij bewonderde de nacht en de maan en was in het reine met zijn gelukkige staat van de laatste tijd. De opening van het café was een mooie avond aan het worden. Het was goed om weer eens met de familie bij elkaar te zijn. Hij hoorde stemmen in het steegje naast het café.
“Stinkende goorlap. Als ik je nog eens zie, dan timmer ik je in elkaar!” Een jonge man, knap met zwart haar en een goddelijk lichaam, schreeuwde de zwerver toe. Jaques ging wat dichterbij staan en verborg zich.
Hij hoorde de deur dicht gaan en keek naar het tafereel. De knappe man stak zijn hand uit naar de zwerver en hielp hem overeind.
“Dat was overtuigend genoeg. Hoe ziet de plee er uit?” Hij sprak op normale, zelfs amicale toon.
“Hehe, die plee rieken ze binnen nog, ja.” De zwerver praatte met een zwaar Duits accent.
Jaques bedacht zich dat de jongen met het zwarte haar Johnny il Linguetta’s zoon Rahmi moest zijn. Rahmi gaf de zwerver een paar biljetten en zei met een knipoog: “Oh, en ik moest je ook duidelijk maken dat je nooit meer terug mag komen, capiche?”
De naar poep stinkende zwerver liep vlak langs Jaques heen, zonder hem ook maar op te merken. Joachim Bauthächler strompelde over de natte keien verder het steegje in, zijn hoed diep over zijn ogen getrokken. De regen kletste er bovenop. Jaques probeerde hem te volgen, maar de neerslag benam hem het zicht. Toen keek hij de andere kant op.
Jaques zag de jonge Il Lingueta naar binnen gaan. Hij stond op en liep terug naar de voorkant van het café. “Een vreemd tafereel,” dacht hij. Dit kon nog wel eens een heel interessant avondje worden.

Binnen was het niet heel druk, gezellig druk. Falco Mela Aspera stond met een glas champagne in zijn hand toe te kijken. Hij rook een vage, rare geur, maar verder was alles goed.
“Hai,” hoorde hij ineens een zwoelgeile stem naast zich. Falco keek opzij. Het was Bertha Perends. Ze droeg een zwart leren corset en rode netkousen. “Het Grand Café is mooi geworden van binnen,” hijgde ze in zijn oor. Haar zwarte lange haar had ze opgestoken.
“Ja, hè?” Hij sloeg een arm om haar heen. “De investeringen die we hebben gedaan hebben hun vruchten afgeworpen. De oude kroeg is zowaar een chique tent geworden.” Hij keek Bertha eens in haar gezicht. Ze stond hem toe te lachen. Haar pupillen waren groot. “Die is of geil of dronken,” dacht hij. Er zat lippenstift naast haar bovenlip.
“En Johnny?” vroeg ze.
“Dat is een krachtpatser,” antwoordde Falco. Hij haalde zijn neus op. “Die kan zijn temperament beter gebruiken dan voor al dat geweld.”
“Waarom ben je zo voorzichtig met hem?” vroeg de jonge deerne naast hem. Ze frunnikte ongemakkelijk aan haar sexy outfit, alsof ze jeuk tussen haar benen had.
“Ach weet je,” fluisterde Falco in haar oor. Hij liet zijn tong door de schelp heen lepelen. “Ik kan hem goed gebruiken. Sommige mensen laten zich flink intimideren door Johnny.”
Falco haalde zijn tong uit het oor van Bertha en keek zijn zaak nog eens rond. De rechterkant van het café was voor de mensen betrokken bij zijn bedrijf, de BefMij. De linkerkant werd bevolkt door de leden van de sekte. Of eigenlijk: de familie Bupatih. Als hij het aan zijn vader vroeg, kwamen er vele warme verhalen over die familie, maar nu leek de scheidslijn nogal hard, en liep midden door het etablissement heen. Er was weinig contact. Vroeger had hij nog gespeeld met Jaques, voordat die een verlichte hippie was geworden. Maar zijn eerste zoen had Falco toch maar mooi van Jaques’ zus gekregen, Chantall.
“Wie zijn dat daar eigenlijk?” vroeg Bertha zachtjes. Ze wees naar de demarcatielijn, die het café in twee ongeveer gelijke delen spleet. Er stond daar, een beetje verdwaald in de ruimte leek het, een stel.
“O, dat is Jooscht Paul Bak ’n Ei,” zei Falco, terwijl hij zijn hand op Bertha’s volle achterwerk liet neerkomen. “En die dame met wie hij staat te praten is Romana van de Stang. Jooscht is het sloofje van de burgemeester en regelt hier in Regensburg een hoop zaken als afgevaardigde.”
“En wie is die Romana dan?” Bertha stond nu ongegeneerd in haar kruis te krabben. Falco merkte het niet op.
“Waarschijnlijk is ze aan het lobbyen voor haar vrijwilligerswerk. Ze is voorzitter van ‘De Jonge Meiden Organisatie’. Die komt regelmatig langs om fondsen of andere steun te werven voor hun activiteiten.”
“Activiteiten? Wat voor activiteiten?”
“Weet ik veel,” antwoordde Falco. “Ik vind het hele spul maar raar, inclusief die Jooscht. Waarom zou je je inspannen voor iets waar je niks voor krijgt?”
“Inderdaad,” zei Bertha. “Jij hebt tenminste nog eer van je werk. De mensen kijken op tegen je succes. Jij bent een van de grootste werkgevers in het gebied en hebt in vele zaken een dikke vinger in de pap.”
Ineens voelde Falco de hand van Bertha op zijn gulp. “Zo, over dikke vingers gesproken,” giechelde ze. Ze liet haar hand waar hij was, en probeerde Falco in de ogen te kijken. “Je bent bijna net zo knap als je zoon,” fluisterde ze in zijn oor.
“Mijn zoon,” dacht Falco bijna hardop. “Die kun je wel om een boodschap sturen. In tegenstelling tot die Rahmi, die alles laat sloffen. Als Francesco zegt dat hij de zaken onder controle heeft, dan is dat ook zo. Behalve natuurlijk als die jongen weer eens op skivakantie is. Met zijn gebruinde kop en altletische lichaam steekt hij positief af bij de rest van het dorp. Alleen Rahmi is misschien knapper, maar die kan niks. En toch kunnen de twee het goed met elkaar vinden.”
“Wat sta je daar nou te staren?” vroeg Bertha. “Kom, we gaan naar boven.”

Maar zo ver kwam het stelletje niet. Het drukke café was even stil toen het licht zwakker werd. Er werd hier en daar een grap gemaakt en er werd gelachen toen het gezellige licht een aantal keer dimde en weer aan ging. Maar toen was het toch echt pik- en pikdonker in het hele Grand Café. Even was het doodstil. Toen klonk er een ijselijke kreet die door merg en been sneed.

(Einde van deze eerste episode, volgende week zondag gaat de soap verder)
Wie is Joachim Bauthächler? En wat heeft hij met de families Bupatih en Il Linguetta te maken?
Welk vreemd spel spelen Jooscht Paul Bak ’n Ei en Romana van de Stang?
Die Rahmi, is die wel zuiver op de graat?
Mag Falco met Bertha naar boven?
Wie verzint al deze shit?

Lees het volgende keer weer in een nieuwe aflevering van: Regensburg!

(Deze aflevering was ooit geplaatst op FOK! en wel hier.)

(tuvokki en bazbo – met dank aan tijl voor zijn edits)

• • •