bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

16-05-2019

Foodporn

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

De foodblog is de online ziekte van dit decennium. Op zoek naar een leuk recept voor mijn verjaardagsdiner raakte ik verzeild in de wereld van de foodbloggers. Bij het eerste de beste recept zag ik in de informatiebalk boven in mijn beeldscherm een link naar ‘collega-foodbloggers’. Daar klikte ik natuurlijk niet op. Wel ging ik eens googelen op ‘foodbloggers’. Je gelooft je ogen niet.

Hoogtepunt was de site onder de titel ‘De 100 populairste foodbloggers uit Nederland’. Daaruit maak ik op dat er alleen al in Nederland minstens honderd foodbloggers zijn, dat er in Nederland mogelijk nog veel méér niet-populaire foodbloggers zijn en dat er buiten Nederland waarschijnlijk óók foodbloggers zijn. Plus dat er iemand is die al die Nederlandse blogs bekijkt en onderzoekt op populariteit. Wat een malloot.

De webstek opent met de zin: ‘De beste foodbloggers van Nederland bieden eindeloze streams aan prachtige foto’s en video’s van de heerlijkste gerechten. Hoe je die zelf kan maken en waar je die kan vinden. Als je deze accounts nog niet volgt, kan je nogal wat missen.’ Ik verzin het niet. Eronder staat een schier eindeloze lijst met honderd varianten à la Hip & hot, Foodiefeest, Beginspiration, Good food love, Kitchen cookery, Food & friends en ga zo maar door.

De meeste foodbloggers hanteren allerlei Engelse termen zo veel en vaak dat het lachwekkend wordt. De kitchens, streams, food, comfort, happy en health vliegen je om de oren. Wat is er mis met onze Nederlandse woorden die iedereen begrijpt? Ook voor de foodblog zelf moet een goed alternatief te bedenken zijn. Zelf kwam ik ooit eens op de proppen met de ‘culicolumn’, maar bij nadere beschouwing vind ik die ook om te huilen. Bijna alle bloggers fotograferen de resultaten van hun keukencapriolen en noemen die vervolgens ‘foodporn’. Bij mij roept dat woord eerder iets op van een tamelijk eenzijdig dieet van wortels, pastinaken en komkommers, maar dat zegt misschien meer iets over mij. Een van de foodblogs heeft dan weer wel een Nederlandse naam en noemt zichzelf Liefde voor lekkers. Geil.

Ondertussen heb ik nog altijd geen leuk recept voor het verjaardagsdiner. Morgen moet dat klaar zijn en ik heb al sinds ik op zoek ben niet meer gegeten. Ik heb honger. En een foodfetish.


Apeldoorn, februari 2019


Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-05-2019

Lotgenoten (0019)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Ik kan twee routes lopen naar het café. Een van die routes loopt langs een plein. Daar zal het wel druk en lawaaierig zijn, dus kies ik de iets langere door de winkelstraat. Ook hier al volop mensen. Het zijn veelal gezinnen die van de kermis af komen. Een enkeling loopt al wat te zwalken en te schreeuwen, maar het valt me mee. Het is kwart over negen en Prinsennacht is begonnen.

In het café is het nog rustig. Voorin, aan de bar, staan en zitten al wel veel lui. Achterin, in het zaaltje, is het bijna leeg. Ik blijf wat achterin staan en kijk rond. Op het podium de bekende opstelling: twee gitaarversterkers en de keyboardstandaard, daarachter de grote basversterker en de twee drumstellen. Het past maar net.
‘Ik heb geen idee welk bandje er komt spelen,’ zegt iemand. ‘Jij?’
Ik kijk opzij. Een alleraardigste blonde meid is naar mij toe gekomen. Ik ken haar niet. ‘Gezien het instrumentarium zal het wel een fikse herrie worden,’ grap ik. ‘Oordopjes bij je?’
‘Nee. Jij?’ Ze is rond de dertig, niet al te groot en kijkt me met mooie blauwe ogen aan.
Ik leg mijn hand op de borstzak van mijn jasje. Ze zitten er. ‘Ik altijd,’ zeg ik.
‘Ik ben wel benieuwd naar wat er komt spelen,’ gaat ze verder.
‘Ik niet.’
‘O?’
‘Grapje. Het is een band die de muziek speelt van The Allman Brothers.’
‘Van de wat?’
‘The Allman Brothers, die ken ik van naam,’ zegt iemand anders. Het is een vent van eind dertig, misschien veertig. Hij is erbij komen staan.
‘Wie ben jij nu weer?’ vraag ik luid.
Hij steekt zijn hand uit en zegt iets. Een naam, vermoed ik. De naam versta ik niet, maar ik schud de hand. Ik zeg hoe ik heet. De alleraardigste blonde meid steekt haar hand nu ook uit. Die schud ik ook maar. Wat of ik er anders mee zou moeten doen, weet ik ook niet. Weer noem ik mijn naam. Zij zegt iets. Die van haar, gok ik. Ook die van haar versta ik niet. Van dichtbij ziet ze er ouder uit dan rond de dertig.
‘The Allman Brothers waren heel bekend,’ gaat de vent verder. ‘Maar ik zou geen liedjes van ze kunnen noemen.’
‘Ze maakten dan ook geen liedjes in de drieminutenzin van het woord,’ zeg ik.
‘Ze waren wel heel goed.’ Dat zegt de vent die ze van naam kent en geen liedjes van ze kan noemen. ‘Knap als je hun werk kunt naspelen. Net als Zappa, die was ook geniaal.’
‘O ja?’ vraag ik.
‘Ja. Zij moet er niet zo veel van hebben, van Zappa.’ Hij wijst op de alleraardigste blonde meid, die bij het noemen van de naam een andere kant op is gaan kijken. ‘Als ik thuis Zappa opzet, dan gaat zij naar boven. Maar ik vind het geniaal.’
Zal ik gaan vertellen over hoe ik De Vrouw heb aangestoken met mijn liefde voor De Grote Meester? Dat ze met me mee gaat naar optredens en festivals alwaar bandjes en ensembles het werk spelen? Ik doe het niet.
‘In het begin denk je: dit trek ik niet, het gaat alle kanten op.’ De vent laat zich niet onderbreken. ‘Maar al snel ontdek je dat het geniaal is. Ken je Zappa?’
‘Wie?’ vraag ik.
‘Frank Zappa.’
‘Nogal.’ Over drie weken zitten we in de Kursaal in Oostende naar The Bizarre World Of Frank Zappa te luisteren. Twee maanden later zijn we op het vierdaagse festival Zappanale en eind november bezoeken we de Mosae Zappa tweedaagse in Heerlen met onder andere De Zoon Van.
‘Hij was geniaal,’ gaat de vent verder.
‘Wist je dat we hier in Apeldoorn een band hebben die zijn werk speelt?’ ‘Nee? Dat wist ik niet! Geniaal. Hoe heten ze?’
‘The FoolZ. Al meer dan vijfentwintig jaar. En ze zijn goed.’
‘Als je het werk van Zappa kunt spelen, dan ben je niet goed, maar geniaal.’
‘De band van vanavond is ook heel goed,’ zeg ik. Ik word een beetje simpel van het gegeniaal. ‘Ze spelen het werk in een soortgelijke bezetting als The Allman Brothers begin jaren zeventig. Met twee gitaren, bas, toetsen en kijk maar op het podium: twee drumstellen.’
‘Dat zie je niet zo veel.’
‘Opletten, dus,’ gebied ik. Dan loop ik naar voren. De band begint te spelen.

Links voor het podium vind ik een plekje van waaraf ik het goed kan zien en horen. Ik sta iets aan de kant, zodat ik niemand in de weg sta, ook de mensen die op een stoel aan een tafeltje zitten niet. Uit mijn zak pak ik mijn telefoon. Het is tien uur geweest, zie ik.
Rob staat rechts voor het podium achter de knoppen. Hij ziet mij, ik zie hem. Ik knik en zwaai. Het geluid is nog niet helemaal in balans. Ik hoor de toetsen niet. Nu ben ik niet alleen een toetsenfiel, maar ik ken de man die vanavond de Hammond- en pianogeluiden voortbrengt nogal goed. Altijd fijn om hem aan het werk te horen. De band begint met een serie instrumentaaltjes.
Ik kijk schuin achter mij. Er staan mensen op een paar meter afstand van het podium te kijken en te luisteren. Een jongeman staat ontzettend uitbundig te dansen, met veel wijdse en onverwachte bewegingen. Ik vind het ontzettend debiel. Doe normaal. Naast hem staat een jonge vrouw van hem weg te kijken. Hij probeert haar over te halen met hem mee te clownen, door haar in zijn armen te nemen en dicht tegen zich aan te drukken, zodat ze zijn bewegingen wel moet volgen. Lacht ze? Ze heeft lang en steil oranjerood haar, een bleek gezicht met sproetjes, heldere ogen. Nee, ze lacht niet; het lijkt eerder of ze pijn heeft. Ze draagt een zwart spijkerjasje, een strakke zwarte spijkerbroek en zwarte laarsjes. Ik meen iets in haar te herkennen, maar weet niet wat. Wat ik wel weet, is dat het me niet interesseert.
Op het podium klinkt een gave unisolo door de twee gitaren. De muzikanten gaan al snel op in hun muziek. Ogen dicht en soleren maar. De ene gitarist speelt heel fysiek: hij beweegt explosief mee met de tonen die hij aanslaat. De andere staat erbij alsof er een begrafenis gaande is, maar ondertussen brengt hij de meest waanzinnige tonenreeksen voort. Ik houd ervan.
Ik maak twee foto’s van de band die aan het spelen is en berg dan de telefoon weer op in de zak van mijn jasje.

Opeens staat de jonge vrouw voor mijn neus. Ze veegt een streng oranjerood haar uit haar gezicht en kijkt naar mij op. ‘Nu ben ik toch nieuwsgierig,’ zegt ze. ‘Ben jij Bas?’
‘Ja,’ antwoord ik.
‘Weet je wie ik ben?’
Ik weet het allang, maar ik doe net of ik even nadenk. Dan kijk ik haar aan, diep in haar ogen en ik zeg: ‘Eva.’
Ze juicht zonder geluid en vliegt me om mijn nek. Ik sla mijn armen om haar heen, wrijf over haar rug. Dan draait ze zich om en gaat ze terug naar de kerel die nog altijd bezig is met zijn mallotige kookpottendans.
Eva. Ooit was ze een jaar of vijftien. Wanneer was dat? Even denken. Negentientweeënnegentig of zoiets. Dan is ze nu meer dan vijfentwintig jaar ouder. Ik ook.
De muziek gaat voort. Na de instrumentaaltjes volgen enkele nummers met zang. Het Engels van de zanger is niet zo goed. Zijn gitaarspel wel. De eerste set is voorbij voordat ik het weet. De band stapt het podium af.

‘Hé Bas.’ De toetsenist steekt zijn hand op. ‘Mooi dat je er ook weer bent.’
Ik grijp de hand beet, pak hem bij zijn schouder en begroet hem. ‘Hoe gaat het?’ vraag ik.
Hij zegt iets. Ik versta het niet. De geluidsman heeft de kroegmuziek aangezet. Nogal hard. Ik kijk om me heen. Er is inmiddels veel volk in het zaaltje van het café. Maar Eva zie ik nergens meer. De toetsenist gebaart dat hij een biertje gaat halen bij de bar. Ik zwaai hem na.
Er komen nog meer mensen. Het wordt aardig vol. De mensen moeten schreeuwen om over de muziek heen te komen. Ik zie wat de geluidsman gaat doen. Waar ik bang voor ben, gebeurt: de muziek gaat nog harder.
Het is wat warm aan het worden. Ik heb wel zin in iets drinken. Water graag, het liefst uit de kraan. Maar ik ben alleen. Bij de bar zie ik dat de toetsenist zijn biertje al heeft. Als hij me had gevraagd of ik iets wilde drinken, had ik gezegd dat ik kraanwater wil. Maar hij drinkt vast op kosten van het café. En ik durf niet naar de bar om te vragen om één glas water uit de kraan. De bangerik.
Ik ga niet op mijn telefoon kijken. In plaats daarvan loop ik naar de ruimte tussen het zaaltje en het café. Daar hangen allerlei kunstwerken. Ik doe net of ik ze aandachtig bestudeer. Mijn oordeel heb ik overigens al na één blik om het eerste doek geveld: klodderprutswerk.

Hoor, de tweede set gaat van start. Ik ga weer terug naar het podium. Nu sta ik aan de rechterkant, vlak achter de geluidsman. Aan de begintonen had ik Jessica al herkend. Mooi stuk, klassieker. Om mij heen komen allerlei mensen staan. Dicht op me. Heel dicht op me. Maar niet Eva. Ook niet de alleraardigste blonde meid die er van dichtbij niet uitziet als rond de dertig. Verdwenen. In rook opgegaan. De mensen die er wel zijn praten door de muziek heen. Praten? Schreeuwen. Ik zie over de schouders van de geluidsman dat hij de schuifjes wat meer naar boven doet. Heeft hij poep in zijn oren? Dit begint pijn te doen. Met veel moeite peuter ik het etuitje met de gehoorbeschermers uit de borstzak van mijn jasje. De mensen staan zo dicht op me, dat ik nauwelijks ruimte heb. En ze schreeuwen, brullen, krijsen. De oordoppen zitten aan elkaar vast met een koordje. Het koordje zit in de knoop. Het koordje is elastisch. Ik krijg het niet gemakkelijk uit de knoop. Mijn oren doen zeer. Het volk gilt nog steeds. Het lawaai snijdt. Ha, eindelijk. Eerst de rechter, dan de linker. Aan het koordje zit ook een klemmetje. Dat maak ik vast aan de rever van mijn jasje. Ik duw de gehoorbeschermers nog iets beter op zijn plek. Het geluid is dof, veel hoge tonen zijn weg, behalve de alom aanwezige en genadeloze pieptoon. Op het podium is Jessica afgelopen. De mensen klappen en joelen. Een ander nummer begint. Ik kijk weer over de schouders van de geluidsman. De schuifjes gaan nog wat verder omhoog. Mensen duwen, botsen tegen me aan. Er hangt een vogel over mijn schouder te hijgen. Zijn kop stinkt. De pieptoon doet pijn. Mijn hart bonkt in mijn hoofd. Ik zweet van angst. Ik weet dat me maar een ding te doen staat.

Ook buiten is er enorm veel lawaai. Nu maakt het niet meer uit welke route ik kies. De kortste wordt het. Op de hoek is het plein. Bierkramen, een mensenmassa, beukende bastonen, felle flitslampen. ik snel over het trottoir aan de andere kant van de straat om de hossende meute te omzeilen. Gelukkig wordt de menigte hier dunner. Al lopende trek ik aan de koordjes de gehoorbeschermers uit mijn oren. Plop, plop. Er komen me zwalkende mensen tegemoet. Er is iemand op een fiets die er doorheen wil. Ik prop de oordopjes in het etuitje. Drie meisjes trekken een vierde meisje op haar knieën met hen mee. Gegil. Een van de meisjes stoot een beker bier uit de handen van een ander. Het gaat bijna over mijn schoenen; ik kan net opzij stappen. Het etuitje stop ik terug in de borstzak van mijn jasje. Nog iemand op een fiets. Slingerend tussen de lallende mensen door. Ik ontwijk hem en loop verder. Na tweehonderd meter staan er hekken dwars over straat. Daarachter zeker vijf politiewagens en bijna twintig agenten. Sommigen hebben rode lampen in hun hand, een soort toortsen waarmee ze naar auto’s signaleren dat die opzij moeten. Ik passeer de hekken. Twee agenten lopen met me op, schijnen met een zaklamp door de ruiten van een grote zwarte geparkeerde auto. Op de hoek van de straat mag ik linksaf. Nog weer honderd meter verder is de ingang van het appartementencomplex.

Eenmaal binnen is het doodstil. In de gang hang ik mijn jasje op een knaapje aan de kapstok, trek mijn schoenen uit en zet die in het kastje. Dan open ik de deur naar de woonkamer. Ik zoen De Vrouw der Vrouwen en leg mijn huissleutels in de la van de kast.
‘Hoe was het?’
‘Het bandje blijft gaaf,’ zeg ik. ‘Maar de wereld staat in brand.’
‘Je bent vroeg.’
‘Na de eerste set ging het volume heel erg omhoog,’ vertel ik. ‘Op zich helpen de gehoorbeschermers dan wel, maar het publiek schreeuwde eroverheen. Dan is het lawaai en vind ik het niet leuk meer.’
Ik zie dat De Vrouw weet wat of ik dan moet doen. Opnieuw zoen ik haar en ik verlaat de woonkamer weer. Vijf minuten later lig ik rillend in bed. Het is nog voor middernacht en ik poog te gaan slapen. Tevergeefs.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, mei 2019



Hier lees je ‘m op FOK!.


Vanaf heden lees je bazbo’s stukjes weer op donderdag, net zoals van 2007 t/m 2013!

• • •
 

15-04-2019

Thee

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Wat wil je drinken?’ vraagt hij. ‘Thee?’
‘Lekker,’ zeg ik. ‘Doe maar.’ Ik heb mijn jas op de kapstok gehangen en stiefel achter hem aan naar de achterkamer. Hij loopt een beetje voorovergebogen, valt me nu op. En zijn haar, is dat nu weer dunner geworden? Ik ga op mijn vaste plek aan de eettafel zitten en vraag: ‘Hoe gaat het?’
Hij staat bij het aanrecht en draait zich om. ‘Ja, hoe gaat het? Het is allemaal wat. Door al die afspraken en onderzoeken kom ik nergens meer toe.’ Met de fluitketel in zijn hand doet hij een stap naar de kraan. ‘Ik ben het overzicht ook helemaal kwijt.’ De blik in zijn ogen is bijna hulpeloos en heb ik nog nooit gezien. Door het raam valt een lage zondagmiddagzon de achterkamer binnen.

‘Het is ook veel,’ zeg ik. ‘Begrijpelijk dat het je allemaal duizelt.’
‘Ik word er bijna gek van,’ zegt hij met een flauw lachje om zijn mond. ‘De specialist, toen de chirurg, een internist, een chirurgisch verpleegkundige, een verpleegkundige van de internist, dan weer een CT-scan, ik moest naar het bestralingscentrum eerst voor een kennismakingsgesprek en later voor nog weer een CT-scan en dat ze de plek aftekenen op de huid met een stift…’
‘Zo deden ze dat negen jaar geleden wel, met een stift,’ zeg ik. ‘Tegenwoordig toch anders? Je hebt toch puntjes inkt vlak onder de huid getatoeëerd gekregen?’
‘Nou, dat weet ik niet precies, hoe ze dat allemaal doen.’ Hij draait zich weer om naar het aanrecht, houdt de ketel onder de kraan en vult hem langzaam met water.
‘Je was er toch bij?’ lach ik.

‘Ze leggen alles uit,’ zegt hij. ‘Nou, dat is toch mooi? Het is jouw lijf. Het zou raar zijn als ze het niet doen en dat je niet weet wat ze met je uitspoken.’
‘Jawel, maar ze vertellen ook van de risico’s van de operatie en dan ga ik me toch zorgen maken. Ik word er soms ook bang van.’ Met de volle ketel doet hij een paar passen opzij naar het fornuis.
‘Ja, ze moeten vertellen van de risico’s, dat je niet voor verrassingen staat als het gebeurt.’
Hij zet de ketel op het fornuis en zegt: ‘Maar het is niet fijn.’
‘Dat begrijp ik. Als de specialist zegt dat je helemaal gaat genezen en bij een volgend gesprek krijg je allerlei uitleg over een mogelijk stoma, dan schrik je.’ Tenminste, ik schrok wel.
‘Ze geven me allerlei documentatie mee. Brochures, plaatjes, uitgebreide papieren. En die kan ik niet lezen.’

O ja, hij heeft ook nog maculadegeneratie. Daardoor ziet hij veel niet of niet goed. Vorig jaar zei de oogarts nog dat de vorm die hij heeft wel progressief is, maar de achteruitgang gaat heel langzaam en hij wordt uiteindelijk niet blind. Twee maanden later zag hij plots zó slecht, dat hij nauwelijks meer kon lezen en dus ook niet meer mailen en thuisbankieren. Eind november moest hij de auto verkopen. ‘Ik kom nergens meer,’ klaagt hij nog steeds.
Maar hij is leergierig. Al snel wist hij hoe je bij de kapper en de tandarts kunt komen met de bus. Toch zit het hem nog hoog. Afhankelijk van anderen, dat kennen wij niet. Zo zijn wij niet. Hij kreeg wat hulpmiddelen. Zo heeft hij een loep met een lampje, zodat hij kan pinnen in de winkel en in de bus. En een groot apparaat waarmee hij een boek of de krant kan lezen. Dat staat nu stof te vangen boven in een kamertje. Hij is de vorige klap nog niet te boven en dan dit.

‘Ik kom er niet toe. Mijn hoofd staat er niet naar. Als ik iets met veel moeite lees, ben ik het zo weer kwijt. Ik heb er geen energie voor. Je zus heeft alle boekjes mee en die vertelt me dan wat ik moet weten. Waar was ik nou mee bezig?’
‘Je ging thee zetten. De ketel staat nu op het fornuis.’
‘O ja. Moet hij nog aan?’
‘Dat lijkt me toch wel.’
Hij buigt voorover en brengt zijn gezicht dicht bij de knoppen van het fornuis. Dan drukt hij er eentje in. ‘Die is aan.’
‘Heb je wel het idee dat al die artsen en afdelingen het zorgvuldig aanpakken?’ vraag ik.
‘Ja joh, tot in den treure leggen ze je de dingen uit en dan vragen ze na afloop: heb je nog vragen? Wat moet ik in godsnaam vragen? Ze vertellen echt álles!’
Ik grinnik. Zo ken ik hem weer. ‘En de afgelopen dagen? Lukte het je om wat rust te vinden? Straks begint de bestraling en vlak daarna komt die zware operatie.’
‘Nou, ik zou allemaal dingen in huis moeten doen, maar daar heb ik even geen zin in.’ Hij loopt naar de andere kant van het aanrecht. Daar staat de theepot. Uit een keukenkastje erboven pakt hij twee kopjes en schotels.
‘Ik bedoel: kun je leuke dingen doen? Ontspannen?’
‘Hè?’ Hij draait zich naar mij om. ‘Wat zei je?’ Dat dove heb ik van hem. En één ding tegelijk.
‘Kun je wel leuke dingen doen om te ontspannen?’
‘Dat is moeilijk. Ik heb niks aan de krant, want die kan ik niet lezen. Puzzelen lukt niet. Als ik tv kijk, kan ik de ondertitels van de Engelse detectiveseries niet zien. Bij een voetbalwedstrijd zit ik bovenop het scherm. Waar de bal is: geen idee. Ik zie aan de bewegingen van de spelers waar de bal ongeveer moet zijn.’

Ik kijk naar hem en hoe hij bezig is. Nog geen twee maanden geleden vertelde ik aan een heleboel mensen hoe trots ik op hem ben. Hij vierde zijn verjaardag, zijn vijfentachtigste. Veel van zijn naaste familie en vrienden waren er. Hij was het stralende middelpunt. Het was een mooie dag. We wisten net dat hij sinds een half jaar problemen had met zijn darmen. Daar had hij tot dan toe nooit iets over verteld. Nu wel. Hij was bij de huisarts geweest. Een verstopping, zo leek het. Een week na zijn verjaardag had hij een coloscopie achter de rug en wist hij dat het niet goed was.
Een paar dagen verder zat hij volop in de mallemolen. Gesprekken, onderzoeken, prognose. Artsen durven het aan. Het gaat genezen, maar er zijn risico’s. Bestralen, operatie, mogelijk een stoma, al dan niet tijdelijk. Na het ziekenhuis herstellen in een verpleeghuis en dan weer naar huis. Het is wat. En hij is alleen. Eerder was Moeder er met wie hij alles deelde. Maar Moeder kreeg een beroerte en toen was alles anders. Jarenlang zorgde hij voor haar, deed alles. Sinds ruim acht jaar is hij alleen. Hij redt het goed, is vitaal, helder van geest. Behalve nu. Ik zie hem staan weifelen bij het aanrecht en denk: Wat is hij klein geworden. Mijn hele leven keek ik naar hem op. Nu, na vijftig jaar zie ik op hem neer. Plotseling, zo lijkt het. Mijn grote, sterke vader is opeens niet meer mijn grote, sterke vader. En ik? Ik blijf zijn kleine jongen en ben bang.

‘Jij geen suiker, hè?’ Hij draait zich naar me toe.
Ik schud mijn hoofd. Nee, al dertig jaar niet meer. Ik drink het spul al langer zonder dan dat ik het ooit met suiker heb gedaan.
Op het fornuis begint de ketel te fluiten. Hij loopt erheen en draait het gas uit. ‘We wachten maar weer af wat er allemaal gebeurt,’ zegt hij. Hij gaat weer terug naar de theepot, pakt die op en zet hem naast het fornuis op het aanrecht. ‘Ik merk het wel. Bij de pakken neerzitten heeft geen zin.’
‘Ze gaan je echt niet opereren als het risico te groot is.’
‘Ja. De artsen hebben er nog steeds vertrouwen in. Ze zeggen dat ik gezond ben voor mijn leeftijd. Daar vertrouw ik dan maar weer op.’
‘Nou, dat is mooi. Dat lijkt me ook het beste wat je kunt doen.’
‘Maar leuk is het niet. Het is allemaal zo veel. Nu met het plannen van die bestralingen. Ik word er doodmoe van.’
‘Weet je nog? Negen jaar geleden zaten wij in zo’n zelfde schuitje. Toen…’
‘Hè? Hoezo? Hoe bedoel je?’
‘Met Eline. Die kreeg ook allerlei behandelingen.’
‘O ja, dat is waar. Is dat alweer negen jaar geleden?’
‘Onze oncoloog zei toen: het is topsport. De behandeling misschien nog niet eens, ook al is die op zich ook al zwaar. Het is het hele circus eromheen. Je hele wereld draait even nergens anders om. Alles bij elkaar, dat is heel erg vermoeiend.’
‘Inderdaad. Ik heb geen energie meer. Die arts zegt: dat is de kanker. Wacht. Wat ben ik nou allemaal aan het doen?’
‘Thee maken, Vader.’
‘O ja. En toen.’ Hij kijkt even nadenkend naar het plafond. ‘Eh … ja. Waar heb ik de thee? Hierzo.’ Hij opent een ander keukenkastje en pakt er een zakje uit. Het zakje legt hij naast de pot. ‘Wat zei ik nou? O ja. Geen enkele puf heb ik meer. En ik ben zo afgevallen.’
‘Afgevallen?’
‘Ja, ik weeg nu nog maar eenenzeventig kilo. Vroeger was dat altijd achtenzeventig.’
‘Hallo, wanneer was dat?’
‘Toen je moeder net bij de neuroloog was, toen moest ze nog een keer wegen. Toen ben ik ook op de weegschaal gaan staan.’
‘Dat is meer dan vijftien jaar geleden. Sindsdien nooit meer gewogen?’
‘Nee, ik geloof het niet.’
‘Vader, je bent ook vijftien jaar ouder geworden, hè?’ Ik glimlach en krijg een traan in mijn ooghoek. ‘Je lichaam is ook ouder en je bent gekrompen. Dan is het ook niet gek dat je veel minder weegt, hoor. Dat hoort bij ouder worden.’
‘Zou je denken?’ Hij kijkt me aan en lacht.
Ik lach met hem mee en vraag: ‘Je bent niet magerder geworden, toch?’
‘Nee, dat niet,’ zegt hij, terwijl hij aan tafel komt zitten.
‘Nou dan. Dan zou ik me daar even geen zorgen om maken. Er zijn nu belangrijker dingen.’
‘Precies,’ knikt hij. ‘En het is nogal veel. Had ik al gezegd dat ik helemaal het overzicht kwijt ben?’
Grinnikend knik ik. Ondertussen heb ik nog altijd geen thee.


Apeldoorn, april 2019


Lees ‘m hier op FOK!.

• • •
 

01-04-2019

Lotgenoten (0018)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Au, mijn klauw (4)

‘Dag Bas.’
‘Dag dokter.’
‘Ga zitten.’
‘Ah, op het mooiste plekje.’
‘Lekker in het zonnetje, ja.’
‘Zo. Heerlijk hier.’
‘Vertel.’
‘Mijn handjes. Ik zou na twee weken terugkomen om te vertellen hoe het met de zwellingen in mijn vingers gaat.’
‘Klopt. Nou, vertel maar.’
‘Ik heb – zoals je hebt geadviseerd – mijn handen ontlast. Ik heb wel gewerkt, maar minder uren op een dag en ik heb de werkzaamheden afgewisseld. Niet voortdurend achter het toetsenbord. Ha, ik heb op het werk problemen met het systeem: iedere vijf minuten zit alles dertig seconden lang vast. Normaal gesproken vind ik dat zeer ergerlijk, maar in dit geval is het een uitkomst: ik moet iedere vijf minuten even pauze nemen.’
‘Mooi.’
‘Verder meer afwisseling gezocht. Ik haalde de koffie voor collega’s. Lezen deed ik niet vanaf het scherm, maar ouderwets vanaf papier; dan moest ik iets afdrukken, naar de printer lopen en weer terug. Ook heb ik af en toe ouderwets met twee vingers zitten typen. En thuis heb ik de computer nauwelijks aan gehad. Ik heb veel zitten lezen. Vandaar dat mijn vorige stukje ook zo kort was.’
‘Huh? Wat bedoel je met dat laatste, Bas?’
‘O. Niet belangrijk.’
‘En wat heeft het opgeleverd voor je handen?’
‘Nou kijk, dokter. De zwelling bij het gewricht bovenop mijn linker ringvinger is niet erger geworden. Maar hier, die aan mijn rechter middelvinger en pink, die zijn juist nog veel dikker. Het lijken wel kussentjes erbovenop. Ze zitten niet vast aan het gewricht of zo.’
‘Pijnlijk?’
‘In de ochtend heb ik er geen last van, maar daarna voel ik ze wel. En als ik er druk op uitoefen, of als ik een vuist maak en spanning op de spieren zet, dan doet het zeer.’
‘Laat nog eens zien.’
‘Hier, kijk.’
‘Inderdaad, zo te zien zijn ze veel dikker geworden. Het lijken wel kussentjes.’
‘Au.’
‘Het is vreemd. We hebben foto’s van je handen laten maken. Daarop is niets bijzonders te zien. De uitkomsten van het uitgebreide bloedonderzoek zijn ook goed. Hier, kijk even mee op het scherm. Geen ontstekingen, geen Lyme, cholesterol is goed, ga zo maar door.’
‘Dus wat zou het kunnen zijn, dokter?’
‘Nou, om heel eerlijk te zijn: ik weet het ook niet.’
‘Daar ben ik dan mooi klaar mee.’
‘Je zou verwachten dat het bloed een aanwijzing geeft, maar kijk maar: het is allemaal dik in orde. Je bloedsuiker, je … hé, wat is dit?’
‘Wat? Ik heb mijn bril niet op.’
‘Hier helemaal onderaan de lijst. Daar heb ik overheen gekeken.’
‘Waar gaat het over?’
‘Je hebt een tekort aan vitamine D. Een nogal ernstig tekort aan vitamine D.’
‘Wacht even. Vitamine D, dat was toch die van het zonlicht?’
‘Precies.’
‘O.’
‘Kijk. Normaal gesproken moet je waarde ergens tussen de vijftig en tachtig zitten.’
‘En die van mij is?’
‘Beneden de twintig. Dat noemen we een ernstige deficiëntie.’
‘Een mens is nooit te oud om te leren, dokter.’
‘Ik kan je doorsturen naar een reumatoloog, maar die zal ook niets willen doen voordat je vitamine D op orde is.’
‘Ik hoop dat ik de komende drie maanden op doktersvoorschrift naar de zon moet? Spanje, Portugal, liever nog Kaap-Verdië? De verzekering vergoedt dat toch wel, hè?’
‘Nou, we doen het iets anders en efficiënter, Bas. Er zijn wel vitamine-D-pilletjes bij de drogist, maar die doen hun werk te langzaam. We geven je een flinke boost, zodat je met een paar weken weer helemaal op orde bent.’
‘En hoe gaan we dat doen, dokter?’
‘Je krijgt capsules, die zijn gemakkelijk voor je. Wacht, ik schrijf het recept meteen uit. Een keer per week moet je twee capsules nemen. Zes weken lang. We zorgen dan voor een enorme oppepper van vitamine D. Ze hebben verder geen invloed; bijwerkingen zijn er niet.’
‘Daar gaat mijn gedroomde zonvakantie. Aan de andere kant: het scheelt weer vliegschaamte.’
‘Na zes weken moet je vitamine D weer op peil zijn. Dan wil ik je weer zien.’
‘Komt in orde, dokter. Ik maak dan weer een nieuwe afspraak.’
‘Doe dat. Zie ik je dan.’
‘Nou, dank je wel. Dan ga ik nu naar buiten. Lekker de zon in.’

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, maart 2019



Hier lees je ‘m op FOK!

• • •
 

18-03-2019

Lotgenoten (0017)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Auw, mijn klauw! (3)

‘Goedemiddag, met Bas Langereis.’
‘Dag Bas, met S[XXX] R[XXX], de huisarts. Ik zou jou even bellen.’
‘Dat klopt. Fijn dat het lukt.’
‘Ik heb hier de uitslag van het bloedonderzoek.’
‘Mooi. Ik ben benieuwd.’
‘Er zijn geen ontstekingen. Geen sprake van Lyme. Geen gebrek aan vitaminen. Cholestorol is goed. Je bent kerngezond.’
‘Nou, dat is fijn om te weten. Dat wist ik ook al wel, met mijn leefstijl.’
‘Wat doe jij? Hoe zorg je voor jezelf?’
‘Zo zuiver mogelijk eten, geen samengesteld voedsel. Zo ongeveer 98% van wat ik in mijn lijf stop is biologisch. Nauwelijks vlees, geen alcohol. Veel bewegen. Geen auto, maar op de fiets en te voet. En om de dag een dik half uur hardlopen.’
‘Je bent goed bezig.’
‘Nog meer uit het bloedonderzoek?’
‘Er zijn geen reuma-indicatoren.’
‘O?’
‘Nee. Reuma zit toch ook niet in de familie, vertelde je?’
‘Klopt.’
‘En dan heb je nog röntgenfoto’s van je handen laten maken.’
‘Is daar de uitslag ook al van binnen?’
‘Ja, die heb ik hier. Op de foto’s is niets bijzonders te zien.’
‘Oké. Of eigenlijk: niet oké.’
‘Dus we zijn nog niet veel verder.’
‘Het sluit wel het een en ander uit.’
‘Ja, maar ik kan nog geen diagnose stellen.’
‘Heb je wel een vermoeden wat het zou kunnen zijn?’
‘Overbelasting zou het geval kunnen zijn.’
‘Ai. Zou het? Wel vreemd dat dan alleen de gewrichten van mijn linkerringvinger, mijn rechtermiddelvinger en rechterpink zo gezwollen en verhard zijn.’
‘Ik weet het ook niet zeker. Het is een vermoeden.’
‘Dat begrijp ik. Wat stel je voor?’
‘Je handen rust gunnen. In ieder geval een tijdje minder belasten.’
‘O.’
‘Gaat je dat lukken?’
‘Nou, het zal lastig zijn. Ik heb je verteld dat ik een toetsenbordbaan heb. Het grootste gedeelte van mijn werktijd ben ik bezig met schrijven. Iets anders kan ik niet. Maar ik vind wel een manier om mijn handen minder te belasten.’
‘Doe dat. Na een week of twee zou de zwelling minder moeten zijn.’
‘Oké. Mijn ervaring is ook dat ik tijdens het werken niet zo veel last heb. Het is vaak erna dat mijn vingers en gewrichten heel pijnlijk zijn.’
‘Probeer het.’
‘En na twee weken? Wat dan?’
‘Laat mij dan weten hoe het gaat. Mocht het nou toch niet minder zijn, dan laat ik toch een reumatoloog meekijken.’
‘Akkoord. Maak ik over twee weken een nieuwe afspraak?’
‘Doe maar.’
‘Fijn. Zien we elkaar dan.’
‘Sterkte ermee.’
‘Dank je voor de moeite. Tot over twee weken.’
‘Dahaag.’

Ik hing op, typte deze korte dialoog en sloot de pc af. Au, mijn klauw!
Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, maart 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

04-03-2019

De onrust

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

De onrust laat hij niet toe. Door moet hij. In zijn linkerhand houdt hij zijn bruine lederen aktetas. Zijn andere hand heeft hij in de zak van zijn lange regenjas gestoken. De wind snijdt en het is koud. Niet vreemd voor vroeg in maart. Erg veel last van de kou heeft Ronald Haamschaar niet. De jas is winddicht. Ouderwetse degelijkheid.
De mensen haasten zich langs hem heen. Ze zijn op weg naar werk of huis. Het interesseert hem niet. Een straatveger gooit een prullenbak leeg in de laadruimte van een kleine vrachtwagen. De hovenier schoffelt in een perk. Een fietskoerier rijdt hem bijna van de sokken. Even wil hij hem naroepen dat je niet mag fietsen in dit voetgangersgebied, maar de fietser is al voorbij en een hoek om. Bovendien heeft Ronald de kracht even niet. Die bewaart hij liever voor iets anders. Hij haalt zijn schouders op en loopt door.
Links ligt het grote park. Boven het grasveld hangt een dunne laag mist, die de gevels van de herenhuizen aan de overkant aan het zicht onttrekken.

– voor minder; dat je niet denkt dat je ontkomt aan de all –

Op de hoek van de straat wacht hij bij de verkeerslichten. Auto’s razen voor zijn neus heen en weer. Er komt iemand naast hem staan.
‘Goedemorgen,’ bromt de meneer.
Ronald kijkt niet op.
‘Ken ik u misschien?’
Ronald kijkt nu wel op. ‘Ik ken u niet,’ zegt hij. ‘Tijd voor een kennismaking is er niet. Ik heb een afspraak.’
De man knijpt zijn ogen tot spleetjes en zegt: ‘Toch komt u me bekend voor. Maar misschien vergis ik me.’
‘Misschien. Misschien zeker.’ Zijn stem klinkt zacht en schor. Hij heeft een droge keel.
Gelukkig, het licht is groen. Einde van het gesprek. Ronald steekt over. Daar rechts is een smalle straat en die gaat hij in. Het is er nog wat donker. Verderop ziet hij een kleine buurtwinkel. Er staat een vuilnisbak buiten en er hangt een vlag te wapperen. Op de vlag staat het logo van een ijsfabrikant. De winkel is open, concludeert hij. Hebben ze er koude dranken? Nu is hij dichtbij en hij kijkt door de ruit van de etalage.

Achter de toonbank staat een groot koffieapparaat met kopjes en mokken ernaast. Nog wat verder ziet hij stellages met doosjes, bakjes, zakjes en flesjes. Handig voor onderweg. Het is stil in de winkel. Niemand te zien. Alleen bij het koffieapparaat staat iemand.
Het meisje draagt een zwart overhemd en een lang schort dat bijna tot op de grond komt. Haar zwarte haren heeft ze in een paardenstaart. Ze is geconcentreerd bezig met het schoonmaken van het apparaat. Met haar donkere ogen kijkt ze aandachtig naar haar ranke handen die het werk doen. Het puntje van haar tong komt uit haar mond en glijdt langs haar onderlip.
Ronald wil naar binnen, maar blijft nog even door het glas staan kijken.

– is onherroepelijk. hoe dan ook. met je mooie lokken, die golven op je zachte bewegingen. ze glijden over je blote schouders. de tinteling – langs het rode kant van je bustière, de welving van je borst en de diepe geul van je décolleté, zodat – het kuiltje in de hals, de ronding van je heupen, de bolling van je bi – een rilling, de glinsterende ogen – verlangen, dat je losm –unker, verw – eigen vingers strelen de – opwin – aar je roomblanke dijen, de wulpse blik en het lichte blosje op je wangen. die pure schoonheid achter glas, zo onbevan – eze keer? drukken, knijpen, slaan, sn – komt zoals het komt, gaat – t onderhuids, zwart, een blauwe plek, striemen – rood waas – verstijft, ik zie de donshaartjes rechtop gaan staan op je onderarmen – perfect zo – dan sper je je ogen open, open je je mond en gilt. en gilt. en gilt. en g – toe maar, laat maar – perfect zo – het is goed zo, het is gedaan, geen – niets, je hoe –

‘Goedemorgen,’ zegt ze. Ze haalt het gekoelde flesje water over de scanner en een luide piep klinkt. ‘Dit was het zo voor u?’
‘Ja. Dank je.’ Zijn blik glijdt van haar ogen, wangen en mond naar het rek met dagbladen dat naast de toonbank staat. De grote letters van een kop trekken zijn aandacht.
‘Pinnen?’
‘Nee.’ Hij legt een munt van twee en een munt van een euro op de toonbank. ‘Opnieuw lijk in bordeel.’
‘Pardon? Wat zei u?’
Ronald schrikt op en kijkt het meisje weer aan. Haar ogen zijn groot, vragend. ‘O, niets. Ik las de kop van de krant.’
‘Ik begrijp het. Zelf schrok ik er ook van. Het is niet ver hier vandaan gebeurd. Als het zo dichtbij komt … Hebt u een klantenkaart?’
‘Nee, ik zou niet weten waarom. Wat is daarvan de noodzaak?’ Hij merkt zijn eigen bitsheid.
Het meisje achter de toonbank wrijft langs haar neus.
‘U bent zenuwachtig,’ zegt hij.
‘Het spijt me,’ klinkt het kind.
‘Dat hoeft niet. Die kranten schrijven maar wat, met zo’n deadline in zicht. Alles voor de verkoop.’
‘Kijkt u eens.’ Het meisje steekt hem haar hand toe, met daarin een paar muntjes. Klaar om ze te laten vallen. Hij weet dat ze bang is. Ze durft hem niet aan te raken.
‘Laat maar zitten,’ zegt hij.
‘Dank u wel. Een fijne dag.’
‘Nee.’
Ook al valt er al een streepje zonlicht in de smalle straat, buiten is het nog steeds koud.  

– , vol van gedachten. geen paniek, het helpt je niet. niets helpt. voor – de leegte – eindeloze –

Voordat hij het weet, is hij dezelfde weg weer teruggelopen. Bij het verkeerslicht staat nu niemand, behalve hij. Het is snel groen en hij steekt weer over. In de winkelstraat lopen nog altijd mensen. Veel mensen. Het meisje achter glas. Zo zenuwachtig, zo angstig, zo dichtbij. Welk leven leidt zij buiten winkeltijd? De straatveger is weg, de hovenier, de fietskoerier. Voor hen in de plaats duizenden anderen.
Het is goed, weet Ronald Haamschaar. Maar waarom dan, waarom dan de onrust?


Apeldoorn, maart 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

18-02-2019

Lotgenoten (0016)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

De lucht is dreigend grijs. Er zou wel eens sneeuw kunnen gaan vallen. De oude mevrouw is eindelijk uitgepraat en start haar scootmobiel. Plots schiet ze achteruit, dwars de drukke winkelstraat over, haar gesprekspartners nawuivend.
Ik roep: ‘Hoooooo!’, spring opzij en red mijn leven.
‘U moet wel uitkijken waar ik rijd,’ zegt het fossiel met een grote grijns op haar gezicht. ‘En aan de kant gaan, hoor.’
Dit is zo’n dag dat ik zinloos geweld volkomen begrijp. Maar ik kan mij beheersen. Diep zuchten en verder lopen. Bijna thuis.

Het wordt nog erger. De sneeuw valt daadwerkelijk. Grote vlokken dwarrelen door de lucht en vallen op het natte wegdek. Weg. Ik loop inmiddels in een andere straat. Het voetpad is smal, er staan veel fietsen geparkeerd op de stoep en naast het trottoir is het druk met voorbijrazend fietsverkeer.
De dikke dame waggelt me tegemoet. In haar ene hand houdt ze een telefoon en ik vraag me af hoe ze de juiste toetsen en icoontjes kan raken met haar worstvingers. Haar andere hand brengt ze naar haar mond. Twee Vietnamese loempia’s tegelijk duwt ze in haar mond. Ondertussen loopt ze langzaam door. Haar bovenbenen zijn zo breed, dat ze wijdbeens moet lopen, haar bovenlijf draait met haar zwoegende heupen mee. De grote volle boodschappentas die aan haar arm hangt, maakt haar nog breder. Ik blijf staan, doe een stap opzij tussen de geparkeerde fietsen om haar door te laten. De vrouw stopt, heeft de tweede hand met de telefoon erin nodig om de loempia’s verder in haar mond te duwen. Ze smakt, want ze kan haar mond niet dicht genoeg krijgen. Haar bril beslaat. Er loopt een straal mondvocht langs haar kin en ze boert.
Ik wacht lijdzaam. Bijna thuis.

Wordt het nog erger? Inmiddels verkeren we in een heuse nattesneeuwstorm. Er valt zo veel, dat er een dun wit laagje op het trottoir ligt. Zet je er een voet op, dan is het witte weg. Ik kan weer iets verder. Nog honderd meter. Nu blijf ik zelf staan.
Er komt me een ploegje mensen tegemoet. Een vader, een moeder, twee meisjes. Het ene meisje is een jaar of acht. Het andere meisje is ouder, ik denk elf of twaalf. Ze rent voor de anderen uit en houdt haar beide handen op. Haar donkere ogen glinsteren onder haar zwarte halflange haren die onder een muts vandaan komen. Haar handen zijn rood van de kou, maar het meisje lacht. Sneeuwvlokjes vallen op haar handen en ze blijft naast mij stil staan. Terwijl er nog meer vlokjes op haar handen vallen, brengt ze die beide rode handen naar haar mond. Ze likt en draait zich om. Ik zie haar lachen. Ze roept: ‘Koud!’

En plots, hè. Plots zie ik haar niet goed meer. Mijn blik is troebel. Er lopen tranen in mijn ogen en niet van de kou. Ik knipper met mijn ogen om beter naar het kind te kunnen kijken. Ze is al een grote meid en toch nog wat speels. Onbedorven, onschuldig, schattig. En ik? Ik ben een ouwe sentimentele gek. Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, februari 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

04-02-2019

Hoog tijd voor een kroegverhaal (12)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Vorige week had ik me toch een troela in bed, zeg.’ Joop keek me aan met een blik alsof hij een tegenreactie van mij verwachtte. Die tegenreactie bleef uit, dus ging hij verder: ‘Ik mocht niet eens d’r poepgaatje likken. Nou, dan moet je mij net hebben. Gelukkig zijn er ook andere handelingen die je kunt verrichten in bed.’
‘Je omdraaien en gaan slapen, bijvoorbeeld,’ zei ik. U begrijpt, het was weer een dolle boel in café Droeftoeter. Het is dat ik een afspraak had, want zelf was ik liever thuis gebleven.
‘Had ik me daarvoor een hele avond zitten uitsloven bij dat wijf?’ Joop werd giftig. ‘Nee, ik heb er uiteindelijk nog uit gehaald wat erin zat.’
‘Heb je een vinger in haar keel gestoken of haar een laxeerpil gegeven?’
‘Het grote probleem met jullie schrijvers is dat er met jullie geen goed gesprek te voeren is.’
‘Ik heb tot nu toe nog niet gezegd dat dit een goed gesprek is.’

‘Mag hier nog wat zijn?’ De serveerster was bij onze tafel gekomen.
‘Nog een water, graag,’ zei ik tegen het mooie donkere meisje, van wie ik even de naam kwijt was. Bij nadere overpeinzing kon ik me ook niet herinneren dat ze me ooit haar naam had gezegd. Maar mooi was ze. En donker. ‘Mag gewoon uit de kraan, hoor.’ Ik gaf haar mijn lege glas.
‘Door jouw bestellingen zal het personeel geen grote bonussen ontvangen, Bas,’ lachte ze. Haar ogen glinsterden en haar zwarte kroesvlechtjes wiegden zachtjes heen en weer.
‘Het leven is kut, jongedame,’ zei ik. ‘Wen er maar vast aan voor later, maar geniet van de onbezorgde jeugd zo lang het nog kan.’
‘Dank je, Bas. Als ik wijze raad nodig heb, weet ik bij wie ik moet zijn.’
‘Wijze raad geef ik graag aan lieve meisjes, dus je bent van harte welkom.’
Ze bloosde een beetje en dat was best bijzonder voor iemand met een bijna zwarte huid. ‘En voor jou?’ vroeg ze aan Joop.
Joop keek eindelijk op en zei: ‘Jezus, wat ben jij dik.’
‘Voor jou een hengst voor je smoel dus, begrijp ik?’ Het meisje werd fel.
‘Nee, dan nog graag een vaasje pils, alsjeblieft. Ik heb deze nog niet leeg, maar dat duurt niet lang meer.’
‘Fijn dat we het beleefd kunnen houden.’ Ze snoof, richtte haar hoofd op, draaide zich om en liep naar de bar.

‘Zeg nu zelf. Dik ís ze toch zeker?’
‘Laat ik het zo zeggen: ze voldoet niet aan het inmiddels afgedane gratenbalenbeeld dat de mode-industrie ons jarenlang heeft opgedrongen. Ik vind haar een mooi mens.’
‘Zeik niet, Bas. En kom zeker niet aan met dat ware schoonheid van binnen zit.’
‘Dat heb je me dan ook niet horen zeggen, Joop. Snijd een vrouw open en je wilt niet weten wat een rottigheid je tegemoet komt.’
‘Precies. Over rottigheid gesproken: binnenkort moet ik weer voor een uitgebreide behandeling bij de parodontoloog. De mijne is echt zo’n beul, met z’n martelwerktuigen. En denk je dat de verzekering iets dekt? Mooi niet. Die vogel woont in een kast van een huis. Drie keer raden waar hij dat van doet. Wacht. Even een wind laten. Zo. Z’n wijf is ook al zo’n trut. Die werkt af en toe bij de receptie van de praktijk, maar heeft ook een eigen zaak. Ze doet iets zweverigs met kleurentherapie of weet ik veel wat. Zelf is het niet zo’n licht. Dom. Dóm. Maar ze is jong, blond en lekker, met grote tieten, dus ik geef die parodontoloog van me groot gelijk. Ik heb d’r nog eens geprobeerd, toen ik na een behandeling bij de balie een vervolgafspraak moest maken. Een afspraak, vroeg ze. Wanneer schikt het u? Dus ik zeg: ik kan nu wel, kun jij nu ook even? Weet je wat ze zegt? Helemaal niets. Stond ze met haar grote tieten en haar mond vol tanden. Mooie tanden, dat wel. Daar zal die parodontoloog wel voor zorgen. En in ruil daarvoor mag hij die blonde stoot bij d’r poes pakken. Niet dat ik jaloers ben, hoor. Voor haar tien anderen. Schijten moet ik.’ Joop zette zijn vaasje op tafel.
‘Da’s mooi,’ zei ik. ‘Want daar zal je mijn afspraak hebben.’
Hij liep naar de toiletten. Ondertussen was de deur van het café met een luide klap weer dichtgevallen. Daar was ze. Ze zag mij zitten en kwam naar me toe.

‘Dag Wendy.’
‘Dag Bas.’
‘Blijf je staan?’
‘Nee.’ Ze ging zitten.
‘Vooruit dan maar.’
‘Huh?’ vroeg ze verward. ‘Wat bedoel je?’
‘Ik bedoel niets. Ik bedoel nooit wat. Mij betrap je niet op bedoelen. Maar vertel eens: hoe gaat het met jou?’
‘Lekker. Fijn wel.’
‘Ach zo. Hoe komt het dat het lekker en fijn wel gaat?’
‘Ik heb het heel druk.’
‘Dat lijkt mij juist niet lekker en niet fijn wel.’
‘Voor mijn portemonnee wel.’
‘Laat eens zien?’
‘Zien? Wat wil je zien?’
‘Die portemonnee van jou.’
‘O? Waarom?’ Ze begon in haar handtas te rommelen en te zoeken.
‘Laat maar, Wendy. Ik wilde slechts weten hoe of lekker en fijn wel voor je portemonnee eruit ziet. Maar kennelijk wil je het niet met mij delen. Ik had gehoopt dat we geen geheimen voor elkaar zouden hebben. Dat blijkt niet het geval. Mijn verwachtingen zijn weer eens anders dan die van de ander.’
‘O. Eh …’ hakkelde ze. ‘Eh … sorry.’
‘Het geeft niet. Het ligt niet aan jou. Het ligt aan mij.’
Zwijgend keken we ieder voor ons uit. 
Vanuit de wc klonk het luid: ‘Hnnnnngggg! Hnnnnnngggg!’
‘Wat is dat?’ vroeg Wendy.
‘Let er maar niet op.’
‘Het lijkt wel of iemand een kind krijgt in het toilet!’
‘Een man?’
‘In sommige gevallen is persen níét goed.’

‘Een water, kijk eens.’ De serveerster zette het glas voor mijn neus op tafel. ‘En een vaasje pils voor meneer. De meneer die nu een mevrouw is geworden, zie ik.’
‘Dag. Mag ik een witte wijn van je?’ vroeg Wendy.
‘Nee. Niet van mij. En van het café alleen als je betaalt.’
‘Allemensen, de bediening gaat hier opmerkingen van mij kopiëren,’ zei ik.
‘Ja Bas,’ lachte ze. ‘Ik leer veel van je.’
‘Dan zeg ik al die onzin dus allemaal niet voor niets.’
Ze glimlachte haar mooie tanden bloot. ‘Een witte wijn, dus,’ zei ze tegen Wendy. ‘Droog?’
‘Nee, liever niet. Heb je een zoete?’
‘Vast wel. Nog voorkeur voor iets?’
‘Als het maar zoet is.’
‘Ik ga zoeken.’ De serveerster draaide zich om en liep naar de bar.
‘Waar waren we gebleven?’ vroeg Wendy.
‘Bij stil aan de tafel zitten,’ zei ik.
Daar gingen we een tijdje mee verder.

‘Was me dat bouten.’ Daar had je Joop weer. ‘En wie is deze dame in kwestie?’ Hij stak zijn hand uit naar Wendy.
Die stond op en zei: ‘Wendy. Wendy Korstbanker.’
‘Hoogst aangenaam.’ Joop keek haar glimmend aan. ‘Ik heet Joop.’
‘Joop Glimmerveen?’
‘Nee. Als dat zo was, dan stond ik hier niet.’
‘Dan hadden we je ook niet willen kennen,’ zei ik. ‘Dat doen we nu overigens ook liever niet.’
‘Vergeef dit stuk langharig tuig,’ zei Joop tegen Wendy.
‘Een zoete witte wijn. Alstublieft.’ De serveerster zette het glas voor de neus van Wendy neer.
‘Jemig,’ zei Joop. ‘Het wordt tijd dat ze dit café gaan uitbouwen. Wat neemt die kont van jou een ruimte in.’
De serveerster pakte het vaasje pils van Joop van tafel en goot het uit over zijn hoofd. ‘Beleefd zijn is moeilijk voor je, hè?’ zei ze.
‘Gloeiendeteringnikker!’ brulde Joop.
‘Nou nou, Joop,’ moeide Wendy zich ermee. ‘Niet van die taal uitslaan. Die siert je niet.’
‘Het is toch een nikker?’ brieste Joop. ‘En nog een teringnikker ook. Een vadsige teringnikker.’
Ik zei: ‘Ik houd er niet van hoe je het woord ‘nikker’ gebruikt, Joop. Beetje respect voor de werkende medemens.’
‘O, meneer hoort er een negatieve lading in? Nou, die was er moedwillig ingestopt.’ Hij wendde zich tot de serveerster. ‘Tief een end op met je dikke koeliekont.’
‘Niks ervan,’ zei Wendy. ‘Ik heb mijn wijn nog niet ingeschonken gekregen.’
‘Dat ze die wijn in haar blubberreet steekt.’
‘Dan lust ik hem niet meer.’ Wendy keek Joop strak aan.
Joop draaide zijn hoofd weg en keek naar mij. ‘Bas, zeg jij nou ook eens wat! Dat die wijven zich dienen te gedragen of zo. Of is dat ook weer taal die je liever niet gebezigd hoort? Jij bent al net zo’n deugdrol als iedereen. En maar al die vermenging van rassen en culturen goedpraten. Man man man.’
‘Dat we allen verschillend zijn, is juist mooi,’ zei ik. ‘Er valt nog iets van elkaar te leren. Stel dat we allemaal hetzelfde zijn, bijvoorbeeld allemaal zoals jij, dan was er niets te ontdekken, alleen te schelden en te schreeuwen. Bovendien had je dan geen troela om het poepgaatje te likken. Iedereen is gewoon zoals-ie is. Grove taal en lompe afkeuring veranderen daar niets aan.’
‘Hoe kom je daar nou bij?’ krijste Joop en nu wees hij op de serveerster. ‘Ik zou nooit mijn tong willen steken in deze zwarte blubberreet.’
De serveerster zette haar dienblad op tafel, pakte de wijnfles die erop stond bij de hals beet en sloeg hem keihard op het hoofd van Joop kapot. De scherven en zoete mousseerwijn spatten in het rond. Joop zakte ineen en gleed op de grond.
‘Goed gedaan, zeg,’ zei Wendy. ‘Ik houd wel van kranige meiden.’
‘Jij houdt toch sowieso wel van meiden?’ vroeg ik voor de zekerheid na.
‘Ja, dat weet je nog goed,’ zei ze. ‘Maar soms val ik ook op mannen, hoor. Ik ben biseksueel. Leuke serveerster, trouwens.’
De serveerster stond er een beetje onhandig bij.
‘Sta jij hier nou alweer te blozen?’ vroeg ik haar.
‘Sorry,’ zei ze verlegen.
‘Je hoeft je niet te verontschuldigen, hoor. Ik vind je mooi als je bloost. Als je niet bloost, vind ik je ook mooi, trouwens.’
‘Dank je.’
‘Hoe heet je?’ vroeg Wendy.
‘Brandy,’ zei de serveerster.
‘Je verzint het niet.’ Ik keek de twee meiden aan. Dit werd een geile bende. ‘Kijk uit waar je gaat staan,’ zei ik. ‘Straks stap je op Joop. Dat zou je mooie schoenen maar vuil maken.’
‘Met een beetje geluk houdt hij van trampling,’ zei Wendy. Ze ging met haar naaldhakken op de buik van Joop staan. ‘Toch sneu voor hem dat hij er niets van mee krijgt. Wat kijk je?’ vroeg ze nu aan Brandy.
‘Ik … eh … ik …’
‘Zeg het maar, schoonheid.’
‘Ik … ik heb een voetfetish.’
‘Een foodfetish?’ vroeg ik. ‘Doe je dan ook aan foodporn?’
‘Bas,’ vroeg Wendy, ‘doe je mee?’
‘Ik heb geen horloge om,’ zei ik.
‘Ja? En?’
‘Toch weet ik feilloos hoe laat of het is.’


Apeldoorn, januari 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!

• • •
 

21-01-2019

Twaalf jaar schrijven voor FOK! – bazbo’s jubileum

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Dames en heren, zijn columns voor FOK! worden nauwelijks meer gelezen, maar door die enkele lezer nog altijd bijzonder hoog gewaardeerd. Sinds donderdag 18 januari 2007, dus afgelopen vrijdag alweer twaalf jaar lang, plaatst hij zijn schitterende stukjes op de FrontPage.
Dames en heren, de columns op FOK! zijn al lang dood, maar bij mij aan tafel schuift nog altijd aan: de levende legende bazbo!’

(Wave in het publiek.)

‘Bas, wat wil je drinken?’
‘Water, Adriaan. Water.’
‘Nog altijd van de drank af?’
‘Dat vroeg je vorig jaar ook al.’
‘Bas, voor iedereen die jou nog niet kent: vertel eens iets over jezelf.’
‘Ik hoor steeds slechter. Volgende week heb ik een afspraak in het ziekenhuis bij de KNO-arts. Daar krijg ik zo’n uitgebreide gehoortest en vervolgens een kort consult bij de specialist. Het zal wel weer hetzelfde zijn als vijf jaar geleden. ‘We kunnen niet veel doen aan de tinnitus. Daar zult u mee moeten leren leven.’ Of misschien toch niet. Misschien adviseert hij nu echt dat ik aan de gehoorapparaten moet.’
‘Zoiets bedoel ik niet, Bas.’
‘Wat bedoel je dan, Adriaan? Zeg gewoon wat je bedoelt.’
‘Vertel eens in zijn algemeenheid iets over jezelf, zodat we je iets beter leren kennen.’
‘Nu nog? Na twaalf jaar? Nou, vooruit. Ik heet Bas Langereis en werd geboren op 17 mei 1965 in het zo majestueuze Apeldoorn, waardoor Apeldoorn nog weer een stukje majestueuzer werd. Hierover kun je meer lezen in mijn boeken Alles kan kapot, Zelfmoord is een optie en Maar we leven nog.’
‘Fijn. Wanneer verschijnt er een nieuw boek?’
‘Geen idee. Ik ben er niet mee bezig.’
‘O? Jij, de veelschrijver, bent niet bezig met een nieuw boek?’
‘Ik lieg. Ik ben altijd bezig met een nieuw boek. Maar dat schuif ik dan opzij en morgen ben ik weer met een ander nieuw boek bezig.’
‘Maar niets concreets?’
‘Er liggen al jaren lang enkele manuscripten klaar.’
‘Waar wacht je dan op?’
‘Tot ik de energie heb. Echt belangrijk is het allemaal niet.’
‘O? Jij, de veelschrijver, vindt het allemaal niet belangrijk?’
‘Er valt niet veel te leren in dit leven, maar er zijn uitzonderingen.’

(Instemmend geknik.)

‘Bas, hoe komt het dat de columns op FOK! dood zijn?’
‘Omdat er bijna geen columnisten op FOK! zijn.’
‘Hoe komt dat zo?’
‘Eerst waren er veel. Veel gingen toen weg. Toen bleven er bijna geen columnisten over.’
‘Scherpe analyse.’
‘Dank je. Ik ben gek op feiten.’
‘Een paar jaar geleden was het wel anders. Toen waren er zo veel columnisten, dat er meerdere columns per dag op de Frontpage verschenen. Een tijdje zelfs drie of vier.’
‘Wat is je vraag, Adriaan?’
‘Vertel daar eens over.’
‘Een paar jaar geleden waren er zo veel columnisten, dat er meerdere columns per dag op de Frontpage verschenen. Een tijdje zelfs drie of vier.’
‘Goed. Fijn. Wie zijn er nu nog over?’
‘Ik. En nog een paar. Van de hoogtijdagen die ik zelf heb meegemaakt – zeg van 2007 tot en met 2013 – is niet veel meer over. Ik geloof dat er nu alleen op maandag en op donderdag iets staat. En eens in de maand op zondag is er wat. Bornfree plaatst heel af en toe iets. Onlangs moesten we afscheid nemen van Bakoenin. Hij was zo’n beetje de laatste van de oude ploeg. O ja, ik zag dat er tegenwoordig iedere zaterdag een deel van een heel boek op de Frontpage staat.’
‘Wat vind je daar van, Bas?’
‘Ik heb het nog nooit gelezen, dus ik kan er niets over zeggen.’

(Hysterisch gelach.)

‘Wat vind je van het idee dat een schrijver een heel boek plaatst?’
‘Gejat. Zelf heb ik het ook eens overwogen. In de tijd dat we het aantal columnisten zagen verminderen, opperde ik het idee om een wekelijks gat op te vullen. Ik heb verschillende oude manuscripten liggen en een daarvan kon ik gemakkelijk in delen knippen. Ha, dan waren we een jaartje onder de pannen geweest.’
‘Welk boek was dat?’
‘Het boek is onder mijn volgers bekend als de Party-trilogie. Het is een serie verhalen over mijn avonturen in de periode van 1992 tot en met 1994.’
‘Vertel. Wat hebben we gemist?’
‘Een boel geil gedoe met vrouwen.’
‘Hoe kun je ons dat onthouden?’
‘Ik heb het zelf ook gemist. Uiteindelijk gebeurde er geen ene reet. Daar komt het op neer.’
‘Dat is niet uniek voor een FOK!ker, Bas. Waarom is het uiteindelijk niet doorgegaan?’
‘Nu moet ik heel diep graven in mijn geheugen. Volgens mij wilde ik het achter de hand houden voor als ik zelf een jaartje ertussenuit zou willen. Geen idee meer, eigenlijk. Ik zeg maar wat.’

(Applaus.)

‘Zou je ermee willen stoppen, dan?’
‘Zou jij willen dat ik ermee stop?’
‘Ik ben hier de interviewer. Jij niet.’
‘Stel dan vragen, Adriaan.’
‘Hoe kijk je terug op het afgelopen jaar? Wat heb je zelf zoal geplaatst?’
‘Verhalen.’
‘Noem eens wat hoogtepunten.’
‘Hoogtepunten in mijn verhalen? Ik ben niet zo van de expliciete erotiek.’ ‘Jammer.’
‘Maar een van mijn stukken, dat ik ook plaatste op een andere webstek, daarin wekte ik de suggestie dat er wel een seksueel getinte passage in zat. Dat verhaal heeft de redactie van die andere webstek verwijderd.’
‘Echt waar?’
‘Als je iemand wilt spreken die verzinsels vertelt, moet je een ander uitnodigen voor je interview.’
‘Om welk verhaal ging dat dan, Bas?’
‘Dat is niet zo belangrijk. Het ging overigens niet om de seksueel getinte passage. Het ging om het gebruik van het woord ‘nikker’. Daar viel de redactie nogal over. Het was een verhaal uit de serie Hoog tijd voor een kroegverhaal.’

(Uitroepen van verbazing en verrassing. Dan daverend applaus.)

‘Wat is dat toch met die kroegverhalen?’
‘Wat is ermee, Adriaan?’
‘Jij komt toch nooit meer in de kroeg?’
‘Bijna nooit, dat klopt. Maar ik ben er heel veel geweest. Ik durf te zeggen dat ik goed weet wat er in een café gebeurt.’
‘Je gaat me niet vertellen dat die serie Hoog tijd voor een kroegverhaal is gebaseerd op de werkelijkheid.’
‘Wat is je vraag, Adriaan?’
‘Bas, hoe kom je aan inspiratie voor je serie Hoog tijd voor een kroegverhaal?’
‘Opnieuw heel diep graven in mijn geheugen. Ik kom tegenwoordig nog maar zelden in het café.’
‘Waarom is dat?’
‘Er valt niet veel te leren in dit leven, maar er zijn uitzonderingen. Het heeft met twee dingen te maken: ik drink geen alcohol meer en ik heb een gehoorprobleem. Hierdoor is het voor mij niet prettig om in een café te zijn. Voor wat betreft de alcohol: ik heb geen enkele moeite om water te bestellen, maar na een uurtje in het gezelschap te hebben vertoefd van mensen die wel alcohol drinken, vind ik het gesprek meestal niet meer zo interessant. Je moet maar eens opletten: het gesprek gaat dan in heel veel gevallen alleen maar over alcohol, over hoe veel alcohol zij drinken en over wat ze allemaal hebben meegemaakt al die andere keren dat ze veel alcohol dronken. Ik heb ook van die verhalen, hoor. Heel veel zelfs. Ik schaam me er niet voor dat ik ze heb, maar ik ben er niet trots op. Er valt niet veel te leren in dit leven, maar er zijn uitzonderingen.’
‘Wil je daarmee zeggen dat’
‘Val me niet in de rede! Ik ben nog niet uitgesproken, ja? Ik ga namelijk nog iets vertellen over het serieuze gehoorprobleem dat ik heb. Ik hoor slecht. Ik moet me in gezelschap goed concentreren op het gesprek. Dat kost me veel energie en het gaat lastiger als ik vermoeid ben. Daarnaast heb ik oorsuizingen. Die genadeloze pieptoon is erger als ik vermoeid ben. En wanneer ga ik naar het café? Als ik mensen wil ontmoeten of als er een bandje speelt. En wanneer is dat? Dat is aan het eind van de dag en meestal ’s avonds. En juist dan ben ik vermoeid. Ik moet dan dus heel veel moeite doen om mensen goed te verstaan en dat kost heel veel energie. Plus: als mensen in het café in gesprek zijn, moeten ze vaak boven de muziek uit zien te praten. Dan denkt de barman dat de mensen zijn muziek niet horen en dan zet hij de muziek wat harder. Dat betekent dat zijn gasten harder gaan praten of schreeuwen om boven de muziek uit te komen en vervolgens denkt de barman weer dat de mensen zijn muziek niet horen vanwege al dat geschreeuw, dus gaat de muziek nóg weer een tikkeltje harder. Kortom: ik ben dan al lang naar huis, want ik hoor ondertussen helemaal niets meer dan enkel en alleen lawaai. Een avondje in het café maakt me doodmoe. Ik heb wel eens gezegd: een feest is voor mij geen feest meer.’
‘Toch schrijf je veel over de kroeg.’
‘Wat is je vraag?’
‘Vanwaar die fascinatie voor de kroeg in je verhalen?’
‘Het café is het ideale decor. De verhalen in de serie Hoog tijd voor een kroegverhaal vind ik tegenwoordig het leukst om te maken. Ik zet ze vol buitenissige personages, volkomen ontsporende dialogen en bizarre gebeurtenissen. En al lijken ze verzonnen, de werkelijkheid is soms onwerkelijker dan je denkt.’

(Gejuich.)

‘Laten we je oeuvre van het afgelopen jaar eens doornemen. Wat konden we zoal lezen?’
‘Dan moet je bij de columns kijken, Adriaan.’
‘Ja zeg, gekke Henkie.’
‘Aangenaam. Ik heet Bas Langereis en werd geboren op 17 mei 1965 in het zo majestueuze Apeldoorn, waardoor Apeldoorn nog een iets majestueuzer werd. Mijn vader heet ook Henk.’
‘Maar goed. Vertel eens over je verhalen van afgelopen jaar.’
‘Hm, even denken. Het waren vooral delen van series, eigenlijk. Hoog tijd voor een kroegverhaal hebben we al gehad, hè? Daarnaast een paar afleveringen van Schrijver en redelijk wat van Lotgenoten.’
‘Hoe zit dat met die verhalen over Ronald Haamschaar?’
‘Wat wil je weten, Adriaan?’
‘Ik vind ze vaak wat vaag, weet niet goed wat ik ermee aan moet.’
‘Zeg dát dan. Wat is je vraag?’
‘Waar gaan die verhalen naartoe leiden?’
‘Ja, als ik dat vertel, is de grap eraf. Ik wil er niet te veel over zeggen. Vooruit, heel iets dan. Ook al zien ze er niet zo uit, de verhalen vormen een serie. Het onderliggende verhaal bouwt zich op. Ronald Haamschaar is een centrale figuur, maar er zijn ook verhalen onderdeel van de serie waarin hij niet met naam voorkomt. Er zijn dus verhalen die ogenschijnlijk niet bij de serie horen; dat blijkt dan later zo te zijn. Het is een beetje een puzzel, bedoeld voor mijn trouwe lezers. Want die heb ik.’

(Euforie. Gejoel.)

‘Je snijdt een interessant onderwerp aan, Bas. Wie is jouw lezer?’
‘Geen idee. Als ik de reacties onder mijn stukjes zo lees, zijn er FOK!kers die redelijk trouw lezen. Daar ben ik heel blij om. Mag ik ze hierbij bedanken? Is dit de microfoon waarin ik moet praten?’
‘Wat staat er in het nieuwe jaar te gebeuren?’
‘Nou, volgende week heb ik een afspraak in het ziekenhuis bij de KNO-arts. Daar krijg ik zo’n uitgebreide gehoortest en vervolgens een kort consult bij de specialist.’
‘Ik bedoel voor FOK!, Bas!’
‘Zeg dat dan! Ik denk dat ik wat afleveringen ga maken van de serie Hoog tijd voor een kroegverhaal. En voor Schrijver. En Lotgenoten. En wie weet wat nog meer. Het is toch iedere keer voor mezelf ook weer een verrassing wat er in mijn brein naar boven komt. Het creatief proces laat zich niet leiden.’
‘Toe maar. Nog meer zweverigs te vertellen?’
‘Ach, hou toch je bek, Adriaan. Als je zo begint, is het wel klaar.’

(Boegeroep. Rot fruit.)

‘Bas, dank je voor je openhartigheid. Nog een laatste vraag: waarom doe je dit eigenlijk?’
‘Iemand moet het doen en omdat ik niet anders kan. Daar komt nog bij: als ik zou stoppen, is het nog leger op de Frontpage.’

(Doodse stilte.)


Apeldoorn, januari 2018

Hier lees je ‘m op FOK! 

• • •
 

07-01-2019

Lotgenoten (0015)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

‘Dit wordt een mooie traditie,’ zegt Peter.
Het bandje hebben we ondertussen meerdere keren live aan het werk gezien en gehoord. Je zou zeggen: nu ken ik het wel, maar toch zijn we weer gegaan.
Ik hoop maar dat het geluid niet al te hard is. De vorige keer, in het poppaleis van mijn thuisplaats, was het oorverdovend. Bij binnenkomst al moest ik mijn gehoorbeschermers indoen. Hier valt het tot nu toe mee.
Er staat een man platen te draaien. Grammofoonplaten! Leuk. Een maand of wat geleden ben ik thuis begonnen om alle grammofoonplaten uit mijn verzameling van voor naar achter te draaien. Ik ben nog niet eens halverwege. De oudere man met de witte halflange haren is druk in de weer bij de twee draaitafels. Ik vraag me af wat er gebeurt als ik hard op de vloer stamp. Bij mij thuis slaat de plaat over bij de minste geringste beweging in de buurt, maar dat kan ook komen doordat ik de naalddruk zo licht mogelijk heb gezet. De man draait allerlei spul uit de jaren zeventig. Sommige platen ken ik, al kan ik ze niet bij naam noemen, de meeste platen herken ik niet. Maar het geluid is onmiskenbaar uit de prachttijd.

‘Wanneer hebben wij ze voor het laatst gezien? Was dat die keer in Zwolle?’
‘Nee joh,’ zeg ik. ‘Daarna zijn ze zeker nog twee keer in Gigant geweest en daar waren wij toch ook.’
‘O ja, dat zou kunnen.’
Nee, dat zou niet kunnen, Peter. Dat is zo. Ik zeg het niet. Het maakt niet uit wat zo is of wat zou kunnen. Wat uitmaakt, is dat we hier samen zijn.

Een lokaal bandje in het voorprogramma. Je houdt je hart vast. Ik deed het. Maar vanaf de eerste tonen laat ik mijn hart los. Met een gerust hart. Ook deze jongelui hebben goed naar de muziek uit de jaren zeventig geluisterd. Het is toegankelijk en dansbaar, met fijn gitaarwerk en een heuse Hammond. De jonge drummer heeft er duidelijk plezier in. Kijk hoe hij aan een stuk door zit te lachen. De zanger heeft het ook naar zijn zin. Hij heeft een prima soulvolle stem die goed bij de muziek past. De meeste liedjes ken ik niet en dat hoeft ook niet. ‘Dat was een eigen nummer,’ zegt hij als de band net een stuk heeft gespeeld dat ik wél herkende: Almost cut my hair van David Crosby. Grapje.
Naast mij komt een meisje staan. Het is druk. Uitverkocht concert. We staan dicht opeen. Ik kijk naar het meisje. Ze heeft lange donkerblonde haren en een gezicht met een bijna jongensachtige kaaklijn. Donkere ogen, hoge jukbeenderen en een beetje roodgeverfde mond. Ze is slank en draagt een strakke zwarte broek en een zwarte blouse met kant en bloemen erin. Haar hoofd beweegt ze langzaam op de muziek en af en toe neemt ze een slokje uit de plastic beker met bier die ze in haar hand houdt. Ze kijkt voor zich uit. Een beetje somber, lijkt ze.
‘Jij nog iets drinken?’ vraagt Peter.
Ik knik.
‘Water weer? Ik ga nu even halen. Straks zal het hier wel heel druk zijn voor het podium. Blijf jij hier een beetje staan?’
Ik zou niet weten wat of ik anders zou moeten doen.

Het bandje is afgelopen en de platendraaier is weer aan de gang. Leuk. Het begint inderdaad wat vol te worden hier. Ik kijk naar de grond. Overal liggen plastic wegwerpbekers. Ik heb mijn plastic netjes in de zak van mijn jasje zitten. Straks bij de uitgang is vast een afvalbak. Of ik geef ze af aan de bar.
Iemand wringt zich van achter links langs me heen. ‘Sorry,’ roept hij. Ik weet niet waarom hij dat zegt. Hij gaat toch moedwillig door de mensenmenigte heen? Pal voor mijn neus blijft hij staan. Hij is heel lang en breed. Zo zie ik niks. Ik doe een stapje naar rechts, voor zover het kan. Nu kan ik over zijn schouder heen op het podium kijken. Het ziet ernaar uit dat het concert zo kan beginnen.
Ik kijk rechts achter mij. Het is mudjevol. Mooi dat het uitverkocht is. Als ik me weer naar voren draai, zie ik het meisje dicht naast mij staan. Ze kijkt strak voor zich uit, staart in het niets. Voor ze me zou kunnen opmerken, kijk ik naar het podium. Vanuit een ooghoek zie ik beweging naast me. Ze kijkt in haar lege plastic beker, draait zich om en verdwijnt naar achteren. Er is nu een leeg plekje naast me. Ik ga wat breeduit staan.
‘Mooi,’ zegt Peter. Hij geeft me een plastic flesje. ‘Ja, deze kreeg ik niet in een glas.’ Hij heft zijn beker. Ik pak het flesje aan en tik het tegen zijn beker. ‘Proost.’ Ik kijk naar zijn beker. ‘Rivella,’ zegt hij. ‘Dat je niet denkt dat het bier is. Ik moet jou nog naar huis brengen, hè?’ We lachen. Ik houd het plekje rechts naast me nog bezet.

Het gaat beginnen. De drie jonge muzikanten betreden het podium. Het gaat gelijk goed los met het openingsnummer van de plaat die ze dit jaar uitbrachten. Hard is het, maar niet te hard. Ik houd mijn gehoorbeschermers in de binnenzak van mijn jasje. Gaaf is het ook. Op de latere albums is het geluid wat gevarieerder met invloeden van southern rock en funk; je hoort dat de band is gegroeid en volwassener klinkt, maar mijn voorkeur gaat uit naar dat psychadelischer geluid van hun eerste paar platen.
Van achter drukken de mensen nog wat meer naar voren. Plots botst iemand tegen mijn rechterschouder. Ik kijk. Het is het meisje. Een beetje geschrokken kijkt ze me aan.
Ik maak wat ruimte voor haar, knipper met mijn ogen en glimlach. Het geeft niet, wil ik ermee zeggen.
Ze glimlacht terug. Terwijl ze me aankijkt, zingt ze een regel mee met de tekst van de band.
Ik lach, draai me naar het podium en playback mee.

Allemensen, het klinkt echt goed. Zoals gezegd: hard, maar niet te hard. Je kunt alle instrumenten heel goed horen. Alles mooi in balans. De drie muzikanten zijn lekker op dreef. Flinke gitaaruitbarstingen, een scheurend Hammond en stevige drums. Van mij mag het. Led Zeppelin is nooit ver weg. Deep Purple, Lynyrd Skynyrd en Little Feat ook niet. Ik houd ervan.
Peter maakt foto’s en filmpjes. Ik zie hem regelmatig met zijn hoofd voorovergebogen over zijn kleine camera en zijn telefoon. Als ik stiekem meekijk, zie ik dat hij foto’s en filmpjes op allerlei sociale media aan het zetten is. Ik grinnik. Zelf heb ik ook lange tijd veel concerten gezien door de lens van mijn fotocamera. Ik fotografeerde wat af, filmde hele nummers en die deelde ik dan her en der. Dat doe ik niet meer. Ik heb vanavond een paar foto’s gemaakt ter herinnering, voor de rest wil ik zo veel mogelijk van het concert en van dit moment meemaken.

Stik, dit is een gaaf nummer. Ik beuk met mijn kop op en neer. Dat betekent dat mijn lange haren heen en weer slingeren. Het maakt me niet uit. Lekker uit mijn dak, dat is alweer een tijdje geleden. In een van mijn wilde bewegingen kijk ik naast mij.
Het meisje schudt haar hoofd ook heen en weer. Een streng van haar steile haren hangt voor haar gezicht. Een andere lok plakt op haar bezwete voorhoofd. Ik ben gestopt met bewegen en blijf naar haar kijken. Ze heeft haar ogen dicht. In haar ene hand houdt ze haar lege plastic beker, haar andere arm steekt ze boven haar hoofd uit. Ze gaat helemaal op in de muziek. Af en toe kijkt ze naar het podium en opeens ziet ze mij. Ik kijk nog steeds naar haar en blijf naar haar kijken.
Ze lacht en strekt zich naar mij uit. Ik buig een beetje naar haar toe. Haar mond is vlak bij mijn oor. ‘Wat kijk je?’ vraagt ze. Ze schreeuwt niet. Ze zegt het bijna zachtjes. Ik kijk haar in haar ogen en lach. Dan breng ik mijn mond naar haar oor. Ze komt me iets tegemoet. ‘Ik vind je mooi,’ zeg ik en ik kijk met een blik dat ik daar ook niets aan kon doen. Ze glimlacht haar witte tanden bloot. Ik lach terug. ‘Dank je,’ vormt haar mond. Haar ogen glinsteren.
Ik knipoog weer met beide ogen en kijk naar het podium. Barst, het lied is alweer afgelopen.

Het publiek is uitzinnig en moedigt de band aan. De wilde haardossen op het podium worden nog wilder. Een drumsolo. Een fikse drumsolo. Minutenlang. Het kan, het mag, het moet, het hoort zo. Gitaarfeedback. Vervormd orgelgeluid. Muziek!
Het concert is voorbij voordat ik het weet. Natuurlijk is er een toegift. Twee zelfs. En dan zwaaien de drie jongemannen definitief gedag.
‘Zal ik nog wat te drinken halen?’ vraagt Peter.
‘Is goed. Ga ik even naar het toilet. Waar is dat?’
Peter wijst. Ik volg zijn vinger en begin te lopen. Een deel van het zaallicht gaat aan. Er komt ruimte in het publiek. De vloer is bezaaid met plastic. Ik worstel me een weg.

Het is druk bij de wc’s. Niet gek. Toch hoef ik niet heel lang te wachten. Ik plas al het water van vanavond eruit en was mijn handen. Dan probeer ik me weer terug de zaal in te wurmen. Het duurt even, maar het lukt. Bij de bar staat Peter met twee plastic wegwerpbekers in zijn hand. Ik krijg er eentje en neem een ferme teug koud water. Uit de zak van mijn jasje haal ik de drie bekers en het flesje. Ik zet ze op de bar. Een man achter de bar pakt ze zonder iets te zeggen weg.
‘Dat was mooi, hè?’ roept Peter.
Ik knik met wijd opengesperde ogen.
‘Ze klinken anders dan de vorige keer,’ zegt hij. ‘Alsof ze wat volwassener zijn geworden. Een mooi concert om op terug te kijken.’
Ik knik weer en draai me van hem weg. Ik kijk naar de plek voor het podium waar we stonden. Ze is weg. Ik ben weg.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, december 2018  

Hier lees je ‘m op FOK!


Meer recente verhalen lees je hier.

• • •