bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

11-07-2019

Hoog tijd voor een kroegverhaal (14)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Ik wil het eens hebben over zaad.’
‘Je doelt op het feit dat de landbouw tegenwoordig alleen nog maar veredelde zaden gebruikt, door Europese wetgeving afgedwongen, waardoor de biodiversiteit ook op plantkundig terrein nog verder inkrimpt?’
‘Nee, Floris. Ik wil het hebben over zaad. Zaad! ZAAD!’
‘Weet je wat het is, Leo,’ zei Floris. ‘Die homo’s leggen het er altijd zo dik bovenop.’
‘Racisme!’ riep de homo.
‘Dat zou een vieze bende worden,’ mengde George zich erin.
‘Hoezo?’ zei Leo. ‘Het is niet altijd vies wat wij doen, hoor.’
‘Nou, als je je zaad er dik bovenop legt wel!’ George grijnsde breeduit.
‘Goedemiddag.’ Er waren twee mensen aan de tafel komen staan. ‘Mogen wij erbij komen zitten?’
‘Doe wat je niet laten kunt,’ zei Floris.
‘Ja ziet u, overal is geen plek meer en mijn vrouw moet echt even zitten, ze kan niet te lang staan. Maar ik zal me even voorstellen: mijn naam is Van der Goot en dit is mijn vrouw.’
‘Ik snap waarom ze niet te lang kan staan.’ Leo keek niet bepaald verlekkerd naar haar. ‘Vraag me wel of hoe lang het duurt voor het meubilair bezwijkt onder die dikke olifant.’
‘Excuseer,’ zei de heer Van der Goot. ‘Ik kan u slecht verstaan. Er is nogal veel rumoer hier.’

U begrijpt, het was een drukke boel geworden in café De Fakkel. Toen ik een half uur geleden was binnengekomen, was de hele stamtafel nog leeg. Nu zaten er al die figuren die er altijd zaten. Over meubilair gesproken. Leo zat naast me, Floris was er, George en Lina en nu schoven de heer en mevrouw Van der Goot dus ook aan. Kijk, daar had je het barmeisje Suus ook. Ze stond achter me. ‘Iemand nog wat drinken?’ gilde ze boven het tumult uit.
‘BIER!’ brulde George.
De anderen zeiden ook iets. Suus knikte bij iedere bestelling. Toen boog ze over mijn schouder en zei in mijn oor: ‘Bas, jij ook nog wat? Oh, je hebt nog water, zie ik.’
Ik glimlachte en gaf haar een knipoog.
‘Dat is dus twee bier, een whisky, een zoete witte wijn en twee droge sherry.’
‘Is het er al?’ riep Leo. ‘Ik heb dorst!’
‘En een grote waffel,’ zei de wat verlopen vrouw die ook aan tafel zat. Dat was Lina.
‘Komt eraan,’ zei Suus. Ze draaide zich om en liep naar de bar.
‘Jammer dat die bar zo dichtbij is,’ zei Floris.
‘Hoezo dat?’ vroeg Lina.
‘Nu kan ik maar zo kort naar haar kont kijken.’
‘Mannen!’
‘Ja?’ klonk het bijna eensgezind uit de monden van Floris en George. Leo zei niets.
‘Waarom zeg jij niets?’ vroeg Lina aan hem.
‘Hij is homo,’ zei George.
‘Toch houden we van hem,’ zei Floris.
‘Maar niet op die manier,’ zei George.
‘Niet zo denigrerend.’ Leo was duidelijk op zijn teentjes getrapt.
‘O, zijn we op onze teentjes getrapt?’
‘Nou, ik wel. Van jou weet ik het niet. Ben jij ook homo?’
‘Moet je een stomp in je smoel?’
‘Niet zo agressief gelijk,’ zei Leo. ‘Wat moeten de gasten wel niet van je denken?’
‘Gasten? Welke gasten?’
‘Die meneer en mevrouw Van de Poot.’
‘Excuseer,’ wilde de mannelijke helft van de gasten beginnen.
‘Geen moeilijke woorden voor die lui,’ onderbrak Lina hem. ‘Daar snappen ze niks van.’
‘Moeilijke woorden? Wat zei ik? Ik wilde alleen maar zeggen dat ik niet Van der Poo…’
‘Dat van die ekslukeers. Ga niet zeggen dat je het niet gezegd heb. Je moet hier op je woorden letten, hoor!’
‘Lina, val die mensen niet zo lastig,’ schreeuwde George. ‘Ze zijn te gast. Dan weet je toch wel hoe je je moet gedragen?’
‘Waar blijft dat zuipen!’ Floris kwam er met moeite overheen.

‘Niet zo ongeduldig, kinders.’ Suus liet zich niet opjagen. Ze stond weer bij de tafel met een goed gevuld dienblad.
‘Ik had bier!’
‘Netjes op je beurt wachten, George. Anders krijg je niets.’
‘Als je bier had,’ zei Leo, ‘dan heb je het gehad. Wij hebben nog niks. Geef mij eerst mijn pina coladaatje, meid.’
‘Een pina colada? Volgens mij heb je whisky besteld!’ riep George.
‘Niet alleen homo, maar ook nog eens je geheugen kaduuk!’
‘Ha ha, Floris,’ zei Leo met een zuur lachje. ‘Erg leuk.’
‘Een whisky voor Leo,’ zei Suus en ze zette een tumbler voor zijn neus.’
‘Zie je nou wel!’ galmde George.
‘Biertje voor Floris, zoete witte wijn voor Lina en hier: twee droge sherry. Alstublieft. Zal ik het op een bon zetten?’
‘Nou, niet op de mijne!’ krijste Lina. ‘Die whisky of pino caladi of hoe heet dat spul, dat is veuls te duur.’
‘En niet te zuipen ook,’ zei Floris. ‘Alleen al hoe het eruit ziet. Net of je …’
‘Zaad!’ riep George, terwijl hij Leo met heel grote ogen aankeek. ‘Zaad! ZAAD!’
‘Dames en heren, mag ik even de aandacht?’
‘Wat wou je zeggen, Floris?’
‘Ik moet pissen.’ Hij schoof zijn stoel naar achteren, stond op en liep naar de donkere hoek van het café.
‘Bij wie mag het op de rekening?’ maakte Suus gebruik van de stilte. ‘Jongens, graag even antwoord, dan kunnen jullie weer verder met je gesprek.’
‘Mevrouw,’ zei meneer Van der Goot, ‘in een noodgeval mag u …’
‘Dit ís een noodgeval!’ zei George snel. ‘Zet maar op de rekening van die Poten. En doe er snel nog een borreltje naast mijn biertje, schat.’
‘Nee George, zo doen we dat niet.’ Suus keek hem streng aan. Haar donkere ogen schoten vuur. Mooie donkere ogen wel, vond ik. Mij schoot plots het refrein van een liedje door mijn hoofd. Wat was dit ook weer voor liedje? O ja, nu herkende ik het. Het was een liedje van de band The Move en het heette Hello Susie. Mooi liedje. ‘Voor straf zet ik alles op jouw rekening.’
‘Ik word hier genaaid!’ brieste George.
‘Zaad! Zaad! ZAAD!’ gilde Leo, terwijl hij George met heel grote ogen aankeek. Hij barstte uit in een hinnikbui.
‘Goffer, vuile nicht.’ George stond op, reikte over de tafel en gaf Leo een slag in zijn gezicht.
Leo was even uit het veld geslagen, maar kwam snel weer bij zijn positieven. Ook hij stond op.
‘Heren!’ riep Suus. Het was te laat.
‘Homohater!’ krijste Leo en hij zette zijn lange nagels in het gezicht van George.

Suus gaf beide kerels een felle mep met haar dienblad.
‘Ja, maar hij …’ begon George.
‘Niet waar! Hij …’ zei Leo.
‘Stelletje kinderen,’ zei Suus streng. ‘Geen drinken voor jullie. Ga buiten maar even afkoelen en nadenken over wat je hebt gedaan. Pas als je je excuses kunt maken, mag je weer binnenkomen.’
‘Ja Suus.’ Beide mannen lieten hun hoofd hangen, draaiden zich om en liepen naar de deur. Even later viel die met een klap dicht.

‘Nou, dat heb je mooi opgelost!’ gilde Lina. ‘Nou ben je twee klanten kwijt!’
‘Die komen wel terug,’ zei Suus rustig. ‘Leer mij de stamgasten kennen.’
‘Doe mij nog een zoete witte wijn! Ik krijg weer dorst.’ Lina stak haar tong uit haar mondhoek.
‘Wat een stilte hier zo opeens.’ Daar had je Floris weer. ‘Een mens kan niet even gaan pissen of de wereld verandert.’
‘Jouw eigen gezeik is altijd hetzelfde!’ Lina moest erg lachen om haar eigen grapje.
‘Waar komen die gebroken glazen vandaan?’
‘Leo en Sjors hebben hun eigen glazen ingegooid!’ Lina kreeg nu de slappe lach.
Suus had de scherven opgeveegd. ‘Nu allemaal weer je een beetje netjes gedragen.’
‘Die twee nieuwelingen hier vooral!’ gierde Lina. ‘Jullie horen het, Van der Goten: doe normaal, anders moet je naar buiten.’
‘Excuseer,’ zei meneer Van der Goot, ‘maar wij …’
‘Rhaaaaahahahahaha! Heb je hem weer met z’n geëskaluïkeer! Dat zijn toch de leukste grappen, die steeds terugkomen. Kostelijk!’
De deur ging weer open. Leo en George kwamen voorzichtig binnen.
‘Heren!’ zei Suus vanachter de bar met een vragende blik.
‘Sorry, Suus,’ zei Leo. ‘We doen het niet meer.’
‘Het spijt ons,’ vulde George aan. ‘Mag ik een nieuw bier? Ik betaal het vorige rondje ook wel.’
‘En ik trakteer de volgende,’ zei Leo er snel achteraan.
‘Zo mag ik het horen,’ zei Suus. ‘Ik kom het zo brengen.’
‘Doe er voor mij een drambwie bij!’
‘Een wat, Lina?’ vroeg George.
‘Een drambwie.’
‘Een drambwie tussen je tieten.’ Hij boog en begroef ruw zijn hoofd in haar gerimpelde décolleté.
Lina gilde luid en veegde met haar beide armen alle glazen van tafel.
‘Goffer!’ Leo werd hysterisch.
‘Excuseer,’ zei meneer Van der Goot.
Suus noteerde de schade op de bon van George en kwam vervolgens naar onze tafel met haar stoffer en blik. Toen ze mij zag zitten, keek ze me wat wanhopig aan. Ik glimlachte haar weemoedig toe en knikte geruststellend, waarmee ik wilde zeggen dat het haar schuld allemaal niet was. ‘Ik weet het, Bas,’ zei ze. ‘Maar ik word er soms zo moe van. Gelukkig ben jij erbij. Dat maakt me dan weer vrolijker.’ Ze legde een hand op mijn schouder. Toen zuchtte ze diep en begon de kapotte glazen van de vloer te vegen.

‘Hé Bas!’ brulde Floris luid. Iedereen keek nu naar mij. ‘Wat vind jij hier nu allemaal van?’
Plotseling was het doodstil in het café De Fakkel.
‘Ik?’ zei ik eindelijk. ‘Ik kan het allemaal niet volgen. Maar nu ik je toch spreek: weet jij hoe laat of het is?’
‘Nee.’
‘Ik wel.’


Apeldoorn, juni 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

27-06-2019

Gebeurd (S034)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Warm. Heet. Daarom loopt hij ’s morgens vroeg al zijn rondje in plaats van ‘s avonds. De zon schijnt al fel. Veel verkeer is er nog niet op straat. Slechts een enkele auto en fiets passeert hem. Hij besteedt er geen aandacht aan en rent door.

Zijn vaste route gaat in het begin door rustige straten, langs statige herenhuizen met grote groene tuinen ervoor. Het asfalt van de weg is oud en gehavend. De gemeente is bezig om in deze buurt de straten te renoveren. Het asfalt maakt plaats voor klinkers. Dat is duurzamer, had hij gelezen. Het regenwater kan ook beter weg. Maar die nieuwe klinkers maken de ondergrond keihard en dat loopt niet lekker. Het oude asfalt is zachter en veert beter onder zijn voeten. Op sommige stukken kiest hij er dan voor om op het trottoir te lopen. Maar daar liggen vaak de stoeptegels erg ongelijk en dat is ook weer niet prettig.
De Schrijver heeft daarom zijn vaste route nu al een paar keer moeten verleggen. Dat betekent dat hij ook nieuwe ijkpunten heeft moeten zoeken. De plek waar hij weet dat hij op de helft is, bijvoorbeeld. Of plekken waar hij van zichzelf even een wandelpauze mag houden als het rennen tegenvalt en hij onverwacht heel moe wordt. Zo is hij nu bij dat ene paaltje langs de rand van het trottoir. Moe is hij nog niet. Het gaat fijn vanmorgen.

Na de rustige straten volgt een drukker deel van de route. Hier is lopen op het trottoir echt geen optie, dus kiest hij de rode fietsbaan aan de rand van de doorgaande weg. Het ochtendverkeer komt nu volop op gang. Auto’s razen langs hem heen. De schrijver vertrouwt er maar op dat automobilisten hem goed kunnen zien.
Ondertussen heeft hij de vaart er lekker in. Voor hem rijden twee mensen op de fiets. Ze schieten niet zo op en het is wel duidelijk hoe het komt. De een is een oudere heer die zwoegt om vooruit te komen. De ander is een vrouw die met een hand de man vooruit duwt. De schrijver kijkt achter zich; er komt geen verkeer aan, dus hij kan er langs. Straks moet hij toch linksaf. Hij steekt zijn linkerhand uit en gaat alvast aan de andere kant van de weg lopen. Hoppa, daar gaat hij het zwetende stel voorbij. Als snel laat hij ze achter zich. Dan slaat hij af.

Hier is het fietspad een eindje van de rijbaan. Dat loopt wel zo prettig en veilig. De schrijver draaft door. Hij merkt dat zijn hoofd leeg wordt. Dat is de bedoeling; daarom is hij ooit begonnen met hardlopen, nu alweer vier jaar geleden. Andere gedachten stromen zijn hoofd binnen. Diep, diep. Nauwelijks nog is hij zich bewust van wat er om hem heen gebeurt. Alsof hij loopt op een automatische piloot.

Verkeerslichten. Een grote T-kruising. Zonder dat hij echt gezien heeft of het licht op groen is, steekt hij over. Auto’s en fietsen kunnen links of rechts, maar hij rent rechtdoor het park in. Het pad bestaat uit grote betontegels die langs een een snel stromende spreng voert. Een eend laat zich met de stroom meevoeren en ze gaan bijna even snel dezelfde kant op. Aan de andere kant van het pad is een grasveldje. Een mevrouw laat er een hondje uit. De spreng komt nu uit in een grotere vijver. Het pad blijft er vlak langs lopen.
Er komen hem mensen tegemoet. Een stelletje, arm in arm. En dan is er een fietser die de mensen inhaalt. De schrijver houdt zich niet in en loopt door. Het wandelende stelletje doet een stap opzij om hem door te laten. Daardoor moet de fietser uitwijken. Er is niet genoeg ruimte tussen het stel en de rand van het pad. Het voorwiel van de fiets komt naast het pad terecht en even later klinkt er een luide plons. Water spat op het pad. De vrouw van het stel gilt; de man is met stomheid geslagen. Van onder water klinkt even geen geluid.
Zonder om te kijken loopt hij door. Nog een paar honderd meter en dan is hij uit het park. Nu nog twee blokjes verder en dan is daar het punt dat hij mag pauzeren. Daar, daar.

Plots schrikt hij op uit zijn gedachten. Waar ben ik? denkt hij even. Deze disoriëntatie duurt gelukkig niet lang, want hij is nu bij het verkeerslicht aangekomen. Het staat op rood, maar er zijn geen auto’s. Snel steekt hij over en loopt hij het kleine park in. Niet ver voor hem ligt het pad met de betonnen tegels dat langs de spreng en de vijver loopt.
Huh? Klopt dit wel? De schrijver vraagt zich af wat of er allemaal echt is gebeurd.


Apeldoorn, maart 2019



Dit is het zevenendertigste deel in de eindeloze serie Schrijver.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

13-06-2019

Lotgenoten (0020)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Au, mijn klauw (4)

Lotgenoten,

‘Meneer Langereis?’
‘Goedemorgen,’ stond ik op. Ik schudde haar de hand. ‘Bas.’
Ze zei haar naam. ‘Komt u verder.’
‘Dank u.’ We verlieten de wachtkamer.
‘Neemt u plaats.’
Ik deed het ook nog. Zij ook. Ik op de stoel aan de ene kant van het bureau, zij op de bureaustoel met het toetsenbord voor haar neus. Achter haar stond een deur open. Ik keek een kamer in. Op het blauwe leer van de behandeltafel lag wit papier. 
‘Uw huisarts heeft mij een briefje gestuurd met de vraag of ik naar uw handen wil kijken.’
Zonder dat ze vroeg of ze ze mocht zien, legde ik ze op tafel. ‘Vertelt u eens,’ glimlachte ze.

‘Lang verhaal kort,’ begon ik. ‘Driekwart jaar geleden vroeg mijn vrouw waar die bulten op mijn vingers vandaan kwamen. Ik had nog niets gemerkt. Een week of twee later werden ze pijnlijk. De huisarts dacht eerst aan overbelasting, dus ik heb het twee weken heel rustig aan gedaan. De verdikkingen op mijn vingers werden eerder erger. Toen foto’s laten maken en bloed geprikt. Op de foto’s niets te zien. De uitslag van het bloed was helemaal normaal, op een ernstig tekort aan vitamine D na. Ik heb zes weken lang een shot vitamine D gehad, dus dat moet nu op orde zijn. Nog altijd niet veel beter. Sterker: de verdikking op mijn rechtermiddelvinger is veel ernstiger geworden, die op mijn rechterpink ook. En kijk, hier komen ze ook. En hier. En daar.’
‘Inderdaad, dat zijn forse zwellingen.’ Ze reed met haar stoel rond het bureau en zat nu bijna naast me. Ze pakte mijn rechterhand beet en betastte de vingers en de gewrichten.
‘De huisarts zei toen: Ik weet het ook niet meer,’ ging ik verder. ‘Laten we een reumatoloog meekijken. Vandaar dat ik hier ben.’
‘Pijnlijk?’ Ze was geconcentreerd bezig.
‘Tijdens het bewegen niet. Vaak na intensief bewegen wel.’
‘Hm-hmmm,’ klonk ze. Ze bewoog de vingers en kneep in de gewrichten. ‘Dit hier is wat artrose,’ zei ze, terwijl ze het laatste gewrichtje van mijn rechtermiddelvinger bevoelde.
‘En als ik mijn vingers aanspan of een vuist maak, dan doet het zeer. Die heel dikke zwellingen, dat zijn net kussentjes die bovenop de gewrichten liggen.’

‘Knucklepads noemen we ze.’
‘O?’
‘Komen veel voor bij mensen die zwaar werk verrichten met hun handen.’ Ze zat weer achter haar beeldscherm en begon dingen in te typen. ‘Mechaniciens en zo. Mag ik vragen wat voor werk u doet?’
Ik wees op haar toetsenbord. ‘Dat,’ zei ik. ‘Toetsenbordwerk. Valt dat er ook onder?’ Ik zei niet: ‘Iets anders kan ik niet, dus als ik niet meer met een computer kan werken, dan heeft het leven geen enkele zin meer.’
‘Het zou kunnen,’ glimlachte ze. ‘Komen er meer dergelijke klachten in uw familie voor?’
‘Niet dat ik weet.’ Bij ons spelen weer andere vreselijkheden. Slechthorendheid, Gaucoom, depressiviteit. En dunne kak spettert over onze genen. Ziekte van Crohn, darmkanker. Gezellig.
‘Hebt u wel eens last van andere huidaandoeningen? Psoriasis, schilferige huid?’
‘In het verleden heb ik wel eens psoriasis gehad. Hardnekkige hoofdroos heb ik. En wat eczeem. Knoop van de gulp op de blote huid en zo.’ Waarom werd ik toch zo intiem met haar?

‘Mag ik uw voeten ook even bekijken?’ Ze vroeg het op een manier alsof ze een onbetamelijk voorstel deed. Met een handige beweging kwam ze weer op haar stoel naar me toe.
‘Natuurlijk.’ Gelukkig droeg ik mijn Teva’s en geen sokken.
Zachtjes pakte ze mijn linkervoet beet. Er zit een rode eczeemplek bovenop en twee nagels zijn beschadigd. Ze zei er niets van. Terwijl ze met volle aandacht mijn tenen bewoog, zag ik dat ze wat grijs werd door haar halflange blonde haren heen. Die paar kleine rimpels rond haar vriendelijke blauwgrijze ogen vond ik mooi. O jee, als ze maar niet onder op mijn voetzolen … ze deed het niet.
‘Niets bijzonders aan deze voet.’
Ik stak haar de rechter toe. Ook deze betastte ze zachtjes. Ik bekeek het met een bijna weemoedige glimlach. Op mijn rechtervoet zitten zelfs twee rode eczeemplekken. Ook hier begon ze niet over.
‘Alles goed.’ Ze stond op en liep naar de behandelkamer. Ik trok mijn Teva’s weer aan. Ze kwam weer aan het bureau zitten, terwijl ze haar handen afdroogde aan een papieren handdoek die ze vervolgens in de prullenbak gooide. Met haar ranke handen typte ze van alles in de computer in.

‘Is er iets bijzonders dat die zwellingen veroorzaakt?’ vroeg ik. ‘En wat kan ik doen om het te voorkomen?’
‘Eigenlijk niet zo veel,’ zei ze. Ze schoof het toetsenbord van zich af en keek me aan. ‘Zoals ik al zei: het komt veel voor bij mensen die intensief met hun handen werken.’
‘En wat is er aan te doen?’
‘Soms wil een injectie helpen.’
‘O?’ Kut, ze wil me pijn doen.
‘Dan spuiten we een medicijn in het gewricht.’ Hierna noemde ze de naam van een middel. Ik kon de naam ervan niet verstaan, want slechthorendheid komt dus wel veel voor in onze familie. ‘Dat kan tijdelijk de zwelling doen verminderen. Velen hebben er baat bij.’
‘O.’
‘Maar het is geen genezing. Het komt weer terug.’ Ze keek me aan met een vragende blik, of de waarschuwing goed tot me doordrong.
Ik knikte.
Ze bleef me aankijken.
‘En nu?’ vroeg ik.
‘We kunnen de injectie in één gewricht doen en dan kijken of het aanslaat en helpt. Dan doen we later de andere zwellingen.’
‘Eh … oké.’
Ze stond op en liep weer naar de behandelkamer. Barst, ik ging een spuit krijgen!

Even later zat ze weer naast me. Ik legde mijn rechterhand op tafel.
‘Laten we de ernstigste zwelling nemen en zien hoe het gaat,’ zei ze. Met een vochtig doekje veegde ze over de verdikking op mijn rechtermiddelvinger. In haar andere hand hield ze de injectiespuit met de naald omhoog. Het moment was daar om een andere kant op te kijken. Even hield ik mijn adem in. Au, godsgruwelijkegezondheidssandalen, wat was dat een verschrikkelijke steek in mijn vinger! Gedurende een paar seconden draaide de hele kamer. Ik voelde het vochtige doekje weer op mijn vinger en keek. Naast mijn hand had ze een pleister klaarliggen. Die deed ze om mijn middelvinger.
‘Zo.’ Ze stond op, liep naar de behandelkamer en gooide daar alles in een prullenbak. ‘Vandaag even heel rustig aan doen ermee. Ik bel u over vier weken om te vragen hoe het ermee is. De zwelling zou dan echt heel veel minder moeten zijn.’ 
‘Oké.’
‘Dan spreken we verder af.’
Graag, wilde ik zeggen.
Ze stak me een hand toe.
‘Dank u,’ zei ik en legde mijn hand in de hare.
Ze schudde.
Au! Mijn klauw!

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2019



Naschr ft:
Rust g aan doen en de m ddelv nger van m jn rechterhand ontz en. Geen omma’s en geen letters en . Toch probeer het. L j t wel of het ypen van d t al neaatje uren dagen zo n et we en duurt. Au m jn  lauw!

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

30-05-2019

Hoog tijd voor een kroegverhaal (13)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Ik zou graag eens dat gezellige dikkerdje de bek vol spuiten.’
‘Zo kan hij wel weer, Jaap.’
‘Maar zou jij dat dan niet willen, Bas?’
‘Niet vlak na jou, in ieder geval. Ik wil van alles, maar veel van mijn wensen houd ik stil.’
‘Ik heb in dit leven geleerd dat je maar beter je verwachtingen kunt uitspreken. Dat voorkomt een boel misverstanden.’
‘Wat bedoel je, Jaap?’
‘Ga hier nou niet de gevatte gozer uit zitten hangen, Bas. Die schrijvershumor van jou wordt nu niet gewaardeerd.’
‘Graag in actieve zinnen praten, Jaap. Dat maakt deze conversatie wel zo begrijpelijk. Wat bedoel je met je laatste zin? Wie waardeert die schrijvershumor van mij niet?’
‘Dat doet nu niet terzake. Je praat eromheen.’
‘O? Jij zegt iets, ik vraag verduidelijking en dan doet mijn vraag niet terzake? Wie praat waar nu omheen?’
‘Laten we het alsjeblieft ergens anders over hebben.’
‘Dan lust ik wel een glaasje water, Jaap. Plat water, graag. Mag uit de kraan.’
‘Huh? Oké, oké. Ik weet wanneer ik …’
‘Ga nu maar.’
Jaap stond op en liep naar de bar.

Ik keek café Akhbar rond. Het was er niet eens zo heel erg druk en dat voor een donderdagavond, toch doorgaans hét uitgaansmoment voor uitwonende studenten. (We hebben helemaal geen studenten in ons zo majestueuze Apeldoorn.) Aan de toog zaten wat mensen, waaronder het wat corpulente meisje met het korte krulletjeshaar. Een man of drie stond om haar heen, luidkeels lallend en lachend. Verderop aan een tafeltje zat een groepje met elkaar te kaarten.
‘Mag er voor jou nog iets zijn, Bas?’ Het was het leuke barmeisje. Ze stond naast mij, keek me aan en hield haar hoofd schuin.
‘Hé, dag leuk barmeisje,’ zei ik. ‘Doe mij maar een water.’
‘Plat water zoals gewoonlijk? En mag het weer gewoon uit de kraan?’
‘Asjeblief.’
‘Voor jou heel graag.’
‘Je bent lief, wist je dat?’
‘Dat zeggen ze allemaal.’
‘Maar ik meen het.’
‘Dan is het goed. Ik ben zo bij je terug.’
‘Ik kijk ernaar uit.’
Ze glimlachte en liep naar de bar. Ik keek haar na. Ze wiegde leuk met haar achterkant en haar lange donkere haren zwierden over haar rug. Was alles maar zo mooi en vriendelijk, dacht ik. De werkelijkheid is vaak gruwelijk. Daar had je Jaap weer.

‘Hier.’ Ruw zette hij een glas voor mijn neus. Ik schoof het opzij. Hij ging weer zitten en zei: ‘Waar waren we?’
‘We waren op het moment dat jij je respectvoller ging opstellen. Je ging net uitgebreid je excuses maken voor je botte manier van reageren van zonet.’
‘O? Dat kan ik me helemaal niet herinneren.’
‘Drank maakt meer kapot dan je lief is, Jaap.’
‘Hoe weet jij dat nou? Je drinkt geeneens drank.’
‘Er valt niet veel te leren in dit leven, maar dit weinige is me gelukt.’
‘Maar jij mist een boel plezier, Bas.’
‘Tjonge, wat een pret, dit.’
‘Kijk eens, een water voor je.’ Daar had je het leuke barmeisje weer.
‘Dank je wel,’ knikte ik haar toe en ik glimlachte: ‘Mag ik je wat vragen?’
‘Jij altijd.’ Ze pakte het glas met water van haar dienblad en zette op tafel.
‘Ik vind het heel erg, maar ik ben je naam kwijt. Excuus.’
‘Joh, dat geeft toch niet? Ik heet Leonie.’
‘O ja. Dom van me, Leonie.’
‘Dat kan toch iedereen gebeuren?’
‘Maar de stomste het eerst!’ riep Jaap erdoorheen. Hij lachte luid en verslikte zich in zijn bier. Hard hoestte hij over tafel.
‘Hand voor je mond, meneer,’ zei Leonie. ‘Eerlijk delen is fideel, maar die bacillen houd je liever bij je.’
‘Goffe,’ blafte Jaap.
‘Hier, drink wat water,’ zei ik en ik schoof hem het glas dat hij zelf had meegebracht toe.
‘Water? Ik ga nog liever dood.’
‘Als je zo blijft doorhoesten, ga je ook dood,’ zei Leonie. ‘Als je het niet erg vind, ga ik een beetje uit de buurt. Ik blijf graag een tijdje gezond. Bovendien heb ik nog een paar bestellingen om weg te brengen.’ Ze liep verder naar de tafeltjes achter me.
‘Nou Jaap: bedankt,’ zei ik. ‘Dankzij jou is ze nu weer weg.’
‘Te … uche uche, teer … uche uche …’
‘Teer? Komt het hoesten van het roken? Van de teer?’ vroeg ik.
‘Teringhoer!’ hoestte Jaap.
‘Volgens mij is zij hier niet degene met tering,’ zei ik. ‘Ga alsjeblieft even naar buiten of in ieder geval bij mij vandaan, wil je?’
‘Maa … maahuche huche!’
‘Effe optiefe, Jaap.’
Hij deed het ook nog. Luid lawaai makend liep hij naar de voordeur.

Jaap botste bijna tegen iemand op. Hij hoestte haar in het gezicht en verdween naar het terras. De jonge vrouw die binnen kwam, liep naar de bar. Ik zag haar praten met Hans, de grote barman. Van hem kreeg ze een vaasje pils. Met het glas in haar hand draaide ze zich om en keek ze het café Akhbar rond. Ik denk dat ze mij zag, want ze kwam naar mij toe.
‘Bas, mag ik je wat vragen? Ik heb iemand nodig die me advies kan geven.’
‘Maar natuurlijk, mijn kind. Ga zitten.’ Dat deed ze. Voordat ze verder iets kon zeggen, ging ik verder: ‘Fijn dat je me zo in vertrouwen neemt.’
‘Verbaast je dat?’
‘Nou, op zich niet. Ik ben nu eenmaal heel betrouwbaar. Maar jij hebt het imago van de wat felle feministe. Het siert je dat je de principes even laat varen en iets wilt aannemen van een mannelijke persoon met enige levenservaring. Wat is je vraag?’
‘Mijn vriend wil dat ik hem pijp. Moet ik dat slikken?’
‘Even los van de inhoud: wist jij dat dit een heel belegen grap is?’
‘Het is ook nooit goed met jullie kerels! Stel ik me een keer open en verdraagzaam op, is het weer niet goed en doe je mijn oprechte vraag af als een grap. Ik voel me hier niet serieus genomen.’
‘Serieus, ik zou je niet willen nemen. Althans, niet hier zo in het openbaar. Verder wil ik je een compliment maken.’
‘O? O? Wat nou weer?’
‘Je openheid en verdraagzaamheid sieren je.’
‘Dank je. Fijn dat je me als mens, als persoon waardeert.’
‘En daarnaast heb je ook een gezegende set wiebeltieten en een fenomenale reet in die tuinbroek van je.’
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’
‘Dank je wel, bijvoorbeeld. Het is belangrijk een compliment te aanvaarden in plaats van het weg te wuiven.’
‘Deed ik dat dan?’
‘Leer mij je kennen, mijn kind. Je bent zeer assertief, maar aan de blik in je ogen zie ik dat je geraakt bent door het compliment.’
‘Barst. Barst! Je kent me te goed. Het is alsof je door me heen kijkt. Dat is niet eerlijk.’
‘Niet eerlijk? Ik ben juist heel eerlijk tegen je.’
‘Je snapt best wat ik bedoel!’
‘Luister, Monique,’ zei ik.
‘Ik heet geen Monique!’
‘Och excuus. Dat vind ik heel erg.’
‘Vind je het erg dat ik geen Monique heet? Zie ik er soms uit als een Monique?’
‘Nu je het zegt: je hebt wel iets mysterieus en Frans over je. Iets charmants, ook.’
‘Hou toch op,’ huilde ze nu. ‘Je brengt me helemaal van mijn à propos.’
‘Dan help ik je er toch weer op? Ik doe het graag voor je.’
‘Huh? Waarop? Waar heb je het over?’
‘Op je à propos.’
‘Ik kan je niet volgen.’
‘Je zegt dat je er vanaf bent.’
‘Waar af? Man, doe niet zo moeilijk. Waarom moeten jullie mannen altijd alles zo beredeneren en analyseren?’
‘Kun je je iets sekseneutraler uitdrukken?’
‘Ach!’ Ze zuchtte diep. ‘Laat ook maar!’
‘Laten? Wat moet ik laten?’
‘Schrijvers! Daar winnen we de oorlog ook niet mee.’
‘Ik dacht dat oorlogen echte mannendingen waren,’ zei ik. ‘Begrijp ik goed dat je mee wilt doen?’
‘Ik ga bier halen,’ zei ze.
‘Maar hoe heet je nou echt?’
‘Lies! Het is Lies!’
‘Proost, Lies.’ Ik hief mijn glas water. Ze zei niets, stond op en ging naar de bar.

Ik nipte van mijn water. Goed water hadden ze hier in café Akhbar. Ik vroeg me af waarom het café Akhbar heette en wie die naam van het café had bedacht. Het antwoord op de tweede vraag wist ik wel – dat was ik namelijk zelf -, maar dat op de eerste moest ik schuldig blijven.
Bij de deur klonk geluid. Jaap kwam weer binnen. Hij hoestte niet meer, maar de drank zorgde er wel voor dat hij hard praatte.
‘Bas!’ riep hij, terwijl hij naar mij toe kwam. ‘Uitgehoest! Het gaat weer goed. Jij nog water?’
‘Nee, dank je. Ik heb nog.’
‘Ik wil nog wel bier,’ zei hij met dubbele tong. Hij was weer aan tafel gaan zitten.
‘Dan haal je even.’
‘O. Eh…’
‘Wat? Is het te veel moeite voor je?’
‘Nee, dat is het niet.’
‘Wat is het dan wel? Te druk bij de bar?’
‘Er is geen kip hier vanavond. En dat op een donderdag. Moet je nou zien daar, Bas. Er zijn niet veel meer mensen dan dat wijf in die tuinbroek, die twee lallende lullen en dat dikkerdje dat over die barkruk heen zakt.’
‘O, je bedoelt dat enigszins forse meisje met het krulletjeshaar, tot wie jij je desondanks seksueel aangetrokken voelt.’
‘Wie? Ik? Hoe kóm je erbij?’
‘Omdat je aan het begin van dit verhaal aan mij vertelde dat het je leuk lijkt om haar je ejaculaat in het gelaat op te laten vangen.’
‘Nu je het op die manier zegt. Let op: dit wordt geil.’

Jaap stond op en liep naar haar toe. Hij ging pontificaal voor haar staan en brulde in haar oor: ‘Ik zou graag eens zo’n gezellig dikkerdje als jij de bek vol spuiten!’
Nog geen halve minuut later belde de grote barman Hans een ambulance. Ik keek op de klok, maar eigenlijk wist ik al lang hoe laat of het was.


Apeldoorn, april 2019



Lees ‘m hier op FOK!.


Vanaf heden lees je bazbo’s stukjes weer op donderdag, net zoals van 2007 t/m 2013!

• • •
 

16-05-2019

Foodporn

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

De foodblog is de online ziekte van dit decennium. Op zoek naar een leuk recept voor mijn verjaardagsdiner raakte ik verzeild in de wereld van de foodbloggers. Bij het eerste de beste recept zag ik in de informatiebalk boven in mijn beeldscherm een link naar ‘collega-foodbloggers’. Daar klikte ik natuurlijk niet op. Wel ging ik eens googelen op ‘foodbloggers’. Je gelooft je ogen niet.

Hoogtepunt was de site onder de titel ‘De 100 populairste foodbloggers uit Nederland’. Daaruit maak ik op dat er alleen al in Nederland minstens honderd foodbloggers zijn, dat er in Nederland mogelijk nog veel méér niet-populaire foodbloggers zijn en dat er buiten Nederland waarschijnlijk óók foodbloggers zijn. Plus dat er iemand is die al die Nederlandse blogs bekijkt en onderzoekt op populariteit. Wat een malloot.

De webstek opent met de zin: ‘De beste foodbloggers van Nederland bieden eindeloze streams aan prachtige foto’s en video’s van de heerlijkste gerechten. Hoe je die zelf kan maken en waar je die kan vinden. Als je deze accounts nog niet volgt, kan je nogal wat missen.’ Ik verzin het niet. Eronder staat een schier eindeloze lijst met honderd varianten à la Hip & hot, Foodiefeest, Beginspiration, Good food love, Kitchen cookery, Food & friends en ga zo maar door.

De meeste foodbloggers hanteren allerlei Engelse termen zo veel en vaak dat het lachwekkend wordt. De kitchens, streams, food, comfort, happy en health vliegen je om de oren. Wat is er mis met onze Nederlandse woorden die iedereen begrijpt? Ook voor de foodblog zelf moet een goed alternatief te bedenken zijn. Zelf kwam ik ooit eens op de proppen met de ‘culicolumn’, maar bij nadere beschouwing vind ik die ook om te huilen. Bijna alle bloggers fotograferen de resultaten van hun keukencapriolen en noemen die vervolgens ‘foodporn’. Bij mij roept dat woord eerder iets op van een tamelijk eenzijdig dieet van wortels, pastinaken en komkommers, maar dat zegt misschien meer iets over mij. Een van de foodblogs heeft dan weer wel een Nederlandse naam en noemt zichzelf Liefde voor lekkers. Geil.

Ondertussen heb ik nog altijd geen leuk recept voor het verjaardagsdiner. Morgen moet dat klaar zijn en ik heb al sinds ik op zoek ben niet meer gegeten. Ik heb honger. En een foodfetish.


Apeldoorn, februari 2019


Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-05-2019

Lotgenoten (0019)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Ik kan twee routes lopen naar het café. Een van die routes loopt langs een plein. Daar zal het wel druk en lawaaierig zijn, dus kies ik de iets langere door de winkelstraat. Ook hier al volop mensen. Het zijn veelal gezinnen die van de kermis af komen. Een enkeling loopt al wat te zwalken en te schreeuwen, maar het valt me mee. Het is kwart over negen en Prinsennacht is begonnen.

In het café is het nog rustig. Voorin, aan de bar, staan en zitten al wel veel lui. Achterin, in het zaaltje, is het bijna leeg. Ik blijf wat achterin staan en kijk rond. Op het podium de bekende opstelling: twee gitaarversterkers en de keyboardstandaard, daarachter de grote basversterker en de twee drumstellen. Het past maar net.
‘Ik heb geen idee welk bandje er komt spelen,’ zegt iemand. ‘Jij?’
Ik kijk opzij. Een alleraardigste blonde meid is naar mij toe gekomen. Ik ken haar niet. ‘Gezien het instrumentarium zal het wel een fikse herrie worden,’ grap ik. ‘Oordopjes bij je?’
‘Nee. Jij?’ Ze is rond de dertig, niet al te groot en kijkt me met mooie blauwe ogen aan.
Ik leg mijn hand op de borstzak van mijn jasje. Ze zitten er. ‘Ik altijd,’ zeg ik.
‘Ik ben wel benieuwd naar wat er komt spelen,’ gaat ze verder.
‘Ik niet.’
‘O?’
‘Grapje. Het is een band die de muziek speelt van The Allman Brothers.’
‘Van de wat?’
‘The Allman Brothers, die ken ik van naam,’ zegt iemand anders. Het is een vent van eind dertig, misschien veertig. Hij is erbij komen staan.
‘Wie ben jij nu weer?’ vraag ik luid.
Hij steekt zijn hand uit en zegt iets. Een naam, vermoed ik. De naam versta ik niet, maar ik schud de hand. Ik zeg hoe ik heet. De alleraardigste blonde meid steekt haar hand nu ook uit. Die schud ik ook maar. Wat of ik er anders mee zou moeten doen, weet ik ook niet. Weer noem ik mijn naam. Zij zegt iets. Die van haar, gok ik. Ook die van haar versta ik niet. Van dichtbij ziet ze er ouder uit dan rond de dertig.
‘The Allman Brothers waren heel bekend,’ gaat de vent verder. ‘Maar ik zou geen liedjes van ze kunnen noemen.’
‘Ze maakten dan ook geen liedjes in de drieminutenzin van het woord,’ zeg ik.
‘Ze waren wel heel goed.’ Dat zegt de vent die ze van naam kent en geen liedjes van ze kan noemen. ‘Knap als je hun werk kunt naspelen. Net als Zappa, die was ook geniaal.’
‘O ja?’ vraag ik.
‘Ja. Zij moet er niet zo veel van hebben, van Zappa.’ Hij wijst op de alleraardigste blonde meid, die bij het noemen van de naam een andere kant op is gaan kijken. ‘Als ik thuis Zappa opzet, dan gaat zij naar boven. Maar ik vind het geniaal.’
Zal ik gaan vertellen over hoe ik De Vrouw heb aangestoken met mijn liefde voor De Grote Meester? Dat ze met me mee gaat naar optredens en festivals alwaar bandjes en ensembles het werk spelen? Ik doe het niet.
‘In het begin denk je: dit trek ik niet, het gaat alle kanten op.’ De vent laat zich niet onderbreken. ‘Maar al snel ontdek je dat het geniaal is. Ken je Zappa?’
‘Wie?’ vraag ik.
‘Frank Zappa.’
‘Nogal.’ Over drie weken zitten we in de Kursaal in Oostende naar The Bizarre World Of Frank Zappa te luisteren. Twee maanden later zijn we op het vierdaagse festival Zappanale en eind november bezoeken we de Mosae Zappa tweedaagse in Heerlen met onder andere De Zoon Van.
‘Hij was geniaal,’ gaat de vent verder.
‘Wist je dat we hier in Apeldoorn een band hebben die zijn werk speelt?’ ‘Nee? Dat wist ik niet! Geniaal. Hoe heten ze?’
‘The FoolZ. Al meer dan vijfentwintig jaar. En ze zijn goed.’
‘Als je het werk van Zappa kunt spelen, dan ben je niet goed, maar geniaal.’
‘De band van vanavond is ook heel goed,’ zeg ik. Ik word een beetje simpel van het gegeniaal. ‘Ze spelen het werk in een soortgelijke bezetting als The Allman Brothers begin jaren zeventig. Met twee gitaren, bas, toetsen en kijk maar op het podium: twee drumstellen.’
‘Dat zie je niet zo veel.’
‘Opletten, dus,’ gebied ik. Dan loop ik naar voren. De band begint te spelen.

Links voor het podium vind ik een plekje van waaraf ik het goed kan zien en horen. Ik sta iets aan de kant, zodat ik niemand in de weg sta, ook de mensen die op een stoel aan een tafeltje zitten niet. Uit mijn zak pak ik mijn telefoon. Het is tien uur geweest, zie ik.
Rob staat rechts voor het podium achter de knoppen. Hij ziet mij, ik zie hem. Ik knik en zwaai. Het geluid is nog niet helemaal in balans. Ik hoor de toetsen niet. Nu ben ik niet alleen een toetsenfiel, maar ik ken de man die vanavond de Hammond- en pianogeluiden voortbrengt nogal goed. Altijd fijn om hem aan het werk te horen. De band begint met een serie instrumentaaltjes.
Ik kijk schuin achter mij. Er staan mensen op een paar meter afstand van het podium te kijken en te luisteren. Een jongeman staat ontzettend uitbundig te dansen, met veel wijdse en onverwachte bewegingen. Ik vind het ontzettend debiel. Doe normaal. Naast hem staat een jonge vrouw van hem weg te kijken. Hij probeert haar over te halen met hem mee te clownen, door haar in zijn armen te nemen en dicht tegen zich aan te drukken, zodat ze zijn bewegingen wel moet volgen. Lacht ze? Ze heeft lang en steil oranjerood haar, een bleek gezicht met sproetjes, heldere ogen. Nee, ze lacht niet; het lijkt eerder of ze pijn heeft. Ze draagt een zwart spijkerjasje, een strakke zwarte spijkerbroek en zwarte laarsjes. Ik meen iets in haar te herkennen, maar weet niet wat. Wat ik wel weet, is dat het me niet interesseert.
Op het podium klinkt een gave unisolo door de twee gitaren. De muzikanten gaan al snel op in hun muziek. Ogen dicht en soleren maar. De ene gitarist speelt heel fysiek: hij beweegt explosief mee met de tonen die hij aanslaat. De andere staat erbij alsof er een begrafenis gaande is, maar ondertussen brengt hij de meest waanzinnige tonenreeksen voort. Ik houd ervan.
Ik maak twee foto’s van de band die aan het spelen is en berg dan de telefoon weer op in de zak van mijn jasje.

Opeens staat de jonge vrouw voor mijn neus. Ze veegt een streng oranjerood haar uit haar gezicht en kijkt naar mij op. ‘Nu ben ik toch nieuwsgierig,’ zegt ze. ‘Ben jij Bas?’
‘Ja,’ antwoord ik.
‘Weet je wie ik ben?’
Ik weet het allang, maar ik doe net of ik even nadenk. Dan kijk ik haar aan, diep in haar ogen en ik zeg: ‘Eva.’
Ze juicht zonder geluid en vliegt me om mijn nek. Ik sla mijn armen om haar heen, wrijf over haar rug. Dan draait ze zich om en gaat ze terug naar de kerel die nog altijd bezig is met zijn mallotige kookpottendans.
Eva. Ooit was ze een jaar of vijftien. Wanneer was dat? Even denken. Negentientweeënnegentig of zoiets. Dan is ze nu meer dan vijfentwintig jaar ouder. Ik ook.
De muziek gaat voort. Na de instrumentaaltjes volgen enkele nummers met zang. Het Engels van de zanger is niet zo goed. Zijn gitaarspel wel. De eerste set is voorbij voordat ik het weet. De band stapt het podium af.

‘Hé Bas.’ De toetsenist steekt zijn hand op. ‘Mooi dat je er ook weer bent.’
Ik grijp de hand beet, pak hem bij zijn schouder en begroet hem. ‘Hoe gaat het?’ vraag ik.
Hij zegt iets. Ik versta het niet. De geluidsman heeft de kroegmuziek aangezet. Nogal hard. Ik kijk om me heen. Er is inmiddels veel volk in het zaaltje van het café. Maar Eva zie ik nergens meer. De toetsenist gebaart dat hij een biertje gaat halen bij de bar. Ik zwaai hem na.
Er komen nog meer mensen. Het wordt aardig vol. De mensen moeten schreeuwen om over de muziek heen te komen. Ik zie wat de geluidsman gaat doen. Waar ik bang voor ben, gebeurt: de muziek gaat nog harder.
Het is wat warm aan het worden. Ik heb wel zin in iets drinken. Water graag, het liefst uit de kraan. Maar ik ben alleen. Bij de bar zie ik dat de toetsenist zijn biertje al heeft. Als hij me had gevraagd of ik iets wilde drinken, had ik gezegd dat ik kraanwater wil. Maar hij drinkt vast op kosten van het café. En ik durf niet naar de bar om te vragen om één glas water uit de kraan. De bangerik.
Ik ga niet op mijn telefoon kijken. In plaats daarvan loop ik naar de ruimte tussen het zaaltje en het café. Daar hangen allerlei kunstwerken. Ik doe net of ik ze aandachtig bestudeer. Mijn oordeel heb ik overigens al na één blik om het eerste doek geveld: klodderprutswerk.

Hoor, de tweede set gaat van start. Ik ga weer terug naar het podium. Nu sta ik aan de rechterkant, vlak achter de geluidsman. Aan de begintonen had ik Jessica al herkend. Mooi stuk, klassieker. Om mij heen komen allerlei mensen staan. Dicht op me. Heel dicht op me. Maar niet Eva. Ook niet de alleraardigste blonde meid die er van dichtbij niet uitziet als rond de dertig. Verdwenen. In rook opgegaan. De mensen die er wel zijn praten door de muziek heen. Praten? Schreeuwen. Ik zie over de schouders van de geluidsman dat hij de schuifjes wat meer naar boven doet. Heeft hij poep in zijn oren? Dit begint pijn te doen. Met veel moeite peuter ik het etuitje met de gehoorbeschermers uit de borstzak van mijn jasje. De mensen staan zo dicht op me, dat ik nauwelijks ruimte heb. En ze schreeuwen, brullen, krijsen. De oordoppen zitten aan elkaar vast met een koordje. Het koordje zit in de knoop. Het koordje is elastisch. Ik krijg het niet gemakkelijk uit de knoop. Mijn oren doen zeer. Het volk gilt nog steeds. Het lawaai snijdt. Ha, eindelijk. Eerst de rechter, dan de linker. Aan het koordje zit ook een klemmetje. Dat maak ik vast aan de rever van mijn jasje. Ik duw de gehoorbeschermers nog iets beter op zijn plek. Het geluid is dof, veel hoge tonen zijn weg, behalve de alom aanwezige en genadeloze pieptoon. Op het podium is Jessica afgelopen. De mensen klappen en joelen. Een ander nummer begint. Ik kijk weer over de schouders van de geluidsman. De schuifjes gaan nog wat verder omhoog. Mensen duwen, botsen tegen me aan. Er hangt een vogel over mijn schouder te hijgen. Zijn kop stinkt. De pieptoon doet pijn. Mijn hart bonkt in mijn hoofd. Ik zweet van angst. Ik weet dat me maar een ding te doen staat.

Ook buiten is er enorm veel lawaai. Nu maakt het niet meer uit welke route ik kies. De kortste wordt het. Op de hoek is het plein. Bierkramen, een mensenmassa, beukende bastonen, felle flitslampen. ik snel over het trottoir aan de andere kant van de straat om de hossende meute te omzeilen. Gelukkig wordt de menigte hier dunner. Al lopende trek ik aan de koordjes de gehoorbeschermers uit mijn oren. Plop, plop. Er komen me zwalkende mensen tegemoet. Er is iemand op een fiets die er doorheen wil. Ik prop de oordopjes in het etuitje. Drie meisjes trekken een vierde meisje op haar knieën met hen mee. Gegil. Een van de meisjes stoot een beker bier uit de handen van een ander. Het gaat bijna over mijn schoenen; ik kan net opzij stappen. Het etuitje stop ik terug in de borstzak van mijn jasje. Nog iemand op een fiets. Slingerend tussen de lallende mensen door. Ik ontwijk hem en loop verder. Na tweehonderd meter staan er hekken dwars over straat. Daarachter zeker vijf politiewagens en bijna twintig agenten. Sommigen hebben rode lampen in hun hand, een soort toortsen waarmee ze naar auto’s signaleren dat die opzij moeten. Ik passeer de hekken. Twee agenten lopen met me op, schijnen met een zaklamp door de ruiten van een grote zwarte geparkeerde auto. Op de hoek van de straat mag ik linksaf. Nog weer honderd meter verder is de ingang van het appartementencomplex.

Eenmaal binnen is het doodstil. In de gang hang ik mijn jasje op een knaapje aan de kapstok, trek mijn schoenen uit en zet die in het kastje. Dan open ik de deur naar de woonkamer. Ik zoen De Vrouw der Vrouwen en leg mijn huissleutels in de la van de kast.
‘Hoe was het?’
‘Het bandje blijft gaaf,’ zeg ik. ‘Maar de wereld staat in brand.’
‘Je bent vroeg.’
‘Na de eerste set ging het volume heel erg omhoog,’ vertel ik. ‘Op zich helpen de gehoorbeschermers dan wel, maar het publiek schreeuwde eroverheen. Dan is het lawaai en vind ik het niet leuk meer.’
Ik zie dat De Vrouw weet wat of ik dan moet doen. Opnieuw zoen ik haar en ik verlaat de woonkamer weer. Vijf minuten later lig ik rillend in bed. Het is nog voor middernacht en ik poog te gaan slapen. Tevergeefs.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, mei 2019



Hier lees je ‘m op FOK!.


Vanaf heden lees je bazbo’s stukjes weer op donderdag, net zoals van 2007 t/m 2013!

• • •
 

15-04-2019

Thee

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Wat wil je drinken?’ vraagt hij. ‘Thee?’
‘Lekker,’ zeg ik. ‘Doe maar.’ Ik heb mijn jas op de kapstok gehangen en stiefel achter hem aan naar de achterkamer. Hij loopt een beetje voorovergebogen, valt me nu op. En zijn haar, is dat nu weer dunner geworden? Ik ga op mijn vaste plek aan de eettafel zitten en vraag: ‘Hoe gaat het?’
Hij staat bij het aanrecht en draait zich om. ‘Ja, hoe gaat het? Het is allemaal wat. Door al die afspraken en onderzoeken kom ik nergens meer toe.’ Met de fluitketel in zijn hand doet hij een stap naar de kraan. ‘Ik ben het overzicht ook helemaal kwijt.’ De blik in zijn ogen is bijna hulpeloos en heb ik nog nooit gezien. Door het raam valt een lage zondagmiddagzon de achterkamer binnen.

‘Het is ook veel,’ zeg ik. ‘Begrijpelijk dat het je allemaal duizelt.’
‘Ik word er bijna gek van,’ zegt hij met een flauw lachje om zijn mond. ‘De specialist, toen de chirurg, een internist, een chirurgisch verpleegkundige, een verpleegkundige van de internist, dan weer een CT-scan, ik moest naar het bestralingscentrum eerst voor een kennismakingsgesprek en later voor nog weer een CT-scan en dat ze de plek aftekenen op de huid met een stift…’
‘Zo deden ze dat negen jaar geleden wel, met een stift,’ zeg ik. ‘Tegenwoordig toch anders? Je hebt toch puntjes inkt vlak onder de huid getatoeëerd gekregen?’
‘Nou, dat weet ik niet precies, hoe ze dat allemaal doen.’ Hij draait zich weer om naar het aanrecht, houdt de ketel onder de kraan en vult hem langzaam met water.
‘Je was er toch bij?’ lach ik.

‘Ze leggen alles uit,’ zegt hij. ‘Nou, dat is toch mooi? Het is jouw lijf. Het zou raar zijn als ze het niet doen en dat je niet weet wat ze met je uitspoken.’
‘Jawel, maar ze vertellen ook van de risico’s van de operatie en dan ga ik me toch zorgen maken. Ik word er soms ook bang van.’ Met de volle ketel doet hij een paar passen opzij naar het fornuis.
‘Ja, ze moeten vertellen van de risico’s, dat je niet voor verrassingen staat als het gebeurt.’
Hij zet de ketel op het fornuis en zegt: ‘Maar het is niet fijn.’
‘Dat begrijp ik. Als de specialist zegt dat je helemaal gaat genezen en bij een volgend gesprek krijg je allerlei uitleg over een mogelijk stoma, dan schrik je.’ Tenminste, ik schrok wel.
‘Ze geven me allerlei documentatie mee. Brochures, plaatjes, uitgebreide papieren. En die kan ik niet lezen.’

O ja, hij heeft ook nog maculadegeneratie. Daardoor ziet hij veel niet of niet goed. Vorig jaar zei de oogarts nog dat de vorm die hij heeft wel progressief is, maar de achteruitgang gaat heel langzaam en hij wordt uiteindelijk niet blind. Twee maanden later zag hij plots zó slecht, dat hij nauwelijks meer kon lezen en dus ook niet meer mailen en thuisbankieren. Eind november moest hij de auto verkopen. ‘Ik kom nergens meer,’ klaagt hij nog steeds.
Maar hij is leergierig. Al snel wist hij hoe je bij de kapper en de tandarts kunt komen met de bus. Toch zit het hem nog hoog. Afhankelijk van anderen, dat kennen wij niet. Zo zijn wij niet. Hij kreeg wat hulpmiddelen. Zo heeft hij een loep met een lampje, zodat hij kan pinnen in de winkel en in de bus. En een groot apparaat waarmee hij een boek of de krant kan lezen. Dat staat nu stof te vangen boven in een kamertje. Hij is de vorige klap nog niet te boven en dan dit.

‘Ik kom er niet toe. Mijn hoofd staat er niet naar. Als ik iets met veel moeite lees, ben ik het zo weer kwijt. Ik heb er geen energie voor. Je zus heeft alle boekjes mee en die vertelt me dan wat ik moet weten. Waar was ik nou mee bezig?’
‘Je ging thee zetten. De ketel staat nu op het fornuis.’
‘O ja. Moet hij nog aan?’
‘Dat lijkt me toch wel.’
Hij buigt voorover en brengt zijn gezicht dicht bij de knoppen van het fornuis. Dan drukt hij er eentje in. ‘Die is aan.’
‘Heb je wel het idee dat al die artsen en afdelingen het zorgvuldig aanpakken?’ vraag ik.
‘Ja joh, tot in den treure leggen ze je de dingen uit en dan vragen ze na afloop: heb je nog vragen? Wat moet ik in godsnaam vragen? Ze vertellen echt álles!’
Ik grinnik. Zo ken ik hem weer. ‘En de afgelopen dagen? Lukte het je om wat rust te vinden? Straks begint de bestraling en vlak daarna komt die zware operatie.’
‘Nou, ik zou allemaal dingen in huis moeten doen, maar daar heb ik even geen zin in.’ Hij loopt naar de andere kant van het aanrecht. Daar staat de theepot. Uit een keukenkastje erboven pakt hij twee kopjes en schotels.
‘Ik bedoel: kun je leuke dingen doen? Ontspannen?’
‘Hè?’ Hij draait zich naar mij om. ‘Wat zei je?’ Dat dove heb ik van hem. En één ding tegelijk.
‘Kun je wel leuke dingen doen om te ontspannen?’
‘Dat is moeilijk. Ik heb niks aan de krant, want die kan ik niet lezen. Puzzelen lukt niet. Als ik tv kijk, kan ik de ondertitels van de Engelse detectiveseries niet zien. Bij een voetbalwedstrijd zit ik bovenop het scherm. Waar de bal is: geen idee. Ik zie aan de bewegingen van de spelers waar de bal ongeveer moet zijn.’

Ik kijk naar hem en hoe hij bezig is. Nog geen twee maanden geleden vertelde ik aan een heleboel mensen hoe trots ik op hem ben. Hij vierde zijn verjaardag, zijn vijfentachtigste. Veel van zijn naaste familie en vrienden waren er. Hij was het stralende middelpunt. Het was een mooie dag. We wisten net dat hij sinds een half jaar problemen had met zijn darmen. Daar had hij tot dan toe nooit iets over verteld. Nu wel. Hij was bij de huisarts geweest. Een verstopping, zo leek het. Een week na zijn verjaardag had hij een coloscopie achter de rug en wist hij dat het niet goed was.
Een paar dagen verder zat hij volop in de mallemolen. Gesprekken, onderzoeken, prognose. Artsen durven het aan. Het gaat genezen, maar er zijn risico’s. Bestralen, operatie, mogelijk een stoma, al dan niet tijdelijk. Na het ziekenhuis herstellen in een verpleeghuis en dan weer naar huis. Het is wat. En hij is alleen. Eerder was Moeder er met wie hij alles deelde. Maar Moeder kreeg een beroerte en toen was alles anders. Jarenlang zorgde hij voor haar, deed alles. Sinds ruim acht jaar is hij alleen. Hij redt het goed, is vitaal, helder van geest. Behalve nu. Ik zie hem staan weifelen bij het aanrecht en denk: Wat is hij klein geworden. Mijn hele leven keek ik naar hem op. Nu, na vijftig jaar zie ik op hem neer. Plotseling, zo lijkt het. Mijn grote, sterke vader is opeens niet meer mijn grote, sterke vader. En ik? Ik blijf zijn kleine jongen en ben bang.

‘Jij geen suiker, hè?’ Hij draait zich naar me toe.
Ik schud mijn hoofd. Nee, al dertig jaar niet meer. Ik drink het spul al langer zonder dan dat ik het ooit met suiker heb gedaan.
Op het fornuis begint de ketel te fluiten. Hij loopt erheen en draait het gas uit. ‘We wachten maar weer af wat er allemaal gebeurt,’ zegt hij. Hij gaat weer terug naar de theepot, pakt die op en zet hem naast het fornuis op het aanrecht. ‘Ik merk het wel. Bij de pakken neerzitten heeft geen zin.’
‘Ze gaan je echt niet opereren als het risico te groot is.’
‘Ja. De artsen hebben er nog steeds vertrouwen in. Ze zeggen dat ik gezond ben voor mijn leeftijd. Daar vertrouw ik dan maar weer op.’
‘Nou, dat is mooi. Dat lijkt me ook het beste wat je kunt doen.’
‘Maar leuk is het niet. Het is allemaal zo veel. Nu met het plannen van die bestralingen. Ik word er doodmoe van.’
‘Weet je nog? Negen jaar geleden zaten wij in zo’n zelfde schuitje. Toen…’
‘Hè? Hoezo? Hoe bedoel je?’
‘Met Eline. Die kreeg ook allerlei behandelingen.’
‘O ja, dat is waar. Is dat alweer negen jaar geleden?’
‘Onze oncoloog zei toen: het is topsport. De behandeling misschien nog niet eens, ook al is die op zich ook al zwaar. Het is het hele circus eromheen. Je hele wereld draait even nergens anders om. Alles bij elkaar, dat is heel erg vermoeiend.’
‘Inderdaad. Ik heb geen energie meer. Die arts zegt: dat is de kanker. Wacht. Wat ben ik nou allemaal aan het doen?’
‘Thee maken, Vader.’
‘O ja. En toen.’ Hij kijkt even nadenkend naar het plafond. ‘Eh … ja. Waar heb ik de thee? Hierzo.’ Hij opent een ander keukenkastje en pakt er een zakje uit. Het zakje legt hij naast de pot. ‘Wat zei ik nou? O ja. Geen enkele puf heb ik meer. En ik ben zo afgevallen.’
‘Afgevallen?’
‘Ja, ik weeg nu nog maar eenenzeventig kilo. Vroeger was dat altijd achtenzeventig.’
‘Hallo, wanneer was dat?’
‘Toen je moeder net bij de neuroloog was, toen moest ze nog een keer wegen. Toen ben ik ook op de weegschaal gaan staan.’
‘Dat is meer dan vijftien jaar geleden. Sindsdien nooit meer gewogen?’
‘Nee, ik geloof het niet.’
‘Vader, je bent ook vijftien jaar ouder geworden, hè?’ Ik glimlach en krijg een traan in mijn ooghoek. ‘Je lichaam is ook ouder en je bent gekrompen. Dan is het ook niet gek dat je veel minder weegt, hoor. Dat hoort bij ouder worden.’
‘Zou je denken?’ Hij kijkt me aan en lacht.
Ik lach met hem mee en vraag: ‘Je bent niet magerder geworden, toch?’
‘Nee, dat niet,’ zegt hij, terwijl hij aan tafel komt zitten.
‘Nou dan. Dan zou ik me daar even geen zorgen om maken. Er zijn nu belangrijker dingen.’
‘Precies,’ knikt hij. ‘En het is nogal veel. Had ik al gezegd dat ik helemaal het overzicht kwijt ben?’
Grinnikend knik ik. Ondertussen heb ik nog altijd geen thee.


Apeldoorn, april 2019


Lees ‘m hier op FOK!.

• • •
 

01-04-2019

Lotgenoten (0018)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Au, mijn klauw (4)

‘Dag Bas.’
‘Dag dokter.’
‘Ga zitten.’
‘Ah, op het mooiste plekje.’
‘Lekker in het zonnetje, ja.’
‘Zo. Heerlijk hier.’
‘Vertel.’
‘Mijn handjes. Ik zou na twee weken terugkomen om te vertellen hoe het met de zwellingen in mijn vingers gaat.’
‘Klopt. Nou, vertel maar.’
‘Ik heb – zoals je hebt geadviseerd – mijn handen ontlast. Ik heb wel gewerkt, maar minder uren op een dag en ik heb de werkzaamheden afgewisseld. Niet voortdurend achter het toetsenbord. Ha, ik heb op het werk problemen met het systeem: iedere vijf minuten zit alles dertig seconden lang vast. Normaal gesproken vind ik dat zeer ergerlijk, maar in dit geval is het een uitkomst: ik moet iedere vijf minuten even pauze nemen.’
‘Mooi.’
‘Verder meer afwisseling gezocht. Ik haalde de koffie voor collega’s. Lezen deed ik niet vanaf het scherm, maar ouderwets vanaf papier; dan moest ik iets afdrukken, naar de printer lopen en weer terug. Ook heb ik af en toe ouderwets met twee vingers zitten typen. En thuis heb ik de computer nauwelijks aan gehad. Ik heb veel zitten lezen. Vandaar dat mijn vorige stukje ook zo kort was.’
‘Huh? Wat bedoel je met dat laatste, Bas?’
‘O. Niet belangrijk.’
‘En wat heeft het opgeleverd voor je handen?’
‘Nou kijk, dokter. De zwelling bij het gewricht bovenop mijn linker ringvinger is niet erger geworden. Maar hier, die aan mijn rechter middelvinger en pink, die zijn juist nog veel dikker. Het lijken wel kussentjes erbovenop. Ze zitten niet vast aan het gewricht of zo.’
‘Pijnlijk?’
‘In de ochtend heb ik er geen last van, maar daarna voel ik ze wel. En als ik er druk op uitoefen, of als ik een vuist maak en spanning op de spieren zet, dan doet het zeer.’
‘Laat nog eens zien.’
‘Hier, kijk.’
‘Inderdaad, zo te zien zijn ze veel dikker geworden. Het lijken wel kussentjes.’
‘Au.’
‘Het is vreemd. We hebben foto’s van je handen laten maken. Daarop is niets bijzonders te zien. De uitkomsten van het uitgebreide bloedonderzoek zijn ook goed. Hier, kijk even mee op het scherm. Geen ontstekingen, geen Lyme, cholesterol is goed, ga zo maar door.’
‘Dus wat zou het kunnen zijn, dokter?’
‘Nou, om heel eerlijk te zijn: ik weet het ook niet.’
‘Daar ben ik dan mooi klaar mee.’
‘Je zou verwachten dat het bloed een aanwijzing geeft, maar kijk maar: het is allemaal dik in orde. Je bloedsuiker, je … hé, wat is dit?’
‘Wat? Ik heb mijn bril niet op.’
‘Hier helemaal onderaan de lijst. Daar heb ik overheen gekeken.’
‘Waar gaat het over?’
‘Je hebt een tekort aan vitamine D. Een nogal ernstig tekort aan vitamine D.’
‘Wacht even. Vitamine D, dat was toch die van het zonlicht?’
‘Precies.’
‘O.’
‘Kijk. Normaal gesproken moet je waarde ergens tussen de vijftig en tachtig zitten.’
‘En die van mij is?’
‘Beneden de twintig. Dat noemen we een ernstige deficiëntie.’
‘Een mens is nooit te oud om te leren, dokter.’
‘Ik kan je doorsturen naar een reumatoloog, maar die zal ook niets willen doen voordat je vitamine D op orde is.’
‘Ik hoop dat ik de komende drie maanden op doktersvoorschrift naar de zon moet? Spanje, Portugal, liever nog Kaap-Verdië? De verzekering vergoedt dat toch wel, hè?’
‘Nou, we doen het iets anders en efficiënter, Bas. Er zijn wel vitamine-D-pilletjes bij de drogist, maar die doen hun werk te langzaam. We geven je een flinke boost, zodat je met een paar weken weer helemaal op orde bent.’
‘En hoe gaan we dat doen, dokter?’
‘Je krijgt capsules, die zijn gemakkelijk voor je. Wacht, ik schrijf het recept meteen uit. Een keer per week moet je twee capsules nemen. Zes weken lang. We zorgen dan voor een enorme oppepper van vitamine D. Ze hebben verder geen invloed; bijwerkingen zijn er niet.’
‘Daar gaat mijn gedroomde zonvakantie. Aan de andere kant: het scheelt weer vliegschaamte.’
‘Na zes weken moet je vitamine D weer op peil zijn. Dan wil ik je weer zien.’
‘Komt in orde, dokter. Ik maak dan weer een nieuwe afspraak.’
‘Doe dat. Zie ik je dan.’
‘Nou, dank je wel. Dan ga ik nu naar buiten. Lekker de zon in.’

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, maart 2019



Hier lees je ‘m op FOK!

• • •
 

18-03-2019

Lotgenoten (0017)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Auw, mijn klauw! (3)

‘Goedemiddag, met Bas Langereis.’
‘Dag Bas, met S[XXX] R[XXX], de huisarts. Ik zou jou even bellen.’
‘Dat klopt. Fijn dat het lukt.’
‘Ik heb hier de uitslag van het bloedonderzoek.’
‘Mooi. Ik ben benieuwd.’
‘Er zijn geen ontstekingen. Geen sprake van Lyme. Geen gebrek aan vitaminen. Cholestorol is goed. Je bent kerngezond.’
‘Nou, dat is fijn om te weten. Dat wist ik ook al wel, met mijn leefstijl.’
‘Wat doe jij? Hoe zorg je voor jezelf?’
‘Zo zuiver mogelijk eten, geen samengesteld voedsel. Zo ongeveer 98% van wat ik in mijn lijf stop is biologisch. Nauwelijks vlees, geen alcohol. Veel bewegen. Geen auto, maar op de fiets en te voet. En om de dag een dik half uur hardlopen.’
‘Je bent goed bezig.’
‘Nog meer uit het bloedonderzoek?’
‘Er zijn geen reuma-indicatoren.’
‘O?’
‘Nee. Reuma zit toch ook niet in de familie, vertelde je?’
‘Klopt.’
‘En dan heb je nog röntgenfoto’s van je handen laten maken.’
‘Is daar de uitslag ook al van binnen?’
‘Ja, die heb ik hier. Op de foto’s is niets bijzonders te zien.’
‘Oké. Of eigenlijk: niet oké.’
‘Dus we zijn nog niet veel verder.’
‘Het sluit wel het een en ander uit.’
‘Ja, maar ik kan nog geen diagnose stellen.’
‘Heb je wel een vermoeden wat het zou kunnen zijn?’
‘Overbelasting zou het geval kunnen zijn.’
‘Ai. Zou het? Wel vreemd dat dan alleen de gewrichten van mijn linkerringvinger, mijn rechtermiddelvinger en rechterpink zo gezwollen en verhard zijn.’
‘Ik weet het ook niet zeker. Het is een vermoeden.’
‘Dat begrijp ik. Wat stel je voor?’
‘Je handen rust gunnen. In ieder geval een tijdje minder belasten.’
‘O.’
‘Gaat je dat lukken?’
‘Nou, het zal lastig zijn. Ik heb je verteld dat ik een toetsenbordbaan heb. Het grootste gedeelte van mijn werktijd ben ik bezig met schrijven. Iets anders kan ik niet. Maar ik vind wel een manier om mijn handen minder te belasten.’
‘Doe dat. Na een week of twee zou de zwelling minder moeten zijn.’
‘Oké. Mijn ervaring is ook dat ik tijdens het werken niet zo veel last heb. Het is vaak erna dat mijn vingers en gewrichten heel pijnlijk zijn.’
‘Probeer het.’
‘En na twee weken? Wat dan?’
‘Laat mij dan weten hoe het gaat. Mocht het nou toch niet minder zijn, dan laat ik toch een reumatoloog meekijken.’
‘Akkoord. Maak ik over twee weken een nieuwe afspraak?’
‘Doe maar.’
‘Fijn. Zien we elkaar dan.’
‘Sterkte ermee.’
‘Dank je voor de moeite. Tot over twee weken.’
‘Dahaag.’

Ik hing op, typte deze korte dialoog en sloot de pc af. Au, mijn klauw!
Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, maart 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

04-03-2019

De onrust

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

De onrust laat hij niet toe. Door moet hij. In zijn linkerhand houdt hij zijn bruine lederen aktetas. Zijn andere hand heeft hij in de zak van zijn lange regenjas gestoken. De wind snijdt en het is koud. Niet vreemd voor vroeg in maart. Erg veel last van de kou heeft Ronald Haamschaar niet. De jas is winddicht. Ouderwetse degelijkheid.
De mensen haasten zich langs hem heen. Ze zijn op weg naar werk of huis. Het interesseert hem niet. Een straatveger gooit een prullenbak leeg in de laadruimte van een kleine vrachtwagen. De hovenier schoffelt in een perk. Een fietskoerier rijdt hem bijna van de sokken. Even wil hij hem naroepen dat je niet mag fietsen in dit voetgangersgebied, maar de fietser is al voorbij en een hoek om. Bovendien heeft Ronald de kracht even niet. Die bewaart hij liever voor iets anders. Hij haalt zijn schouders op en loopt door.
Links ligt het grote park. Boven het grasveld hangt een dunne laag mist, die de gevels van de herenhuizen aan de overkant aan het zicht onttrekken.

– voor minder; dat je niet denkt dat je ontkomt aan de all –

Op de hoek van de straat wacht hij bij de verkeerslichten. Auto’s razen voor zijn neus heen en weer. Er komt iemand naast hem staan.
‘Goedemorgen,’ bromt de meneer.
Ronald kijkt niet op.
‘Ken ik u misschien?’
Ronald kijkt nu wel op. ‘Ik ken u niet,’ zegt hij. ‘Tijd voor een kennismaking is er niet. Ik heb een afspraak.’
De man knijpt zijn ogen tot spleetjes en zegt: ‘Toch komt u me bekend voor. Maar misschien vergis ik me.’
‘Misschien. Misschien zeker.’ Zijn stem klinkt zacht en schor. Hij heeft een droge keel.
Gelukkig, het licht is groen. Einde van het gesprek. Ronald steekt over. Daar rechts is een smalle straat en die gaat hij in. Het is er nog wat donker. Verderop ziet hij een kleine buurtwinkel. Er staat een vuilnisbak buiten en er hangt een vlag te wapperen. Op de vlag staat het logo van een ijsfabrikant. De winkel is open, concludeert hij. Hebben ze er koude dranken? Nu is hij dichtbij en hij kijkt door de ruit van de etalage.

Achter de toonbank staat een groot koffieapparaat met kopjes en mokken ernaast. Nog wat verder ziet hij stellages met doosjes, bakjes, zakjes en flesjes. Handig voor onderweg. Het is stil in de winkel. Niemand te zien. Alleen bij het koffieapparaat staat iemand.
Het meisje draagt een zwart overhemd en een lang schort dat bijna tot op de grond komt. Haar zwarte haren heeft ze in een paardenstaart. Ze is geconcentreerd bezig met het schoonmaken van het apparaat. Met haar donkere ogen kijkt ze aandachtig naar haar ranke handen die het werk doen. Het puntje van haar tong komt uit haar mond en glijdt langs haar onderlip.
Ronald wil naar binnen, maar blijft nog even door het glas staan kijken.

– is onherroepelijk. hoe dan ook. met je mooie lokken, die golven op je zachte bewegingen. ze glijden over je blote schouders. de tinteling – langs het rode kant van je bustière, de welving van je borst en de diepe geul van je décolleté, zodat – het kuiltje in de hals, de ronding van je heupen, de bolling van je bi – een rilling, de glinsterende ogen – verlangen, dat je losm –unker, verw – eigen vingers strelen de – opwin – aar je roomblanke dijen, de wulpse blik en het lichte blosje op je wangen. die pure schoonheid achter glas, zo onbevan – eze keer? drukken, knijpen, slaan, sn – komt zoals het komt, gaat – t onderhuids, zwart, een blauwe plek, striemen – rood waas – verstijft, ik zie de donshaartjes rechtop gaan staan op je onderarmen – perfect zo – dan sper je je ogen open, open je je mond en gilt. en gilt. en gilt. en g – toe maar, laat maar – perfect zo – het is goed zo, het is gedaan, geen – niets, je hoe –

‘Goedemorgen,’ zegt ze. Ze haalt het gekoelde flesje water over de scanner en een luide piep klinkt. ‘Dit was het zo voor u?’
‘Ja. Dank je.’ Zijn blik glijdt van haar ogen, wangen en mond naar het rek met dagbladen dat naast de toonbank staat. De grote letters van een kop trekken zijn aandacht.
‘Pinnen?’
‘Nee.’ Hij legt een munt van twee en een munt van een euro op de toonbank. ‘Opnieuw lijk in bordeel.’
‘Pardon? Wat zei u?’
Ronald schrikt op en kijkt het meisje weer aan. Haar ogen zijn groot, vragend. ‘O, niets. Ik las de kop van de krant.’
‘Ik begrijp het. Zelf schrok ik er ook van. Het is niet ver hier vandaan gebeurd. Als het zo dichtbij komt … Hebt u een klantenkaart?’
‘Nee, ik zou niet weten waarom. Wat is daarvan de noodzaak?’ Hij merkt zijn eigen bitsheid.
Het meisje achter de toonbank wrijft langs haar neus.
‘U bent zenuwachtig,’ zegt hij.
‘Het spijt me,’ klinkt het kind.
‘Dat hoeft niet. Die kranten schrijven maar wat, met zo’n deadline in zicht. Alles voor de verkoop.’
‘Kijkt u eens.’ Het meisje steekt hem haar hand toe, met daarin een paar muntjes. Klaar om ze te laten vallen. Hij weet dat ze bang is. Ze durft hem niet aan te raken.
‘Laat maar zitten,’ zegt hij.
‘Dank u wel. Een fijne dag.’
‘Nee.’
Ook al valt er al een streepje zonlicht in de smalle straat, buiten is het nog steeds koud.  

– , vol van gedachten. geen paniek, het helpt je niet. niets helpt. voor – de leegte – eindeloze –

Voordat hij het weet, is hij dezelfde weg weer teruggelopen. Bij het verkeerslicht staat nu niemand, behalve hij. Het is snel groen en hij steekt weer over. In de winkelstraat lopen nog altijd mensen. Veel mensen. Het meisje achter glas. Zo zenuwachtig, zo angstig, zo dichtbij. Welk leven leidt zij buiten winkeltijd? De straatveger is weg, de hovenier, de fietskoerier. Voor hen in de plaats duizenden anderen.
Het is goed, weet Ronald Haamschaar. Maar waarom dan, waarom dan de onrust?


Apeldoorn, maart 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »