bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

14-11-2019

Lotgenoten (0022)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

De paprika’s die ik zojuist heb afgewogen leg ik in het boodschappenkarretje. Wat moest ik ook nog meer hebben? Knoflook, rode uien. Die liggen iets verderop. Ik loop de paar meter, pak een bol en een netje en zie dan een spaghettipompoen liggen.
Een spaghettipompoen. Mooi ding is dat. Als je hem doormidden snijdt, de pitten verwijdert en afgedekt met aluminiumfolie een uurtje in de oven (180 graden) legt, kun je daarna met een vork het vruchtvlees er in draden uit lepelen. Het lijkt dan op spaghetti. Begrijp je ook waar de naam vandaan komt. Het smaakt echter naar pompoen.
Nee, ik neem de spaghettipompoen niet mee. Ik heb deze week niet zo veel tijd. Ben alle dagen van de week laat thuis en dan is het niet handig als ik daarna nog zeker een uur in de keuken sta. Dan kies ik liever voor een gemakkelijker en sneller klaar te maken gerecht.
Ik leg de bol knoflook en het netje rode uien in het karretje en ga verder naar het fruit.

‘Meneer!’ hoor ik een stem.
Ik kijk op.
‘Waar gaat u met mijn karretje heen?’
De stem is niet boos en komt van een mevrouw die zeker vijftien jaar jonger is dan ik. Ze komt op mij af lopen. Haar karretje? Ik kijk achter mij. Daar staat een winkelwagentje met mijn boodschappentas erin en met de bosuien en tomaten die ik eerder al afwoog. Wat zit er dan in dit karretje? Aardappelen, prei en kropsla. Dat is niet van mij!
‘Och, excuus,’ zeg ik.
‘Geeft niks, hoor,’ zegt de vrouw. Ze lacht. Een meneer van ongeveer haar leeftijd komt achter haar aangelopen. Aan de manier waarop die bijna in haar nek hijgt, maak ik op dat het haar man, echtgenoot, verloofde, verkering of partner is. ‘Het kan iedereen overkomen. Ik heb het zelf ook wel eens.’
Oef, ze vat het leuk op. Dat zal wel komen door het type winkel hier. In een gewone supermarkt heb je dikke kans dat je gelijk ruzie hebt als je per ongeluk de boodschappenwagen pakt. Maar hier niet. Het lijkt wel of de klanten in deze biologische winkel veel vriendelijker naar elkaar zijn. Haast moet je trouwens ook niet hebben, want het bedienend personeel neemt de tijd.
Snel loop ik naar mijn eigen kar en die duw ik naar het fruit.

‘Bananen,’ lees ik op mijn boodschappenbriefje. ‘Fruit,’ staat eronder. Alsof bananen niet tot het fruit behoren. Maar dat wat ik echt mee moet nemen, schrijf ik voluit. Dat ‘fruit’ betekent dat ik moet kijken of er nog meer lekkers, mooi, goed en betaalbaar hier in deze supermarkt is, anders koop ik het op de markt waar ik hierna nog naartoe ga. Ik vind twee mooie trossen. De een is nog wat groen. Perfect. Die is voor later in de week. De redelijk rijpe voor begin van de week. Hoe eenvoudig en mooi kan het leven toch zijn. Ik draai me half om en leg de bananen in het karretje. Nee, er is verder niets interessants aan fruit. Het is hier wat duurder en het ziet er wat ‘ouder’ uit. Bij die mooie biokraam op de markt is het én goed én mooi én betaalbaar. Ik duw het karretje voor me uit in de richting van de zuivel.

Bij de kaasvitrine werp ik een blik op mijn boodschappenlijst. Dan valt mijn oog op de kar die ik vooruit duw. Barst. Weer niet de goede. Ik draai me om en kijk in de verbaasde gezichten van de vrouw en de man die in haar nek hijgt.
‘Hier ben ik goed in, hè?’ weet ik uit te brengen. ‘Twee keer op rij vergis ik mij in het boodschappenkarretje en twee keer bent u het slachtoffer. Het is een talent. Wat denkt u: zou ik hier mijn beroep van kunnen maken?’
Zonder antwoord af te wachten snel ik naar de kassa. Dan maar geen kaas.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, september 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

31-10-2019

Fijn aan de paddenstoel

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Hij liep naar binnen en liet een luide boer.
‘Ook goedemorgen,’ klonk het vanachter de balie. Daar zat Simone. Martin liep naar haar toe. Die zat er weer lekker bij, zeg. Kort rokje, hemdje zonder mouwen, fier decolleté.
‘Maar wat heb jij nou met je kop gedaan?’ vroeg hij.
‘Je ziet het niet?’ Simone trok een wenkbrauw op, maar keek niet op van haar werk. ‘Waar je dit kunt laten doen, heet een kapsalon. Zou jij ook ’s naar toe moeten.’
‘Nog telefoon voor mij geweest?’
‘Nee.’
‘O.’
‘Valt dat je tegen?’
‘Eigenlijk wel.’
‘Nou, verzin dan maar iets wat je opmontert.’
‘Zullen we vanavond samen wat leuks gaan doen, Simone?’
‘Ik? Met jou?’
‘Ja, dat lijkt me gezellig.’ Martin keek naar de gleuf tussen haar tieten.
‘Ik hoef niet te raden waar jij op uit bent.’
‘Ergens op uit? Ik? Hoe kom je daar nou bij? Wat denk jij slecht over mij.’
‘Ik weet niet wat jij je allemaal in je hoofd haalt, maar het zit er niet, Martin.’
‘In? Wat zit er niet in?’
‘Mij tietfucken.’
‘Ga toch aan je werk, trut.’ Martin liep door naar zijn kantoor.

Hij deed de deur achter zich dicht, liet nogmaals een boer en ging op zijn bureaustoel zitten. Vervolgens stak hij een sigaret op en legde hij zijn voeten op het bureau. Eigenlijk mocht je binnen niet roken, maar daar trok hij zich niets van aan. Het was toch zijn kantoor? Oké, soms zat zijn collega Tom er ook, maar nu niet. Die was de hort op. Tom was de juniormakelaar en deed dus de domme dingen. Bezichtigingen, bijvoorbeeld. Die vonden tegenwoordig alleen nog plaats als een woning zo goed als onverkoopbaar was. De geïnteresseerden dachten dat ze alle aandacht kregen als ze de enigen waren tijdens een bezichtiging en dat ze zo’n beetje als eersten de woning hadden gevonden op Funda.
In de meeste gevallen kwam een huis te koop en bijna dezelfde dag al waren er biedingen, vaak boven de vraagprijs. Nog geen dag later was er een bezichtiging waar soms tientallen belangstellenden op af kwamen en aan het eind moesten zij dan een definitief bod doen. Daar kwam geen Funda aan te pas.
Nee, de woningen die wél op Funda stonden, dat waren dus de krotten die in eerste instantie niemand wilde hebben. Daar moest je mee leuren. Dat kostte tijd en dus geld. Je moest creatief zijn om daar nog wat geld uit te slaan. Echt werk voor juniormakelaars, dus.

Dat hele Funda was een grote farce. De lokale makelaars hielden elkaar onderling op de hoogte van wat er in de verkoop kwam, wat vraagprijzen waren en eventuele gebreken. Die gebreken vertelde je natuurlijk niet aan de geïnteresseerden. De rest wel, zodat hij potentiële belangstellenden alvast wat toe kon spelen. En dat leidde weer tot een leuk percentage. Vaak haalden woningen die te koop kwamen de site van Funda niet eens. Maar de verkopers hadden bij aanmelding wel veel betaald voor dat Fakefunda en voor een dure fotoreportage. Of ze hadden hun woning half leeg gehaald en helemaal opgeruimd en schoongemaakt en de boel nog eens netjes geschilderd. Martin had zo zijn mannetjes die hij de verkopende partij aanraadde. Schilders, fotografen, schoonmakers, klussers. Die mannetjes betaalden hem dan ook weer een klein percentage van hun winst. Zwart, natuurlijk. Nou ja: grijs. Iets met een vaag contract en een aparte rekening en aftrekbare kosten en baten. Of het nou de fiscus was of een onwetende koper of verkoper: als er iemand een poot uit te draaien viel, was hij maar wat graag betrokken. Als incasserende partij, dan. Het was allemaal niet echt eerlijk, maar hij hield zich aan de wet. Daarbij: hij was toch niet de makelaarswereld in gestapt om de weldoener uit te hangen? Uiteindelijk ging het gewoon om verkopen. Mensen betaalden graag grif om hun huis kwijt te raken en wie was hij dan om dat te weigeren? Wat zij niet wisten, was dat hij daar geen flikker voor hoefde te doen.

Bijna was hij in slaap gesukkeld. De telefoon ging. Martin nam op. Het was Simone.
‘Tom aan de lijn,’ klonk ze mat. Ze verbond hem door.
‘Martin,’ zei Tom, ‘ik loop hier uit. Ze happen bijna. Maar over een kwartier staat er een stel aan de Vlindersingel 127. Dat is vlakbij kantoor. Jij hebt nu geen afspraken, toch?’
‘Ik kom om in het werk, Tom.’
‘Je krijgt er een borrel voor, vanmiddag.’
‘Als ik voor alles wat ik voor jou doe een neut zou hebben gekregen, dan lag ik hier nu laveloos onder mijn bureau, pik.’
‘Alsjeblieft.’
‘Een borrel en een etentje. Geen zin in koken, vandaag.’
‘Vandaag lukt het me niet, Martin. Linda zit thuis met de kids. Daar moet ik om zes uur zijn.’
‘Morgen. Maar dan wordt het een borrel, een etentje en daarna een bezoek aan die club, hoe heet-ie ook weer? Die waar ze de goede whisky serveren en die met die topless bediening en die wijven die op je schoot komen dansen.’
‘Dat verkoop ik thuis niet, Martin.’
‘Thuis hoeft toch niets te weten? Bovendien: je mag ook buiten wachten, hoor. Als je me maar naar huis brengt na afloop.’
‘Ik kan niks beloven.’
‘Dan beloof ik niet dat ik over een kwartier aan de Vlindersingel sta.’
‘Toe nou, Martin. Je weet hoe belangrijk het voor mij is. Binnenkort is mijn jaarcontract afgelopen en wil ik kans maken op verlenging, dan zal ik mijn targets moeten halen, dus …’
‘Dus gaan we morgen na de borrel en het etentje naar de whiskyclub.’
‘Oké, oké.’
‘Afgesproken. Ik ga kijken wat ik voor je kan doen. Pin me d’r niet op vast.’
‘Mooi. Fijn. Dank je wel. Ik rond hier de bespreking af en daarna kom ik terug naar kantoor. Daar zoek ik een rustig plekje waar ik mijn achterstallige papierwinkel kan doen.’
Martin ging daar niet op in en zonder verder nog iets te zeggen hing hij op.

‘Martin Abbink. Excuus dat ik wat laat ben. Mijn collega was vergeten om het aan mij over te dragen. U had een afspraak met Tom?’ Martin was net de auto uitgestapt en liep nu naar het stel dat bij de ingang van het flatgebouw stond te wachten. Hij negeerde het wijf, stak zijn hand uit naar de man en mompelde zijn achternaam.
‘Johan van de Velde.’
‘Bianca.’
‘Het is dat we vanmiddag vrij hebben genomen,’ zei de man. ‘Dus dat het een half uur later is, is vervelend, maar niet echt een probleem.’
‘Ik loop wel mijn les aerobics mis, Johan.’ De vrouw klonk kribbig.
Aerobics? Alsof dat jou zou ergens mee zou helpen, dacht Martin. Wat je ook doet, welk dieet of bewegingsprogramma je ook start, je blijft een moddervette pot. ‘En naar wat voor iets bent u op zoek?’ vroeg hij.
‘Wij zoeken een woning,’ begon Johan, ‘die …’
‘Dat treft,’ zei Martin. ‘We staan voor een woning. Een appartementencomplex, om precies te zijn. In dit complex zijn appartementen. Laten we naar binnen gaan.’
In het entree wees hij op de brievenbussen en zonder iets te zeggen liep hij door naar de lift. Toen ze op de tweede verdieping waren, haalde hij een sleutelbos uit zijn zak en stak een sleutel in het slot. Die paste niet. Hij probeerde een andere van de bos. Ook niet. ‘Barst,’ zei hij. ‘Het zal toch niet zo zijn? Hebben ze me de verkeerde sleutelbos meegegeven.’
‘O,’ zei de Vrouw. ‘Wat nu?’
‘Momentje.’ Martin haalde zijn telefoon uit zijn binnenzak, zette hem aan en toetste ergens op. Hij draaide zich met zijn rug naar de twee kijkers en begon een gesprek. ‘Simone. Jij bent een mooie. Sta ik hier bij het object met de verkeerde sleutels in handen. Wil jij eens kijken of de goeie nog aan het paneel hangen en die dan even hier brengen?’
‘Nee, jij bent lekker. Je hebt zelf de sleutels gepakt toen je wegging. Mij niet de schuld geven. Ik wil heus wel even kijken. Eh … welk object was het ook weer?’
‘Vlindersingel. Nummertje honderdzevenentwintig, meen ik.’
‘Die hangen hier nog.’
‘Stik. Dan heb ik de verkeerde. Kun jij even …’
‘Nee. Denk jij dat ik hier weg kan bij de receptie? Ik ben er niet voor om jouw missers goed te maken. Fijne middag nog.’ Simone hing op.
‘Ach zo,’ deed Martin net of het gesprek nog verder ging. ‘Ik begrijp het. Nee, blijf jij maar daar. Er zit niets anders op dat ik even heen en weer rijd. Tot zo.’ Hij deed de telefoon uit en dacht: Die vuile turfkut is te beroerd om een beetje dienstverlenend bezig te zijn. Terwijl hij zijn smartphone weer terug stak in de binnenzak van zijn jasje, draaide hij zich om en zei tegen het echtpaar Van de Velde: ‘Heel vervelend. Er is een urgente zaak gaande op kantoor, dus ik zal zelf de sleutels moeten gaan halen. Weet u echt zeker dat u het object van binnen wilt bekijken?’
‘Ja, natuurlijk!’ riep mevrouw Van de Velde fel. ‘Waarom dacht u anders dat we vanmiddag vrij hebben genomen!’
‘Er is veel achterstallig onderhoud,’ zei Martin langs zijn neus weg. ‘En volgens mij zijn de servicekosten van het appartement ook zeer hoog. Dit complex staat in de architectenwereld bekend als de grootste draak van stapelbouw. Kenners vragen zich af wie er ooit vrijwillig in deze pauperbuurt zou willen wonen. Dat maakt het allemaal een niet echt aantrekkelijk object, maar als u het toch per se wilt zien…’

‘Gloeiende. Ken ik dat pokkenend heen en weer rijden.’ Vijf minuten later was hij terug in kantoor. Waar zat die trut van een Simone, dat hij haar eens goed de huid volschold? Natuurlijk, die was nergens te bekennen. ‘Denk jij dat ik hier weg kan bij de receptie?’ imiteerde hij op overdreven wijze haar zeikstem. ‘Nee, maar ik moet mijn kut nog ontharen, dus zit ik even wijdbeens op de plee.’
Hij griste de sleutelbos van het paneel en liep naar Simones lege werkplek achter de balie. Op het scherm stond Outlook open. Martin zag tussen de mail een heleboel vergaderverzoeken voor overleggen en gesprekken. Snel klikte hij bij ieder vergaderverzoek op ‘Weigeren’. Klik, klik, klik. Vijf, tien, vijftien, meer dan twintig stuks. Bij de laatste, iets met een wethouder Ruimtelijke Ordening, typte hij ook nog een zinnetje: ‘Nee. Bekijk het maar met je debielenbeleid.’ Zo. Dat zou haar leren. Toen snelde hij terug naar de auto.

‘Excuus dat het even duurde,’ zei hij. ‘Er stond een auto vervelend geparkeerd.’
‘We hebben nu echt weinig tijd meer,’ zuchtte Bianca.
‘Ik moest een deuk trappen in het spatbord, voordat hij opzij ging.’
‘Wij zijn benieuwd naar de woning.’
‘Voordat we naar binnen gaan, wil ik u vragen om niet te letten op de geur in het huis. Vandaag valt het mee, maar zeker driehonderd dagen in het jaar is het veel erger. Iets onoplosbaars met het riool. De vraagprijs is daardoor laag. Dat zijn de meeste objecten trouwens in deze buurt en dat heeft te maken met de slechte naam die deze wijk en vooral deze straat bij het volk heeft.’ Waar haal ik het toch allemaal vandaan? dacht hij en hij opende de deur. ‘Ik ga u voor. Volgt u mij.’
Ze waren het appartement nog niet binnen, of Martin kon aan Bianca’s kop al zien dat het niets voor ze was. Te duur, te kleine woonkamer en een kutkeuken waar ze haar dikke kont nooit in zou kunnen keren. Allemensen, de huidige bewoners hadden er veel werk van gemaakt om deze uitgeleefde keet nog enigszins aanvaardbaar eruit te laten zien op Fuckda. Waar zouden ze al die persoonlijke rommel hebben gelaten? Zag hij het nou goed en hadden ze zowaar de plafonds net gewit? Nou maar hopen dat ze het via dat mannetje van hem hadden laten doen, dan verdiende hij er ook nog iets aan. Voor de rest was er niets bijzonders te beleven in deze hut. Die Egbert of hoe heette hij keek rond alsof het allemaal razend interessant was. ‘Er is maar in enkele ramen dubbel glas,’ zei Martin ongevraagd. ‘Het energielabel is dus niet van betekenis, maar zoals u weet betekent zo’n energielabel überhaupt sowieso niets.’
‘Nou, voor ons is het wel van belang,’ zei dat mens van een Anita of hoe ze ook heette. ‘Wij vinden dat we iets moeten bijdragen aan…’
‘En dit is de …’ onderbrak hij, terwijl hij een deur opende. Het was een slaapkamer. ‘… de slaapkamer. U ziet, het stelt niet veel voor. Erg klein. Je kunt er net een twijfelaar in kwijt. Bijna geen plaats voor een nachtkastje om je seksspeeltjes in te verstoppen.’
‘O,’ zei Bianca, ‘eh …’
‘De vorige keer dat ik hier een rondleiding gaf,’ grijsde hij, ‘hingen er handboeien aan het ledikant.’ Hij knipoogde naar het wijf. Die keek snel weg met een verontwaardigde blik.
‘Het uitzicht is wel fraai,’ zei Johan, die naar het raam was gelopen.
‘Als je van langs scheurende wegpiraten houdt,’ zei Martin. Hij haalde zijn pakje sigaretten uit zijn borstzak en stak er eentje op. ‘Laatst is hier nog een kleuter aan flarden gereden. Veel geluidsoverlast van de buren ook. Fout in de plafond- en vloerconstructies. Je hoort alles. Als die pedofiele travestiet van hierboven op haar naaldhakken gaat staan headbangen, dan heb je oordopjes nodig. Gelukkig zit hij nu tijdelijk in hechtenis vanwege een drievoudige kindermoord. Ik hoop niet dat jullie kinderen hebben?’
‘Nog niet.’
Niet aan beginnen ook, zou ik zeggen. Je weet niet wat je de wereld en je medemensen aandoet. ‘Dan gaan we nu naar de badkamer,’ zei hij. Hij trok een andere deur open. ‘Deze behoeft nogal wat renovatie. Gaat zo rond de dertigduizend euro kosten, wil je de prehistorische tegels en die lekke leidingen vervangen.’
‘Dit is de badkamer niet. Dit is het toilet.’
‘Ik zei ook niet dat dit de badkamer was. Ik zei dat we naar de badkamer gaan. Daar komen we vanzelf. Eerst deze plee. U ziet: klein, geen afzuiging, dus stinkt. Excuseer, ik moet er gebruik van maken.’ Hij sloot de deur achter zich en deed hem op slot. Het licht ging vanzelf aan. Belachelijke geldsmijterij. Hij opende zijn broek, haalde zijn gevalletje tevoorschijn en piste naast de pot. Doortrekken deed hij niet, zijn handen wassen ook niet. Hij gooide zijn sigarettenpeuk in het fonteintje.

‘Helaas hebben we geen sleutel van het souterrain, dus kan ik u de kelderbox niet laten zien.’ Ondertussen schudde hij de handen van Bianca en Johan. ‘Gelooft u mij: er past welgeteld één fiets in. Er zijn ratten en de vloer is vochtig. De schimmel zit tot halverwege de muren. De VVE heeft een achterstand op het onderhoudsplan, het bestuur ervan is slapend en bij de servicekosten is zo goed als niets inbegrepen. Zegt u eens: wat vindt u tot dusver van het object?’
‘Qua indeling wel leuk,’ zei Johan toen ze weer buiten stonden. ‘Speels.’
‘Speels?’ flapte hij eruit. Wat een oelewapper. Meende die Egbert dat nou?
‘De woonkamer is niet echt wat we zoeken,’ vulde Bianca aan. ‘Maar de keuken en slaapkamer en het uitzicht maken veel goed.’
‘Nou, laat u ons maar weten als u ondanks alles toch geïnteresseerd bent,’ brak Martin deze uiteenzetting af. Hij dacht: Liever niet. Martin was die hele collega Tom liever kwijt dan rijk. ‘Maar wel pas na morgen. Tom is een paar dagen afwezig.’ Na morgen had hij de borrel, het etentje en de whiskybar met topless bediening en lapdance in ieder geval gehad. ‘U kunt na het weekend contact opnemen met Tom. Ik neem aan dat u zijn gegevens hebt?’
‘Eh, nee?’
‘Nou, zoekt u maar op onze website, dan vindt u ze wel. Anders belt u de receptie maar. Geen dank en sterkte ermee.’ Martin liep naar de auto.

Ga ik nou nog terug naar kantoor? vroeg hij zich af, toen hij het portier van de wagen had dichtgedaan. Hij stak de sleutel in het contact. Vooruit, ik ben wel benieuwd wat voor ontwikkelingen daar gaande zijn. Bovendien moet ik de indruk wekken dat ik veel uren voor het bedrijf maak.
Een kwartier later liep hij door de schuifdeuren naar binnen. Achter de balie stond Simone met verschillende collega-makelaars, in een luide discussie vol verwijten en verwarring. Martin liep erlangs en zette wat druk op de endeldarm om een ferme scheet te laten. Het lukte niet. Wel liep er een klein golfje dunne drek zijn onderbroek in. Oeps. Met een rood hoofd zei hij in het voorbijgaan: ‘Nog telefoon voor mij?’ Hij wachtte het antwoord niet af en snelde naar het toilet. Daar poetste hij zo goed en zo kwaad als het ging de bruine vlek uit zijn boxer. Terwijl hij zijn handen vluchtig waste, zei hij tegen zichzelf: ‘Het zal de döner zijn geweest, die ik gisterenavond heb besteld. Vandaar die halaldiarree nu.’ In zijn werkkamer plofte hij in zijn kantoorstoel en stak hij een verse sigaret aan.
Zo. Hèhè. Laptop aan. Is er mail? Ja, er was mail. Een hele rij. Hij had dan ook al bijna een week niet gekeken. Wat zat er zoal bij? Veel herinneringsgedoe: wanneer hij eens ging reageren op een vorige verzonden mail. Klik. Weg ermee. Ook allerlei nieuwsbrieven en reclamezooi verwijderde hij. Hij weigerde de meeste vergaderverzoeken. Wat een werk. Hij zuchtte diep, haalde uit een lade een heupflacon en zette die aan zijn mond. De alcohol brandde in zijn keel. Fijn. Daar kikkert een mens van op. Hoe laat was het? Kwart over vijf. Hij scrolde door zijn telefoon en vond het nummer van de sushibezorgdienst. Nog tweeënhalf uur ging hij hier bezig zijn met van alles en nog wat. Als het er maar uitzag alsof hij druk was. Hij las Twitter, een paar nieuwssites en de familieapp. Zijn zus vroeg hoe het nu met Anja was. Hoe moest hij dat nou weten? Hij was blij dat hij nu al een paar jaar van haar af was. Zo min mogelijk wilde hij van dat mens weten. Het had hem een lieve duit gekost om haar na de scheiding uit te kopen. Gelukkig hadden ze geen kinderen. Nu had hij het appartement voor zichzelf. En met Anja zo goed als niks meer te maken, behalve een maandelijkse financiële bijdrage omdat die trut te lui was om werk te zoeken. Zo lang zij een uitkering kreeg, mocht hij een deel daarvan dokken.
Iemand klopte op de deur. Martin haalde de laptop van de schermbeveiliger af en brulde: ‘Ja!’
Het was Simone. ‘Je bent de laatste. Je mag afsluiten. Vergeet het alarm niet.’ Zonder antwoord af te wachten deed ze de deur weer dicht.

Hij moest toch eens op zoek naar een andere sushibezorger, want dit smaakte helemaal nergens naar. Volgens hem maakte het niet uit of je de rijstrolletjes of de verpakking ervan opat. Hij had de etensresten in de prullenbak die achter de balie stond gedaan. De schoonmaak was net geweest en Simone werkte pas na het weekend weer. Dan zou het op haar werkplek wel lekker naar vis ruiken.
Nee, hij vergat het alarm niet. Het was een stil alarm. Net voor hij wilde afsluiten, zag hij dat er nog licht brandde op het flexkantoor. Wie zat daar? Hij liep iets terug en wierp een blik door het smalle raam naast de deur van het kantoor. Het was Tom. Die was aan het overwerken? Ik dacht dat hij rond zessen thuis moest zijn in verband met zijn wijf en de kids? Als hij dat niet moest zijn, dan had hij hem toch ook mee kunnen nemen voor een borreltje, een etentje en de blotetietenwhiskyclub? Wat kon het hem eigenlijk schelen? Tom moest het helemaal zelf weten. De uitslover. Martin ging terug naar de voordeur, zette het stil alarm erop, stapte in zijn Opel Manta en reed weg. Op de hoek van de straat kwam hij de auto van de beveiliging al tegen. Ze hadden kennelijk haast.

Hij reed naar de Vlindersingel, zette zijn wagen in de parkeergarage en nam de trap naar de derde verdieping. Met zijn sleutel opende hij de deur van nummer 137. Hij gooide zijn jas op het kastje bij de voordeur en zette zijn aktetas ernaast. Toen liep hij de keuken in en opende daar een blik Exportbier. In de woonkamer zeeg hij neer op de bank en stak hij een sigaret op. Hij vroeg zich af wat of Simone vanavond aan het doen was.
Later die avond keek hij porno op internet en trok hij eens fijn aan de paddenstoel.


Apeldoorn, september 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

17-10-2019

Rot (S038)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Doodstil was het op straat. Dat was zo gek niet. Het was tenslotte zondagmorgen en nog vroeg ook. Hij was om half zeven opgestaan en drie kwartier later rende hij buiten.
Hardlopen deed hem goed. Hoe lang geleden was het ondertussen dat hij ermee was begonnen? Dat moet begin 2015 zijn geweest, dik vierenhalf jaar geleden nu. Het was behandelaar die hem had gevraagd wanneer hij eens een keer ging bewegen. Volgzaam als hij was – alles om zijn geestelijke gezondheid op orde te krijgen – maakte hij een plan. Ergens van het internet plukte hij een opbouwschema, in een grote sportwinkel kocht hij goede schoenen en onder uit een lade pakte hij een sportbroekje en shirt. Daar ging hij. Drie keer in de week minimaal een half uur. Na vier maanden kon hij vijftien minuten onafgebroken hardlopen en nog weer vier maanden later een half uur. Vanaf toen was het een kwestie van onderhouden. Drie keer in de week maakte de schrijver een half uur lang zijn hoofd leeg. Meestal ’s avonds, maar als het kon ’s morgens. Zoals nu.

Hij had zo zijn vaste routes. Het liefst liep hij door parken en over stille straatjes. Als het had geregend, nam hij de openbare weg om plassen te omzeilen en modderschoenen te voorkomen.
Vanmorgen was hij begonnen met een klein stukje door de drukke winkelstraat, die nu helemaal niet druk was. Hij kon mooi over het asfalt lopen. Dat was zacht en veerde mee onder zijn loopschoenen. Vervolgens sloeg hij rechtsaf een smalle straat in, die onderdeel was van een wandelgebied. Niet lang daarna kwam hij aan de rand van het centrum. Hier werden de straten breder. Voor de grote herenhuizen liep het voetpad. Daar liep hij liever niet overheen; de tegels lagen ongelijk. Niet fijn voor zijn enkels en kuiten.

Wilde hij niet al te ver, dan moest hij nu links aanhouden. Zo kwam hij op een punt waar hij niet anders kon dan een klein stukje langs een drukke doorgaande weg.
Naast het voetpad was een parkeerstrook die vol stond met auto’s. Op het wegdek was een fietsbaan; het asfalt ervan was rood en afgebakend met witte strepen. Daar waar de auto’s reden was het asfalt gewoon zwart. De schrijver koos ervoor om niet over het hobbelige voetpad te rennen. Als hij aan de rechterkant van de rode strook, dicht tegen de geparkeerde auto’s aan liep, dan was hij niemand tot last. Zeker nu niet, op deze stille zondagmorgen.

Heerlijk, deze rust zo op de vroege morgen. Je zag als het ware de stad ontwaken. Voordat hij ziek werd, was hij nooit zo vroeg op. Meestal sliep hij zijn roes uit nadat hij de avond ervoor gewoontegetrouw te veel had gedronken. Nu dronk hij al bijna zes jaar niet meer. Als mensen hem ernaar vroegen waarom, dan antwoordde hij: ‘Ik heb genoeg gehad.’ Het was ook zo. Dat hij sinds die memorabele 16 november 2013 niet meer naar alcohol taande en het nooit heeft gemist, noemde hij: ‘Een geluk bij een ongeluk’.
Ver achter zich hoorde hij een auto aan komen rijden. Op het zwarte wegdek was ruimte zat, zelfs voor grote vrachtwagens, maar toch ging de schrijver nog iets meer naar rechts lopen, dicht langs de geparkeerde auto’s.
Mottig of bekaterd voelde hij zich nooit meer ’s morgens. Sterker nog: hij zat lekker in zijn lijf. Natuurlijk, in zijn hoofd was het niet altijd fijn, maar hij wist dat iedere neerslachtige bui ook weer over zou gaan en wat hij moest doen om de moeilijke tijd goed door te komen. Op tijd opstaan, bijvoorbeeld. De meeste energie had hij in de ochtend. Rond het middaguur zakte hij in en was hij moe.

TOEOEOEOET! De schrijver schrok zich rot. Een grote witte personenbak scheerde vlak langs hem heen. Hij kon niet anders dan stoppen en stil staan. De auto was hem voorbij en reed nu als een razende van hem vandaan. Zijn hart klopte in zijn keel. Hij hijgde. Wat was er gebeurd? Zat hij fout? Liep hij in de weg? Was hij een gevaar voor zijn medeweggebruikers? Had hij toch op het voetpad moeten lopen? Was er een andere reden dat hij aan de kant moest? Een gevaarlijke situatie? Of was hier wat anders aan de hand? Een ongelikte bestuurder, bijvoorbeeld? Was het nou echt zo nodig om hem de stuipen op het lijf te jagen?

Hij greep naar zijn borst. Niet dat hij een hartaanval had of iets dergelijks. Nee, het was een beweging die ooit een automatisme was, maar al sinds jaren niet meer nodig. Hij wilde weten of dat wat in de binnenzak van zijn jas zat, nog op zijn plaats zat. Maar hij droeg geen jas; hij droeg zijn blauwe hardloopshirt. Dat wat de schrijver in het verleden in zijn binnenzak met zich mee droeg, stond nu al tijden veilig in het messenblok op het aanrecht.


Apeldoorn, september 2019

Dit is de achtendertigste aflevering van de eindeloze serie Schrijver.  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

15-10-2019

Ban

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 18:15

Ter gelegenheid van twintig jaar FOK!.

Wat wist ik van online communities? Niet zo veel en dan druk ik me nog eufemistisch uit. Het enige forum waar ik wel eens kwam zat vol liefhebbers van de muziek van Frank Zappa. Daar was en is veel discussie, maar ik houd me vrij stil. Die discussie vindt plaats in de Engelse taal. Die ben ik redelijk machtig. Ik lees het vloeiend, maar vind het lastig om mijzelf er goed in uit te drukken. Hoe anders is dat in het Nederlands. Lees de stukken die ik in de afgelopen bijna dertien jaar hier op FOK! heb geplaatst er maar op na.

Op 18 januari 2007 was het dat ik dat eerste stukje plaatste. Hoe zat het ook weer?
Goede vriend T**, nu wereldberoemd in het landelijke medialandschap, had me een week ervoor bij mijn lange haren meegesleept naar een website, introduceerde me bij een of andere eindredacteur van iets en zei: ‘Zo. Dit is FOK!. En nu schrijven. Veel, graag.’ Ik durfde hem niet te weigeren.
Voorzichtig ging ik eens kijken wat die website zoal behelsde. Lieve help, wat een enorme wereld zat erachter. Nieuwsberichten, recensies, specials, weblog en columns, aangaande de meest uiteenlopende onderwerpen: actualiteiten, sport, amusement, film en tv, glamour, games, noem maar op. En dat was dan nog maar de ‘voorpagina’ van de webstek. Erachter hing een gigantisch forum waar gebruikers met elkaar in gesprek konden over zo ongeveer alles. (Zelfs porno. Porno? Ja, porno. Ik verzin het niet. Overigens: ik heb slechts een keer in dat forum gekeken en wist toen dat er bij mij thuis in de slaapkamer zaken gebeuren die ik opwindender vind.) Het duizelde me allemaal voor mijn ogen. Daar was dat Zappaforum niks bij.

Ik plaatste dat eerste stukje en zowaar, daar kreeg ik reacties onder. Die reacties varieerden van ‘Leuk!’ tot aan ‘Dat ik dit uitgelezen heb. Wat een verspilling van tijd.’ Maar dan in extremere formulering. Natuurlijk was nog lang niet iedereen ingewijd in het bizarre bazbobestaan (daar ging ik de zeven jaar daaropvolgend hard aan werken), dus verbaasden mij die negatieve reacties niet. Ik vergaf het de schrijvers ervan. Wat me wel mijn wenkbrauwen deed optrekken was de toon die de reageerders aansloegen.

Nog geen twee weken daarna plaatste een collega-columnist een voor hem zeer typisch stuk. Ik was het niet met hem eens, maar vond het een goed geschreven stuk dat opriep tot inhoudelijke discussie. Eronder gingen de lezers tekeer. ‘Ik ben het er niet mee eens! Wat een slechte column,’ was nog een milde reactie. ‘Slechte columnist! Wie heeft dit vaginale braaksel de redactie binnen gelaten?’ was een wat minder milde reactie. De reacties daaronder werden steeds erger. Iemand verwees naar het forum, waar de ‘discussie’ verder ging. Ik klikte op een link en belandde in een openlijke lynchpartij. De gezamenlijke opinie bevond zich in het stadium van: ‘De column is slecht. De columnist is slecht. De columnist moet weg. De columnist moet dood.’ Ik was geschokt.
Nu ben ik behept met een rechtvaardigheidsgevoel van onvoorstelbare omvang. Doorgaans weet ik mijzelf zeer goed te bedwingen dit rechtvaardigheidsgevoel te uiten. Maar dit ging te ver. Ik ging mij hier eens fijntjes mee bemoeien. ‘Wacht even,’ zo schreef ik. ‘Jullie zijn het niet met de columnist eens. Dat mag. Je vindt zijn stukje niet mooi. Dat mag ook. Maar hem openlijk zo aan de schandpaal nagelen vind ik niet kies. We kunnen niet alles waar we het niet mee eens zijn of niet mooi vinden weg doen. Zo zit de wereld niet in elkaar. Bovendien: je kunt het stukje ook níét lezen.’ Dat had ik beter niet kunnen schrijven.
Plots ging de discussie niet meer over de collega-columnist en zijn stukje, maar over mij. De gezamenlijke opinie was: ‘Jij bent al net zo slecht als de columnist. Jij moet ook weg. Jij moet ook dood.’ Ik stribbelde verbouwereerd tegen dat het allemaal niet lief en netjes was van iedereen. ‘Iedereen heeft het recht om geen smaak te hebben,’ riep ik nog uit. Het hielp niet. ‘Dóód moet de columnist en dóód moet jij!’
En toen moest ik het zeggen, hè?
‘Lieve lezers,’ schreef ik. ‘Als dit stukje van mijn collega-columnist je nou zo raakt, als je je over zijn werk zo druk maakt, als het jullie gemoederen zo bezig houdt, bedenk dan ook eens: zelfmoord is een optie.’

Bam.
Plots lag ik van het forum af. En van de voorpagina ook. Wat was er aan de hand? Deed mijn computer raar? Ik controleerde alle bekabeling. Nee, daar kon het niet aan liggen. Ondertussen was het al ver na middernacht en ik moest hoognodig naar bed.
De volgende morgen vond ik bericht in mijn mailbox. Ik had een ban. Geen idee wat het was. Even verder lezen. Aha, ik mocht de komende weken niet op FOK! komen. Ik kon niets plaatsen. O. Waarom? Ik had een openlijke doodsverwensing gedaan. Een wat? Een doodsverwensing. En ik was lid van de FOK!crew, dus diende een voorbeeld te zijn voor een ieder.
Even overwoog ik dat hele FOK! te laten stikken. Zo ga je niet met elkaar om, vond ik. Iemand openbaar afbranden omdat hij iets heeft geschreven wat je niet aanstaat, dat kan niet. En als iemand anders (ik, dus) het voor hem en het vrije woord opneemt, dan kan het niet zo zijn dat die de straf krijgt. (‘Maar zij begonnen!’ wilde ik tegenwerpen. Ik deed het niet.) Mijn rechtvaardigheidsgevoel groeide verder in nog onvoorstelbaardere omvang. Het onrecht regeerde hier op FOK!. Wilde ik voor zo’n zootje wel schrijven? In kon er nachten niet van slapen.
Gelukkig was ik met iets van een week weer in de gelegenheid om in te loggen. Toen las ik her en der terug wat er precies gaande was. De lui met de grote bek op het forum hadden zich rot gelachen toen ze begrepen dat ik een ban had. De eindredacteur legde achter de schermen aan de schrijvers alhier uit dat ik het voorbeeld was voor velen: geen gebruikers dood wensen, mensen. Maar of we vooral wel door wilden gaan met prikkelende en wonderschone stukjes plaatsen.

Dat deed ik dan maar. Of u ze prikkelend vindt of wonderschoon, weet ik niet. Maar stukjes plaatsen op FOK! doe ik nu dus bijna dertien jaar. Ik vind FOK! nog altijd een prachtig podium en medium. Van harte gefeliciteerd met het twintigjarig jubileum!
Zo naïef als dertien jaar geleden ben ik niet meer, maar nog altijd verbaas ik me over de toon van reageren onder columns en nieuwsberichten. Met verbijstering zie ik de respectloze, xenofobe, intolerante en ongenuanceerde uitroepen. Het lijkt wel of het in de loop van de jaren erger wordt. Gaat er op onze aarde iets mis, dan is het de schuld van een ander (vooral links en moslims en klimaatgekkies). Alles uit boosheid en ontevredenheid en hufterigheid en het-is-de-schuld-van-de-ander en grappig of adrem of zijn. Ik vind het zorgelijk. Het is zo gemakkelijk om van achter de computer je gelijk de wereld in te schreeuwen. En zeg niet dat ik zelf een zolderkamerautist ben. Autist ben ik misschien nog wel, maar ik woon tegenwoordig in een appartement, dus een zolderkamer heb ik niet.
Ik ben gestopt met het lezen van reacties onder de nieuwsberichten. De meeste maken me moedeloos, misselijk en verdrietig.

Alleen de reacties onder de columns zie ik nog. Bij de collega’s gaat soms ook weer een ploegje tekeer. Gelukkig is het onder mijn eigen stukjes vriendelijker. Dat zal waarschijnlijk komen doordat ik zelden over onderwerpen uit het nieuws schrijf of me uitgesproken druk maak over maatschappelijke problemen. (Ik dank mijn trouwe lezers hartelijk voor de vele kaartjes die ik mocht ontvangen ter gelegenheid van mijn mijn twaalfjarig jubileum op 18 juli 2019.) Toch schrok ik laatst op een donderdagavond door mijn die ochtend geplaatste verhaal scrolde. Onder het stukje gaf iemand een fijne, inhoudelijke reactie.

Mijn verhaal was een observatie op straat en daarin had ik geschreven: ‘Dit is zo’n dag dat ik zinloos geweld volkomen begrijp. Maar ik kan mij beheersen.’
De betreffende lezer had eronder gezet [letterlijk citaat]: ‘Wat een randdebiel ben jij zeg. Een stomp voor je kankersmoel moet je hebben. Het zijn trouwens ook nog twee zinnen en een andere mongool prijst je de hemel in alsof je een geweldig schrijver bent. Heb je ooit van een komma gehoord?’
Ik was met stomheid geslagen. Pas een dag later kon ik eronder tikken: ‘Lieve help, ik heb hier heel veel ongelikte reacties onder mijn stukjes gezien, maar deze slaat werkelijk alles.’ Maar daar zal ik ook wel weer een ban voor krijgen.


Apeldoorn, september 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

03-10-2019

Het geluid

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Het geluid drong aanvankelijk niet goed tot haar door. Andere zaken vroegen even haar aandacht. De man die boven op haar lag, kwam luidruchtig klaar. Het was niet echt een fijne vent. Hoe zei hij nou dat hij heette? Fred, meende ze. Hij rook uit zijn mond naar alcohol en had van die achterlijke tattoos op zijn armen en in zijn hals. Echt teder was hij niet. Nu was Emmeline wel wat gewend van haar klanten. Een paar stevige petsen op haar billen had ze heus wel eens eerder gehad. Die waren het ergste nog niet. Maar dat zo’n vent zo ruw haar keel dichtkneep, dat had ze niet alledag bij de hand. Gelukkig luisterde die Fred een beetje naar haar. Ze had hem gezegd dat hij haar best stevig mocht vastpakken, maar dat ze niet gediend was van strangling of andere BDSM-fratsen. Nu lag die engerd na te schokken op en in haar, met zijn nagels in haar tieten.

Ze duwde hem van zich af. Fred rolde opzij. Z’n lul was gelijk al half slap geworden en even dat condoom in bedwang houden: ho maar. Emmeline liet zich niet belazeren en had het latex geval tegelijk met de stinkende kerel uit haar lichaam verdreven. Moest je eens zien hoe hij daar uitgeteld lag na te hijgen, het plakkerige preservatief aan het uiteinde van z’n krimpende pik bungelend. Nee, daar won je de oorlog niet mee. Maar goed dat ze een fiks bedrag had gevraagd. De minkukel was er nog mee akkoord gegaan ook.
Snel schoot ze van het bed af en de kleine badkamer in. Ze ging zitten op het toilet en leegde haar blaas. Toen stond ze op, ging naar de wastafel en bekeek zichzelf in de spiegel.

Emmeline zuchtte. Nee, het werk was geen pretje, maar beter dan niets. Zo verdiende ze in ieder geval nog wat extra, zodat Niels naar voetballen kon en ze af en toe samen een dagje uit konden. Zoals laatst naar de Efteling. Zelf hoefde ze er niet zo nodig heen, maar ze zag de jongen genieten. Het was het weinige feest dat ze kon brengen in hun sobere leven. ’s Morgens maakte ze Niels wakker, hielp hem met zijn kleren, ontbeet met hem en werkte hem de deur uit naar school. Dan ging ze zelf nog even terug naar bed. Halverwege de ochtend stond ze op, deed ze boodschappen en ging ze naar het werk. Rond half vijf mocht ze het werk onderbreken, zo was de afspraak met Theo. Ze sloot de gordijnen en reed terug naar huis. Niels kwam terug uit de BSO en samen kookten en aten ze. Dan kwam haar zus. Simone was de enige die wist wat voor werk ze deed; voor de familie, vrienden en de rest van de wereld was ze werkeloos, kansloos op welke baan dan ook. Tegen zeven uur ging ze terug naar het pand in het smalle straatje. Ze kleedde zich om, ontstak het sfeervolle licht, opende de gordijnen en nam plaats achter het glas. Zo ging het nu al tijden. Aan het eind van de nacht, zo rond vijf uur kwam Theo. Die inde zijn geld en gaf haar het deel dat ze afgesproken hadden.

Weer het geluid. Kwam het van de voordeur? Was het al een volgende klant? ‘Even geduld alstublieft,’ riep ze. ‘Ik kan u zo van dienst zijn.’ Wie zou het kunnen zijn? Een vaste klant? Meneer De Vries? Die kwam zo ongeveer eens in de twee maanden en hij was nog geen drie weken geleden hier geweest. Johan? Nee, voor hem was het te vroeg. Het was pas half elf en Johan was er doorgaans helemaal aan het eind van de nacht, iets voor vieren, als alle cafés in de stad gingen sluiten en hij zijn laatste geld voor die avond wilde opmaken. Johan deed er nooit lang over, hoe zat hij ook altijd was. Vaak lukte het hem niet eens, maar met zijn bezopen kop maakte hem dat niet eens wat uit. Sterker nog: meestal drukte hij haar wat extra in haar handen. ‘Niet afgeven aan Theo,’ fluisterde hij dan. Maar het laatste wat ze deed was iets achterhouden voor Theo. Eén keer had ze dat gedaan en dat had ze geweten. Wekenlang moest ze de blauwe plek in haar gezicht wegpoederen. De Vries was het dus niet en Johan ook niet. Wie dan wel?
Er had de afgelopen nachten wel iemand voor het raam gestaan. De man met de lange jas, de leren tas en de rode neus van de nachtelijke kou was kennelijk erg geïnteresseerd, maar naar binnen komen als de gordijnen open waren, durfde hij niet. Misschien dat hij nu probeerde of het kon? Nee, dat kon het niet zijn. Iedereen, ook De Vries en Johan, ook al ga je nooit naar de hoeren, iedereen weet toch dat als de gordijnen gesloten zijn, de dame in kwestie bezet is?

Nog altijd keek ze in de spiegel. Emmeline maakte zich bezorgd om haar vermoeid uitziende ogen. Ja, ik ben moe, wist ze. Heel moe. Doodop. Voortdurend onrust. Ik zou willen dat ik kon stoppen, maar dat kan ik niet. Hahaha, laatst moest ze voor haar oude moedertje wat thuishulp regelen. Ze surfte op internet naar de site van de gemeente en kwam terecht op de pagina over zorg en ondersteuning. Tussen de vele items over wat de gemeente voor je kan doen, stond ook een link naar een pagina over het ‘Uitstapprogramma prostituees’. Emmeline had heel hard gelachen. Die beleidsmakers wisten niets van de noodzaak waarmee meisjes in het werk bleven; die blauwe pakken en bruine schoenen waren alleen maar bezig met hun deadline en target en bezuinigingen op de gemeentebegroting. Hardop had ze gedacht: Met mijn bijverdienste zorg ik ervoor dat Niels niets mist. Bovendien: Theo zag haar aankomen met haar mededeling dat ze uit het leven wilde. Die zou haar dan zeker op een andere manier uit het leven helpen. Terwijl ze achter de computer zat, werd haar lach nog luider, maar grimmiger. Niels, die op dat moment thuis was – het was woensdagmiddag en dan was hij vrij van school – vroeg wat er zo grappig was en kwam de kamer binnen rennen. Snel had ze de pagina weg geklikt en zich met een leugentje ervan af gemaakt. Vermoeid was ze al heel lang. En ze werd er niet jonger op, zag ze. Kraaienpootjes bij haar ooghoeken, wat grijze haren bij haar slapen en de eerste rimpels in haar hals.

Emmeline gleed in haar kimono, ging de badkamer uit en stak haar hoofd om de deur van de peeskamer. ‘Jij kunt de badkamer in, hoor,’ zei ze. Zelf liep ze door het gangetje naar de kleine keuken. Ze moest nog een paar uur vanavond en vannacht, dus ging ze een kop koffie zetten om wakker en alert te blijven. Was daar nou weer geluid? Nu aan de achterdeur? Nee, die was niet te bereiken vanaf de straat. Een hoge hekdeur met prikkeldraad bovenop hield ongewenste bezoekers uit de smalle steeg en het achterom. Het was vast geluid afkomstig van de verbouwing van de coffeeshop twee panden verderop.
Ze hoopte maar dat Fred zich inmiddels had aangekleed. Uit een bovenkastje pakte ze een koffiecupje. Dat deed ze in de houder en toen wilde ze het apparaat aan zetten, zodat het water in het reservoir heet zou worden. Zo ver kwam ze niet.

Iemand stond achter haar. Ze was te laat om zich om te draaien en te zien wie het was. Iets sloot zich met kracht rond haar hals. Ze moest haar hoofd naar achteren gooien, wilde ze nog een beetje lucht krijgen. Dat hielp maar heel even. Het was een sliert stof of een koord en de persoon die achter haar stond, trok het steeds strakker aan. ‘Rrrhhhh,’ klonk ze. ‘Rrrrhah.’ Haar beide handen probeerden het los te maken, maar dat lukte niet. Een stem zei iets, maar ze hoorde niet wat. ‘Rhhhah!’ kon ze zelf alleen maar uitbrengen. Ze zakte door haar knieën. In haar val draaide ze zich half om en zo kreeg ze heel even zicht op haar belager. ‘Rhhhho… Roo…! Nee!’ Toen had ze geen lucht meer. Haar armen hingen slap. Emmeline viel op de grond en hoorde niets meer van het geluid.


Apeldoorn, augustus 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

19-09-2019

Vandaag

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Vandaag sta ik vroeg op. Ik moet om half zeven de deur uit, dus mijn wekker staat op kwart over vijf. Jou laat ik nog even lekker slapen. Jij hoeft vandaag niet naar je werk. Je hebt vast allerlei dingen op je planning staan.  
Ik ga met de stinkende streekbus naar de werkplek. Daar ben ik om half acht. Ik heb een paar overleggen, schrijf aan wat interne stukken en doe allerlei voorbereidende werkzaamheden. Je bent projectleider, redacteur, managementondersteuner, schrijver en communicatiemedewerker in één of je bent het niet. Nog vierenhalve maand en ik werk dertig jaar voor de grote zorgorganisatie. Ook vandaag mag ik met mooie mensen samenwerken, veelal mijn eigen agenda indelen en zeer veel verschillende dingen doen.
Om kwart over vier ga ik naar de bushalte en om half zes ben ik weer thuis. Daar maak ik avondeten voor ons beiden. Ik heb zoals gewoonlijk allerlei lekkers in huis gehaald en maak daarmee een eenvoudige, doch voedzame en volledig biologische maaltijd. Aan tafel praten we bij over van alles en nog wat. Natafelen wil nog wel eens uitlopen en ik verwacht dat het vanavond ook zo zal zijn. Uiteindelijk ruim ik de tafel op en ga ik afwassen. Dat is mijn werk. Sinds we kleiner zijn gaan wonen en afscheid hebben genomen van de vaatwasser, sta ik ’s avonds weer ouderwets met de hand de vaat te doen. Ik vind het niet erg: zo veel is het niet, het is zo gebeurd en ik kan mijn hoofd leegmaken.
Het laatste uurtje van vandaag werk ik mijn webstek bij, lees ik de krant en hoor ik een of twee plaatjes. De onlangs verschenen heruitgave van Frank Zappa’s Orchestral Favorites kan ik moeilijk uit de speler laten. Rond tien uur is het tijd om de dag af te sluiten. Ik heb een nogal vast dag-nachtritme en lig vaak vroeg in bed. Morgen wil ik op tijd opstaan om eerst mijn rondje te gaan hardlopen. Daarna kan ik je dan helpen met dingen. Maar dat is voor morgen, niet voor vandaag.

Vandaag is het afwachten hoe het met mij zal gaan. Dat is niet bijzonder, want dat is het iedere dag. Ik ben met een opgeruimd en ontspannen gevoel naar bed gegaan. Dat lijkt een goed voorteken, maar met mijn hoofd weet je het nooit. Tja, 16 november 2013 staat in mijn geheugen gegrift. Het was de dag dat ernstige psychische klachten zich openbaarden. Wat het nou eigenlijk is en was, is nooit duidelijk geworden. De huisarts sprak van zwaar overspannen en totale burnout, een psychiater gebruikte het woord depressief. Ik vind het niet belangrijk hoe het precies heet; van belang is dat ik na een paar jaar het leven weer aardig op de rit heb. Wel heb ik nog altijd zeer wisselende stemmingen. Gelukkig voel ik het goed aankomen en weet ik wat ik kan doen om het dal door te komen. Een paar weken terug zat ik in de stinkende streekbus te genieten van de vroege morgenzon, tot er plots is op mij nederdaalde en ik wist: ‘Zo. Daar is-ie weer.’ Eerder brak me het zweet uit, werd ik zeer angstig en raakte ik paniek. Nu weet ik: het is niet fijn, maar als ik bezig blijf met de dingen die ertoe doen en als ik daarnaast ontspanning zoek, dan lukt het. Bovendien: dit gaat ook weer voorbij. Net als vandaag.

Vandaag is het precies twee maanden geleden dat het festival in Noordoost-Duitsland begon. Ik was er voor de negentiende keer. Het is een geweldig festival: drie dagen lang allerlei bandjes en ensembles die de muziek van Zappa spelen of muziek die net zo grensverleggend en vernieuwend is. Vaak bouwen we onze zomervakantie eromheen. Dit jaar waren we een week ervoor met de trein naar Schwerin gereisd. Dat is een prachtstad, de hoofdstad van de Duitsche provincie Mecklenburg-Vorpommern. We sliepen in een klein hotelletje vlakbij het oude stadscentrum, bezochten het Schweriner Schloss en het Staatliches Museum en maakten een boottocht over de Schweriner See. Na drie dagen bracht de trein ons het laatste stukje naar Bad Doberan. Joachim haalde ons op van het station en bracht ons naar zijn Ferienwohnung. In het begin van onze festivaltijd kampeerden we. Toen dat niet meer ging, hebben we drie keren in een hotel gezeten, totdat de prijzen ons toch echt te gortig werden. Sinds zeven jaren hebben we een Ferienwohnung. Joachim en Dorothea zijn prachtige mensen, zo gastvrij en ze willen alles voor ons regelen. Ook dit jaar hadden ze fietsen voor ons gehuurd. We hebben met z’n tweetjes mooie tochtjes gemaakt, langs de Ostseekust naar Kühlungsborn, bijvoorbeeld. Of door het Nienhäger Gespensterwald. De fiets gebruiken we ook om naar het festival te rijden. Op het programma stonden weer een paar mooie dingen. Hoogtepunten vond ik The Ed Palermo Big Band, het Ensemble MusikFabrik en Det Skandaløse Orkester. Eerder reden we naar het festivalterrein met de stoomtrein, die over de hoofdstraat van Bad Doberan rijdt en gingen we terug met een taxi. Met de fiets zijn we nu al een paar jaar volledig onafhankelijk. Met dank dus aan onze gastheer en gastvrouw. Inmiddels zijn ze beiden de tachtig gepasseerd en ik hoop dat ze het nog een tijdje willen en kunnen volhouden. In ieder geval tot en met volgend jaar, want we hebben de festivalkaarten voor 2020 al gekocht.

Vandaag drie weken geleden ging je naar het ziekenhuis voor een nogal forse ingreep. Het heeft je de afgelopen tien jaren lichamelijk gezien niet mee gezeten. Eerst de diagnose borstkanker, toen de borstsparende operatie, vervolgens de zware behandeling van bestraling, chemotherapie en hormoongedoe. De kanker is gelukkig weg, maar tot op de dag van vandaag heb je te maken met de gevolgen ervan: verminderde energie, kapotte conditie, lymfoedeem, de verandering in het weefsel van de aangedane borst waardoor je de laatste jaren alsnog een prothese nodig had en de daaruit voortvloeiende nek-, schouder- en rugklachten. De huisarts vertelde je laatst dat je er rekening mee moet houden dat je lichamelijk gezien tien jaar ouder bent dan je kalenderleeftijd. En dat doen we dus. We passen de uitjes, weekenden en vakanties aan: niet te ver meer lopen, veel rustpauzes en vooral heel kalm aan.
Nu, drie weken na de zware operatie gaat het goed. Al drie weken moet je veel rust houden en mag je niet bukken, tillen, boven je macht werken, fietsen, werken en wat mag je eigenlijk wél? Of het allemaal niet erg genoeg was, overleed twee dagen na je operatie je zus. Ook kanker. Ze vocht vijf jaren, maar moest zich uiteindelijk toch gewonnen geven. Zelf ben je ook al zo’n vechter. Nog drie weken moet je volhouden jezelf in acht te nemen en dat gaat je lukken.

Vandaag is het ook negenentwintig jaar geleden dat we trouwden. Het lijkt lang. Aan de ene kant is het al zo vertrouwd met jou, zou ik niet anders meer weten en kunnen. Aan de andere kant is er nog zo veel van elkaar te leren en te ontdekken, dat iedere dag met jou weer nieuw is. Laten we dat vieren vandaag, laten we samen blijven lachen en samen blijven.


Apeldoorn, augustus en september 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

05-09-2019

Lotgenoten (0021)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Au, mijn klauw (5)

‘Met Langereis.’
‘Met dokter [kaniknietverstaan], goedemorgen.’
‘Goedemorgen.’
‘Ik ben de reumatologe. U was een paar weken geleden bij mij ter consult.’
‘Jazeker.’
‘Ik zou u nog even terugbellen.’
‘Klopt.’
‘Hoe is het de afgelopen weken gegaan?’
‘Nou, de eerste dagen had ik heel veel pijn aan de vinger. Dat was pijn van de spuit die u heeft gezet. Daarna was mijn middelvinger een paar dagen erg opgezwollen en gespannen. Daar had ik veel last van bij het bewegen.’
‘Hoe is het nu met de zwelling op het gewricht?’
‘Eigenlijk is het pas de laatste paar dagen dat ik er niets meer van merk. Ik vertelde dat ik een toetsenbordbaan heb. Na een tijdje intensief bewegen van mijn vingers was het altijd pijnlijk. Nu is dat veel minder.’
‘Kunnen we zeggen dat u er baat bij heeft gehad?’
‘Daar lijkt het wel op, ja.’
‘We kunnen de andere vingers ook behandelen, als u dat wilt. Nogmaals: het wil niet zeggen dat het blijvend weg is. Bij sommige patiënten komt het na een tijdje terug; bij anderen gaat het goed, die hebben er geen last meer van.’
‘… eh …’
‘Zegt u: ik wil de andere vingers ook behandelen of laat u het zoals het is?’
Dat zeg ik helemaal niet. Ik zeg: ‘Als het effect net zo goed is als bij deze vinger, laten we het dan doen.’
‘Dus u wilt de andere vinger ook behandeld?’
‘Ja, als dat zou kunnen.’
‘Ik zou aanstaande dinsdag kunnen. Dan heb ik nog een gaatje.’
‘Hmm, dat komt mij niet zo goed uit. Een woensdag of vrijdag is voor mij altijd handig.’
‘Ik werk op woensdag niet en vrijdags ben ik in een ander ziekenhuis. De week erop op dinsdag?’
‘Dan ben ik een paar dagen op vakantie. De dinsdag erna?’
‘Dan ben ik weer weg. Ik laat het secretariaat een afspraak maken, is dat goed?’
‘Dat lijkt me prima. Krijg ik dan een uitnodiging?’
‘Ja, dat gaat altijd per brief.’
‘Fijn. Dan zie ik u over een paar weken.’
‘Dank voor de moeite. Tot ziens.’

‘Wat zit jij daar nou wit weggetrokken?’
‘Ik had net de reumatologe aan de lijn, schat.’
‘En?’
‘Ik mag nog een keer bij haar terug komen.’
‘En dan? Je zit erbij alsof ze de je hele hand gaat afhakken.’
‘Nou, dat nog net niet.’
‘Maar?’
‘Ze gaat de andere vingers ook behandelen. Net als deze.’
‘Die spuit in je middelvinger was dus geslaagd?’
‘Ja. Ik vertelde dat ik er nu veel minder pijn aan heb en dat de zwelling nagenoeg weg is.’
‘Ik zie het. Maar deze vinger hier …’
‘Au.’
‘… en deze …’
‘Au!’
‘… en hier zit een verdikking …’
‘AU!’
‘… en hier begint ook al iets.’
‘Dat was wat artrose, zei ze.’
‘Oei, dat komt dan niet meer goed.’
‘O.’
‘En wat gaat ze nou doen aan die vingers?’
‘Ik krijg er een spuit in.’
‘In deze allemaal?’
‘Au. Au! AU!’
‘Nu snap ik waarom je hier zo wit zit weggetrokken.’

‘Gaat het wel goed met je?’ vroeg De Vrouw.
‘Beetje slecht geslapen,’ zei ik.
‘Wil je dat ik met je mee ga? Hoe laat moet je er morgen zijn?’
‘Kwart voor negen. Acht uur op de fiets zitten, dus.’
‘En hoe lang duurt het?’
‘Geen idee. Drie spuiten, misschien vier. Half uur? Ik zeg maar wat.’
‘Hoe laat zijn we dan weer terug?’
‘Reken op tien uur. Jij wilde een dagje weg; hoe laat gaat je bus?’
‘Ik had half tien gepland. Maar als jij wilt dat ik met je mee ga, dan ga ik wat later.’
‘Kijk maar wat voor jou het handigst is.’
‘Wil je dat ik met je mee ga?’
‘Niet per se, als het voor jou niet zo goed uitkomt.’
‘Zie je ertegenop?’
‘Waar tegenop? Dat je mee gaat?’
‘Nee, tegen die behandeling? Al die spuiten in je handen?’
‘Nog niet. Als het effect net zo goed is als dat het bij die ene vinger is gegaan, dan weet ik wat ik kan verwachten.’
‘Laat eens zien. Die bult is nu helemaal weg, hè?’
‘En ik heb er ook helemaal geen pijn meer aan, nu.’
‘Dat was in het begin toch anders?’
‘Nogal.’
‘Je zit hier weer aardig wit weg te trekken. Ik ga met je mee.’

‘Ben je nu zelfs aan het huilen?’
‘Tegenwind!’ kon ik uitbrengen.
‘Maar goed dat ik je kan bijstaan.’ Op haar elektrische fiets reed ze ver voor me uit.

‘Goedemorgen. Kom verder.’
Ik ging zitten. De Vrouw zat naast me.
‘Nou, laat eens kijken. Ja, dat ziet er heel mooi uit. Mooi rustig.’
‘Sinds ons telefoongesprek is het alleen nog maar beter geworden. Het is nu ook helemaal niet pijnlijk meer, ook niet na wat langere inspanning.’
‘Kijk aan, dan gaan we ’s kijken naar de andere vinger.’
‘Hier op de pink zit de grootste verdikking.’
‘Ja, dat zie ik.’ Ze nam mijn pink in haar handen en liet hem zachtjes door haar eigen vingers glijden. ‘Ja, hier kun je het duidelijk zien,’ zei ze. Ze keek mij en vervolgens De Vrouw aan. ‘Het is een aangroei van bindweefsel op het gewricht. Komt veel voor bij mensen die veel en langdurig met hun handen werken. Denk aan mecaniciens en zo. De behandeling werkt in veel gevallen goed, maar bij anderen kan het weer terugkomen.’
‘Na hoe veel tijd is dat doorgaans?’ vroeg ik.
‘Tja, de een krijgt het na jaren, de ander helemaal niet.’
‘Ik bedoelde dat het weer terug kan komen. Hoe lang werkt de behandeling?’
‘Dat is bij iedereen anders.’
‘Daar was ik al bang voor,’ grimlachte ik.
‘Nou, zullen we dan maar?’ vroeg ze.
‘Vooruit,’ zei ik. ‘Deze pink is wel duidelijk, maar er zitten hier ook verdikkingen.’ Ik wees op de wijsvinger van mijn rechterhand en op mijn ringvinger en pink van de linkerhand.
‘Het lijkt erop dat het ’t zelfde is,’ zei ze. Zachtjes betastte ze mijn vingers. ‘Maar het is nog niet aan de orde. Dit hier is artrose.’ Ze wees op de ringvinger.
‘O?’
‘Ja, dus het gaat nu alleen om de pink. Ik maak de injectie even klaar.’ Ze stond op, haalde uit de kamer achter haar de spulletjes en ging weer zitten.
Ik legde mijn hand weer in de hare en keek naar De Vrouw.
‘Zo. Daar komt-ie, hoor.’
Het uitzicht was mooi en verrek, de pijn viel me mee.
‘Zo, dat was het alweer.’
Ik keek. Ze had er al een pleister omheen gedaan.
‘Vandaag weer even rustig aan doen ermee. Als er te veel druk op komt, dan zoekt de vloeistof een weg naar buiten en dan loopt het er door het prikgaatje weer uit.’
Ach zo. We stonden op, schudden haar hand en liepen naar buiten. Op de gang hing een klok. Wel vier minuten waren we binnen geweest. Dit had ik ook wel alleen af gekund, want ik had maar een heel klein beetje au aan mijn klauw. Ik had me weer druk gemaakt om niks.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, augustus 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

22-08-2019

Carlo Piemol en het writer’s block

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Carlo Piemol zit achter zijn com-pu-ter.
De dead-line van zijn stukje komt eraan.
Carlo Piemol weet niet wat hij moet typen.
Hij heeft gebrek aan in-spi-ra-tie.

Een leerzaam verhaal over een writer’s block.




Carlo Piemol zit achter zijn com-pu-ter.
Nee, niet echt er-achter.
Als dat zo was,
dan zat hij klem
tussen de com-pu-ter en de muur.
In wer-ke-lijk-heid zit Carlo Piemol
vóór de com-pu-ter.
Maar toch noem je dat zo,
in al-ge-meen da-ge-lijks taal-ge-bruik:
achter de com-pu-ter.
Neem niet alles zo let-ter-lijk.

Carlo Piemol zucht.
De tijd dringt.
Morgen moet zijn verhaal af zijn.
Dan moet de re-dac-tie het hebben.
Altijd lastig, die dead-line.
Want waar moet Carlo Piemol
in ’s he-mels-naam over schrij-ven?
Carlo Piemol heeft geen idee.
Hoe noem je dat ook weer
als je geen in-spi-ra-tie
hebt om een zin-nig ar-ti-kel te maken?

Carlo Piemol zweet.
De druk wordt hem bijna te veel.
Weet je wat? denkt hij,
soms is een blik
op mijn lijst met mo-ge-lijke ti-tels
al vol-doen-de voor een idee.
In het ar-chief vindt hij de lijst.
Zijn vin-ger gaat van bo-ven naar be-ne-den.
Hardop leest hij de ti-tels voor:

‘Carlo Piemol en de verdronken migrant
Carlo Piemol en het openbaar vervoer
Carlo Piemol en de Europese Commissie
Carlo Piemol en de mis-lei-den-de re-cla-me
Carlo Piemol en de taakstraf
Carlo Piemol en de twitterende president
Carlo Piemol en de Pedopride
Carlo Piemol en het wakkere dier
Carlo Piemol en het boerkaverbod
Carlo Piemol en de one-issue-partij
Carlo Piemol en de klimaatontkenning
Carlo Piemol en het pensioentekort
Stem boreaal, Carlo Piemol!
Carlo Piemol en het rekeningrijden
Carlo Piemol in Amsterdam
Carlo Piemol, de rechter en de hoogte van de opgelegde straf
Carlo Piemol en de zolderkamerautist
Carlo Piemol en de Marokkaanse gemeenschap
Carlo Piemol, de moraalridder
Carlo Piemol en het 2nd Amendment’

‘Nee,’ denkt Carlo Piemol hardop.
‘Dit zijn allemaal geen on-der-wer-pen
om mijn licht eens over te laten schij-nen.
Niet dat ze af-ge-zaagd zijn,
maar de le-zers gaan vast en ze-ker
e-norm uit de recht-se hoek en
on-ge-nu-an-ceerd
en on-barm-har-tig en
in-to-le-rant
en on-be-leefd re-a-ge-ren.
Ik zie het xe-no-fo-be ge-scheld
over gut-mensch, es-jee-wee,
deug-po-li-tiek, sneeuw-vlok-jes en
hy-po-crie-te land-ver-ra-ders
al weer voor me.
Dat wil ik voor-ko-men.
Dat zet maar kwaad bloed en
schept een be-den-ke-lijk pre-ce-dent.’

‘Nee!’ roept Carlo Piemol uit.
‘Dan kan ik maar beter
schrij-ven over wat mij waar-lijk
be-zig houdt in het hier en nu.
Ik weet al waar mijn stuk-je over gaat:
het wri-ter’s block!’

Dag Carlo Piemol!
Tot de vol-gen-de keer.
Veel succes met je ge-brek
aan in-spi-ra-tie.
Die vol-gen-de keer gewoon weer
over de nichtjes Tok en Tak, hoor.
En over hoe je hand te-keer gaat
op hun mooie zach-te bil-le-tjes:
‘Pitsepetsepatse!’
Want dat vindt ie-der-een leuk.
Niet dit soort link-se gut-mensch-ge-lul
als bo-ven-staan-de aids-bagger.


A-pel-doorn, au-gus-tus 2019

Dit is deeltje drieëntwintig in de Carlo Piemolserie.
Meer deeltjes zijn in voorbereiding.

• • •
 

08-08-2019

Negerinnenbillen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Zijn antwoord op mijn vraag verraste me. Toen ik een uur daarvoor het café binnenkwam, was ik al verbaasd om hem daar te treffen.
‘Ruud. Jij hier! Lang niet gezien.’ Zonder toestemming te vragen, was ik bij hem aan tafel gaan zitten. ‘Hoe gaat het?’
‘Je wilt het niet weten, Bas.’
‘Tuurlijk wel. Anders vraag ik er toch niet naar?’
‘Je weet zeker dat het niet van die geveinsde beleefdheid is?’
‘Ik weet het zeker. Eerlijk en oprecht wil ik weten hoe het met je gaat.’
‘Nou, vooruit.’

‘Het gaat.’
‘Tjonge. Daar word ik wijzer van.’
‘Eerst wat drinken, Bas. Roep jij die serveerster eens.’
‘Ik weet niet hoe ze heet.’
‘Ik ook niet. Vandaar dat ik het jou vroeg.’
Ruud zwaaide naar het meisje. ‘Krijg nou wat,’ zei hij. ‘Ze zag me. Dat doen vrouwen anders nooit.’
‘Wat mag het zijn?’ vroeg ze, terwijl ze dichter bij onze tafel kwam.
‘Voor mij water,’ antwoordde ik. ‘Plat.’
‘Ik bier. Van de tap.’
‘Vaasje doen?’ vroeg ze.
‘Doe maar een vaasje. En praat normaal.’ Ruud klonk geërgerd.
‘Vergeef hem, Karin,’ zei ik tegen het meisje. ‘Hij staat op het punt om mij te vertellen hoe het met hem gaat.’
‘Ik heet geen Karin,’ zei ze.
‘O pardon. Dan ben ik je naam kwijt.’
‘Het is Manuela.’
‘Sorry, Manuela.’
‘Een bier en een water. Komt eraan.’

We wachtten. Dat duurde niet lang.
‘Een bier en een water. Alstublieft.’
‘Dank je wel. Proost, Ruud.’
Ruud hief zijn glas. ‘Waar zal ik beginnen?’
‘Bij het begin.’
‘Schrijvers,’ zuchtte hij. ‘Tot hoe ver ben je op de hoogte?’
‘Je ging weg, dik drie jaar geleden. Kreeg een baan ergens in het buitenland.’
‘O.’
‘Vertel.’
Hij keek om zich heen, boog toen samenzweerderig over de tafel naar mij toe en begon zacht te spreken.

‘Niemand wist het. Ik had de droombaan. Steenrijk zou ik worden. Geen idee hoe dat bedrijf uit Venezuela bij mij was uitgekomen. Een sollicitatieprocedure was er niet. Geen gesprek, gewoon beginnen. Topsalaris. Ik hoefde alleen maar ‘ja’ te zeggen. En dat deed ik. Ik had een week de tijd om alles te regelen: huur opzeggen, spullen ergens opslaan, papieren in orde maken, afscheid nemen, noem het maar op. Het lukte. De vlucht was al geregeld, een taxi haalde me op en bracht me naar het vliegveld. Ken je dat televisieprogramma Ik vertrek? Daar leek het op. Waar of ik terecht zou komen, was me een groot raadsel.’
‘Lijkt me toch wel een gok, Ruud.’
‘Wat had ik te verliezen? Ik zat hier in dit kikkerland nergens aan vast. Had op dat moment geen baan of een relatie. Naaste familie heb ik niet, behalve een zus met wie het contact is verwaterd. En de lui uit de kroeg blijken vaak in werkelijkheid helemaal niet zulke goede vrienden te zijn.’
‘En bedankt.’
‘Grapje, Bas.’
‘Ga door. Hoe wist dat bedrijf dat jij zo goed bent in je vak?’
‘Kennelijk hadden ze online gevonden dat ik enorm deskundig was op het gebied van chips. Ik vroeg me wel af of ze in Venezuela geen IT’ers hadden; gasten die qua kennis en ervaring net zo competent zouden zijn op het gebied van informatietechnologie als ik en dan in het bijzonder hardware. Dat zou toch wel? Aan de andere kant: wat kon mij het schelen als ik een topsalaris kon krijgen? Want dat hadden ze me in het vooruitzicht gesteld. En niet alleen een salaris, ook een gratis verblijf in een villa met zwembad en personeel om dat zwembad te onderhouden. Toen ik op het vliegveld aankwam, werd ik opgehaald door een tweetal mannen in strak pak. Of ik wilde plaatsnemen in de limousine. Ik deed of het de normaalste zaak van de wereld was. Na een rit van vier uur door de bergen en dalen en hoogvlaktes zetten ze me af bij die villa. Ze overhandigden me de sleutel, zeiden dat ze me over twee dagen zouden ophalen voor het eerste overleg met de directie en taaiden af. Daar zat ik.’
‘Vreselijk, lijkt me dat.’
‘Vreselijk? Wat vreselijk was, dat moest nog komen. Maar laat ik niet vooruitlopen.’

Even was hij stil. Ik nam een slok van mijn water en wachtte tot Ruud verder ging.
‘Achteraf had ik in die twee dagen eens goed onderzoek moeten doen naar wat voor bedrijf het eigenlijk was, waarvoor ik ging werken. Had ik dat gedaan, dan had me dat een boel ellende gescheeld. Maar nee, ik was te zeer in mijn nopjes met de goed gevulde koelkast, het zwembad en de sauna. Al was die sauna niet eens nodig, want overdag buiten was het snikheet en benauwd.
Op de ochtend van de eerste dag: weer die limousine en de twee heren in het strakke pak. Ze brachten me naar en enorm kantoorgebouw ergens in het centrum van Caracas. Dat was een rit van drieënhalf uur! Afijn, op de twaalfhonderdzoveelste verdieping kom ik terecht in een enorm luxe kantoor en krijg ik een ontvangst van twaalf bobo’s en een opperdirecteur. Die sprak natuurlijk geen Engels en de twaalf bobo’s deden allemaal hopeloze pogingen om het allemaal te vertalen. Binnen twee minuten begreep ik dat het fout zat.
Het bleek een aardappelverwerkingsbedrijf. De Aviko van Venezuela, dat op zoek was naar een nieuw product. Bleek het om een heel andere soort chip te gaan. Precies: in het Engels is ‘chips’ patat of friet. Of ik ervaring had met chips die in de hitte krokant bleven. Ik trok wit weg en dat had ik beter niet kunnen doen; ik had het spelletje beter mee kunnen spelen, want hoe moeilijk kon het zijn om met die taalbarrière mij een weg naar buiten te bluffen? Ze hadden me door. Toen ik gerichte vragen kreeg, viel ik door de mand: ik wist niets van aardappelen. Tien minuten later zat ik opnieuw in de limousine, die me terugbracht naar de villa. Daar kreeg ik vijf minuten om mijn koffer te pakken. Denk maar niet dat die twee strakke pakken me terugbrachten naar het vliegveld. Ik zag de stofwolken die de limousine veroorzaakte bij het wegrijden steeds kleiner worden.
Ik stond op straat. Naast een lege villa ergens op een hoogvlakte in Venezuela. Geen vervoer, geen eten, geen geld, geen beltegoed. En natuurlijk geen hond te bekennen daaro. Ik liep de weg maar af, wat moest ik anders? Weet jij hoe groot een hoogvlakte is? En weet jij hoe koud het er ’s nachts is? Ik had natuurlijk alleen maar luchtige kleding in mijn koffer. Ook al trok ik alles tegelijk aan, ik bevroor bijna. Pas na anderhalve dag kwam ik een mens tegen. Ja, ik mocht meerijden achter op zijn paard en wagen en na een uur al kwamen we in de buitenwijken van een of andere stad. Ook daar geen pinautomaat. Zie dan maar eens een lift naar de bewoonde wereld te krijgen. Het betekende dat ik moest werken voor de kost. Bij een boer kon ik helpen met knollen oogsten. Geen leuk werk; zat ik met mijn klauwen in de knalharde grond alsnog met een soort aardappelen opgescheept. Ik kreeg kost en inwoning, maar daardoor was het loon erg laag en duurde het twee weken voor ik genoeg geld gespaard had om een kaartje voor de bus te kopen.
Ken je Caracas? Vreselijke stad. Crimineel ook. Ik was de bus nog niet uit gestapt, of mijn koffer was gejat. Op de hoek van een straat, tussen twee wolkenkrabbers in, stond ik het zweet van mijn voorhoofd te wissen en weg was-ie. Ik zag ‘m achter een of andere pief aan hobbelen, die ermee wegrende. Ik erachteraan, natuurlijk. Alle aandacht bij de dief en zo zag ik bij het oversteken van de drukke straat die grote propvolle stadsbus niet aan komen razen. Na vier dagen werd ik wakker in het ziekenhuis. Ik was niet alleen mijn koffer kwijt, maar ook mijn portemonnee met alles erin. Bankpas, reispapieren, paspoort. Tja, het personeel van het ziekenhuis bleek niet heel zuiver. Daarnaast miste ik mijn rechterbeen.’
O, dat was me nog helemaal niet opgevallen. Toen ik hier binnen kwam, zat Ruud al aan tafel. Nu pas zag ik de twee krukken achter hem tegen de muur staan.

‘Nog geen week later stond ik weer op straat. Met alleen de kleren die ik aan had en die twee krukken.’
‘Uitzichtloos, lijkt me dat.’
‘Die twee krukken had ik meegejat uit het ziekenhuis. Ik kon er geen betalen en op een been kun je niet lopen. Althans, ik niet. Hoe kwam ik terug naar de andere kant van de oceaan? Hoe kwam ik aan geld? Een baan zoeken? Wat dan? De werkgelegenheid in Venezuela bleek niet voor het oprapen. En dus ging ik doen wat velen doen: op de drukke plekken waar de vele toeristen komen op de grond zitten met een bekertje voor me. En dan maar zielig kijken en hopen dat iemand er iets in zou doen. Kon ik nou maar gitaarspelen of mondharmonica. Maar ja, ik had geeneens geld voor een gitaar of mondharmonica, laat staan dat ik les kon nemen op het ding te leren bespelen. Het weinige geld dat ik aan het eind van de dag in mijn bekertje vond, daarvan kon ik maar net eten kopen. Slapen deed ik op straat, onder bomen en banken en dozen. Het geld dat ik wel kon sparen, bewaarde ik zorgvuldig in een zakje dat om mijn hals hing.
Drie jaar duurde het voordat ik zo veel geld had, dat ik de gok durfde te wagen. Ik liftte naar het noorden, naar Maiquetia aan de kust. Vanaf daar vond ik een boot naar Puerto la Cruz, een internationale havenstad. Een vliegticket was niet te doen, maar met een vrachtschip mee naar Europa, dat kon ik met mijn paar centen wel betalen. Moest ik me wel nuttig maken aan boord. Nou, ik kon niks. Aardappels schillen, dat wel. Dat deed ik dus maar. Zat ik weer met die aardappelen.
Na een week of wat kwamen we aan in Porto. Daar was mijn geld op. Afwisselend liftte ik en reed ik zwart met bus of trein. Zo kwam ik stukje voor stukje via Madrid, Barcelona, Lyon, Parijs en Brussel in Amsterdam. Op Amsterdam Centraal kijkt helemaal niemand gek op als er een eenbenige met iemand anders door de poortjes van de internationale trein naar de nationale perrons heen hinkt. In de trein naar Apeldoorn sloot ik me op in het toilet. Toen ik hier op het station aankwam heb ik wat mensen gevraagd om geld. Ik kreeg van iemand een euro en van een ander twee. Ik liep de stad in en kwam daarnet deze kroeg tegen. Die drie euro is hoop ik net genoeg voor dit biertje.’

‘Heel verhaal,’ zei ik. Mijn glas water was bijna leeg. Ruud had al die tijd geen slok van zijn bier genomen. Ik vroeg: ‘En hoe ziet het er nu voor je uit? Wat zijn je plannen? Waar denk je nu aan?’
‘Ik? Waar ik aan denk?’ Ruud keek me indringend in de ogen. Hij zuchtte diep en zei: ‘Negerinnenbillen.’


Apeldoorn, augustus 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

25-07-2019

De stem

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

De stem is niet specifiek mannelijk of vrouwelijk, ook niet hard of zacht. Ze klinkt wel wat fluisterend en dat maakt haar minstens zo indringend. Hij ontkomt er niet aan, wat hij ook doet. Hij kan zijn hoofd schudden om alle prikkels van buitenaf kwijt te raken, zich in immense menigten begeven of de modernste hoofdtelefoons opzetten: niets helpt.
Hij staat in een kledingwinkel. Om hem heen zijn jongelui bezig hippe kleding uit te zoeken, al dan niet geadviseerd door een gladde verkoper. De opdringerige muziek beukt in zijn kop. Zijn wereld draait. Hij gaat naar buiten. Daar lijkt het stil. Maar ze is er nog steeds. ‘Ik wil dat je luistert, Ronald.’

– is maar wat je wilt. Jij wilt het toch ook? Het beste? Het allerbeste is nooit goed genoeg. Je weet nog van het licht, hoe ze helpt, hoe ze haar heeft geholpen. Haar en haar hond, allebei geholpen door de kracht, de kracht van het licht. Onderschat jouw rol niet, dit is jouw taak. Jij helpt mee aan de opl – erug in de sneeuw. Koud, d – k dat. Maak je geen zorgen, het komt goed. Met haar kwam het toch ook goed? Ze is niet alleen, heus niet. Haar hond is bij haar. Je deed het goed. Je weet de noodzaak van – een moment, maar. De geschiedenis herhaalt zich en waarom ook niet? Vroeg of laat leren ze ervan en zo lang ze er nog niet van leren, moeten wij, moet jij, moet –

Ronald Haamschaar kijkt om naar de winkel. Voor hem was er niets te halen. Op straat de drukte van belang. Hij begeeft zich naar de rand, al weet hij niet goed waarvan. Het stormt, maar niet buiten op straat. Hier, een steeg. Geen mens. Wel donkere gevels. Daar een parkje. En een bank. Hij gaat zitten, doodmoe. Hijgend laat hij zijn hoofd hangen. Dit is zwaar, weet hij. Heel zwaar. De deadline vreet hem op. Hij krijgt het benauwd, knoopt zijn regenjas open en trekt zijn stropdas losser. Er komt iemand langs. Een man staat stil en kijkt naar hem.
‘Gaat het goed met u?’ vraagt de man.
Ronald knikt. Hij weet dat het gaat, maar of het goed of slecht is, dat weet hij niet. ‘Het gaat,’ zegt hij.
‘Mooi,’ zegt de man. ‘Ik maakte me zorgen. Nou, ik wens u nog een fijne dag.’
Ronald zegt niets. De man loopt weg. Ronald kijkt hem niet na. Haalt diep adem. Wat had hij moeten doen? Ook niets. Nog eens zuchten. Dan even de ogen sluiten en wachten op wat gaat komen.

– het niet de eerste keer en zeker niet de laatste zou zijn. De man bij het raam, weet je het weer? – lgens de afspraak. Een pose en iets donkers op haar af. Pijn, veel pijn doemde op uit de mist – nt. Want van wie was de hit My Sharona ook weer? Ik za – komen. Zeg me dat je de deadline haalt, zeg het. Laat me niet in de steek, je zult niet slapen voordat, alleen dan krijg je rust, je moet het halen, slechts jij kan het en dat wee – e neus voor ophaalt. Spijt krijg je niet, nooit. Ook al is het onomkeerbaar en past het niet in de gewoontes en gebruiken van jouw huidige wereld, uiteindelijk gaat het om het goede en zul je een en al voldoeni – – aarachtig –

– geruis. Hij kijkt op. Van links. Of nee, de andere kant. Achteren? Langs het parkje loopt een pad. Zwetend staat hij op en volgt het. Langs de kant van de klinkers is gras. Te groen. Wat verderop lijkt nevel, maar als hij dichterbij komt is het weg. Komt het pad weer op een grote weg? Kan hij nog afslaan? Hier, rechts. Een achterom. Het is klaarlichte dag en toch lijkt het al donker. Waar komt het geluid vandaan? Wat hoort hij? Wat zegt het? Het zegt iets. Woorden, een en al woorden, zinnen en klanken. Ze manen, ze overstemmen, ze overweldigen. Ronald Haamschaar loopt te rillen. Hij wil de lederen tas in zijn hand tegen de lantarnpalen slaan. Hij wil van zich afschreeuwen dat het moet stoppen, hij wil het de nek omdraaien en hij wil zich er volkomen aan overgeven. Even lijkt hij door de knieën te zakken, maar hij blijft overeind. Licht zwalkend zet hij zijn weg voort. Het smalle paadje komt uit op een drukke weg. Voorbijrazend verkeer van links en rechts. Geen oversteekplaats en toch –

– erg genoeg. Haha, wen er maar aan. Je weet nooit hoe – eraan, allemaal. Vroeg of laat. Ze ontkomen niet. Hoor je me? Het eind is nog niet in zicht. Nog h – og verstrekkende g – ft. Zeg niet dat het niet kan. Je begrijpt de noodzaak, toch? Laat het dan ook; leg het n – van binnen. Sla geen acht op de onrust, weet dat het uiteindelijk w – zoals die man, die zich liet verleiden tot het kwaad, hij viel ten p – oor hem de eeuwige onrust, de tergende onzekerhe – et deinende waterbed, de steek in een borst, het strottenhoofd dat verbrijzelt, de verlossing – , het bedrag is altijd te laag, de prijs immer te hoog – en de woorden die klinken, de woorden –

– is het gelukt om aan de overkant te komen. Kent hij het hier? Ja, hier is hij geweest. Buiten adem kijkt hij naar de verte. Daar, achter die paar bomen, daar is de vaart. Nu nog er zien te komen. Het is vooruit, maar daar kan hij niet heen. Prikkeldraad. Zo onschendbaar is hij niet. Ben ik verward? vraagt hij zich af. Het lijkt erop, maar ik weet wat ik moet doen. ik weet waar mijn toekomst ligt. Langzaam maakt een nieuw soort zelfverzekerdheid zich van hem meester. Het voelt goed. Een warme gloed drenkt door zijn lijf. Ronald Haamschaar zucht en weet het. Hem rest niets anders dan te luisteren naar de stem.


Apeldoorn, juni 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »