bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

05-09-2019

Lotgenoten (0021)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Au, mijn klauw (5)

‘Met Langereis.’
‘Met dokter [kaniknietverstaan], goedemorgen.’
‘Goedemorgen.’
‘Ik ben de reumatologe. U was een paar weken geleden bij mij ter consult.’
‘Jazeker.’
‘Ik zou u nog even terugbellen.’
‘Klopt.’
‘Hoe is het de afgelopen weken gegaan?’
‘Nou, de eerste dagen had ik heel veel pijn aan de vinger. Dat was pijn van de spuit die u heeft gezet. Daarna was mijn middelvinger een paar dagen erg opgezwollen en gespannen. Daar had ik veel last van bij het bewegen.’
‘Hoe is het nu met de zwelling op het gewricht?’
‘Eigenlijk is het pas de laatste paar dagen dat ik er niets meer van merk. Ik vertelde dat ik een toetsenbordbaan heb. Na een tijdje intensief bewegen van mijn vingers was het altijd pijnlijk. Nu is dat veel minder.’
‘Kunnen we zeggen dat u er baat bij heeft gehad?’
‘Daar lijkt het wel op, ja.’
‘We kunnen de andere vingers ook behandelen, als u dat wilt. Nogmaals: het wil niet zeggen dat het blijvend weg is. Bij sommige patiënten komt het na een tijdje terug; bij anderen gaat het goed, die hebben er geen last meer van.’
‘… eh …’
‘Zegt u: ik wil de andere vingers ook behandelen of laat u het zoals het is?’
Dat zeg ik helemaal niet. Ik zeg: ‘Als het effect net zo goed is als bij deze vinger, laten we het dan doen.’
‘Dus u wilt de andere vinger ook behandeld?’
‘Ja, als dat zou kunnen.’
‘Ik zou aanstaande dinsdag kunnen. Dan heb ik nog een gaatje.’
‘Hmm, dat komt mij niet zo goed uit. Een woensdag of vrijdag is voor mij altijd handig.’
‘Ik werk op woensdag niet en vrijdags ben ik in een ander ziekenhuis. De week erop op dinsdag?’
‘Dan ben ik een paar dagen op vakantie. De dinsdag erna?’
‘Dan ben ik weer weg. Ik laat het secretariaat een afspraak maken, is dat goed?’
‘Dat lijkt me prima. Krijg ik dan een uitnodiging?’
‘Ja, dat gaat altijd per brief.’
‘Fijn. Dan zie ik u over een paar weken.’
‘Dank voor de moeite. Tot ziens.’

‘Wat zit jij daar nou wit weggetrokken?’
‘Ik had net de reumatologe aan de lijn, schat.’
‘En?’
‘Ik mag nog een keer bij haar terug komen.’
‘En dan? Je zit erbij alsof ze de je hele hand gaat afhakken.’
‘Nou, dat nog net niet.’
‘Maar?’
‘Ze gaat de andere vingers ook behandelen. Net als deze.’
‘Die spuit in je middelvinger was dus geslaagd?’
‘Ja. Ik vertelde dat ik er nu veel minder pijn aan heb en dat de zwelling nagenoeg weg is.’
‘Ik zie het. Maar deze vinger hier …’
‘Au.’
‘… en deze …’
‘Au!’
‘… en hier zit een verdikking …’
‘AU!’
‘… en hier begint ook al iets.’
‘Dat was wat artrose, zei ze.’
‘Oei, dat komt dan niet meer goed.’
‘O.’
‘En wat gaat ze nou doen aan die vingers?’
‘Ik krijg er een spuit in.’
‘In deze allemaal?’
‘Au. Au! AU!’
‘Nu snap ik waarom je hier zo wit zit weggetrokken.’

‘Gaat het wel goed met je?’ vroeg De Vrouw.
‘Beetje slecht geslapen,’ zei ik.
‘Wil je dat ik met je mee ga? Hoe laat moet je er morgen zijn?’
‘Kwart voor negen. Acht uur op de fiets zitten, dus.’
‘En hoe lang duurt het?’
‘Geen idee. Drie spuiten, misschien vier. Half uur? Ik zeg maar wat.’
‘Hoe laat zijn we dan weer terug?’
‘Reken op tien uur. Jij wilde een dagje weg; hoe laat gaat je bus?’
‘Ik had half tien gepland. Maar als jij wilt dat ik met je mee ga, dan ga ik wat later.’
‘Kijk maar wat voor jou het handigst is.’
‘Wil je dat ik met je mee ga?’
‘Niet per se, als het voor jou niet zo goed uitkomt.’
‘Zie je ertegenop?’
‘Waar tegenop? Dat je mee gaat?’
‘Nee, tegen die behandeling? Al die spuiten in je handen?’
‘Nog niet. Als het effect net zo goed is als dat het bij die ene vinger is gegaan, dan weet ik wat ik kan verwachten.’
‘Laat eens zien. Die bult is nu helemaal weg, hè?’
‘En ik heb er ook helemaal geen pijn meer aan, nu.’
‘Dat was in het begin toch anders?’
‘Nogal.’
‘Je zit hier weer aardig wit weg te trekken. Ik ga met je mee.’

‘Ben je nu zelfs aan het huilen?’
‘Tegenwind!’ kon ik uitbrengen.
‘Maar goed dat ik je kan bijstaan.’ Op haar elektrische fiets reed ze ver voor me uit.

‘Goedemorgen. Kom verder.’
Ik ging zitten. De Vrouw zat naast me.
‘Nou, laat eens kijken. Ja, dat ziet er heel mooi uit. Mooi rustig.’
‘Sinds ons telefoongesprek is het alleen nog maar beter geworden. Het is nu ook helemaal niet pijnlijk meer, ook niet na wat langere inspanning.’
‘Kijk aan, dan gaan we ’s kijken naar de andere vinger.’
‘Hier op de pink zit de grootste verdikking.’
‘Ja, dat zie ik.’ Ze nam mijn pink in haar handen en liet hem zachtjes door haar eigen vingers glijden. ‘Ja, hier kun je het duidelijk zien,’ zei ze. Ze keek mij en vervolgens De Vrouw aan. ‘Het is een aangroei van bindweefsel op het gewricht. Komt veel voor bij mensen die veel en langdurig met hun handen werken. Denk aan mecaniciens en zo. De behandeling werkt in veel gevallen goed, maar bij anderen kan het weer terugkomen.’
‘Na hoe veel tijd is dat doorgaans?’ vroeg ik.
‘Tja, de een krijgt het na jaren, de ander helemaal niet.’
‘Ik bedoelde dat het weer terug kan komen. Hoe lang werkt de behandeling?’
‘Dat is bij iedereen anders.’
‘Daar was ik al bang voor,’ grimlachte ik.
‘Nou, zullen we dan maar?’ vroeg ze.
‘Vooruit,’ zei ik. ‘Deze pink is wel duidelijk, maar er zitten hier ook verdikkingen.’ Ik wees op de wijsvinger van mijn rechterhand en op mijn ringvinger en pink van de linkerhand.
‘Het lijkt erop dat het ’t zelfde is,’ zei ze. Zachtjes betastte ze mijn vingers. ‘Maar het is nog niet aan de orde. Dit hier is artrose.’ Ze wees op de ringvinger.
‘O?’
‘Ja, dus het gaat nu alleen om de pink. Ik maak de injectie even klaar.’ Ze stond op, haalde uit de kamer achter haar de spulletjes en ging weer zitten.
Ik legde mijn hand weer in de hare en keek naar De Vrouw.
‘Zo. Daar komt-ie, hoor.’
Het uitzicht was mooi en verrek, de pijn viel me mee.
‘Zo, dat was het alweer.’
Ik keek. Ze had er al een pleister omheen gedaan.
‘Vandaag weer even rustig aan doen ermee. Als er te veel druk op komt, dan zoekt de vloeistof een weg naar buiten en dan loopt het er door het prikgaatje weer uit.’
Ach zo. We stonden op, schudden haar hand en liepen naar buiten. Op de gang hing een klok. Wel vier minuten waren we binnen geweest. Dit had ik ook wel alleen af gekund, want ik had maar een heel klein beetje au aan mijn klauw. Ik had me weer druk gemaakt om niks.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, augustus 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

22-08-2019

Carlo Piemol en het writer’s block

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Carlo Piemol zit achter zijn com-pu-ter.
De dead-line van zijn stukje komt eraan.
Carlo Piemol weet niet wat hij moet typen.
Hij heeft gebrek aan in-spi-ra-tie.

Een leerzaam verhaal over een writer’s block.




Carlo Piemol zit achter zijn com-pu-ter.
Nee, niet echt er-achter.
Als dat zo was,
dan zat hij klem
tussen de com-pu-ter en de muur.
In wer-ke-lijk-heid zit Carlo Piemol
vóór de com-pu-ter.
Maar toch noem je dat zo,
in al-ge-meen da-ge-lijks taal-ge-bruik:
achter de com-pu-ter.
Neem niet alles zo let-ter-lijk.

Carlo Piemol zucht.
De tijd dringt.
Morgen moet zijn verhaal af zijn.
Dan moet de re-dac-tie het hebben.
Altijd lastig, die dead-line.
Want waar moet Carlo Piemol
in ’s he-mels-naam over schrij-ven?
Carlo Piemol heeft geen idee.
Hoe noem je dat ook weer
als je geen in-spi-ra-tie
hebt om een zin-nig ar-ti-kel te maken?

Carlo Piemol zweet.
De druk wordt hem bijna te veel.
Weet je wat? denkt hij,
soms is een blik
op mijn lijst met mo-ge-lijke ti-tels
al vol-doen-de voor een idee.
In het ar-chief vindt hij de lijst.
Zijn vin-ger gaat van bo-ven naar be-ne-den.
Hardop leest hij de ti-tels voor:

‘Carlo Piemol en de verdronken migrant
Carlo Piemol en het openbaar vervoer
Carlo Piemol en de Europese Commissie
Carlo Piemol en de mis-lei-den-de re-cla-me
Carlo Piemol en de taakstraf
Carlo Piemol en de twitterende president
Carlo Piemol en de Pedopride
Carlo Piemol en het wakkere dier
Carlo Piemol en het boerkaverbod
Carlo Piemol en de one-issue-partij
Carlo Piemol en de klimaatontkenning
Carlo Piemol en het pensioentekort
Stem boreaal, Carlo Piemol!
Carlo Piemol en het rekeningrijden
Carlo Piemol in Amsterdam
Carlo Piemol, de rechter en de hoogte van de opgelegde straf
Carlo Piemol en de zolderkamerautist
Carlo Piemol en de Marokkaanse gemeenschap
Carlo Piemol, de moraalridder
Carlo Piemol en het 2nd Amendment’

‘Nee,’ denkt Carlo Piemol hardop.
‘Dit zijn allemaal geen on-der-wer-pen
om mijn licht eens over te laten schij-nen.
Niet dat ze af-ge-zaagd zijn,
maar de le-zers gaan vast en ze-ker
e-norm uit de recht-se hoek en
on-ge-nu-an-ceerd
en on-barm-har-tig en
in-to-le-rant
en on-be-leefd re-a-ge-ren.
Ik zie het xe-no-fo-be ge-scheld
over gut-mensch, es-jee-wee,
deug-po-li-tiek, sneeuw-vlok-jes en
hy-po-crie-te land-ver-ra-ders
al weer voor me.
Dat wil ik voor-ko-men.
Dat zet maar kwaad bloed en
schept een be-den-ke-lijk pre-ce-dent.’

‘Nee!’ roept Carlo Piemol uit.
‘Dan kan ik maar beter
schrij-ven over wat mij waar-lijk
be-zig houdt in het hier en nu.
Ik weet al waar mijn stuk-je over gaat:
het wri-ter’s block!’

Dag Carlo Piemol!
Tot de vol-gen-de keer.
Veel succes met je ge-brek
aan in-spi-ra-tie.
Die vol-gen-de keer gewoon weer
over de nichtjes Tok en Tak, hoor.
En over hoe je hand te-keer gaat
op hun mooie zach-te bil-le-tjes:
‘Pitsepetsepatse!’
Want dat vindt ie-der-een leuk.
Niet dit soort link-se gut-mensch-ge-lul
als bo-ven-staan-de aids-bagger.


A-pel-doorn, au-gus-tus 2019

Dit is deeltje drieëntwintig in de Carlo Piemolserie.
Meer deeltjes zijn in voorbereiding.

• • •
 

08-08-2019

Negerinnenbillen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Zijn antwoord op mijn vraag verraste me. Toen ik een uur daarvoor het café binnenkwam, was ik al verbaasd om hem daar te treffen.
‘Ruud. Jij hier! Lang niet gezien.’ Zonder toestemming te vragen, was ik bij hem aan tafel gaan zitten. ‘Hoe gaat het?’
‘Je wilt het niet weten, Bas.’
‘Tuurlijk wel. Anders vraag ik er toch niet naar?’
‘Je weet zeker dat het niet van die geveinsde beleefdheid is?’
‘Ik weet het zeker. Eerlijk en oprecht wil ik weten hoe het met je gaat.’
‘Nou, vooruit.’

‘Het gaat.’
‘Tjonge. Daar word ik wijzer van.’
‘Eerst wat drinken, Bas. Roep jij die serveerster eens.’
‘Ik weet niet hoe ze heet.’
‘Ik ook niet. Vandaar dat ik het jou vroeg.’
Ruud zwaaide naar het meisje. ‘Krijg nou wat,’ zei hij. ‘Ze zag me. Dat doen vrouwen anders nooit.’
‘Wat mag het zijn?’ vroeg ze, terwijl ze dichter bij onze tafel kwam.
‘Voor mij water,’ antwoordde ik. ‘Plat.’
‘Ik bier. Van de tap.’
‘Vaasje doen?’ vroeg ze.
‘Doe maar een vaasje. En praat normaal.’ Ruud klonk geërgerd.
‘Vergeef hem, Karin,’ zei ik tegen het meisje. ‘Hij staat op het punt om mij te vertellen hoe het met hem gaat.’
‘Ik heet geen Karin,’ zei ze.
‘O pardon. Dan ben ik je naam kwijt.’
‘Het is Manuela.’
‘Sorry, Manuela.’
‘Een bier en een water. Komt eraan.’

We wachtten. Dat duurde niet lang.
‘Een bier en een water. Alstublieft.’
‘Dank je wel. Proost, Ruud.’
Ruud hief zijn glas. ‘Waar zal ik beginnen?’
‘Bij het begin.’
‘Schrijvers,’ zuchtte hij. ‘Tot hoe ver ben je op de hoogte?’
‘Je ging weg, dik drie jaar geleden. Kreeg een baan ergens in het buitenland.’
‘O.’
‘Vertel.’
Hij keek om zich heen, boog toen samenzweerderig over de tafel naar mij toe en begon zacht te spreken.

‘Niemand wist het. Ik had de droombaan. Steenrijk zou ik worden. Geen idee hoe dat bedrijf uit Venezuela bij mij was uitgekomen. Een sollicitatieprocedure was er niet. Geen gesprek, gewoon beginnen. Topsalaris. Ik hoefde alleen maar ‘ja’ te zeggen. En dat deed ik. Ik had een week de tijd om alles te regelen: huur opzeggen, spullen ergens opslaan, papieren in orde maken, afscheid nemen, noem het maar op. Het lukte. De vlucht was al geregeld, een taxi haalde me op en bracht me naar het vliegveld. Ken je dat televisieprogramma Ik vertrek? Daar leek het op. Waar of ik terecht zou komen, was me een groot raadsel.’
‘Lijkt me toch wel een gok, Ruud.’
‘Wat had ik te verliezen? Ik zat hier in dit kikkerland nergens aan vast. Had op dat moment geen baan of een relatie. Naaste familie heb ik niet, behalve een zus met wie het contact is verwaterd. En de lui uit de kroeg blijken vaak in werkelijkheid helemaal niet zulke goede vrienden te zijn.’
‘En bedankt.’
‘Grapje, Bas.’
‘Ga door. Hoe wist dat bedrijf dat jij zo goed bent in je vak?’
‘Kennelijk hadden ze online gevonden dat ik enorm deskundig was op het gebied van chips. Ik vroeg me wel af of ze in Venezuela geen IT’ers hadden; gasten die qua kennis en ervaring net zo competent zouden zijn op het gebied van informatietechnologie als ik en dan in het bijzonder hardware. Dat zou toch wel? Aan de andere kant: wat kon mij het schelen als ik een topsalaris kon krijgen? Want dat hadden ze me in het vooruitzicht gesteld. En niet alleen een salaris, ook een gratis verblijf in een villa met zwembad en personeel om dat zwembad te onderhouden. Toen ik op het vliegveld aankwam, werd ik opgehaald door een tweetal mannen in strak pak. Of ik wilde plaatsnemen in de limousine. Ik deed of het de normaalste zaak van de wereld was. Na een rit van vier uur door de bergen en dalen en hoogvlaktes zetten ze me af bij die villa. Ze overhandigden me de sleutel, zeiden dat ze me over twee dagen zouden ophalen voor het eerste overleg met de directie en taaiden af. Daar zat ik.’
‘Vreselijk, lijkt me dat.’
‘Vreselijk? Wat vreselijk was, dat moest nog komen. Maar laat ik niet vooruitlopen.’

Even was hij stil. Ik nam een slok van mijn water en wachtte tot Ruud verder ging.
‘Achteraf had ik in die twee dagen eens goed onderzoek moeten doen naar wat voor bedrijf het eigenlijk was, waarvoor ik ging werken. Had ik dat gedaan, dan had me dat een boel ellende gescheeld. Maar nee, ik was te zeer in mijn nopjes met de goed gevulde koelkast, het zwembad en de sauna. Al was die sauna niet eens nodig, want overdag buiten was het snikheet en benauwd.
Op de ochtend van de eerste dag: weer die limousine en de twee heren in het strakke pak. Ze brachten me naar en enorm kantoorgebouw ergens in het centrum van Caracas. Dat was een rit van drieënhalf uur! Afijn, op de twaalfhonderdzoveelste verdieping kom ik terecht in een enorm luxe kantoor en krijg ik een ontvangst van twaalf bobo’s en een opperdirecteur. Die sprak natuurlijk geen Engels en de twaalf bobo’s deden allemaal hopeloze pogingen om het allemaal te vertalen. Binnen twee minuten begreep ik dat het fout zat.
Het bleek een aardappelverwerkingsbedrijf. De Aviko van Venezuela, dat op zoek was naar een nieuw product. Bleek het om een heel andere soort chip te gaan. Precies: in het Engels is ‘chips’ patat of friet. Of ik ervaring had met chips die in de hitte krokant bleven. Ik trok wit weg en dat had ik beter niet kunnen doen; ik had het spelletje beter mee kunnen spelen, want hoe moeilijk kon het zijn om met die taalbarrière mij een weg naar buiten te bluffen? Ze hadden me door. Toen ik gerichte vragen kreeg, viel ik door de mand: ik wist niets van aardappelen. Tien minuten later zat ik opnieuw in de limousine, die me terugbracht naar de villa. Daar kreeg ik vijf minuten om mijn koffer te pakken. Denk maar niet dat die twee strakke pakken me terugbrachten naar het vliegveld. Ik zag de stofwolken die de limousine veroorzaakte bij het wegrijden steeds kleiner worden.
Ik stond op straat. Naast een lege villa ergens op een hoogvlakte in Venezuela. Geen vervoer, geen eten, geen geld, geen beltegoed. En natuurlijk geen hond te bekennen daaro. Ik liep de weg maar af, wat moest ik anders? Weet jij hoe groot een hoogvlakte is? En weet jij hoe koud het er ’s nachts is? Ik had natuurlijk alleen maar luchtige kleding in mijn koffer. Ook al trok ik alles tegelijk aan, ik bevroor bijna. Pas na anderhalve dag kwam ik een mens tegen. Ja, ik mocht meerijden achter op zijn paard en wagen en na een uur al kwamen we in de buitenwijken van een of andere stad. Ook daar geen pinautomaat. Zie dan maar eens een lift naar de bewoonde wereld te krijgen. Het betekende dat ik moest werken voor de kost. Bij een boer kon ik helpen met knollen oogsten. Geen leuk werk; zat ik met mijn klauwen in de knalharde grond alsnog met een soort aardappelen opgescheept. Ik kreeg kost en inwoning, maar daardoor was het loon erg laag en duurde het twee weken voor ik genoeg geld gespaard had om een kaartje voor de bus te kopen.
Ken je Caracas? Vreselijke stad. Crimineel ook. Ik was de bus nog niet uit gestapt, of mijn koffer was gejat. Op de hoek van een straat, tussen twee wolkenkrabbers in, stond ik het zweet van mijn voorhoofd te wissen en weg was-ie. Ik zag ‘m achter een of andere pief aan hobbelen, die ermee wegrende. Ik erachteraan, natuurlijk. Alle aandacht bij de dief en zo zag ik bij het oversteken van de drukke straat die grote propvolle stadsbus niet aan komen razen. Na vier dagen werd ik wakker in het ziekenhuis. Ik was niet alleen mijn koffer kwijt, maar ook mijn portemonnee met alles erin. Bankpas, reispapieren, paspoort. Tja, het personeel van het ziekenhuis bleek niet heel zuiver. Daarnaast miste ik mijn rechterbeen.’
O, dat was me nog helemaal niet opgevallen. Toen ik hier binnen kwam, zat Ruud al aan tafel. Nu pas zag ik de twee krukken achter hem tegen de muur staan.

‘Nog geen week later stond ik weer op straat. Met alleen de kleren die ik aan had en die twee krukken.’
‘Uitzichtloos, lijkt me dat.’
‘Die twee krukken had ik meegejat uit het ziekenhuis. Ik kon er geen betalen en op een been kun je niet lopen. Althans, ik niet. Hoe kwam ik terug naar de andere kant van de oceaan? Hoe kwam ik aan geld? Een baan zoeken? Wat dan? De werkgelegenheid in Venezuela bleek niet voor het oprapen. En dus ging ik doen wat velen doen: op de drukke plekken waar de vele toeristen komen op de grond zitten met een bekertje voor me. En dan maar zielig kijken en hopen dat iemand er iets in zou doen. Kon ik nou maar gitaarspelen of mondharmonica. Maar ja, ik had geeneens geld voor een gitaar of mondharmonica, laat staan dat ik les kon nemen op het ding te leren bespelen. Het weinige geld dat ik aan het eind van de dag in mijn bekertje vond, daarvan kon ik maar net eten kopen. Slapen deed ik op straat, onder bomen en banken en dozen. Het geld dat ik wel kon sparen, bewaarde ik zorgvuldig in een zakje dat om mijn hals hing.
Drie jaar duurde het voordat ik zo veel geld had, dat ik de gok durfde te wagen. Ik liftte naar het noorden, naar Maiquetia aan de kust. Vanaf daar vond ik een boot naar Puerto la Cruz, een internationale havenstad. Een vliegticket was niet te doen, maar met een vrachtschip mee naar Europa, dat kon ik met mijn paar centen wel betalen. Moest ik me wel nuttig maken aan boord. Nou, ik kon niks. Aardappels schillen, dat wel. Dat deed ik dus maar. Zat ik weer met die aardappelen.
Na een week of wat kwamen we aan in Porto. Daar was mijn geld op. Afwisselend liftte ik en reed ik zwart met bus of trein. Zo kwam ik stukje voor stukje via Madrid, Barcelona, Lyon, Parijs en Brussel in Amsterdam. Op Amsterdam Centraal kijkt helemaal niemand gek op als er een eenbenige met iemand anders door de poortjes van de internationale trein naar de nationale perrons heen hinkt. In de trein naar Apeldoorn sloot ik me op in het toilet. Toen ik hier op het station aankwam heb ik wat mensen gevraagd om geld. Ik kreeg van iemand een euro en van een ander twee. Ik liep de stad in en kwam daarnet deze kroeg tegen. Die drie euro is hoop ik net genoeg voor dit biertje.’

‘Heel verhaal,’ zei ik. Mijn glas water was bijna leeg. Ruud had al die tijd geen slok van zijn bier genomen. Ik vroeg: ‘En hoe ziet het er nu voor je uit? Wat zijn je plannen? Waar denk je nu aan?’
‘Ik? Waar ik aan denk?’ Ruud keek me indringend in de ogen. Hij zuchtte diep en zei: ‘Negerinnenbillen.’


Apeldoorn, augustus 2019

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

25-07-2019

De stem

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

De stem is niet specifiek mannelijk of vrouwelijk, ook niet hard of zacht. Ze klinkt wel wat fluisterend en dat maakt haar minstens zo indringend. Hij ontkomt er niet aan, wat hij ook doet. Hij kan zijn hoofd schudden om alle prikkels van buitenaf kwijt te raken, zich in immense menigten begeven of de modernste hoofdtelefoons opzetten: niets helpt.
Hij staat in een kledingwinkel. Om hem heen zijn jongelui bezig hippe kleding uit te zoeken, al dan niet geadviseerd door een gladde verkoper. De opdringerige muziek beukt in zijn kop. Zijn wereld draait. Hij gaat naar buiten. Daar lijkt het stil. Maar ze is er nog steeds. ‘Ik wil dat je luistert, Ronald.’

– is maar wat je wilt. Jij wilt het toch ook? Het beste? Het allerbeste is nooit goed genoeg. Je weet nog van het licht, hoe ze helpt, hoe ze haar heeft geholpen. Haar en haar hond, allebei geholpen door de kracht, de kracht van het licht. Onderschat jouw rol niet, dit is jouw taak. Jij helpt mee aan de opl – erug in de sneeuw. Koud, d – k dat. Maak je geen zorgen, het komt goed. Met haar kwam het toch ook goed? Ze is niet alleen, heus niet. Haar hond is bij haar. Je deed het goed. Je weet de noodzaak van – een moment, maar. De geschiedenis herhaalt zich en waarom ook niet? Vroeg of laat leren ze ervan en zo lang ze er nog niet van leren, moeten wij, moet jij, moet –

Ronald Haamschaar kijkt om naar de winkel. Voor hem was er niets te halen. Op straat de drukte van belang. Hij begeeft zich naar de rand, al weet hij niet goed waarvan. Het stormt, maar niet buiten op straat. Hier, een steeg. Geen mens. Wel donkere gevels. Daar een parkje. En een bank. Hij gaat zitten, doodmoe. Hijgend laat hij zijn hoofd hangen. Dit is zwaar, weet hij. Heel zwaar. De deadline vreet hem op. Hij krijgt het benauwd, knoopt zijn regenjas open en trekt zijn stropdas losser. Er komt iemand langs. Een man staat stil en kijkt naar hem.
‘Gaat het goed met u?’ vraagt de man.
Ronald knikt. Hij weet dat het gaat, maar of het goed of slecht is, dat weet hij niet. ‘Het gaat,’ zegt hij.
‘Mooi,’ zegt de man. ‘Ik maakte me zorgen. Nou, ik wens u nog een fijne dag.’
Ronald zegt niets. De man loopt weg. Ronald kijkt hem niet na. Haalt diep adem. Wat had hij moeten doen? Ook niets. Nog eens zuchten. Dan even de ogen sluiten en wachten op wat gaat komen.

– het niet de eerste keer en zeker niet de laatste zou zijn. De man bij het raam, weet je het weer? – lgens de afspraak. Een pose en iets donkers op haar af. Pijn, veel pijn doemde op uit de mist – nt. Want van wie was de hit My Sharona ook weer? Ik za – komen. Zeg me dat je de deadline haalt, zeg het. Laat me niet in de steek, je zult niet slapen voordat, alleen dan krijg je rust, je moet het halen, slechts jij kan het en dat wee – e neus voor ophaalt. Spijt krijg je niet, nooit. Ook al is het onomkeerbaar en past het niet in de gewoontes en gebruiken van jouw huidige wereld, uiteindelijk gaat het om het goede en zul je een en al voldoeni – – aarachtig –

– geruis. Hij kijkt op. Van links. Of nee, de andere kant. Achteren? Langs het parkje loopt een pad. Zwetend staat hij op en volgt het. Langs de kant van de klinkers is gras. Te groen. Wat verderop lijkt nevel, maar als hij dichterbij komt is het weg. Komt het pad weer op een grote weg? Kan hij nog afslaan? Hier, rechts. Een achterom. Het is klaarlichte dag en toch lijkt het al donker. Waar komt het geluid vandaan? Wat hoort hij? Wat zegt het? Het zegt iets. Woorden, een en al woorden, zinnen en klanken. Ze manen, ze overstemmen, ze overweldigen. Ronald Haamschaar loopt te rillen. Hij wil de lederen tas in zijn hand tegen de lantarnpalen slaan. Hij wil van zich afschreeuwen dat het moet stoppen, hij wil het de nek omdraaien en hij wil zich er volkomen aan overgeven. Even lijkt hij door de knieën te zakken, maar hij blijft overeind. Licht zwalkend zet hij zijn weg voort. Het smalle paadje komt uit op een drukke weg. Voorbijrazend verkeer van links en rechts. Geen oversteekplaats en toch –

– erg genoeg. Haha, wen er maar aan. Je weet nooit hoe – eraan, allemaal. Vroeg of laat. Ze ontkomen niet. Hoor je me? Het eind is nog niet in zicht. Nog h – og verstrekkende g – ft. Zeg niet dat het niet kan. Je begrijpt de noodzaak, toch? Laat het dan ook; leg het n – van binnen. Sla geen acht op de onrust, weet dat het uiteindelijk w – zoals die man, die zich liet verleiden tot het kwaad, hij viel ten p – oor hem de eeuwige onrust, de tergende onzekerhe – et deinende waterbed, de steek in een borst, het strottenhoofd dat verbrijzelt, de verlossing – , het bedrag is altijd te laag, de prijs immer te hoog – en de woorden die klinken, de woorden –

– is het gelukt om aan de overkant te komen. Kent hij het hier? Ja, hier is hij geweest. Buiten adem kijkt hij naar de verte. Daar, achter die paar bomen, daar is de vaart. Nu nog er zien te komen. Het is vooruit, maar daar kan hij niet heen. Prikkeldraad. Zo onschendbaar is hij niet. Ben ik verward? vraagt hij zich af. Het lijkt erop, maar ik weet wat ik moet doen. ik weet waar mijn toekomst ligt. Langzaam maakt een nieuw soort zelfverzekerdheid zich van hem meester. Het voelt goed. Een warme gloed drenkt door zijn lijf. Ronald Haamschaar zucht en weet het. Hem rest niets anders dan te luisteren naar de stem.


Apeldoorn, juni 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

11-07-2019

Hoog tijd voor een kroegverhaal (14)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Ik wil het eens hebben over zaad.’
‘Je doelt op het feit dat de landbouw tegenwoordig alleen nog maar veredelde zaden gebruikt, door Europese wetgeving afgedwongen, waardoor de biodiversiteit ook op plantkundig terrein nog verder inkrimpt?’
‘Nee, Floris. Ik wil het hebben over zaad. Zaad! ZAAD!’
‘Weet je wat het is, Leo,’ zei Floris. ‘Die homo’s leggen het er altijd zo dik bovenop.’
‘Racisme!’ riep de homo.
‘Dat zou een vieze bende worden,’ mengde George zich erin.
‘Hoezo?’ zei Leo. ‘Het is niet altijd vies wat wij doen, hoor.’
‘Nou, als je je zaad er dik bovenop legt wel!’ George grijnsde breeduit.
‘Goedemiddag.’ Er waren twee mensen aan de tafel komen staan. ‘Mogen wij erbij komen zitten?’
‘Doe wat je niet laten kunt,’ zei Floris.
‘Ja ziet u, overal is geen plek meer en mijn vrouw moet echt even zitten, ze kan niet te lang staan. Maar ik zal me even voorstellen: mijn naam is Van der Goot en dit is mijn vrouw.’
‘Ik snap waarom ze niet te lang kan staan.’ Leo keek niet bepaald verlekkerd naar haar. ‘Vraag me wel of hoe lang het duurt voor het meubilair bezwijkt onder die dikke olifant.’
‘Excuseer,’ zei de heer Van der Goot. ‘Ik kan u slecht verstaan. Er is nogal veel rumoer hier.’

U begrijpt, het was een drukke boel geworden in café De Fakkel. Toen ik een half uur geleden was binnengekomen, was de hele stamtafel nog leeg. Nu zaten er al die figuren die er altijd zaten. Over meubilair gesproken. Leo zat naast me, Floris was er, George en Lina en nu schoven de heer en mevrouw Van der Goot dus ook aan. Kijk, daar had je het barmeisje Suus ook. Ze stond achter me. ‘Iemand nog wat drinken?’ gilde ze boven het tumult uit.
‘BIER!’ brulde George.
De anderen zeiden ook iets. Suus knikte bij iedere bestelling. Toen boog ze over mijn schouder en zei in mijn oor: ‘Bas, jij ook nog wat? Oh, je hebt nog water, zie ik.’
Ik glimlachte en gaf haar een knipoog.
‘Dat is dus twee bier, een whisky, een zoete witte wijn en twee droge sherry.’
‘Is het er al?’ riep Leo. ‘Ik heb dorst!’
‘En een grote waffel,’ zei de wat verlopen vrouw die ook aan tafel zat. Dat was Lina.
‘Komt eraan,’ zei Suus. Ze draaide zich om en liep naar de bar.
‘Jammer dat die bar zo dichtbij is,’ zei Floris.
‘Hoezo dat?’ vroeg Lina.
‘Nu kan ik maar zo kort naar haar kont kijken.’
‘Mannen!’
‘Ja?’ klonk het bijna eensgezind uit de monden van Floris en George. Leo zei niets.
‘Waarom zeg jij niets?’ vroeg Lina aan hem.
‘Hij is homo,’ zei George.
‘Toch houden we van hem,’ zei Floris.
‘Maar niet op die manier,’ zei George.
‘Niet zo denigrerend.’ Leo was duidelijk op zijn teentjes getrapt.
‘O, zijn we op onze teentjes getrapt?’
‘Nou, ik wel. Van jou weet ik het niet. Ben jij ook homo?’
‘Moet je een stomp in je smoel?’
‘Niet zo agressief gelijk,’ zei Leo. ‘Wat moeten de gasten wel niet van je denken?’
‘Gasten? Welke gasten?’
‘Die meneer en mevrouw Van de Poot.’
‘Excuseer,’ wilde de mannelijke helft van de gasten beginnen.
‘Geen moeilijke woorden voor die lui,’ onderbrak Lina hem. ‘Daar snappen ze niks van.’
‘Moeilijke woorden? Wat zei ik? Ik wilde alleen maar zeggen dat ik niet Van der Poo…’
‘Dat van die ekslukeers. Ga niet zeggen dat je het niet gezegd heb. Je moet hier op je woorden letten, hoor!’
‘Lina, val die mensen niet zo lastig,’ schreeuwde George. ‘Ze zijn te gast. Dan weet je toch wel hoe je je moet gedragen?’
‘Waar blijft dat zuipen!’ Floris kwam er met moeite overheen.

‘Niet zo ongeduldig, kinders.’ Suus liet zich niet opjagen. Ze stond weer bij de tafel met een goed gevuld dienblad.
‘Ik had bier!’
‘Netjes op je beurt wachten, George. Anders krijg je niets.’
‘Als je bier had,’ zei Leo, ‘dan heb je het gehad. Wij hebben nog niks. Geef mij eerst mijn pina coladaatje, meid.’
‘Een pina colada? Volgens mij heb je whisky besteld!’ riep George.
‘Niet alleen homo, maar ook nog eens je geheugen kaduuk!’
‘Ha ha, Floris,’ zei Leo met een zuur lachje. ‘Erg leuk.’
‘Een whisky voor Leo,’ zei Suus en ze zette een tumbler voor zijn neus.’
‘Zie je nou wel!’ galmde George.
‘Biertje voor Floris, zoete witte wijn voor Lina en hier: twee droge sherry. Alstublieft. Zal ik het op een bon zetten?’
‘Nou, niet op de mijne!’ krijste Lina. ‘Die whisky of pino caladi of hoe heet dat spul, dat is veuls te duur.’
‘En niet te zuipen ook,’ zei Floris. ‘Alleen al hoe het eruit ziet. Net of je …’
‘Zaad!’ riep George, terwijl hij Leo met heel grote ogen aankeek. ‘Zaad! ZAAD!’
‘Dames en heren, mag ik even de aandacht?’
‘Wat wou je zeggen, Floris?’
‘Ik moet pissen.’ Hij schoof zijn stoel naar achteren, stond op en liep naar de donkere hoek van het café.
‘Bij wie mag het op de rekening?’ maakte Suus gebruik van de stilte. ‘Jongens, graag even antwoord, dan kunnen jullie weer verder met je gesprek.’
‘Mevrouw,’ zei meneer Van der Goot, ‘in een noodgeval mag u …’
‘Dit ís een noodgeval!’ zei George snel. ‘Zet maar op de rekening van die Poten. En doe er snel nog een borreltje naast mijn biertje, schat.’
‘Nee George, zo doen we dat niet.’ Suus keek hem streng aan. Haar donkere ogen schoten vuur. Mooie donkere ogen wel, vond ik. Mij schoot plots het refrein van een liedje door mijn hoofd. Wat was dit ook weer voor liedje? O ja, nu herkende ik het. Het was een liedje van de band The Move en het heette Hello Susie. Mooi liedje. ‘Voor straf zet ik alles op jouw rekening.’
‘Ik word hier genaaid!’ brieste George.
‘Zaad! Zaad! ZAAD!’ gilde Leo, terwijl hij George met heel grote ogen aankeek. Hij barstte uit in een hinnikbui.
‘Goffer, vuile nicht.’ George stond op, reikte over de tafel en gaf Leo een slag in zijn gezicht.
Leo was even uit het veld geslagen, maar kwam snel weer bij zijn positieven. Ook hij stond op.
‘Heren!’ riep Suus. Het was te laat.
‘Homohater!’ krijste Leo en hij zette zijn lange nagels in het gezicht van George.

Suus gaf beide kerels een felle mep met haar dienblad.
‘Ja, maar hij …’ begon George.
‘Niet waar! Hij …’ zei Leo.
‘Stelletje kinderen,’ zei Suus streng. ‘Geen drinken voor jullie. Ga buiten maar even afkoelen en nadenken over wat je hebt gedaan. Pas als je je excuses kunt maken, mag je weer binnenkomen.’
‘Ja Suus.’ Beide mannen lieten hun hoofd hangen, draaiden zich om en liepen naar de deur. Even later viel die met een klap dicht.

‘Nou, dat heb je mooi opgelost!’ gilde Lina. ‘Nou ben je twee klanten kwijt!’
‘Die komen wel terug,’ zei Suus rustig. ‘Leer mij de stamgasten kennen.’
‘Doe mij nog een zoete witte wijn! Ik krijg weer dorst.’ Lina stak haar tong uit haar mondhoek.
‘Wat een stilte hier zo opeens.’ Daar had je Floris weer. ‘Een mens kan niet even gaan pissen of de wereld verandert.’
‘Jouw eigen gezeik is altijd hetzelfde!’ Lina moest erg lachen om haar eigen grapje.
‘Waar komen die gebroken glazen vandaan?’
‘Leo en Sjors hebben hun eigen glazen ingegooid!’ Lina kreeg nu de slappe lach.
Suus had de scherven opgeveegd. ‘Nu allemaal weer je een beetje netjes gedragen.’
‘Die twee nieuwelingen hier vooral!’ gierde Lina. ‘Jullie horen het, Van der Goten: doe normaal, anders moet je naar buiten.’
‘Excuseer,’ zei meneer Van der Goot, ‘maar wij …’
‘Rhaaaaahahahahaha! Heb je hem weer met z’n geëskaluïkeer! Dat zijn toch de leukste grappen, die steeds terugkomen. Kostelijk!’
De deur ging weer open. Leo en George kwamen voorzichtig binnen.
‘Heren!’ zei Suus vanachter de bar met een vragende blik.
‘Sorry, Suus,’ zei Leo. ‘We doen het niet meer.’
‘Het spijt ons,’ vulde George aan. ‘Mag ik een nieuw bier? Ik betaal het vorige rondje ook wel.’
‘En ik trakteer de volgende,’ zei Leo er snel achteraan.
‘Zo mag ik het horen,’ zei Suus. ‘Ik kom het zo brengen.’
‘Doe er voor mij een drambwie bij!’
‘Een wat, Lina?’ vroeg George.
‘Een drambwie.’
‘Een drambwie tussen je tieten.’ Hij boog en begroef ruw zijn hoofd in haar gerimpelde décolleté.
Lina gilde luid en veegde met haar beide armen alle glazen van tafel.
‘Goffer!’ Leo werd hysterisch.
‘Excuseer,’ zei meneer Van der Goot.
Suus noteerde de schade op de bon van George en kwam vervolgens naar onze tafel met haar stoffer en blik. Toen ze mij zag zitten, keek ze me wat wanhopig aan. Ik glimlachte haar weemoedig toe en knikte geruststellend, waarmee ik wilde zeggen dat het haar schuld allemaal niet was. ‘Ik weet het, Bas,’ zei ze. ‘Maar ik word er soms zo moe van. Gelukkig ben jij erbij. Dat maakt me dan weer vrolijker.’ Ze legde een hand op mijn schouder. Toen zuchtte ze diep en begon de kapotte glazen van de vloer te vegen.

‘Hé Bas!’ brulde Floris luid. Iedereen keek nu naar mij. ‘Wat vind jij hier nu allemaal van?’
Plotseling was het doodstil in het café De Fakkel.
‘Ik?’ zei ik eindelijk. ‘Ik kan het allemaal niet volgen. Maar nu ik je toch spreek: weet jij hoe laat of het is?’
‘Nee.’
‘Ik wel.’


Apeldoorn, juni 2019  

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

27-06-2019

Gebeurd (S034)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Warm. Heet. Daarom loopt hij ’s morgens vroeg al zijn rondje in plaats van ‘s avonds. De zon schijnt al fel. Veel verkeer is er nog niet op straat. Slechts een enkele auto en fiets passeert hem. Hij besteedt er geen aandacht aan en rent door.

Zijn vaste route gaat in het begin door rustige straten, langs statige herenhuizen met grote groene tuinen ervoor. Het asfalt van de weg is oud en gehavend. De gemeente is bezig om in deze buurt de straten te renoveren. Het asfalt maakt plaats voor klinkers. Dat is duurzamer, had hij gelezen. Het regenwater kan ook beter weg. Maar die nieuwe klinkers maken de ondergrond keihard en dat loopt niet lekker. Het oude asfalt is zachter en veert beter onder zijn voeten. Op sommige stukken kiest hij er dan voor om op het trottoir te lopen. Maar daar liggen vaak de stoeptegels erg ongelijk en dat is ook weer niet prettig.
De Schrijver heeft daarom zijn vaste route nu al een paar keer moeten verleggen. Dat betekent dat hij ook nieuwe ijkpunten heeft moeten zoeken. De plek waar hij weet dat hij op de helft is, bijvoorbeeld. Of plekken waar hij van zichzelf even een wandelpauze mag houden als het rennen tegenvalt en hij onverwacht heel moe wordt. Zo is hij nu bij dat ene paaltje langs de rand van het trottoir. Moe is hij nog niet. Het gaat fijn vanmorgen.

Na de rustige straten volgt een drukker deel van de route. Hier is lopen op het trottoir echt geen optie, dus kiest hij de rode fietsbaan aan de rand van de doorgaande weg. Het ochtendverkeer komt nu volop op gang. Auto’s razen langs hem heen. De schrijver vertrouwt er maar op dat automobilisten hem goed kunnen zien.
Ondertussen heeft hij de vaart er lekker in. Voor hem rijden twee mensen op de fiets. Ze schieten niet zo op en het is wel duidelijk hoe het komt. De een is een oudere heer die zwoegt om vooruit te komen. De ander is een vrouw die met een hand de man vooruit duwt. De schrijver kijkt achter zich; er komt geen verkeer aan, dus hij kan er langs. Straks moet hij toch linksaf. Hij steekt zijn linkerhand uit en gaat alvast aan de andere kant van de weg lopen. Hoppa, daar gaat hij het zwetende stel voorbij. Als snel laat hij ze achter zich. Dan slaat hij af.

Hier is het fietspad een eindje van de rijbaan. Dat loopt wel zo prettig en veilig. De schrijver draaft door. Hij merkt dat zijn hoofd leeg wordt. Dat is de bedoeling; daarom is hij ooit begonnen met hardlopen, nu alweer vier jaar geleden. Andere gedachten stromen zijn hoofd binnen. Diep, diep. Nauwelijks nog is hij zich bewust van wat er om hem heen gebeurt. Alsof hij loopt op een automatische piloot.

Verkeerslichten. Een grote T-kruising. Zonder dat hij echt gezien heeft of het licht op groen is, steekt hij over. Auto’s en fietsen kunnen links of rechts, maar hij rent rechtdoor het park in. Het pad bestaat uit grote betontegels die langs een een snel stromende spreng voert. Een eend laat zich met de stroom meevoeren en ze gaan bijna even snel dezelfde kant op. Aan de andere kant van het pad is een grasveldje. Een mevrouw laat er een hondje uit. De spreng komt nu uit in een grotere vijver. Het pad blijft er vlak langs lopen.
Er komen hem mensen tegemoet. Een stelletje, arm in arm. En dan is er een fietser die de mensen inhaalt. De schrijver houdt zich niet in en loopt door. Het wandelende stelletje doet een stap opzij om hem door te laten. Daardoor moet de fietser uitwijken. Er is niet genoeg ruimte tussen het stel en de rand van het pad. Het voorwiel van de fiets komt naast het pad terecht en even later klinkt er een luide plons. Water spat op het pad. De vrouw van het stel gilt; de man is met stomheid geslagen. Van onder water klinkt even geen geluid.
Zonder om te kijken loopt hij door. Nog een paar honderd meter en dan is hij uit het park. Nu nog twee blokjes verder en dan is daar het punt dat hij mag pauzeren. Daar, daar.

Plots schrikt hij op uit zijn gedachten. Waar ben ik? denkt hij even. Deze disoriëntatie duurt gelukkig niet lang, want hij is nu bij het verkeerslicht aangekomen. Het staat op rood, maar er zijn geen auto’s. Snel steekt hij over en loopt hij het kleine park in. Niet ver voor hem ligt het pad met de betonnen tegels dat langs de spreng en de vijver loopt.
Huh? Klopt dit wel? De schrijver vraagt zich af wat of er allemaal echt is gebeurd.


Apeldoorn, maart 2019



Dit is het zevenendertigste deel in de eindeloze serie Schrijver.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

13-06-2019

Lotgenoten (0020)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Au, mijn klauw (4)

Lotgenoten,

‘Meneer Langereis?’
‘Goedemorgen,’ stond ik op. Ik schudde haar de hand. ‘Bas.’
Ze zei haar naam. ‘Komt u verder.’
‘Dank u.’ We verlieten de wachtkamer.
‘Neemt u plaats.’
Ik deed het ook nog. Zij ook. Ik op de stoel aan de ene kant van het bureau, zij op de bureaustoel met het toetsenbord voor haar neus. Achter haar stond een deur open. Ik keek een kamer in. Op het blauwe leer van de behandeltafel lag wit papier. 
‘Uw huisarts heeft mij een briefje gestuurd met de vraag of ik naar uw handen wil kijken.’
Zonder dat ze vroeg of ze ze mocht zien, legde ik ze op tafel. ‘Vertelt u eens,’ glimlachte ze.

‘Lang verhaal kort,’ begon ik. ‘Driekwart jaar geleden vroeg mijn vrouw waar die bulten op mijn vingers vandaan kwamen. Ik had nog niets gemerkt. Een week of twee later werden ze pijnlijk. De huisarts dacht eerst aan overbelasting, dus ik heb het twee weken heel rustig aan gedaan. De verdikkingen op mijn vingers werden eerder erger. Toen foto’s laten maken en bloed geprikt. Op de foto’s niets te zien. De uitslag van het bloed was helemaal normaal, op een ernstig tekort aan vitamine D na. Ik heb zes weken lang een shot vitamine D gehad, dus dat moet nu op orde zijn. Nog altijd niet veel beter. Sterker: de verdikking op mijn rechtermiddelvinger is veel ernstiger geworden, die op mijn rechterpink ook. En kijk, hier komen ze ook. En hier. En daar.’
‘Inderdaad, dat zijn forse zwellingen.’ Ze reed met haar stoel rond het bureau en zat nu bijna naast me. Ze pakte mijn rechterhand beet en betastte de vingers en de gewrichten.
‘De huisarts zei toen: Ik weet het ook niet meer,’ ging ik verder. ‘Laten we een reumatoloog meekijken. Vandaar dat ik hier ben.’
‘Pijnlijk?’ Ze was geconcentreerd bezig.
‘Tijdens het bewegen niet. Vaak na intensief bewegen wel.’
‘Hm-hmmm,’ klonk ze. Ze bewoog de vingers en kneep in de gewrichten. ‘Dit hier is wat artrose,’ zei ze, terwijl ze het laatste gewrichtje van mijn rechtermiddelvinger bevoelde.
‘En als ik mijn vingers aanspan of een vuist maak, dan doet het zeer. Die heel dikke zwellingen, dat zijn net kussentjes die bovenop de gewrichten liggen.’

‘Knucklepads noemen we ze.’
‘O?’
‘Komen veel voor bij mensen die zwaar werk verrichten met hun handen.’ Ze zat weer achter haar beeldscherm en begon dingen in te typen. ‘Mechaniciens en zo. Mag ik vragen wat voor werk u doet?’
Ik wees op haar toetsenbord. ‘Dat,’ zei ik. ‘Toetsenbordwerk. Valt dat er ook onder?’ Ik zei niet: ‘Iets anders kan ik niet, dus als ik niet meer met een computer kan werken, dan heeft het leven geen enkele zin meer.’
‘Het zou kunnen,’ glimlachte ze. ‘Komen er meer dergelijke klachten in uw familie voor?’
‘Niet dat ik weet.’ Bij ons spelen weer andere vreselijkheden. Slechthorendheid, Gaucoom, depressiviteit. En dunne kak spettert over onze genen. Ziekte van Crohn, darmkanker. Gezellig.
‘Hebt u wel eens last van andere huidaandoeningen? Psoriasis, schilferige huid?’
‘In het verleden heb ik wel eens psoriasis gehad. Hardnekkige hoofdroos heb ik. En wat eczeem. Knoop van de gulp op de blote huid en zo.’ Waarom werd ik toch zo intiem met haar?

‘Mag ik uw voeten ook even bekijken?’ Ze vroeg het op een manier alsof ze een onbetamelijk voorstel deed. Met een handige beweging kwam ze weer op haar stoel naar me toe.
‘Natuurlijk.’ Gelukkig droeg ik mijn Teva’s en geen sokken.
Zachtjes pakte ze mijn linkervoet beet. Er zit een rode eczeemplek bovenop en twee nagels zijn beschadigd. Ze zei er niets van. Terwijl ze met volle aandacht mijn tenen bewoog, zag ik dat ze wat grijs werd door haar halflange blonde haren heen. Die paar kleine rimpels rond haar vriendelijke blauwgrijze ogen vond ik mooi. O jee, als ze maar niet onder op mijn voetzolen … ze deed het niet.
‘Niets bijzonders aan deze voet.’
Ik stak haar de rechter toe. Ook deze betastte ze zachtjes. Ik bekeek het met een bijna weemoedige glimlach. Op mijn rechtervoet zitten zelfs twee rode eczeemplekken. Ook hier begon ze niet over.
‘Alles goed.’ Ze stond op en liep naar de behandelkamer. Ik trok mijn Teva’s weer aan. Ze kwam weer aan het bureau zitten, terwijl ze haar handen afdroogde aan een papieren handdoek die ze vervolgens in de prullenbak gooide. Met haar ranke handen typte ze van alles in de computer in.

‘Is er iets bijzonders dat die zwellingen veroorzaakt?’ vroeg ik. ‘En wat kan ik doen om het te voorkomen?’
‘Eigenlijk niet zo veel,’ zei ze. Ze schoof het toetsenbord van zich af en keek me aan. ‘Zoals ik al zei: het komt veel voor bij mensen die intensief met hun handen werken.’
‘En wat is er aan te doen?’
‘Soms wil een injectie helpen.’
‘O?’ Kut, ze wil me pijn doen.
‘Dan spuiten we een medicijn in het gewricht.’ Hierna noemde ze de naam van een middel. Ik kon de naam ervan niet verstaan, want slechthorendheid komt dus wel veel voor in onze familie. ‘Dat kan tijdelijk de zwelling doen verminderen. Velen hebben er baat bij.’
‘O.’
‘Maar het is geen genezing. Het komt weer terug.’ Ze keek me aan met een vragende blik, of de waarschuwing goed tot me doordrong.
Ik knikte.
Ze bleef me aankijken.
‘En nu?’ vroeg ik.
‘We kunnen de injectie in één gewricht doen en dan kijken of het aanslaat en helpt. Dan doen we later de andere zwellingen.’
‘Eh … oké.’
Ze stond op en liep weer naar de behandelkamer. Barst, ik ging een spuit krijgen!

Even later zat ze weer naast me. Ik legde mijn rechterhand op tafel.
‘Laten we de ernstigste zwelling nemen en zien hoe het gaat,’ zei ze. Met een vochtig doekje veegde ze over de verdikking op mijn rechtermiddelvinger. In haar andere hand hield ze de injectiespuit met de naald omhoog. Het moment was daar om een andere kant op te kijken. Even hield ik mijn adem in. Au, godsgruwelijkegezondheidssandalen, wat was dat een verschrikkelijke steek in mijn vinger! Gedurende een paar seconden draaide de hele kamer. Ik voelde het vochtige doekje weer op mijn vinger en keek. Naast mijn hand had ze een pleister klaarliggen. Die deed ze om mijn middelvinger.
‘Zo.’ Ze stond op, liep naar de behandelkamer en gooide daar alles in een prullenbak. ‘Vandaag even heel rustig aan doen ermee. Ik bel u over vier weken om te vragen hoe het ermee is. De zwelling zou dan echt heel veel minder moeten zijn.’ 
‘Oké.’
‘Dan spreken we verder af.’
Graag, wilde ik zeggen.
Ze stak me een hand toe.
‘Dank u,’ zei ik en legde mijn hand in de hare.
Ze schudde.
Au! Mijn klauw!

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2019



Naschr ft:
Rust g aan doen en de m ddelv nger van m jn rechterhand ontz en. Geen omma’s en geen letters en . Toch probeer het. L j t wel of het ypen van d t al neaatje uren dagen zo n et we en duurt. Au m jn  lauw!

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

30-05-2019

Hoog tijd voor een kroegverhaal (13)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

‘Ik zou graag eens dat gezellige dikkerdje de bek vol spuiten.’
‘Zo kan hij wel weer, Jaap.’
‘Maar zou jij dat dan niet willen, Bas?’
‘Niet vlak na jou, in ieder geval. Ik wil van alles, maar veel van mijn wensen houd ik stil.’
‘Ik heb in dit leven geleerd dat je maar beter je verwachtingen kunt uitspreken. Dat voorkomt een boel misverstanden.’
‘Wat bedoel je, Jaap?’
‘Ga hier nou niet de gevatte gozer uit zitten hangen, Bas. Die schrijvershumor van jou wordt nu niet gewaardeerd.’
‘Graag in actieve zinnen praten, Jaap. Dat maakt deze conversatie wel zo begrijpelijk. Wat bedoel je met je laatste zin? Wie waardeert die schrijvershumor van mij niet?’
‘Dat doet nu niet terzake. Je praat eromheen.’
‘O? Jij zegt iets, ik vraag verduidelijking en dan doet mijn vraag niet terzake? Wie praat waar nu omheen?’
‘Laten we het alsjeblieft ergens anders over hebben.’
‘Dan lust ik wel een glaasje water, Jaap. Plat water, graag. Mag uit de kraan.’
‘Huh? Oké, oké. Ik weet wanneer ik …’
‘Ga nu maar.’
Jaap stond op en liep naar de bar.

Ik keek café Akhbar rond. Het was er niet eens zo heel erg druk en dat voor een donderdagavond, toch doorgaans hét uitgaansmoment voor uitwonende studenten. (We hebben helemaal geen studenten in ons zo majestueuze Apeldoorn.) Aan de toog zaten wat mensen, waaronder het wat corpulente meisje met het korte krulletjeshaar. Een man of drie stond om haar heen, luidkeels lallend en lachend. Verderop aan een tafeltje zat een groepje met elkaar te kaarten.
‘Mag er voor jou nog iets zijn, Bas?’ Het was het leuke barmeisje. Ze stond naast mij, keek me aan en hield haar hoofd schuin.
‘Hé, dag leuk barmeisje,’ zei ik. ‘Doe mij maar een water.’
‘Plat water zoals gewoonlijk? En mag het weer gewoon uit de kraan?’
‘Asjeblief.’
‘Voor jou heel graag.’
‘Je bent lief, wist je dat?’
‘Dat zeggen ze allemaal.’
‘Maar ik meen het.’
‘Dan is het goed. Ik ben zo bij je terug.’
‘Ik kijk ernaar uit.’
Ze glimlachte en liep naar de bar. Ik keek haar na. Ze wiegde leuk met haar achterkant en haar lange donkere haren zwierden over haar rug. Was alles maar zo mooi en vriendelijk, dacht ik. De werkelijkheid is vaak gruwelijk. Daar had je Jaap weer.

‘Hier.’ Ruw zette hij een glas voor mijn neus. Ik schoof het opzij. Hij ging weer zitten en zei: ‘Waar waren we?’
‘We waren op het moment dat jij je respectvoller ging opstellen. Je ging net uitgebreid je excuses maken voor je botte manier van reageren van zonet.’
‘O? Dat kan ik me helemaal niet herinneren.’
‘Drank maakt meer kapot dan je lief is, Jaap.’
‘Hoe weet jij dat nou? Je drinkt geeneens drank.’
‘Er valt niet veel te leren in dit leven, maar dit weinige is me gelukt.’
‘Maar jij mist een boel plezier, Bas.’
‘Tjonge, wat een pret, dit.’
‘Kijk eens, een water voor je.’ Daar had je het leuke barmeisje weer.
‘Dank je wel,’ knikte ik haar toe en ik glimlachte: ‘Mag ik je wat vragen?’
‘Jij altijd.’ Ze pakte het glas met water van haar dienblad en zette op tafel.
‘Ik vind het heel erg, maar ik ben je naam kwijt. Excuus.’
‘Joh, dat geeft toch niet? Ik heet Leonie.’
‘O ja. Dom van me, Leonie.’
‘Dat kan toch iedereen gebeuren?’
‘Maar de stomste het eerst!’ riep Jaap erdoorheen. Hij lachte luid en verslikte zich in zijn bier. Hard hoestte hij over tafel.
‘Hand voor je mond, meneer,’ zei Leonie. ‘Eerlijk delen is fideel, maar die bacillen houd je liever bij je.’
‘Goffe,’ blafte Jaap.
‘Hier, drink wat water,’ zei ik en ik schoof hem het glas dat hij zelf had meegebracht toe.
‘Water? Ik ga nog liever dood.’
‘Als je zo blijft doorhoesten, ga je ook dood,’ zei Leonie. ‘Als je het niet erg vind, ga ik een beetje uit de buurt. Ik blijf graag een tijdje gezond. Bovendien heb ik nog een paar bestellingen om weg te brengen.’ Ze liep verder naar de tafeltjes achter me.
‘Nou Jaap: bedankt,’ zei ik. ‘Dankzij jou is ze nu weer weg.’
‘Te … uche uche, teer … uche uche …’
‘Teer? Komt het hoesten van het roken? Van de teer?’ vroeg ik.
‘Teringhoer!’ hoestte Jaap.
‘Volgens mij is zij hier niet degene met tering,’ zei ik. ‘Ga alsjeblieft even naar buiten of in ieder geval bij mij vandaan, wil je?’
‘Maa … maahuche huche!’
‘Effe optiefe, Jaap.’
Hij deed het ook nog. Luid lawaai makend liep hij naar de voordeur.

Jaap botste bijna tegen iemand op. Hij hoestte haar in het gezicht en verdween naar het terras. De jonge vrouw die binnen kwam, liep naar de bar. Ik zag haar praten met Hans, de grote barman. Van hem kreeg ze een vaasje pils. Met het glas in haar hand draaide ze zich om en keek ze het café Akhbar rond. Ik denk dat ze mij zag, want ze kwam naar mij toe.
‘Bas, mag ik je wat vragen? Ik heb iemand nodig die me advies kan geven.’
‘Maar natuurlijk, mijn kind. Ga zitten.’ Dat deed ze. Voordat ze verder iets kon zeggen, ging ik verder: ‘Fijn dat je me zo in vertrouwen neemt.’
‘Verbaast je dat?’
‘Nou, op zich niet. Ik ben nu eenmaal heel betrouwbaar. Maar jij hebt het imago van de wat felle feministe. Het siert je dat je de principes even laat varen en iets wilt aannemen van een mannelijke persoon met enige levenservaring. Wat is je vraag?’
‘Mijn vriend wil dat ik hem pijp. Moet ik dat slikken?’
‘Even los van de inhoud: wist jij dat dit een heel belegen grap is?’
‘Het is ook nooit goed met jullie kerels! Stel ik me een keer open en verdraagzaam op, is het weer niet goed en doe je mijn oprechte vraag af als een grap. Ik voel me hier niet serieus genomen.’
‘Serieus, ik zou je niet willen nemen. Althans, niet hier zo in het openbaar. Verder wil ik je een compliment maken.’
‘O? O? Wat nou weer?’
‘Je openheid en verdraagzaamheid sieren je.’
‘Dank je. Fijn dat je me als mens, als persoon waardeert.’
‘En daarnaast heb je ook een gezegende set wiebeltieten en een fenomenale reet in die tuinbroek van je.’
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’
‘Dank je wel, bijvoorbeeld. Het is belangrijk een compliment te aanvaarden in plaats van het weg te wuiven.’
‘Deed ik dat dan?’
‘Leer mij je kennen, mijn kind. Je bent zeer assertief, maar aan de blik in je ogen zie ik dat je geraakt bent door het compliment.’
‘Barst. Barst! Je kent me te goed. Het is alsof je door me heen kijkt. Dat is niet eerlijk.’
‘Niet eerlijk? Ik ben juist heel eerlijk tegen je.’
‘Je snapt best wat ik bedoel!’
‘Luister, Monique,’ zei ik.
‘Ik heet geen Monique!’
‘Och excuus. Dat vind ik heel erg.’
‘Vind je het erg dat ik geen Monique heet? Zie ik er soms uit als een Monique?’
‘Nu je het zegt: je hebt wel iets mysterieus en Frans over je. Iets charmants, ook.’
‘Hou toch op,’ huilde ze nu. ‘Je brengt me helemaal van mijn à propos.’
‘Dan help ik je er toch weer op? Ik doe het graag voor je.’
‘Huh? Waarop? Waar heb je het over?’
‘Op je à propos.’
‘Ik kan je niet volgen.’
‘Je zegt dat je er vanaf bent.’
‘Waar af? Man, doe niet zo moeilijk. Waarom moeten jullie mannen altijd alles zo beredeneren en analyseren?’
‘Kun je je iets sekseneutraler uitdrukken?’
‘Ach!’ Ze zuchtte diep. ‘Laat ook maar!’
‘Laten? Wat moet ik laten?’
‘Schrijvers! Daar winnen we de oorlog ook niet mee.’
‘Ik dacht dat oorlogen echte mannendingen waren,’ zei ik. ‘Begrijp ik goed dat je mee wilt doen?’
‘Ik ga bier halen,’ zei ze.
‘Maar hoe heet je nou echt?’
‘Lies! Het is Lies!’
‘Proost, Lies.’ Ik hief mijn glas water. Ze zei niets, stond op en ging naar de bar.

Ik nipte van mijn water. Goed water hadden ze hier in café Akhbar. Ik vroeg me af waarom het café Akhbar heette en wie die naam van het café had bedacht. Het antwoord op de tweede vraag wist ik wel – dat was ik namelijk zelf -, maar dat op de eerste moest ik schuldig blijven.
Bij de deur klonk geluid. Jaap kwam weer binnen. Hij hoestte niet meer, maar de drank zorgde er wel voor dat hij hard praatte.
‘Bas!’ riep hij, terwijl hij naar mij toe kwam. ‘Uitgehoest! Het gaat weer goed. Jij nog water?’
‘Nee, dank je. Ik heb nog.’
‘Ik wil nog wel bier,’ zei hij met dubbele tong. Hij was weer aan tafel gaan zitten.
‘Dan haal je even.’
‘O. Eh…’
‘Wat? Is het te veel moeite voor je?’
‘Nee, dat is het niet.’
‘Wat is het dan wel? Te druk bij de bar?’
‘Er is geen kip hier vanavond. En dat op een donderdag. Moet je nou zien daar, Bas. Er zijn niet veel meer mensen dan dat wijf in die tuinbroek, die twee lallende lullen en dat dikkerdje dat over die barkruk heen zakt.’
‘O, je bedoelt dat enigszins forse meisje met het krulletjeshaar, tot wie jij je desondanks seksueel aangetrokken voelt.’
‘Wie? Ik? Hoe kóm je erbij?’
‘Omdat je aan het begin van dit verhaal aan mij vertelde dat het je leuk lijkt om haar je ejaculaat in het gelaat op te laten vangen.’
‘Nu je het op die manier zegt. Let op: dit wordt geil.’

Jaap stond op en liep naar haar toe. Hij ging pontificaal voor haar staan en brulde in haar oor: ‘Ik zou graag eens zo’n gezellig dikkerdje als jij de bek vol spuiten!’
Nog geen halve minuut later belde de grote barman Hans een ambulance. Ik keek op de klok, maar eigenlijk wist ik al lang hoe laat of het was.


Apeldoorn, april 2019



Lees ‘m hier op FOK!.


Vanaf heden lees je bazbo’s stukjes weer op donderdag, net zoals van 2007 t/m 2013!

• • •
 

16-05-2019

Foodporn

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

De foodblog is de online ziekte van dit decennium. Op zoek naar een leuk recept voor mijn verjaardagsdiner raakte ik verzeild in de wereld van de foodbloggers. Bij het eerste de beste recept zag ik in de informatiebalk boven in mijn beeldscherm een link naar ‘collega-foodbloggers’. Daar klikte ik natuurlijk niet op. Wel ging ik eens googelen op ‘foodbloggers’. Je gelooft je ogen niet.

Hoogtepunt was de site onder de titel ‘De 100 populairste foodbloggers uit Nederland’. Daaruit maak ik op dat er alleen al in Nederland minstens honderd foodbloggers zijn, dat er in Nederland mogelijk nog veel méér niet-populaire foodbloggers zijn en dat er buiten Nederland waarschijnlijk óók foodbloggers zijn. Plus dat er iemand is die al die Nederlandse blogs bekijkt en onderzoekt op populariteit. Wat een malloot.

De webstek opent met de zin: ‘De beste foodbloggers van Nederland bieden eindeloze streams aan prachtige foto’s en video’s van de heerlijkste gerechten. Hoe je die zelf kan maken en waar je die kan vinden. Als je deze accounts nog niet volgt, kan je nogal wat missen.’ Ik verzin het niet. Eronder staat een schier eindeloze lijst met honderd varianten à la Hip & hot, Foodiefeest, Beginspiration, Good food love, Kitchen cookery, Food & friends en ga zo maar door.

De meeste foodbloggers hanteren allerlei Engelse termen zo veel en vaak dat het lachwekkend wordt. De kitchens, streams, food, comfort, happy en health vliegen je om de oren. Wat is er mis met onze Nederlandse woorden die iedereen begrijpt? Ook voor de foodblog zelf moet een goed alternatief te bedenken zijn. Zelf kwam ik ooit eens op de proppen met de ‘culicolumn’, maar bij nadere beschouwing vind ik die ook om te huilen. Bijna alle bloggers fotograferen de resultaten van hun keukencapriolen en noemen die vervolgens ‘foodporn’. Bij mij roept dat woord eerder iets op van een tamelijk eenzijdig dieet van wortels, pastinaken en komkommers, maar dat zegt misschien meer iets over mij. Een van de foodblogs heeft dan weer wel een Nederlandse naam en noemt zichzelf Liefde voor lekkers. Geil.

Ondertussen heb ik nog altijd geen leuk recept voor het verjaardagsdiner. Morgen moet dat klaar zijn en ik heb al sinds ik op zoek ben niet meer gegeten. Ik heb honger. En een foodfetish.


Apeldoorn, februari 2019


Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-05-2019

Lotgenoten (0019)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2019 — bazbo @ 01:00

Ik kan twee routes lopen naar het café. Een van die routes loopt langs een plein. Daar zal het wel druk en lawaaierig zijn, dus kies ik de iets langere door de winkelstraat. Ook hier al volop mensen. Het zijn veelal gezinnen die van de kermis af komen. Een enkeling loopt al wat te zwalken en te schreeuwen, maar het valt me mee. Het is kwart over negen en Prinsennacht is begonnen.

In het café is het nog rustig. Voorin, aan de bar, staan en zitten al wel veel lui. Achterin, in het zaaltje, is het bijna leeg. Ik blijf wat achterin staan en kijk rond. Op het podium de bekende opstelling: twee gitaarversterkers en de keyboardstandaard, daarachter de grote basversterker en de twee drumstellen. Het past maar net.
‘Ik heb geen idee welk bandje er komt spelen,’ zegt iemand. ‘Jij?’
Ik kijk opzij. Een alleraardigste blonde meid is naar mij toe gekomen. Ik ken haar niet. ‘Gezien het instrumentarium zal het wel een fikse herrie worden,’ grap ik. ‘Oordopjes bij je?’
‘Nee. Jij?’ Ze is rond de dertig, niet al te groot en kijkt me met mooie blauwe ogen aan.
Ik leg mijn hand op de borstzak van mijn jasje. Ze zitten er. ‘Ik altijd,’ zeg ik.
‘Ik ben wel benieuwd naar wat er komt spelen,’ gaat ze verder.
‘Ik niet.’
‘O?’
‘Grapje. Het is een band die de muziek speelt van The Allman Brothers.’
‘Van de wat?’
‘The Allman Brothers, die ken ik van naam,’ zegt iemand anders. Het is een vent van eind dertig, misschien veertig. Hij is erbij komen staan.
‘Wie ben jij nu weer?’ vraag ik luid.
Hij steekt zijn hand uit en zegt iets. Een naam, vermoed ik. De naam versta ik niet, maar ik schud de hand. Ik zeg hoe ik heet. De alleraardigste blonde meid steekt haar hand nu ook uit. Die schud ik ook maar. Wat of ik er anders mee zou moeten doen, weet ik ook niet. Weer noem ik mijn naam. Zij zegt iets. Die van haar, gok ik. Ook die van haar versta ik niet. Van dichtbij ziet ze er ouder uit dan rond de dertig.
‘The Allman Brothers waren heel bekend,’ gaat de vent verder. ‘Maar ik zou geen liedjes van ze kunnen noemen.’
‘Ze maakten dan ook geen liedjes in de drieminutenzin van het woord,’ zeg ik.
‘Ze waren wel heel goed.’ Dat zegt de vent die ze van naam kent en geen liedjes van ze kan noemen. ‘Knap als je hun werk kunt naspelen. Net als Zappa, die was ook geniaal.’
‘O ja?’ vraag ik.
‘Ja. Zij moet er niet zo veel van hebben, van Zappa.’ Hij wijst op de alleraardigste blonde meid, die bij het noemen van de naam een andere kant op is gaan kijken. ‘Als ik thuis Zappa opzet, dan gaat zij naar boven. Maar ik vind het geniaal.’
Zal ik gaan vertellen over hoe ik De Vrouw heb aangestoken met mijn liefde voor De Grote Meester? Dat ze met me mee gaat naar optredens en festivals alwaar bandjes en ensembles het werk spelen? Ik doe het niet.
‘In het begin denk je: dit trek ik niet, het gaat alle kanten op.’ De vent laat zich niet onderbreken. ‘Maar al snel ontdek je dat het geniaal is. Ken je Zappa?’
‘Wie?’ vraag ik.
‘Frank Zappa.’
‘Nogal.’ Over drie weken zitten we in de Kursaal in Oostende naar The Bizarre World Of Frank Zappa te luisteren. Twee maanden later zijn we op het vierdaagse festival Zappanale en eind november bezoeken we de Mosae Zappa tweedaagse in Heerlen met onder andere De Zoon Van.
‘Hij was geniaal,’ gaat de vent verder.
‘Wist je dat we hier in Apeldoorn een band hebben die zijn werk speelt?’ ‘Nee? Dat wist ik niet! Geniaal. Hoe heten ze?’
‘The FoolZ. Al meer dan vijfentwintig jaar. En ze zijn goed.’
‘Als je het werk van Zappa kunt spelen, dan ben je niet goed, maar geniaal.’
‘De band van vanavond is ook heel goed,’ zeg ik. Ik word een beetje simpel van het gegeniaal. ‘Ze spelen het werk in een soortgelijke bezetting als The Allman Brothers begin jaren zeventig. Met twee gitaren, bas, toetsen en kijk maar op het podium: twee drumstellen.’
‘Dat zie je niet zo veel.’
‘Opletten, dus,’ gebied ik. Dan loop ik naar voren. De band begint te spelen.

Links voor het podium vind ik een plekje van waaraf ik het goed kan zien en horen. Ik sta iets aan de kant, zodat ik niemand in de weg sta, ook de mensen die op een stoel aan een tafeltje zitten niet. Uit mijn zak pak ik mijn telefoon. Het is tien uur geweest, zie ik.
Rob staat rechts voor het podium achter de knoppen. Hij ziet mij, ik zie hem. Ik knik en zwaai. Het geluid is nog niet helemaal in balans. Ik hoor de toetsen niet. Nu ben ik niet alleen een toetsenfiel, maar ik ken de man die vanavond de Hammond- en pianogeluiden voortbrengt nogal goed. Altijd fijn om hem aan het werk te horen. De band begint met een serie instrumentaaltjes.
Ik kijk schuin achter mij. Er staan mensen op een paar meter afstand van het podium te kijken en te luisteren. Een jongeman staat ontzettend uitbundig te dansen, met veel wijdse en onverwachte bewegingen. Ik vind het ontzettend debiel. Doe normaal. Naast hem staat een jonge vrouw van hem weg te kijken. Hij probeert haar over te halen met hem mee te clownen, door haar in zijn armen te nemen en dicht tegen zich aan te drukken, zodat ze zijn bewegingen wel moet volgen. Lacht ze? Ze heeft lang en steil oranjerood haar, een bleek gezicht met sproetjes, heldere ogen. Nee, ze lacht niet; het lijkt eerder of ze pijn heeft. Ze draagt een zwart spijkerjasje, een strakke zwarte spijkerbroek en zwarte laarsjes. Ik meen iets in haar te herkennen, maar weet niet wat. Wat ik wel weet, is dat het me niet interesseert.
Op het podium klinkt een gave unisolo door de twee gitaren. De muzikanten gaan al snel op in hun muziek. Ogen dicht en soleren maar. De ene gitarist speelt heel fysiek: hij beweegt explosief mee met de tonen die hij aanslaat. De andere staat erbij alsof er een begrafenis gaande is, maar ondertussen brengt hij de meest waanzinnige tonenreeksen voort. Ik houd ervan.
Ik maak twee foto’s van de band die aan het spelen is en berg dan de telefoon weer op in de zak van mijn jasje.

Opeens staat de jonge vrouw voor mijn neus. Ze veegt een streng oranjerood haar uit haar gezicht en kijkt naar mij op. ‘Nu ben ik toch nieuwsgierig,’ zegt ze. ‘Ben jij Bas?’
‘Ja,’ antwoord ik.
‘Weet je wie ik ben?’
Ik weet het allang, maar ik doe net of ik even nadenk. Dan kijk ik haar aan, diep in haar ogen en ik zeg: ‘Eva.’
Ze juicht zonder geluid en vliegt me om mijn nek. Ik sla mijn armen om haar heen, wrijf over haar rug. Dan draait ze zich om en gaat ze terug naar de kerel die nog altijd bezig is met zijn mallotige kookpottendans.
Eva. Ooit was ze een jaar of vijftien. Wanneer was dat? Even denken. Negentientweeënnegentig of zoiets. Dan is ze nu meer dan vijfentwintig jaar ouder. Ik ook.
De muziek gaat voort. Na de instrumentaaltjes volgen enkele nummers met zang. Het Engels van de zanger is niet zo goed. Zijn gitaarspel wel. De eerste set is voorbij voordat ik het weet. De band stapt het podium af.

‘Hé Bas.’ De toetsenist steekt zijn hand op. ‘Mooi dat je er ook weer bent.’
Ik grijp de hand beet, pak hem bij zijn schouder en begroet hem. ‘Hoe gaat het?’ vraag ik.
Hij zegt iets. Ik versta het niet. De geluidsman heeft de kroegmuziek aangezet. Nogal hard. Ik kijk om me heen. Er is inmiddels veel volk in het zaaltje van het café. Maar Eva zie ik nergens meer. De toetsenist gebaart dat hij een biertje gaat halen bij de bar. Ik zwaai hem na.
Er komen nog meer mensen. Het wordt aardig vol. De mensen moeten schreeuwen om over de muziek heen te komen. Ik zie wat de geluidsman gaat doen. Waar ik bang voor ben, gebeurt: de muziek gaat nog harder.
Het is wat warm aan het worden. Ik heb wel zin in iets drinken. Water graag, het liefst uit de kraan. Maar ik ben alleen. Bij de bar zie ik dat de toetsenist zijn biertje al heeft. Als hij me had gevraagd of ik iets wilde drinken, had ik gezegd dat ik kraanwater wil. Maar hij drinkt vast op kosten van het café. En ik durf niet naar de bar om te vragen om één glas water uit de kraan. De bangerik.
Ik ga niet op mijn telefoon kijken. In plaats daarvan loop ik naar de ruimte tussen het zaaltje en het café. Daar hangen allerlei kunstwerken. Ik doe net of ik ze aandachtig bestudeer. Mijn oordeel heb ik overigens al na één blik om het eerste doek geveld: klodderprutswerk.

Hoor, de tweede set gaat van start. Ik ga weer terug naar het podium. Nu sta ik aan de rechterkant, vlak achter de geluidsman. Aan de begintonen had ik Jessica al herkend. Mooi stuk, klassieker. Om mij heen komen allerlei mensen staan. Dicht op me. Heel dicht op me. Maar niet Eva. Ook niet de alleraardigste blonde meid die er van dichtbij niet uitziet als rond de dertig. Verdwenen. In rook opgegaan. De mensen die er wel zijn praten door de muziek heen. Praten? Schreeuwen. Ik zie over de schouders van de geluidsman dat hij de schuifjes wat meer naar boven doet. Heeft hij poep in zijn oren? Dit begint pijn te doen. Met veel moeite peuter ik het etuitje met de gehoorbeschermers uit de borstzak van mijn jasje. De mensen staan zo dicht op me, dat ik nauwelijks ruimte heb. En ze schreeuwen, brullen, krijsen. De oordoppen zitten aan elkaar vast met een koordje. Het koordje zit in de knoop. Het koordje is elastisch. Ik krijg het niet gemakkelijk uit de knoop. Mijn oren doen zeer. Het volk gilt nog steeds. Het lawaai snijdt. Ha, eindelijk. Eerst de rechter, dan de linker. Aan het koordje zit ook een klemmetje. Dat maak ik vast aan de rever van mijn jasje. Ik duw de gehoorbeschermers nog iets beter op zijn plek. Het geluid is dof, veel hoge tonen zijn weg, behalve de alom aanwezige en genadeloze pieptoon. Op het podium is Jessica afgelopen. De mensen klappen en joelen. Een ander nummer begint. Ik kijk weer over de schouders van de geluidsman. De schuifjes gaan nog wat verder omhoog. Mensen duwen, botsen tegen me aan. Er hangt een vogel over mijn schouder te hijgen. Zijn kop stinkt. De pieptoon doet pijn. Mijn hart bonkt in mijn hoofd. Ik zweet van angst. Ik weet dat me maar een ding te doen staat.

Ook buiten is er enorm veel lawaai. Nu maakt het niet meer uit welke route ik kies. De kortste wordt het. Op de hoek is het plein. Bierkramen, een mensenmassa, beukende bastonen, felle flitslampen. ik snel over het trottoir aan de andere kant van de straat om de hossende meute te omzeilen. Gelukkig wordt de menigte hier dunner. Al lopende trek ik aan de koordjes de gehoorbeschermers uit mijn oren. Plop, plop. Er komen me zwalkende mensen tegemoet. Er is iemand op een fiets die er doorheen wil. Ik prop de oordopjes in het etuitje. Drie meisjes trekken een vierde meisje op haar knieën met hen mee. Gegil. Een van de meisjes stoot een beker bier uit de handen van een ander. Het gaat bijna over mijn schoenen; ik kan net opzij stappen. Het etuitje stop ik terug in de borstzak van mijn jasje. Nog iemand op een fiets. Slingerend tussen de lallende mensen door. Ik ontwijk hem en loop verder. Na tweehonderd meter staan er hekken dwars over straat. Daarachter zeker vijf politiewagens en bijna twintig agenten. Sommigen hebben rode lampen in hun hand, een soort toortsen waarmee ze naar auto’s signaleren dat die opzij moeten. Ik passeer de hekken. Twee agenten lopen met me op, schijnen met een zaklamp door de ruiten van een grote zwarte geparkeerde auto. Op de hoek van de straat mag ik linksaf. Nog weer honderd meter verder is de ingang van het appartementencomplex.

Eenmaal binnen is het doodstil. In de gang hang ik mijn jasje op een knaapje aan de kapstok, trek mijn schoenen uit en zet die in het kastje. Dan open ik de deur naar de woonkamer. Ik zoen De Vrouw der Vrouwen en leg mijn huissleutels in de la van de kast.
‘Hoe was het?’
‘Het bandje blijft gaaf,’ zeg ik. ‘Maar de wereld staat in brand.’
‘Je bent vroeg.’
‘Na de eerste set ging het volume heel erg omhoog,’ vertel ik. ‘Op zich helpen de gehoorbeschermers dan wel, maar het publiek schreeuwde eroverheen. Dan is het lawaai en vind ik het niet leuk meer.’
Ik zie dat De Vrouw weet wat of ik dan moet doen. Opnieuw zoen ik haar en ik verlaat de woonkamer weer. Vijf minuten later lig ik rillend in bed. Het is nog voor middernacht en ik poog te gaan slapen. Tevergeefs.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, mei 2019



Hier lees je ‘m op FOK!.


Vanaf heden lees je bazbo’s stukjes weer op donderdag, net zoals van 2007 t/m 2013!

• • •
 
Volgende pagina »