bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

18-03-2009

bazbo’s verklaring

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 09:11

Oké,

We schrijven het jaar 2007, en we bevinden ons ergens in mei of juni. Het is de tijd dat er iedere dag één column geplaatst wordt op de VoorPagina van FOK!. Door uitval van een paar vaste columnisten vallen er gaten in het rooster. We kunnen onder leiding van eindredacteur TheGrandWazoo dúsdanig schuiven, dat de hele week gevuld is, behalve de zondag.
Dan doet tuvokki zijn voorstel voor een vervolgverhaal. Een heuse soap op FOK! Na een hoop heen-en-weer brainstormen ontwerpt tuvokki de hoofdlijnen voor ‘Regensburg’. Iedereen is enthousiast, maar na twee afleveringen wordt het volledig ’t kindje van tuvokki en mij. We plaatsen in totaal vijf afleveringen. De eerste vier worden slecht gelezen en de reacties zijn negatief. De eindredacteur twijfelt. Dan komen tuvokki en ik met de vijfde aflevering en TheGrandWazoo vindt hem zó goed, dat hij toezegt dat er vierentwintig afleveringen geplaatst mogen worden en dán kijken we wel verder.
Tuvokki en ik zijn enthousiast en we maken binnen een dag of tien nóg vijf extra afleveringen. De vakantieperiode komt er aan en die moeten we zien te overbruggen. Inmiddels is de vijfde aflevering van ‘Regensburg’ verschenen en wederom: lage kijkcijfers en bedroevende reacties.
TGW overlegt met boven. Het oordeel is onverbiddelijk: stoppen met die soap. Tuvokki en ik zijn teleurgesteld, zeker omdat we op basis van de toezegging nog zo hard hebben gewerkt aan de nieuwe afleveringen die nu niet meer geplaatst gaan worden, maar we kunnen leven met de uitleg. De lezers vinden het gewoon niet leuk, dus laten we iets nieuws verzinnen.
In een post in het columnistenforum legt [de grote FOK!baas] Danny het nog eens uit en erachteraan zegt hij: “Wie zit er trouwens te wachten op dit soort literaire diarree?”

Deze uitspraak maakt tuvokki en mij furieus.
We vinden dat verhalende columns – noem ze ‘literaire diarree’ – een wezenlijke plaats verdienen en in moeten nemen op de VoorPagina van FOK! We gaan alles op alles zetten om dát te bereiken.
Vanaf dat moment plaatsen we zelf alleen nog maar literaire diarree, zo nemen we ons voor. Tuvokki houdt dat heldhaftig vol tot op de dag van vandaag; ik zit anders in elkaar en moet steeds op zoek naar nieuwe vormen, maar blijf overwegend trouw aan ons voornemen.

Wat ‘Regensburg’ in ieder geval wél oplevert, is dat tuvokki en ik ontdekken dat wij samen ontzettend goed en efficiënt kunnen schrijven. We vullen elkaar op een heleboel vlakken aan en de samenwerking is vlot en subliem. Zonder aarzelen spreken we af dat we dóór gaan.
In een poep en een scheet schrijven we een nieuw verhaal. Tuvokki doet het plot en de venijnige wending; ik lucht de boel op met dialogen en onzinnige woorden. ‘Automechanisch’ noemt tuvokki het.
“Wat doen we er nu mee?” is de volgende vraag. Tuvokki komt met een gewaagd plan.

“We sturen het in als submit onder een andere naam, en dan kijken we of het eruit wordt gevist. Dan schrijven we een nieuw verhaal en proberen we het nog eens. We wachten af hoe lang het duurt tot we worden gevraagd om bij de columnistenploeg te komen.”
We beraden ons op het profiel van deze ‘andere naam’, de kloon. In een paar dagen tijd bouwen we aan het karakter van een jonge vrouw. Ik heb zojuist een luchtig verhaaltje geplaatst over de caissière van mijn supermarkt en tuvokki is ook al bezig met iets dergelijks, dus dat onze kloon een kassameisje moet zijn, staat al vroeg vast.
Tuvokki maakt de kloon aan. Ik krijg al gauw ook de gegevens, zodat ik stukken kan plaatsen en reacties kan geven onder kassameisjes naam.

Helaas is TheGrandWazoo ondertussen niet meer onze eindredacteur. Superworm neemt tijdelijk zijn taak over, en hij pikt ‘Automechanisch’ er onmiddellijk uit. Het wordt geplaatst als submit en krijgt goede reacties.
Ik schrijf een tweede verhaal, waarin kassameisje langs een bouwput loopt, haar enkel verzwikt en door een stoere bouwfucker een bouwkeet in wordt gelokt. Aan het eind dringt deze lompe werksman zich nogal op en vóórdat kassameisje zijn hersens inslaat met een koevoet, spreekt ze voor het eerst de woorden: “Kijk, dan haak ik af.” Het verhaal staat op een servertje van tuvokki, dat jammer genoeg de geest geeft vóórdat het stuk ingestuurd kan worden. “Kijk, dan haak ik af,” blijft echter een sleutelkreet in de verhalen van haar.

Superworm wordt vaste eindredacteur (augustus/september?) en mij staat bij dat één van zijn eerste acties is om kassameisje te vragen als vaste columniste. Dat weigert ze natuurlijk. Wél blijft ze verhalen insturen, die bij de lezers wisselend worden ontvangen: de één vindt het helemaal niets, de ander vermaakt zich kostelijk.
Ondertussen misdragen tuvokki en ik zich op MSN in gesprekken met superworm. We voeren hele conversaties en stippen terloops de nieuwe bijdrage van kassameisje aan. Om een lang verhaal kort te maken: we naaien superworm nogal op om haar verhalen toch maar vooral te plaatsen.

Superworm vraagt kassameisje voor een tweede keer als vaste columniste en deze keer hapt ze toe.
Tuvokki en ik vieren in stilte feest: literaire diarree op de VoorPagina.
Tuvokki krijgt een pm van Danny: “Is kassameisje een kloon van jou?”
Tuvokki antwoordt: “bazbo en ik schrijven samen onder de naam kassameisje verhalen. Mogen we de eindredacteur nog een tijdje voor de mal houden?” Danny gaat akkoord.
Tuvokki ontwerpt het ‘plaatje’ van kassameisje: de kreet ‘My Litle Pony’ over een achtergrond van de atoombom.

Ondertussen beginnen we ‘signalen’ uit te zenden. Ik zet verborgen aanwijzingen in mijn verhalen en in kassameisjes verhalen zitten verwijzingen naar mij.
De allergrootste grap is kassameisjes verhaal ‘Hij is lief voor mij’. Aanvankelijk wilde ik het plaatsen als eigen column van mijzelf. Het leek me leep om eens vanuit een stagiaire bij mij op het werk iets over mijzelf te schrijven. Over hoe geweldig ze me vindt. Ik legde hem aan tuvokki voor en die zei dat het wel iets voor kassameisje was. Het kostte niet veel tijd om de bewonderde man in kwestie héél iets te veranderen zodat ikzelf onherkenbaar zou zijn. Kassameisje plande hem in, en nog geen dag later kreeg ik een MSN-bericht van superworm: “Hee bazbo, moet je kassameisjes laatste bijdrage zien; het lijkt wel of ze het over jóú heeft!” Wat superworm niet wist, was dat het ook écht over mij ging. U begrijpt dat we achter de schermen dubbel lagen.

Op 1 oktober 2007 ontmoet ik tuvokki voor het eerst in levende lijve. Tijdens een etentje in Eindhoven bepalen we de verdere strategie rondom ons eigen duivelinnetje kassameisje. TheGrandWazoo is later op de avond óók aanwezig, maar hem vertellen we niets, ook al maken we een flink aantal toespelingen.

Tuvokki begint vanaf dan in het columnistenforum met linke grappen. In een post van kassameisje in het forum schrijft hij ineens iets dergelijks als: “O ja bazbo, laten we inderdaad eens iets afspreken.” Plotseling krijg ik allerlei pm’s van collegacolumnisten in de trant van: “Zo? Stiekem daten met kassameisje?”

In een MSN-gesprek met superworm vertelt tuvokki dat ik kassameisje in levende lijve heb ontmoet. Prompt krijg ik bericht van superworm en hij daagt mij uit tot het schrijven van een verslag van de ontmoeting. Ik maak het verslag daadwerkelijk en plaats het onder de titel ‘Geheime ontmoeting’ begin januari 2008. De reacties zijn ongemeen goed en leuk. Niemand weet dat ik alles van begin tot het eind uit mijn duim heb gezogen.
Priscilla heeft dan al meegewerkt aan de sinterklaas- en de oudjaarsspecial. Ze bouwt een heuse schare fans op, maar er is ook nog steeds een groep die het niets vindt. Een enkeling roept zelfs dat ze een in damesondergoed verklede kerel is, maar niemand neemt dat serieus.

Dan, rond februari en maart 2008, krijgt tuvokki het druk in zijn persoonlijk leven. Hij stopt tijdelijk met het schrijven van columns, maar wil wel tijd vrij blijven houden voor kassameisjeverhalen. Het is echter niet anders, en het duurt niet lang of zelfs zijn bijdragen aan kassameisje beperken zich. Hij maakt nog wel wat opzetjes of bewerkt enkele verhalen die bijna af zijn, maar echt veel kan hij tot zijn grote spijt niet doen. Ik doe mijn best en blijf me fanatiek verplaatsen, maar het eind komt in zicht.

Langzaam beginnen we ons te beraden op het einde. Pris’ laatste column moet alles verklaren, maar moet ook de allermooiste ooit worden. We besluiten om langzaam toe te werken naar haar afscheid.
De wisselende thematiek, de wisselende stemming in haar verhalen helpen ons. Het ene moment is ze lief en bezorgd om de mensen om haar heen, het andere moment spant ze mensen voor haar karretje of is ze ronduit extreem gewelddadig. Er is iets mis met haar.
Dan wordt ze ziek. Voorzichtig vertelt ze zijdelings over haar hoofdpijn. In het columnistenforum heeft ze het over ‘onderzoeken’. Ik wens haar openlijk veel sterkte met haar strijd, hetgeen veel vragen oproept (ik krijg nogal wat pm’s van collegacolumnisten).

Ondertussen heeft superworm in zijn laatste dagen als eindredacteur een klooncheck gedaan en hij ontdekt dat ik kassameisje ben. Hij zegt dat hij het werk van haar erg leuk vindt en wenst me succes bij het verdere kassameisjewerk.
Begin juli lekt her en der uit wie kassameisje is. Lezers weten van niets, maar de nieuwe eindredacteur en de ouwe én Danny zetten druk erop. Ze vinden dat het niet kies is dat kassameisje dood gaat. Dat is spelen met emoties van lezers, vinden ze, en dus mag het zo niet doorgaan.
Ikzelf vind het zieke einde (er komen ook posts in het columnistenforum dat ze zo ziek is) heel mooi. We hebben hier al een half jaar naar toe gewerkt. De wisselende stemmingen en sferen, het harde geweld, de heftige seks, de plotse emoties, het hoorde bij haar nedergang. Zoals we hardop dachten: “De kanker in haar kop maakt dat ze gek is geworden. Ze weet het verschil tussen werkelijkheid en fantasie niet meer; ze vraagt zich af of die heftige seks en al dat extreme geweld nu echt gebeurd is of dat ze het verzonnen heeft. Ze kiest ervoor om niet geopereerd te worden. Sterker nog: omdat ze niet wil lijden, vraagt ze om actieve euthenasie.”

Aanvankelijk komen we er niet uit.
Echter, het is ons de rel niet waard en dus besluiten we dat we de spanning wel opvoeren, maar dat in het laatste verhaal blijkt dat kassameisje het zich allemaal ingebeeld heeft.
Superworm schrijft de basis van het verhaal ‘Nu Niet’, waarin ze in een CAT-scanner gaat. De keer erop krijgt ze de uitslag (in het verhaal ‘Rotkop’), maar dat blijkt later een verzinsel.
‘Rotkop’ wordt geplaatst, mét spannend eind (zonder kanker), en dan is het laatste deel ‘Kijk, dan haak ik af’ inmiddels ook al af. Inderdaad, in het verhaal blijkt dat kassameisje alles verzonnen heeft. Ze kiest ervoor om te leven op een óngecompliceerde manier zónder wilde fantasieën. Het is haar allerlaatste column, waarin ze emotioneel afscheid neemt en vertelt over haar fantasieën en hoe die haar leven beheersen. Ze beseft dat ze in een fantasiewereld heeft geleefd. Alles wat ze geschreven heeft, is verzonnen. Nu kiest ze ervoor om een werkelijk leven te gaan leiden en dus moet ze stoppen met schrijven. Haar laatste zin is, hoe toepasselijk: “Kijk, dan haak ik af.”

Het laatste deel ‘Kijk, dan haak ik af’ is geplaatst op woensdag 13 augustus 2008.

Heb je er achteraf spijt van?
Het enige dat ik betreur is dat ik op een aantal momenten superworm zo staalhard heb voorgelogen. Hij heeft zijn werk als eindredacteur zó goed gedaan; eigenlijk verdient hij het niet om zo grof misleid te worden. We hebben gesold met zijn integriteit en achteraf ben ik daar niet trots op.
Ik heb echter geen enkele spijt dat we het project ‘kassameisje’ ooit zijn begonnen. Ons doel was: literaire diarree heeft een essentiële plaats op de VoorPagina, omdat literaire diarree het verdient. Dat doel hebben we bereikt. Literaire diarree HEEFT INMIDDELS ÉCHT een wezenlijke plaats veroverd bij de columns en is niet meer weg te denken.

En: hoe gek het ook moge klinken: in de loop van de tijd dat ik meehielp met het schrijven van kassameisjeverhalen, ben ik meer en meer van Priscilla gaan houden. Genoeg om te mogen verklaren dat ze, hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, ondanks alles toch een afsplitsing van mijzelf is.

Groet,

bazbo
Apeldoorn, augustus 2008

• • •
 

28-08-2008

Kijk, dan haak ik af!

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 00:51

Doktoren, zusters en ik. Het is een vreemde combinatie. Ik heb een levendige fantasie. Dat is zeker. Het weerhoudt me er niet van de dingen rooskleuriger voor te stellen dan ze zijn. Altijd heb ik gedaan alsof. Alsof ik heftig genoot van seks en geweld. En alsof ik mensen kon vermoorden in het magazijn en de volgende dag doodleuk weer achter de kassa plaatsnemen. Ik heb het allemaal écht gedaan en niemand geloofde me. Het is niet eerlijk, maar ja: het leven is ook niet eerlijk.

Vandaag ben ik bij de psychiater geweest. Het was mijn laatste bezoekje. Alsof ik opnieuw geboren ben, alsof ik een nieuw leven heb gekregen, loop ik naar buiten. En dat terwijl er niets aan me veranderd is. Ik heb geen hoofdpijn meer en ik maak nooit meer iemand dood. Dat eerste heeft alles te maken met het laatste. Want niemand heeft schuld aan het heengaan van kassameisje, zeker de doktoren niet.

Leven met leugens is vermoeiend. Ik dacht dat ik werd behandeld voor een aantal rare ziekten en syndromen. Of waren het dromen? Het is voor mij nooit duidelijk geweest of ik bestond, en als dat zo was, of ik werkelijk zag wie ik was. Nu valt het me zwaar om afscheid te nemen. Afscheid van een wereld die me de laatste jaren bekend en vertrouwd is geworden. Het is eng om je te realiseren dat je ineens opnieuw moet beginnen. En het is goed om eindelijk mezelf te zijn.

De afgelopen tijd heb ik jullie op de hoogte gehouden van mijn ‘belevenissen’ in de supermarkt. De tijd dat ik daar werkte, was de mooiste van mijn leven. Zeker als ik er nu op terugkijk. Ik was jong en vrij, had geen verantwoordelijkheid en heel veel tijd voor nog veel meer fantasie. Nu ik hier lig, alleen in bed, bedenk ik weleens wat er allemaal van me geworden zou zijn als ik niet ziek was geweest. Ik bedoel maar: als mijn tijd in de supermarkt een opmaat was geweest voor de rest van mijn leven, had ik een hoop lol kunnen hebben.

Het verhaal van mijn leven laat zich makkelijk splitsen in drie ongeveer gelijke delen. Eerst was er niets, en toen ineens Priscilla. Van klein meisje tot haar eerste baantje. Niet veel aan, zeker niet als materiaal voor een column. Daarna, en echt vlak nadat ik mijn eerste baantje kreeg, had ik voor het eerst echte seks met een echte jongen. En ik wist zeker dat het afgelopen zou zijn met die random fallusvormige voorwerpen die ik tot dan toe gebruikte om mee klaar te komen; een piemel in me was het lekkerste wat ik ooit gevoeld had. Voeg daarbij dat ik voor het eerst in mijn leven mijn eigen geld verdiende, en je hebt een duidelijk aanwijsbaar breukvlak tussen mijn vroege jeugd en mijn adolescentie.

Die breuk is nu heel definitief geworden. Afscheid doet geen pijn. Afscheid is opnieuw beginnen, van nul af aan. Mijn adolescentie begon zoals bij velen onder ons met studeren. Ik had een weekendbaantje en leefde mijn nogal wilde leven in de grote stad. Daar ben ik gaan zwerven. Niet letterlijk, maar in mijn hoofd. Ik liet alles los wat ik tot dan toe geleerd had en liet me meevoeren op de maalstroom die ‘Het Leven’ heet. Het was een spannende tijd. Een avontuur met een rampzalig einde. Van dag tot dag werd het erger. Ik ging niet meer naar college, liet me limietloos vollopen in de meest schimmige kroegen van de stad, waarna ik naar huis ging met elke kerel, vrouw of groep mensen die me maar wilden misbruiken. Alles was beter dan alleen zijn. Want als ik alleen was, dan kwam de hoofdpijn. Ik kon er niks tegen doen. De doktoren konden niks vinden en ik wist zeker dat er iets mis was met me. Hoe weet ik niet meer, wellicht door mijn gewillige lichaam en schaamteloze lust, maar ik ben afgestudeerd. Ik kan me er weinig van herinneren. Het was de tijd van zaaien, alleen viel de oogst wat tegen.

De periode eindigt als ik ben afgestudeerd en ga werken op een groot kantoor. Niet meteen dan, maar vrij snel na het begin van mijn serieuzere en volwassen leven ben ik getroffen door een vrij heftige en dodelijke ziekte. Zo’n gevalletje dat je dagen achtereen aan bed gekluisterd houdt en je alle lust ontneemt. En overal waar nog lust was, waren er ineens de beperkingen van mijn lichaam. Mijn zieke lichaam zou op sommige dagen een rustige vrijpartij niet eens overleven. Dus om mijn ei kwijt te kunnen, heb ik gedaan wat ik altijd doe als ik me verveel: verhalen verzinnen. Dat deed ik al op rustige dagen achter de kassa, of tijdens een lange vergadering op kantoor. Ik trek mezelf terug en laat mijn verzinsels samenvloeien met de werkelijkheid. En aangezien ik geen nageslacht heb, moest ik het aan iemand kwijt.

Nog steeds konden de heren artsen niets bij me vinden. Ik voelde me in de steek gelaten door de wereld. Niemand kon me helpen. Miljoenen aan belastinggeld is langs mijn bed gekomen en zonder antwoorden is elke cent vertrokken. Ik was ziek en kreeg keer op keer te horen dat er niks mis was met me. Dat heb ik lange tijd niet kunnen accepteren.
Mijn kantoorbaantje ging verloren en ik ging weer bij mijn moeder wonen. Gelukkig was er de kassa, waar ik mijn verhalen verzon. Die schreef ik ’s nachts op als ik niet kon slapen. De pijn die ik voelde was echt. Zo echt dat ik niet eens meer achter een kassa kon zitten. Ze hebben me een keer schreeuwend en kwijlend naar het ziekenhuis gebracht. Daar ben ik gebleven, opgegeven door de wetenschap. Ik dacht dat ik niks meer kon en trok me terug in mijn hoofd. Als een zombie lag ik daar. Een zombie, die alles voelde en waarnam, maar niks kon doen.

Het is heel frustrerend om over seks te praten of te fantaseren, als je te beverig bent voor een goeie masturbatie. Als teveel opwinding betekent dat je flauw valt of moet kotsen. Dat heeft me altijd kwaad gemaakt. In een paar dagen ging ik van een levenslustig en gezond lichaam naar een wrak, bij wie het maar de vraag is wat er werkt als je wakker wordt. Áls je al wakker wordt. Die frustratie koelde ik altijd al af op de mensen die hem veroorzaakten. En dat is in mijn verhalen ook vaak genoeg gebeurd. Net als de seks, die ik in mijn hitsige fantasieën altijd had met de jongens die ze opwekten. De lieve nerds, de vrolijke sandaalstappers en de talloze vakkenvullers met wie ik seks heb gehad in mijn verhalen, die had ik graag willen verwennen in het echt. Maar goed, ik ben maar een verlegen meisje met veel fantasie. En de verlangens kwamen er pas echt duidelijk uit toen ik in een ziekenhuisbed lag zonder de mogelijkheid er iets mee te doen.

Toen, op een zonnige morgen, kwam er een man naast mijn bed zitten. Hij keek me niet begerig aan. Hij had geen valse intenties. Hij wilde alleen maar met me praten. Op het einde van ons eerste gesprekje zei hij dat hij terug zou komen. Ik geloofde er geen snars van, maar de volgende dag zat hij er weer. Ik vertelde hem alles. Ik biechtte alles op. En niks leek hem te shockeren. Mijn verhalen werden steeds erger, steeds vunziger en gewelddadiger. En hij bleef mijn vriend. Tot hij me op een dag een vraag stelde die me deed twijfelen aan mijn hele bestaan.
“Leef je wel?” vroeg hij me.
Lange tijd heb ik moeten huilen, omdat ik altijd het antwoord geweten heb. Nee, ik leefde niet. Ik was ver weg, verscholen in een eenzaam bos, wanhopig op zoek naar iemand die me juist die triviale vraag stelde. Dat was het derde breukvlak in mijn nog jonge leven.
En daarom zeg ik het maar waar het op staat: dit is mijn laatste column. Voor sommige mensen zal dit als een schok komen. Voor mij is het de afsluiting van een reeks verhalen die ik heb verzonnen.

Ik kap nu, maanden en honderden gesprekken later, met de onzin waarin ik altijd heb geloofd.
“Leef je wel?”
Kijk, als ik niet kan leven, dan haak ik af.

• • •
 

30-07-2008

Rotkop

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 23:30

Veel tijd om uit te praten kreeg deze specialist niet. Ik was al opgestaan en naar hem toegelopen. Voor hij het wist, had ik hem al een enorme ram voor zijn kop gegeven.

“Mevrouw, dit kan echt niet!” probeerde hij zich nog te verweren.
“Het kan wél!” gilde ik. “Kijk maar!” Met mijn vlakke hand gaf ik hem een ferme pets tegen zijn wang.
Hij probeerde op te staan om de telefoon te pakken, maar ik was hem voor. Met een handige beweging schoof ik het ding van zijn bureau. Het viel met veel lawaai op de grond.
“Ik begrijp uw teleurstelling over de uitslag van het onderzoek,” piepte de arts. “Maar u zou toch niet willen dat ik u een rooskleuriger toekomstbeeld zou voorschetsen als dat niet waar is?”
“Klootzak,” siste ik. “Ik ben potdomme net terug van vakantie. Je helpt mijn roes helemaal naar z’n grootje met je vuile leugens!”
“Mevrouw, de diagnose is hard en ik kan mij uw ontreddering helemaal voorstellen.” Hij had een tand door zijn lip. “Maar …”
“Dat kun je niet!” Mijn stem sloeg ervan over.
Whaakkkkkk! Nu gaf ik hem een beuk in zijn buik. Hij klapte dubbel. Alsof er een kerstbelletje rinkelde braken zijn tanden toen hij met zijn gezicht op zijn notenhouten bureau klapte. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om me uit de voeten te maken.

Links de gang op. Langs de desk van de assistente, waar je een vervolgafspraak kunt maken. Mooi niet! Dan weer rechts. Daar zijn liften. Ik kende de weg ondertussen. Hoe vaak was ik hier nu al geweest de afgelopen maanden en vooral weken? Veel te vaak.
Ik rende een lift binnen, die op het punt stond om te vertrekken naar boven. Het leek potdomme wel een film. Net toen de deuren dicht gingen, kwam ik er aan. Ik stak mijn gladgeschoren been tussen de deuren en toen kon ik naar binnen. In de lift stonden allerlei mensen die ik in mijn hele leven niet zou hebben willen ontmoeten. We gingen met z’n allen met ons gezicht naar de deur staan kijken. Wat een idiote diersoort zijn we eigenlijk.

Drie verdiepingen hoger schoven de deuren weer open. Hier moest ik zijn. Hier was ze. Of niet?
Echt zeker weten deed ik het niet. Op welke afdeling werkte ze nou? En was het de linnenkamer of de klysmazuighelpdesk? Verdomme, hoe ik ook piekerde en zocht, ik wist het niet meer.
Ik stopte met rennen. Slaan moest ik, en niemand in de buurt. Hier, een leeg stukje muur. Nee, niet met een vuist, maar met de vlakke hand. Whapp. Au. Een muur is hard. Een menselijk gezicht slaat veel prettiger. Snel holde ik verder de gang door.
Ik kwam langs allerlei kantoren. Niet veel later was ik aan het eind van de gang en ik gokte dat ik er moest zijn. Mijn gissing was raak.

Daar stond Jasmijn, in haar vlotte verpleegstersuniform. Ik bleef rennen en viel in haar armen. Ze omhelsde me liefdevol.
“Stil maar, meisje,” fluisterde ze in mijn oor. “Wat is er?” Ze wist dat ik een dezer dagen hier in het ziekenhuis zou zijn voor de uitslag van mijn onderzoeken.
Ik zei niets, begroef me in haar armen en begon met twee vuisten op haar in te slaan. Haar greep om mij heen verstevigde zich. Mijn slagen werden slapper.
“Kom Pris,” zei Jasmijn. Ze pakte mijn hoofd beet en trok het van haar schouder weg. Ze keek me diep in mijn ogen. “Welkom terug op aarde.”
Ik haalde mijn schouders op en deed niet eens moeite om mijn tranen te verbergen.
“Och meisje,” zei ze. Haar handen maakten ondertussen zachte bewegingen over mijn rug en billen. Langzaam bracht ze haar mond naar die van mij.
We kusten lang en wild. Mijn lippen begonnen pijn te doen. Toen ik het écht niet meer volhield, gleed Jasmijns tong ineens langs mijn hals naar beneden. Het was lekker om haar vochtigheid in mijn decolleteetje te voelen kronkelen. Ondertussen was ze wat neergeknield en streelden haar handen mijn bovenbenen. Ik had alleen maar een luchtig jurkje aan. Het was mooi weer en mijn herinneringen aan het hete Turkije wilde ik nog even actueel houden.

Ik voelde hoe haar vingers langs mijn benen omhoog gleden en op zoek waren naar het boordje van mijn slip. Handig trokken ze die naar beneden, over mijn dijen heen. Plotseling lag haar tongetje op mijn knieën en lebberde het zich een weg naar boven. God, wat werd ik heet. Ik pakte haar hoofd bij haar lange haren beet en trok het in de richting van mijn warmte. Als snel kringelde haar tong langs gevoelige plekjes. Het ging maar door en door. Ik stond op het punt van hoogte.
“Jammer dat er geen lekkere kerel bij is,” hield Jasmijn ineens op. “Het zou wel fijn zijn als we zo’n kloppende zwelling tot onze beschikking hadden.”
Ik wist niet eens goed waarom ik afhaakte. Ruw duwde ik mijn beste vriendin van mij af.

“Wat heb jij toch de laatste tijd, Pris?” hijgde Jasmijn, die nog altijd op haar knieën lag.
“Er is écht iets niet goed in mijn hoofd,” was wat ik kon uitbrengen.
“Joh, je hebt wat koppijn,” zei ze. “En voor de rest ben je net zo knetter van seks als ik.”
Wist zij veel. Wist ik veel. Ik wist in ieder geval helemáál niet meer wat ik deed. Haar grapje maakte me furieus. Ik vouwde mijn vingers in elkaar en hief mijn handen omhoog. Met enorme kracht liet ik mijn knokkels op haar hoofd terecht komen. Ze viel onmiddellijk opzij. Bloed liep vanuit haar kruin naar onderen.
“Godver, Pris, waar is dat nou voor nodig?”
“Je maakt me woest, Jasmijn,” zei ik. Ik haalde uit en schopte haar midden in haar gezicht. Ze had een bloedneus. “Meer?” vroeg ik.
“Nee, hou op!”
“Kappen dan!”
“Waarmee, Pris? Jij zocht mij toch op?”
“Niet waar!” gilde ik. “Jij zit me overal en altijd op mijn lip! Met je geile lijf! Om mij jaloers te maken!”
Ik draaide me om en liep weg.
“Pris? Waar héb je het over?” vroeg Jasmijn.
Ik gaf geen antwoord. Ik hád ook geen antwoord.

Buiten deed de zon pijn aan mijn ogen. Ik liep. Waar zou ik ’s heengaan? Nergens. Gewoon lopen. En wat deed ik in de tussentijd? Ging ik het café in? Ik herinner me het niet goed. Helder denken was er niet bij, en ik had niet eens gezopen. Waar moest ik trouwens heen? Ik had geen zin in gezeik aan mijn kop. Gelukkig vond ik na lange tijd het studentenhuis waar ik nog steeds woon. Ik was er al lang niet geweest, maar vond op de tast mijn kamer.
Ik duwde de deur open en liep naar mijn kamer. Zelfverzekerd deed ik de deur achter me op slot. Op datzelfde moment overviel de vermoeidheid me. Ik deed twee stappen en liet mijn schouders hangen. Naast mijn voordeur hangt een grote spiegel. Ik keek erin.

Echt helder beeld had ik niet. Mijn ogen stonden immers vol met traanvocht.
Ik weet dat ik niet de mooiste van de klas ben. Toch ben ik niet ontevreden over mijn uiterlijk. Mannen knappen niet snel af op mijn lichaam; je kunt er fijne dingen mee doen. Ach, en dat ik dan mijn heupen soms wat te breed vind, of mijn tietjes te klein, wie ligt daar dan wakker van? Wat een leuk fris kapsel heb ik toch. Mijn haar is flexibel: ik kan ermee doen wat ik wil. Of ik het nu plat of omhoog gestyled wil; alles kan. Ik heb een vriendelijk gezichtje en ben trots op mijn mooie ogen. Met wat mascara verleiden ze iedere kerel die ik wil.
“Nee, het echte afstotelijke van mij zit van binnen,” moest ik zuchten.
En daar was-ie weer: de onhoudbare druk op mijn hersenen, die mijn ogen bijna deed uitpuilen. De allesoverbodigmakende pijn in mijn bovenkamer, die de spieren in mijn hele lichaam liet verslappen.
Ik boog mijn hoofd naar mijn borst en viel naar voren. De klap tegen de spiegel deed niet eens zeer. Er vielen scherven op de grond en ik voelde een straaltje bloed vanuit een wenkbrauw in mijn oog stromen. Terwijl ik door mijn knieën zakte, wierp ik door mijn tranen heen nog één blik in de gebarsten spiegel. Je kon het van buiten niet zien, maar in mijn hoofd is er iets vreselijk mis, en ik ben de enige die dat kan zien.
“Wat een rótkop.”

• • •
 

17-07-2008

Nu niet

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 07:18

Ik zet mijn handtasje neer op het ronde, witte tafeltje naast de roodfluwelen bank en neem plaats. Het zit wel lekker. Ik zak onderuit, raak meteen slaperig, en dwing mezelf wakker te blijven. Met veel moeite probeer ik me te concentreren op de lectuur die voor me ligt uitgespreid. Op de tafel voor me ligt een stapel tijdschriften: Libelle, Autoweek, Yes; sommige wel vijf of zes jaar oud. Ik pak een willekeurig exemplaar van de stapel en laat me door Viva informeren over de bikinitips voor de zomer van 2003. Ik kan mijn aandacht niet houden bij de tekst; ik denk aan alles behalve bikini’s en ik dwing mezelf de bont opgemaakte alinea’s te lezen. Van diep in mijn hoofd komt het bekende gevoel opzetten. Het is de oorzaak waarom ik hier zit, waarom ik steeds vaker mijn werk moet verzuimen, waarom mijn moeder me dagelijks vijf of zes keer begon te bellen. Steeds erger voel ik mijn hartslag bonken, alsof er met elke pomp weer meer bloed mijn hoofd in wordt gestuwd.

“Doenk-doenk-doenk,” doet het in mijn kop. Mijn oren suizen en mijn ogen doen pijn van het felle licht in de ruimte. “Shit, dit moet ophouden!” fluister ik mijzelf toe. Ik leg Viva 32-2003 terug op de stapel en doe mijn ogen dicht. Na een paar minuten zakt de hoofdpijn weer een beetje en ik graai in mijn handtasje. Ik ontvouw het dubbelgevouwen kaartje. Eén regeltje, dat ik de afgelopen weken zo vaak heb gelezen, dat ik het kan dromen. “Dr. W.J. Schonewille, neuroloog, kamer 01.310, 15:30, 4 juli 2008.”

Het duurde vier weken voor meneer Schonewille eindelijk tijd voor me had. Ik ben dat niet gewend; meestal gooi ik gewoon mijn zwoele blik in de strijd, of trek ik een truitje aan waarin mijn bescheiden décolleteetje goed uitkomt, en sta ik bij alle mannen meteen vooraan in de rij. Dit keer niet. Nu niet.
Vandaag heb ik een slobbertrui en een oude, losse spijkerbroek aan en heb ik me maar weinig opgemaakt. Mijn kortgeknipte blonde haar staat sprieterig omhoog. Vier weken, achtentwintig dagen, kan ik al nergens anders meer aan denken. Voor stukken zoals dit verhaal moet ik talloze keren gaan zitten, omdat langer dan tien minuten intensief bezig zijn met iets me al de meest verschrikkelijke kloppingen bezorgt.

Ik laat me achterover zakken in het scharlaken pluche van de sofa en knijp mijn ogen tot streepjes. Door mijn wimpers zie ik de wachtkamer vervaagd, gevlekt, bedekt met een bruinzwarte waas. Het wordt er niet mooier op. Er zitten nog drie mensen. Een jongen van een jaar of vijfentwintig. Normaal zou ik druk naar hem gaan knipogen en heel hinterig doen. Nu niet. Niet meer. Hoewel, de gedachte eraan maakt dat het even warm wordt in mijn schoot. Maar dan valt mijn oog op de andere mensen. Een oude vrouw met grijs haar en een afzichtelijke rok aan, lichtelijk naar urine ruikend. Normaal zou ik afhaken. Nu niet. Een vent van een jaar of zestig, die zich verdiept in een Autoweek. Het is stil, hier, te stil. Niets behalve een heleboel om in stilte over te piekeren, tot die deur opengaat en mijn achternaam wordt geroepen.

Ik ben niet vaak in het ziekenhuis geweest. Een keer, decennia geleden, was ik bij het touwtjespringen ongelukkig gevallen en moesten er in het kinderziekenhuis röntgenfoto’s van mijn onderarm gemaakt worden. Niet veel later moesten mijn amandelen eruit. Verder een paar keer voor een SOA-test. Meer niet. Of het moet bij Jasmijn op bezoek zijn. Zij werkt in het ziekenhuis in mijn woonplaats.
Je zou kunnen zeggen dat ik het nu meteen goed aanpak, hetgeen best verklaarbaar zou zijn uit het feit dat ik doorgaans assertief en doelgericht ben. Maar het soort kwaaltjes dat ik nu heb: je kiest er niet voor. Ik had liever doelgericht mijn baan opgepakt, bot gedaan tegen klanten in de supermarkt, colleg’s op kantoor afgezeken, of assertief gestapt met mijn vriendinnen, maar in plaats daarvan zit ik hier. Te wachten. Dat eeuwige wachten.

De deur gaat open. Ik wil niet dat de zuster mijn naam roept. Ik wil weg. Ik wil 1500 milligram aspirine en mijn bed in. Slapen, dromen over avonturen van vroeger, van voor de hoofdpijn. Dromen van de goede tijd, van Priscilla, het kassameisje, van afhaken, van ballenrammen, overdrijven, stampende seks, van het studentenleven. Van alles waar jullie me inmiddels om kennen. Nu alleen nog als archiefbeelden in mijn nachtelijke strubbelingen. En ik wil vooral ook wakker worden. Honderd keer wakker worden. Wakker worden met glaasjes water. Wakker zijn op lange dagen vol leegte, dat is wat er overblijft nu. Het is vijf over half vier. En ik wil niet dat ze mijn naam roept. Nu niet. Alsjeblieft niet.

“Mevrouw Van Meerendonk?” Ik steek mijn hand moeizaam op, als teken dat ik de gelukkige ben. Dan sta ik op en voel de hoofdpijn onmiddellijk terugkomen. Snel gris ik mijn tasje van de tafel en stop ik mijn mobiele telefoon en het dokterskaartje terug tussen de make-up en prullaria. Langzaam loop ik de wachtkamer uit, de witte gang door, achter de zuster aan, naar kamer 01.310, naar dokter Schonewille, naar duidelijkheid, kop of munt, zwart of wit.
Kamer 310 is wit, zoals alle kamers in dit ziekenhuis. Er staan wat blauwe plastic kuipstoelen, een witte tafel en een glaswand met daarachter de ruimte met het grote apparaat.

Dokter Schonewille heet Wim. Hij is een jaar of veertig en heeft een witte doktersjas aan. Geen bloedvlekken, godzijdank. Daar had ik nachtmerries over. Normaal schat ik mannen direct in op bereidwilligheid, op erotische drang, reacties op avances. Nu niet. Hij geeft me een ferme handdruk en zegt zijn naam. Ik zeg de mijne. Hij heeft, naar zijn zeggen, mijn dossier al doorgelezen en wil meteen beginnen. Ik wil hem, zoals vroeger, een middelvinger geven, een knietje, hem in zijn eigen bloed raspend naar adem laten happen. Maar ik doe niets, niet meer, vergane glorie, times of yesteryear. Ik knik slechts en loop achter hem aan, de deur naast de glaswand door, naar het ronde ding.

Ik krijg kort instructies. Het ding is voor het hele lichaam, maar ik hoef er alleen in voor het deel boven mijn nek. Gelukkig hoef ik dus geen eng blauwgroen onflatteus ziekenhuisding aan.
“Godzijdank, nu nog niet,” denk ik onwillekeurig. Nog zo’n onvervuld schrikbeeld. Ondanks de overheersende angst krijg ik weer hoop. Als al die vooroordelen geen werkelijkheid worden, dan hoeft het niet waar te zijn, dan is er een kans.
Ik krijg van Wim een wit-plastic bekertje half gevuld met water. Snel giet ik het achterover. Dan ga ik liggen op de bedplank.
De dokter vertelt kort wat me te wachten staat. Ik luister maar half en voel mijn hoofd welhaast exploderen. Laat dit zo snel mogelijk voorbij zijn, alsjeblieft.

Ik sluit mijn ogen en word naar achteren geschoven, het ding in. Ik lig maar net of het begint rond te draaien en het lijkt wel of het apparaat aan het flitsen is. Flits-flits-flits, zie ik wit licht of is het mijn kop die raar doet, ogen dicht, “boenk-boenk-boenk” doet mijn hoofd. Wat ziet de dokter nu op de schermen naast de CAT-scan? Welke conclusies trekt hij? Wat als ik hieruit kom? Zoveel vragen. Weken ben ik nu al malend. Er zijn zo weinig antwoorden, tot over een paar minuten. Tot ik hieruit kom en hij kan zeggen wat er aan de hand is. Als hij het al kan zeggen. Tot ik naar huis mag met een potje paracetamolletjes, of direct een nieuwe afspraak mag maken voor, ja, wat? Ik wil het niet weten. Ik ben 24, niet nu, niet nu. Niet nu. De machine stopt met flitsen en licht geven. Langzaam rol ik het claustrofobie-aanjagende hol uit.

Ik knipper met mijn ogen, mijn lange wimpers tegen de onderkant van mijn ogen slaand, en kom overeind. “Boenk-boenk-boenk,” doet mijn hoofd nog steeds, en nog steeds en steeds erger. Elke dag weer meer, en minder hoop. De witte zuster geeft me dit keer iets te drinken, maar ik kan nu niets hebben.
“Nee dank je,” sla ik het af.
De deur opent zich en de dokter komt naar binnen. Hij werpt een korte blik op zijn papieren, en kijkt me aan. Zijn gelaatsuitdrukking is verzwaard, alsof er in een kamer hiernaast een doodgeboren kindje ter wereld is gekomen. Hij staat daar een paar seconden in de deuropening mij aan te staren. Die blik, niet nu, niet op dit moment, alsjeblieft, Wim.

Ik voel mezelf verzwaren, wegglijden. Mijn hoofd spat uit elkaar, alles suist. Dr. Schonewille opent zijn mond en geeft het verlossende woord. “We zijn klaar voor vandaag. De uitslag is over vier weken.” Tenzij het urgent is, dan hoor ik het binnen een paar dagen. Snel werkt het op me in, en ijlings zak ik weg in een land van palmbomen en tequila’s en hangmatten en kokosnoten en grote gespierde mannen in te strakke zwembroekjes. Nu toch echt. Nu wel.

• • •
 

02-07-2008

Vakantiehitte (2)

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 21:08

Na een paar dagen luieren bij het zwembad van ons resort, werd het hoog tijd om eens iets cultureels te gaan doen. Ik bedoel: als je alleen maar naar Turkije gaat om de hele dag bij je hotel te liggen zonnen, dan kun je net zo goed thuis blijven en een abonnementje zonnebank nemen. Veel goedkoper.

Ik vind het trouwens ook wel leuk om te zien wat er in zo’n vreemd land allemaal gewoon is. Cultuur snuiven, heet dat toch?
Jasmijn heeft dat minder. Die is meer geïnteresseerd in de mannen van een land. Ik ook wel, hoor. Begrijp me goed. Maar in Nederland heb je net zulke leuke kerels als hier in Bodrum.

We liepen over de markt van de stad. In de bloedhitte slenterden we tussen de kramen. Ik liep me te verbazen over de verscheidenheid aan verse groenten, fruit, kruiden en prullaria. Bij iedere kraam werden we aangesproken met dezelfde laagzwoele stem en hetzelfde accentvolle Engels.
“Hello, goodmoanin. Pleaze gome and take a look at deez watzchez.” Gek werden we ervan.

Wat wil je ook? Het was erg warm en we waren luchtig gekleed. Jasmijn had een topje aan en een flinterdun broekje. Zo’n wielrennersshort met korte pijpen waarin je al haar contouren kon zien. Ze heeft mooie lange benen, dat mag ondertussen wel bekend zijn. Ikzelf had een kort jurkje aan zonder mouwtjes en droeg teenslippers. Jasmijn had haar lange lokken los hangen en mijn kortgeknipte blonde haren had ik voor een deel wat omhoog gestyled en voor een ander deel wat sprieterig naar opzij hangen.
Twee westerse toeristes. We hadden een hoop bekijks, hihi. De een na de andere verkoper drong zich op. Veel kans maakten ze niet. Het duurde niet lang voordat we doorhadden dat je niet op ze in moet gaan. Dat lijkt onbeleefd, maar als je je bij iedere kraam laat verleiden tot het kopen van iets, dan duurt het uren voordat je tien meter verder bent. En dus liepen we door zonder oogcontact met de verkopers te maken. Ondertussen keken we wél vanuit onze ooghoeken wat ze in de aanbieding hadden.

Maar ineens werden we aangesproken door een heel ander type verkoper. Dit was geen zweterige Turkse kerel, dit was een prachtig meisje van een jaar of zes, zeven. Ze hield een bos met rozen omhoog. Iedere roos was apart verpakt in folie. Het kind liep op blote voetjes en had een blauw jurkje aan. Haar ravenzwarte haar zat door de war. Er hingen een paar strengen voor haar gezichtje. Twee diep donkerbruine ogen keken er verlegen onder vandaan omhoog naar ons. Ze zei iets in het Turks.
“Ach gut, wat lief,” zei ik.
“Ze ziet eruit als een schatje,” zei Jasmijn, “maar kijk maar uit dat ze er zo niet vandoor gaat met je portemonnee. Dit grut is opgevoed om geld bij elkaar te krijgen, op welke manier dan ook. Sta straks niet raar te kijken als je alles mist, behalve de tampon in je kut.”
Ik moest lachen om de plotselinge platte woorden van Jasmijn. “Denk je echt dat ze een dievegge is?”
“Het zou mij niet verbazen.”
“Ze ziet er zo lief en onschuldig uit,” zei ik, terwijl ik het meisje aan bleef kijken. “Maar ik koop niets. Straks loopt ze me achterna om meer.”
“Wegwezen, dus,” zei Jasmijn. Zonder het kleine meisje nog aan te kijken, liepen we weg.

“Kijk daar, een moskee!” riep ik. “Hoe heet deze?” Ik kon het bordje niet goed lezen, omdat de letters merendeels versleten waren. Wél zag ik ‘Camii’, maar dat betekent ‘moskee’, wist ik.
“De zoveelste hier,” mopperde Jasmijn.
“Nee, deze ziet er bijzonder groot en mooi uit, zeg.”
“Wat kan mij dat verrotten? Ik heb er al genoeg gezien.”
“Dit is pas de tweede waar we in willen gaan?”
“Als het er maar een beetje koel is.” Jasmijn zuchtte en pufte.
Bij de ingang stond een man met een uniform aan. Hij leek wel een bewaker en probeerde ons iets duidelijk te maken.
“Do you speak English?” probeerde ik.
Hij bleef maar in het Turks praten, maar uiteindelijk bood hij ons wat doeken aan.
“Wat moeten we daar nou mee?” vroeg Jasmijn.
“Als vrouw moet je je schouders bedekken,” legde ik uit. “Mannen moeten dat trouwens ook. En je mag niet met blote knieën naar binnen.”
“Wat een gelul, zeg, met die hitte.”
“Doe het nou maar. Dat scheelt een boel heibel.”
We sloegen de doeken om onze schouders en rond onze heupen, zodat de knieën bedekt waren. Toen mochten we naar binnen.

In de moskee was het koel. En mooi. Adembenemend, zelfs.
“Oooh, wat prachtig!” fluisterde ik. Ook Jasmijn keek haar ogen uit.
Het leek wel of de ene koepel in de andere overliep. Aan de muren en de binnenkant van de koepels waren geen religieuze voorstellingen – dat schijnt binnen de islam niet te mogen -, maar zag je allerlei geometrische figuren. Mooi, hoor.
We konden de echte gebedsruimte niet betreden, maar hadden van achterin toch een schitterend uitzicht.
“Wat is dat daar?” vroeg Jasmijn.
“Dat is de mihrab,” las ik uit mijn reisgidsje. “Het is de gebedsnis, die is gericht naar Mekka.”
“En die preekstoel daar?”
“Dat noemen ze een ‘minbar’.”
“Een bar, daar heb ik wel trek in,” grinnikte Jasmijn. “En in nog wat anders ook wel, zeg.”
“Wat bedoel je?”
“Het is hier lekker koel, maar ondertussen loop ik zelf alweer flink heet.”

Plotseling hoorden we om ons heen gejammer.
“O shit,” grinnikte ik. “De moskee gaat af.”
“Wat is dat?” vroeg Jasmijn.
“De imam staat op een van de torens en roept de gelovigen op tot gebed,” legde ik uit. “Of het is gewoon een bandje.”
“Wat doen we nu?”.
“Niets toch?” zei ik. “We mochten naar binnen. Als we een beetje respectvol zachtjes doen, mogen we vast blijven. Iedereen kan zien dat wij toeristen zijn.”
“Ja, we zien er belachelijk uit met die doeken om.”
“Hihi, ik vind het wel sexy,” grinnikte ik. “Het maakt dat er wat te raden is, Jasmijn.”

Dat liet Jasmijn zich geen twee keer zeggen. Als snel had ze haar armen om mij heen geslagen.
“Wacht,” zei ik. “Moet je kijken.”
Vanuit allerlei hoeken kwamen mannen tevoorschijn. Op kousevoeten snelden ze naar voren in de richting van de gebedsnis.
“Moet je kijken,” fluisterde ik. “De vrouwen blijven achter. Zij hebben een eigen plek om te bidden.”
“Maar die lekkere jongetjes mogen er wél bij zijn,” merkte Jasmijn op.
“Haha, ze zijn oud genoeg om de dienst bij te wonen, maar veel te jong voor jou,” lachte ik.
Het waren écht nog kinderen. Ze renden door de gebedsruimte heen en speelden met elkaar. Niemand lette erop.
Ineens verscheen de imam vóór de gebedsnis en hij begon te zingen. De gelovigen gingen bidden. Op een teken knielden ze allemaal tegelijk neer en bogen ze naar Mekka.

“Voor een vrouw gaan ze niet zo gauw door de knieën,” zei Jasmijn met verongelijkt gezicht. “Meestal moeten wij voor die kerels bukken.”
Ik moest lachen en sloeg een arm om Jasmijn heen.
“Lekker,” zei ze. Voor ik het wist waren haar lippen op de mijne. We zoenden. Haar tong was in mijn mond, maar ook in mijn hals. Het kriebelde. Ze greep mijn tietjes stevig beet met een hand en met de andere schoof ze mijn jurkje omhoog.

Plotseling stond er iemand voor onze neus. Het was de man met het uniform van de bewaking of zo. Hij leek er nogal boos uit te zien en riep iets in het Turks.
“Ik begrijp er niets van,” zei ik.
“Lira lira,” riep hij. “Expendi!”
“Hij is op ons geld uit!” gilde Jasmijn ineens en ze hief haar knie.
De bewakingsagent klapte uitgebreid dubbel. Jasmijn sloeg haar handen in elkaar en beukte snoeihard op de rug van de man. Die zakte door zijn knieën en bleef languit op de grond liggen. Daar bij de mihrab draaide de imam zich om. Met hem enkele honderden gelovigen.
“Ik geloof dat het slim is dat we weggaan,” zei ik.
Jasmijn had mij al bij mijn hand gepakt en we renden de moskee uit.

Buiten was het bloedheet, maar we bleven even doorrennen, tot we in de menigte waren opgegaan.
Ik moest even zitten op een muurtje.
“Gaat het?” vroeg Jasmijn.
“Momentje,” hijgde ik. Ik verbeet een steek vlammende hoofdpijn en kneep mijn ogen dicht.
“We likken wel verder in het hotel,” grapte Jasmijn. Ik voelde een hand op mijn knie.
Ik opende mijn ogen weer en keek op. Jasmijn stond naast me, maar voor mijn neus was ineens dat kleine meisje weer met het zwarte haar en het blauwe jurkje. Zij was het die haar hand op mijn knie had gelegd en mij nu indringend aankeek. Voorzichtig aaide ze nu door mijn haar en streek ze langs mijn wang. Ze zei iets, alsof ze wist dat ik pijn had.
“Geef haar iets, Jasmijn,” zei ik zachtjes.
“Waarom?” vroeg Jasmijn. “Net wilde je dat niet, omdat je bang was dat ze je blijft achtervolgen.”
“Doe het nou maar.”
Jasmijn greep in haar tasje en haalde wat lira tevoorschijn die ze naar het kind gooide. De muntjes rolden over de grond.

Het meisje bleef me aankijken. Nog eenmaal gleed haar handje door mijn haren. Met haar andere hand had ze een bloem in mijn schoot gelegd. Toen boog ze naar me toe en gaf me een kus op mijn wang. Ik schrok.
Ze glimlachte en liet me los. Toen draaide ze zich om, raapte de muntstukjes van de grond en huppelde weg.
Ik wist niet wat ik moest doen, maar had het vocht in mijn ogen staan. Het werd zóveel, dat het niet lang duurde of de tranen biggelden over mijn wangen.

Juli 2008

• • •
 

Vakantiehitte (1)

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 21:06

Hè hè, eindelijk was het vakantie. Ik had het hele jaar hard gestudeerd, stage gelopen in het kantoor en in mijn vrije tijd gewerkt in de supermarkt. Tijd om eens te ontspannen.

Met Jasmijn, een van mijn huisgenoten, had ik afgesproken dat we er eens lekker tussenuit zouden gaan. Een bloedheet land leek ons wel wat. Hihi, we hadden al heel wat voorpret gehad over het ‘bloedhete’ land, voordat we ook maar hadden besloten waar we heen zouden gaan.

Nu lagen we dan langs het zwembad van een enorm resort in Bodrum, Turkije. De brochure zei dat we in het centrum van de stad zouden zitten, maar in werkelijkheid zaten we er tien kilometer vandaan. We hadden de eerste dagen allebei geen zin in autorijden, dus kwamen we ons resort eigenlijk niet af. We hadden wel wat plannen voor excursies, maar nu, de eerste dagen, wilden we alleen maar uitrusten, uitrusten en nog eens uitrusten. We hadden tenslotte tien dagen de tijd.

Zo lagen we dagen lang op het resort naast het zwembad in de zon te bakken. Er waren nogal wat Russen in ons hotel, en die stonden niet lekker bekend. Altijd vooraan bij het ontbijt- en dinerbuffet, en als jij aan de beurt bent, is er niets meer over. Toch hadden we al wat knappe blonde gozers gespot. Twee sliepen er in de hotelkamer naast ons, en dat waren geenszins afstotelijke types. De ellende alleen is, dat die Russen alle ligbedden bij het zwembad reserveren door er ’s morgens heel vroeg hun handdoek al overheen te gooien.
Die morgen kwamen Jasmijn en ik bij het zwembad, en er was geen stoel of ligbed meer vrij. We keken om ons heen en zagen twee lege bedden, maar wel met een handdoekje eroverheen gelegd.
“Zouden deze bezet zijn?” vroeg ik.
“Nee joh,” zei Jasmijn. “Die Russen hebben die doekjes gisterenavond al neergelegd. Gewoon opzij gooien.”
Aldus geschiedde en we namen plaats op de comfortabele luie stoelen.

Jasmijn zag er supergeil uit. Ze had een bikini aan die weinig aan de fantasie over liet. Je weet ondertussen wel hoe mooi ik haar vind. Zelf droeg ik een badpakje, omdat ik nu eenmaal wat onzeker ben over mijn lichaamsvormen.
“Wat kijk je?” vroeg Jasmijn.
“Joh, hou op,” zei ik lachend. “Je weet hoe jaloers ik ben op je lichaam.”
Vanuit een ooghoek zagen we dat er bediening langs kwam lopen. Statige mannen in formele uniforms. Witte jasjes op zwarte pantalons. Hete blikken.
“Hihi, moet je die kerels zien kijken,” grinnikte Jasmijn terug. Ze legde een hand op mijn buik die al snel naar beneden gleed.
“Joh, niet hier,” fluisterde ik nog, maar ze had haar vingers al op een gevoelig plekje. Ik keek om me heen. Iets verderop stonden twee obers naar ons te kijken.
“Moet je zien wat daar aan komt lopen,” zei Jasmijn.

Het waren de twee knullen die in de hotelkamer naast ons zaten. Ze kwamen op ons af lopen. De een was blond en droeg een strakke zwarte zwembroek. De andere had iets donkerder en wat langer haar en had een wijdvallende zwemshort aan. Die blonde zei iets tegen ons.
“Wat klets je, man?” lachte Jasmijn. “Denk jij dat we Russisch verstaan?”
De jongen haalde zijn schouders op. Ze pakten hun handdoekje en gingen twee meter verderop zitten.
“Moet je die bobbels in de broeken zien,” zei Jasmijn nogal hard.
“Sssst!” fluisterde ik met een rood hoofd. “Straks zijn er Hollanders om ons heen die ons kunnen horen!”

“Hoe zit het eigenlijk met jouw liefdesleven, Pris?” vroeg ze ineens op hetzelfde stemvolume.
Ik vond het toch wel grappig en ging er gretig op in. “O, die zit de laatste tijd een beetje in het slop.”
“Hoezo dat? Je gaat me niet vertellen dat je geen zin meer hebt in seks!”
“Nee joh,” grinnikte ik. “Integendeel. Maar het komt er gewoon niet van.”
“En die Rachid uit de supermarkt dan?”
“Ach, dat heeft niets met liefdesleven te maken. Da’s gewoon een verzetje.”
“Die jongen uit Vleuten?”
“Arnold was leuk voor een tijdje, maar ik werd gek van het stiekeme gedoe. Zijn hospita mocht niet weten dat hij meisjes ontving op zijn kamer.”
“Hahaha, wat een zultje, zeg. En hoe zit het met die vent die je via het internet hebt leren kennen?”
“Bas, dat is gewoon een ontzettend lieve man. We hebben elkaar een paar keer ontmoet en we kunnen erg goed met elkaar opschieten. Hij is wel een beetje verliefd op mij, heb ik gemerkt. En ik ben heel gek op hem, maar hij kiest heel eerlijk voor zijn vrouw en gezin. We kunnen erg fijn met elkaar praten, en ik beschouw hem dan ook meer als een hartsvriend dan als potientiële neukkandidaat.”
Jasmijn moest lachen. “En die buurknullen daar dan?” vroeg ze. “Zijn die wél jouw en mijn neukkandidaat?”

“Hmm, nou niet echt,” zei ik.
“Hoezo niet? Worden we kieskeurig?”
“Het zijn niet echt mijn types. Het zijn Russen. Niet dat dát erg is, hoor. Begrijp me goed. Maar ze lijken me nogal onbeschoft.”
“Alsof je je daar ooit door hebt laten weerhouden.” Ze knipoogde naar de jongens, die nog steeds naar ons lagen te kijken.
“Ik weet het gewoon niet zo met deze lui, Jasmijn.”
“Jeetje, Pris, wat is er de laatste tijd toch met je?”
“Geen idee. Word ik volwassen?”
“Gelul, meid,” zei Jasmijn met zaadvragende ogen. “Doe als ik en grijp je kans.”
“Mag ik afhaken?” vroeg ik. “Ik heb weer eens zo’n migraine aanval.”
“Oei, da’s kut.”
“Nogal.”
Jasmijn wist dat ze me even met rust moest laten en ging naar de jongens zitten lonken. Nog geen half uur later ging ze met de twee hete Russische knullen mee naar hun hotelkamer.

Alleen liggen is niet echt mijn ding. Ik werd ook een beetje bang van die twee obers die samen aan de bar stonden te gluren naar mij. Daarom besloot ik naar boven te gaan om even op bed te gaan liggen. Jasmijn had de sleutel van onze eigen kamer achtergelaten, dus zat ze, of waarschijnlijk lag ze, in de kamer naast me. Ik maakte heel duidelijk aan de twee geile kerels aan de bar dat ik geen zin had in een trio, en dat leken ze te begrijpen. Of zou ik er zo beroerd hebben uitgezien door mijn migraine? Ik weet het niet, maar ik kon even geen zonlicht meer hebben. De laatste tijd had ik dat wat te vaak: hoofdpijn en misselijk, maar niet genoeg om maar helemaal niks meer te doen.

Op de kamer aangekomen hoorde ik gelijk de kreetjes en giechels van Jasmijn. Ze had plezier, en dat vond ik fijn. Ook al voelde ik me niet zo lekker, ik genoot ervan om haar te horen. Ik had haar natuurlijk vaak genoeg naakt gezien, in de sauna. We waren ook wel eens intiemer met elkaar geweest en soms was daar iemand anders of zelfs meerdere anderen bij. Ik kon me dus goed voorstellen hoe het daar in de andere kamer aan toe ging. Even overwoog ik om me te melden. Het was geen slecht idee. Ik had al eens eerder een misselijkheid of koppijn weggesekst, maar dat was een kater van de drank. Ergens voelde ik toch dat dit anders, erger, was. Ik stroopte mijn badpak naar beneden en ging in mijn blootje op bed liggen.

Toen begon in de kamer naast me langzaam het grote pompen. Ik kon horen hoe Jasmijn zich liet uitwonen door de twee jongens. Mijn buik begon warm te worden, en ondanks de misselijkheid en de hoofdpijn werd ik opgewonden en begon ik mezelf te strelen. Het geluid tegen de muur bij de buren klonk als: “Bonk-ohjah-bonk-ohjah.”
Ik sloot mijn ogen en liet mijn vingers, mijn gehoor en mijn fantasie het werk doen. Jasmijn, met haar handen tegen de muur, een van de jongens onder haar, en eentje achter haar. Het duurde niet lang of ik zuchtte diep. Blijkbaar helpt seks overal tegen.
Even was ik mijn hoofdpijn kwijt.

Juni 2008

• • •
 

Klantvriendelijk (2)

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 21:04

Je weet nog wel dat ik de vorige keer vertelde van de meneer die zo schuimbekkend werd afgevoerd met een of andere aanval. Schokkend vind ik dat. Vooral omdat ik het verhaal eigenlijk begon met om eens te laten zien aan jullie dat mijn klanten niet altijd fijne mensen zijn. Het is niet vreemd dat in de buurtsuper waar ik werk de klanten grof en beledigend zijn. Toch kunnen sommige verhalen me ernstig aangrijpen. Het hele voorval met de epileptische meneer laat me maar niet los.
Nadat de ambulance weg was ben ik beverig terug achter mijn kassa gaan zitten. De eerste bejaarde die bij me kwam staan met haar spullen, heeft even moeten wachten tot ze geholpen werd. Een beetje verdwaasd zat ik voor me uit te staren. Een vlammende migraine-aanval kwam opzetten. De bedrijfsleider kwam me vertellen dat ik maar wat vroeger pauze moest gaan nemen. Hij ging zelf achter de kassa zitten. Ik wist niet dat hij dat kon.

Een beetje behuild liep ik het emballagehok in. Met een sigaret in mijn hand stond ik naar buiten te kijken, toen Rachid aan kwam lopen. Hij zag me staan en keek me aan. Zijn reebruine ogen, lieve mond en stoere kapsel deden me helemaal smelten. En toen hij mijn hand pakte, barstte ik in tranen uit. Ik kon het niet helpen, de ochtend had me zozeer aangegrepen, dat ik mezelf niet meer helemaal onder controle had.

“Hee, meisje,” fluisterde hij in mijn oor. Hij sloeg zijn armen om mij heen.
Ik gaf me aan hem over en greep hem om zijn middel.
“Dat was heftig, hè?” klonk zijn donkere stem zachtjes. “Hoe gaat het nu?”
“Ik weet het niet goed,” zei ik. “Volgens mij hebben we goed gehandeld, maar ik voel me toch zo machteloos.”
“Joh, het is maar een klant. Morgen zijn er weer nieuwe.”
“Jij kunt zo nuchter zijn, knappe knul,” glimlachte ik.
“En jij hebt het heel goed gedaan,” zei hij rustig. “Ik wist niet dat je zo snel kon reageren. Je hebt me verbaasd.”
“Hihi,” grinnikte ik. “En wanneer ga jij mij verbazen?”
Ineens drukte hij zijn lippen op die van mij. Het zal mijn moment van zwakte geweest zijn, want ik gaf me er gewillig aan over. “Hmm,” kreunde ik.

Rachid pakte mijn billen vast, met beide handen. Ik voelde hoe sterk hij eigenlijk was. Zijn enigszins schriele uiterlijk was verraderlijk. Toen ik ook zijn mannelijkheid tegen mijn schaambeen voelde drukken, werd ik een beetje bang. Rachid was het typische voorbeeld van een wolf in schaapskleren. Een zachte jongen, die precies wist wat hij wilde, en er niet voor terugdeinsde om het te nemen als het hem uitkwam. Ik wist niet of ik nu wel overmeesterd wilde worden, met de huilbui vers achter mijn kiezen.

“Rachid, nu even niet.” Ik duwde hem weg, wat hem nog harder maakte. Ik zag in zijn ogen precies wat hij wilde, en wat hij ging doen. Het feit dat ik hem wegduwde, maakte het voor hem alleen nog maar leuker.
“Rachid, nee. Ik wil niet,” stamelde ik. “Het is flauw, ik weet het, maar ik heb nogal hoofdpijn.”
Hij duwde me tegen de pallets en pakte mijn borsten vast. Zonder een woord te zeggen maakte hij mijn uniform open. Mijn pronte borstjes en spannende bh’tje hadden het gebruikelijke effect op hem. En ik wist dat ik hem nog opgewondener maakte door tegen te stribbelen.
“Au, Rachid, je doet me pijn. Blijf van me af!” Met lichte stemverheffing duwde ik hem van me af. Hij was even uit zijn evenwicht. Sneller dan je het woord ‘sodomie’ kunt zeggen had hij me omgedraaid en klem gezet tegen de stapel pallets. Soms verbaasde hij me inderdaad werkelijk. Mijn broek lag al op mijn enkels en mijn slip bungelde ergens tussen mijn dijen. Zijn volle enthousiasme duwde om beurten tegen mijn gaatjes, alsof hij niet kiezen kon.
“Oh, nee, Rachid, nee …”
Het maakte hem alleen maar enthousiaster.

Plotseling hoorde ik een zware mannenstem.
“Hee, kap daar eens mee!” En voor ik het wist lag er een grote kerel bovenop de half ontklede vakkenvuller die net nog geil tegen me aan stond te rijen. De man, type zeebonk zonder schip, compleet met tatoeages en foute oorring, was bezig Rachid onder controle te krijgen. Ik denk dat hij een soort burgerarrest in gedachten had.

“Kijk, als klanten zo gaan beginnen, en ze je zelfs in je pauze komen lastig vallen, dan haak ik af!”
De man keek om naar mij, terwijl hij de overrompelde Rachid in bedwang hield door hem met zijn arm op de rug tegen de grond te houden. “Bel de politie maar, meisje,” riep hij schor. “Ik heb deze vieze verkrachter nog wel even vast.” Met zijn grove bakkes en dito scheef smoelwerk probeerde hij te lachen.
Mijn Rachid, een verkrachter? Wel godverdomme, het was de liefste en charmantste van alle personeel hier.
“Meneer, ik wil nog even iets doen, voor we de politie bellen,” zei ik en ik pakte een van de metalen buizen die de emballagejongens altijd gebruikten om vastzittende pallets op hun palletwagentjes te krijgen.
De man glimlachte en boog zijn hoofd wat opzij. “Ga je gang maar, lieverd, neem wraak.” Hij had Rachid in een stevige greep en zorgde ervoor dat ik vrij spel had om die lieve jongen hard in zijn klokkenspel te rammen. Wat een stompzinnige boer! Lachend keek hij me aan toen ik de staaf flink naar links zwaaide. Hij snapte niet wat ik ging doen, tot het moment dat zijn voortanden kennis maakten met het harde ijzer.
Mijn lieve Rachid voor verkrachter uitmaken, hoe durfde hij?

In een waas van bloed sloeg het hoofd van de man achteruit. Rachid kon nog wegduiken, en zo zijn uniform schoon houden. Hij stond op en kuste me hartstochtelijk.
“Dank je, lieverd. Die kerel had me stevig beet.” Hij streek met zijn hand door zijn ravenzwarte haar. Er zat een beetje bloed aan zijn wijsvinger waarmee hij een streep trok van zijn voorhoofd schuin naar zijn oor. “Zal ik het vanaf hier verder afhandelen, of moet jij nog wat kwijt?”
“Je weet toch,” begon ik. Maar tijd om te antwoorden kreeg ik niet.

De man kwam bij en tastte verbijsterd naar zijn missende voorgebit.
Rachid pakte de man bij zijn kraag en gooide hem in de spoelhoek, een deel van het magazijn dat makkelijk schoon te maken was. Toen deed hij een stapje achteruit en liet mij even mijn gang gaan.
Met een flinke zwaai brak ik de arm waarmee de man zich verweerde. Door de tanden die her en der in zijn keel staken, kon hij weinig meer uitbrengen dan: “Hhurrgghhh … ” En hij ademde al zo moeilijk.
“Doe hem pijn, schatje!” riep Rachid. Hij was geil; ik kon het aan zijn ogen zien.
Ik brak de man zijn scheenbenen. Het gegorgel ging maar door. “Irritant en kansloos mensenreddertje is het, hè¨, lekkere bink van me?” Ik knipoogde naar Rachid en sloeg de kin van de man aan barrels. “Wil jij ook nog even? Hij heeft ook jouw pauze vergald.”
Rachid pakte de staaf van me af en trok me tegen zich aan. Ik voelde zijn opwinding en dacht al helemaal niet meer aan de staaf en de man, maar alleen nog aan de mannelijkheid van Rachid. Plotseling riep hij: “Pris, bukken!” Dat had ik al veel vaker gehoord, maar nooit met de sterke arm van Rachid die een ijzeren staaf naar mijn hoofd slingerde.
Ik liep me op mijn knieën vallen en voelde het bebloede wapen langs mijn hoofd gaan. Achter me hoorde ik een stompe dreun en gegorgel. Ik keek om en zag de man nog voorover vallen. De staaf stak hem uit het hart. Mijn favoriete vakkenvuller had me alweer gered. Wat een held.
Ik draaide me naar zijn kruis en beloonde hem zoals Lois nooit bij Clark deed.

Juni 2008

• • •
 

Klantvriendelijk (1)

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 21:02

Klantvriendelijkheid staat hoog in het vaandel bij de supermarkt waarin ik werk. En dat terwijl sommige klanten zelf niet altijd vriendelijk zijn. Als caissière moet je jezelf het nodige laten welgevallen. Iedereen kent wel die klanten die ongeduldig zijn. Vooral als net de kassarol op is, krijg ik nogal eens commentaar. Of als de klant onvoldoende saldo blijkt te hebben bij het pinnen, dan is het vaak mijn schuld.
We hebben bij ons in de winkel een vaste klant die iedereen ‘De Schrik van de Dag’ noemt. Deze meneer komt iedere dag zijn boodschapjes halen. Als hij het pand binnenkomt, gaat dat als een lopend vuurtje door de winkel. Niemand wil met hem van doen hebben. Hij is bijzonder nors en onvriendelijk. Altijd. Daarbij gebruikt hij heel grove woorden.

Doordat ik al een tijdje in de winkel achter de kassa werk, heb ik langzamerhand wat mensenkennis opgedaan. Ik herken de vaste klanten van een afstand, en aan nieuwe bezoekers zie ik al snel wat voor vlees ik in de kuip heb. Kort door de bocht: luidruchtige jeugd heeft een tussenuur van school, oudere dames zijn traag en zeuren een boel, moeders weten niet wat ze met hun zindoordrijvende krijsende kinderen aan moeten, en kerels van middelbare leeftijd staren alleen maar naar mijn bescheiden décolleteetje.

De meneer die we ‘De Schrik’ noemen, die had ik al redelijk snel door. Het is een bijzondere man. Hoe zal ik dat zeggen? ‘Een steekje los’ is niet zo netjes. Ik heb een oom die een beroerte heeft gehad. Er is iets in zijn hersenen kapot gegaan, waardoor hij niet meer de leuke oom is die ik ken van vroeger. Hij praat maar en praat maar, en weet van geen ophouden. Ook niet als je vraagt of hij even stil wil zijn. Dan wordt hij juist ineens heel boos. Zo ken ik mijn oom niet van vroeger. Het is zijn aandoening die hem zo gemaakt heeft. Mijn oom zelf kan er niets aan doen.
Het lijkt erop dat ‘De Schrik’ ook zo’n hersenpatiënt is. Ik heb hem nog nooit zien lachen. Hij moppert alleen maar en zoals gezegd gebruikt hij daarbij heel nare woorden. Daarnaast heeft hij een of andere tic. Als hij iets op de band zet, dan doet hij dat drie keer. Echt waar, hij zet het pak melk hard neer, tilt hem dan weer op en zet hem met een smak nog een keer op de band. En dat dan nog een keer. Drie keer is scheepsrecht; zoiets. Ik weet het niet. En dan zijn gezicht. Er zit zoveel spanning in zijn gelaatsspieren. Alsof hij ieder moment kan ontploffen.
Hij kiest bijna altijd mijn kassa om af te rekenen. Ondanks dat hij zo onvriendelijk is, probeer ik toch om netjes te blijven. Tja, je bent professional of niet, hè?

Een tijdje terug kwam De Schrik weer eens op zijn vaste tijdstip de winkel binnen.
“Pssst!” siste Rachid van achter een drankenpalletwagen. Ik keek naar hem op. “Hij is er!”
“Dat had ik al gezien, hoor,” lachte ik naar hem. “Als hij zo de winkel uit is, neem ik wel pauze. Dan zoek ik je even op in het emballagehok.”
Rachid stak zijn tong uit zijn mondhoek en kreeg een geile blik in zijn ogen. Wat een lekkere knul is het toch.
De Schrik beukte met zijn winkelwagentje een ander karretje opzij. Wat een hufter, zag ik de mevrouw van het andere karretje denken. De man liep naar zijn vaste schappen en haalde zijn vertrouwde boodschappen.
Precies vijf minuten later stond hij bij mij in de rij. Op de band lag een vloerbrood, een schouderkarbonade, gesneden wokgroente, voorverpakte sla, aardappelschijfjes, een pak melk en een doos volkorencrackers. En dat alles drie keer achter elkaar neergezet. Tel uit.

“Dag meneer,” zei ik vriendelijk toen hij aan de beurt was.
“Hmm,” bromde hij.
“Mooi weer vandaag, niet?” probeerde ik hem vrolijk te stemmen. “Het ziet ernaar uit dat het de komende dagen nog beter wordt.”
“Wat kan mij dat schelen?” zei de man nogal luid.
Ik schrok. “Oh, sorry, meneer. Ik wist niet dat u boos werd.”
“Ik ben niet boos!” schreeuwde hij hard. “Ik ben woedend! Dat gezeik altijd over dat kutweer!”
“Nogmaals excuus, meneer.”
“Flikker op met je excuus. Spuugzat word ik al dat gelul aan mijn kop! Je moet gewoon je bek dicht houden en je stomme werk doen!”
“Nou meneer,” durfde ik, “ik probeer aardig tegen u te doen en dan verwacht ik toch op z’n minst dat u een beetje netjes terug doet.”
“Kutwijf!” gilde hij. “Het is dat je een lekkere meid bent met mooie ogen, anders had ik je een ram voor je kop verkocht!”
Ik schrok nu toch wel van zijn heftige uitval. Zo boos en onvriendelijk had ik hem nog nooit gezien. Ik keek vanuit een ooghoek of er al collega’s in de buurt waren. Jawel, daar was Rachid, nog steeds bij zijn palletwagen met frisdranken.
“Nou, schiet je nog op?” raasde de man. “Hoeveel moet ik betalen?”
“Het is zeventien vijfendertig. Maar een momentje, meneer. Ik ben bang dat er iets fout gaat.”

Je zult het altijd zien. Deze keer was en de kassarol op en bleek hij bij het pinnen onvoldoende saldo te hebben.
“Dat is pech, de kassarol is op. Maar met een minuutje is het weer voor elkaar hoor!” Ik deed mijn best om opgeruimd te glimlachen.
“Wat een klotenapparatuur hebben ze toch in die winkels. Vroeger rekenden ze het uit hun hoofd uit. Maar dat leren ze niet meer op die teringscholen!”
“Nou kijk eens, was dat snel of niet? De kassarol doet het weer. Hoe gaat u betalen?”
“Pinnen natuurlijk! Bij contant geld ronden jullie af en dat gaat altijd ten koste van de consument!” Driftig haalde hij zijn pasje door de gleuf. Hij ramde zo hard op de kleine toetsjes dat ik bang was dat hij het apparaat zou vernielen.
“PIEP!” zei de pinautomaat.
“Oei, meneer. Hier staat dat u onvoldoende saldo heeft.”
“Lulkoek!” schreeuwde hij nog harder. Ik zag zijn slapen trillen. “Je zit mij gewoon te pesten, vuile hoer!”
Kijk, iemand mag dan nog zo gehandicapt zijn, maar als iemand dát soort dingen gaat roepen, dan haak ik af.

“Meneer!” begon ik. “Nu is het genoeg! Ik ben heel vriendelijk geweest en u zit mij alleen maar af te bekken.”
De Schrik boog heel even naar achteren. Plotseling werd hij heel wit en draaiden zijn ogen weg. Even was ik bang dat hij door het lint zou gaan en een geweer van onder zijn jas tevoorschijn zou halen. In plaats daarvan kreeg hij schuim op zijn mond en begon hij heel heftig te schudden. Hij kon niet meer op zijn benen staan en viel op de grond.
“Meneer!” riep ik uit, terwijl ik over de kassa heen boog. Hij lag hevig te trillen, te schoppen en te slaan. Uit zijn mond kwamen vreemde kreten en een heleboel speeksel.
“Jongens, help!” riep ik naar collega’s. “Deze meneer heeft een epileptische aanval!”

Ik sprong achter mijn kassa vandaan en rende naar hem toe. Rachid kwam er ook bij, maar die bleef op een afstandje. Ik was bij de man neergeknield. Hij lag met zijn hoofd op de harde tegelvloer te beuken. Er zat al een fikse wond aan de zijkant. Snel hield ik mijn hand tussen zijn hoofd en de vloer.
“Jongens, vlug! Bel 112!” riep ik.
Rachid rende weg. Er kwam intussen een hele horde klanten bij ons staan kijken. Iets verderop stond de filiaalchef. Die was duidelijk zenuwachtig en wist niet wat hij moest doen. Ik boog me weer naar de man en legde hem op zijn zij.
“Rustig maar, meneer,” zei ik tegen De Schrik. Ik weet niet waarom ik het zei. Hij zou het waarschijnlijk toch niet horen. “Rustig maar. We hebben een ambulance gebeld. Het komt allemaal goed.”
De man bleef maar schudden, schoppen en slaan. Zijn gezicht was helemaal blauw geworden en zijn ogen bleven wegdraaien. Een heel eng gezicht. Ik zat nog altijd met mijn hand onder zijn hoofd. Toen ik naar zijn kleren keek, zag ik dat hij het in zijn broek had gedaan. Wat naar voor hem, zeg.
“Breng eens een kussen voor meneer!” riep ik naar Rachid, die inmiddels weer was teruggekomen. Het kussen legden we onder zijn hoofd, zodat hij zich niet al te erg zou bezeren.

Het duurde voor mijn gevoel uren voordat de ambulance er was. Tegen die tijd was de man wat tot rust gekomen. Ze gaven hem een paar injecties waardoor hij heel slaperig werd en namen hem mee naar het ziekenhuis.
Toen hij op de brancard lag, boog ik nog even over hem heen. Ineens deed hij zijn ogen open en keek hij me aan. Ik pakte zijn hand.
“Dank je wel,” fluisterde hij. Er liepen tranen over zijn wangen.
“Het was niets,” zei ik zachtjes.
“Toch wel,” vormden zijn lippen. Hij bracht mijn hand naar zijn mond. Er zat bloed van zijn hoofd op mijn vingers. Ik wilde hem terugtrekken, maar dat lukte niet. Heel voorzichtig drukte hij een kus op de rug van mijn hand.
De ambulancemedewerkers zetten de brancard in beweging en daar ging hij. Trillend keek ik hem na.

En toen moest ik ineens zelf ook huilen.

Mei 2008

• • •
 

Een lekkere lange (2)

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 21:00

 Sommige dagen zijn lang. Zo lang als een rij bij de kassa op zaterdag maar kan zijn. Maar goed, op zaterdag is het een paar uur achter elkaar doorpezen, even ontspannen achter de frisdrankenpallets en weer verder. Dagen gaan dan snel voorbij. Wat echt helemaal vervelend is, is zo’n dinsdag dat je alleen achter de kassa zit. Ik heb vaak genoeg als enige caissière in de winkel gezeten.
Dinsdagochtend, half tien: bejaardenochtend. Vervelender bestaat niet. De ene grijze duif na de andere schuifelt traag op weg naar de dood voorbij aan mijn kassa. Het enige dat ze nodig hebben zijn producten die niemand onder de pensioensgerechtigde leeftijd meer koopt. En een duwtje over de reling van de eeuwige jachtvelden. Tot die tijd komen ze massaal ’s ochtends naar mijn winkeltje, op tijden dat ik nog niet wakker genoeg ben om echt vriendelijk te doen.

De eindeloze parade van blauwgrijze kleurspoelingen werd gisteren onderbroken door een stuk. Geen misbaksel of ongeluk, maar echt een lekker ding. Ik had nog vier bejaarden in mijn rij staan, en vanaf hier kon ik goed zien dat hij een mooie kont en dito bobbel in zijn strakke spijkerbroek had. Lekker. Ik glimlachte naar hem, en hij glimlachte terug. Flirten is echt leuk. Ik besloot de rij zo lang mogelijk op te houden, om de jongen te kunnen bewerken zodat hij week en gewillig bij mijn kassa aan zou komen.

“Dat is dan negen euro vijfennegentig, mevrouw.” De duif keek me aan of ze water zag branden.
“Volgens mij staat er hier in dit schermpje dat het negenentwintig euro is, meisje.” Vriendelijk als altijd, die bejaarden.
“O gut, ik zie het. Bedankt…” Ik nam het biljet van vijftig euro aan en gaf de bejaarde terug van €39,95. Ze nam er nog genoegen mee ook. “Sorry voor het ongemak, mevrouw.” Ik glimlachte, en de mevrouw ging met de juiste boodschappen en het foute wisselgeld de winkel uit. En ik had tijd voor mijn hunk.
Er stonden nog drie dames in de rij. Daarachter zag ik de jongen wat zenuwachtig naar mij staan kijken. Ik maakte mijn lippen nat met mijn tong. Was hij nou verlegen?

“Goedemorgen,” zei het volgende fossiel.
Advocaat, boerenjongens, yoghurt, vla. Deze had vast geen tanden meer en kon alleen nog maar vloeibaar voedsel tot zich nemen.
“Zo, lukt het niet met sondevoeding?” grapte ik.
“Wat zeg je, meisje? Ik kan je niet verstaan vandaag. De batterijtjes van mijn gehoorapparaat zijn leeg.”
“Of u nog lege flessen heeft ingeleverd!” riep ik.
“Kan ik die advocaatflessen ook bij jou inleveren?” vroeg ze.
“Nee, hier kunt u alleen maar volle flessen afrekenen!” sprak ik luid. “Voor u is het twaalf twintig, vandaag!” Ik griste het geld uit haar rimpelhanden nog voor ze die naar mij uit kon strekken.
Nog twee vrouwtjes te gaan. Het stuk stond nog steeds naar mij te kijken. Zag ik dat nou goed of bloosde hij naar mij?

Ah, eentje met een rollator. “Zal ik uw boodschappen even in het rekje van uw rollator leggen?”
“Graag, lief kind,” mummelde de honderdjarige.
“Ik doe het met plezier hoor,” kletste ik. “Het hoort er allemaal bij.”
“Krijg ik nog zegeltjes?”
“Natuurlijk. Spaart u voor mooie artikelen?”
“Ze zijn niet voor mijzelf. Ik heb alles wat ik maar wens. Nee, ’t is voor mijn kleinkind. Die gaat binnenkort op kamers wonen en kan wel wat spulletjes gebruiken. Ik zei laatst nog tegen haar…”
“Zo, ziet u eens. Alles zit in de rollator. Dat is dan €52,50.”
Het mensje begon in haar portemonnee te rommelen.
“Heeft u er misschien vijftig cent bij?” vroeg ik nog voordat ze ook maar iets aan geld op de toonbank had gelegd.
De vrouw gaf me het geld en ik wierp nog een blik in de rij. Nog heel even wachten en dan zou ik die jongeman voor mijn neus krijgen. Ik lachte nog maar eens. Onzeker knikte hij terug en toen keek hij wat nerveus een andere kant op.

“Ik heb mijn boodschapjes hier in mijn tas. Wil je ze er even uithalen en dan later er weer in doen?”
Potdorie, deze was al overleden. Tenminste, zo zag ze er uit. Er zat hooguit nog wat huid over haar schedel en beenderen heen. En haar pruik stond scheef.
“Maar natuurlijk, mevrouw.”
Ze gaf me haar tas en ik haalde de inhoud eruit. Ik haalde van alles over mijn scanner. Koekjes, snoep, chocolade. Dat kregen ze vast niet in het tehuis voor terminalen. Ik pakte alles zodanig in dat de kwetsbare koekjes onder in de tas volledig werden geplet door de zware zakken snoep.
“Wat krijg je van me?” vroeg het lijk.
“De zenuwen,” wilde ik zeggen. Maar ik bleef vriendelijk en beleefd. “Voor u is het negentien vijfendertig, mevrouw.”
“O. Eens kijken of ik dat heb.”
“Doet u rustig aan, hoor. Ik heb pas om half zes vrij.”
“Wat zeg je?”
“Negentien vijfendertig.”
“Ik verstond je wel, hoor.” Ze pakte een beursje uit haar binnenzak en stak me die toe. “Pak maar wat je nodig hebt.”
“Wilt u de rest weer terughebben?” grapte ik. Ik haalde het geld uit het ouwewijvenportemoneetje en gaf het ding aan haar terug. “Zo is het genoeg.”
“Dag, hoor. Tot morgen.”

We waren inmiddels bijna een half uur verder en de knappe knul had geduldig in de rij gestaan. Iedere keer dat ik hem toelachte, beknipoogde en verleidelijk in de ogen keek, had hij ongeveer hetzelfde gereageerd. Ik zag wat hij aan boodschappen op de band had liggen: tomatenpuree, een biefstukje en tortellini. Een rare combinatie, dus gespreksstof genoeg. Hij was aan de beurt en achter hem stond niemand. De komende tijd was al mijn aandacht voor hem. Hij duwde zijn lege karretje voor zich uit en toen stond hij voor mij.

Ik wierp mijn bescheiden tieten in de strijd door met een smoes eens flink naar voren te buigen. Het enige waar ik naar keek was de bult in zijn broek. En hij kreeg leuk zicht in mijn decolleteetje.
“Even kijken of je geen kratje bier hebt, hoor,” zei ik. Zelfs voor mij was mijn vrijpostigheid bijna gênant. Niet dat het me iets uit maakte. Ik had tenslotte niets te verliezen. “Hmm, geen kratje op je karretje, maar ik zie wel wat in je broek.”
Ik knipoogde en zag dat hij van kleur verschoot. Jammer genoeg zei hij niks en bleef hij een beetje beteuterd staan. Oei, hij was geschrokken!
“Hee,” ging ik op geruststellende toon verder, “ik houd wel van een mooie bobbel. Zullen we even het magazijn in gaan om hem er uit te halen?”
Het hoofd van de jongen werd nog roder.
“Zo’n mooie bobbel wil ik wel op mijn scanner hebben,” hijgde ik zachtjes. Ik had mijn broek onzichtbaar voor iedereen opengeknoopt en mijn hand vond de weg in mijn slipje. “Je kunt er niet zomaar mee naar buiten.”
De knul stond me met open mond aan te kijken. Hij wist echt niet wat hij moest zeggen.
“Toch jammer dat je zo’n mooie bobbel probeert verborgen te houden. Dat is nergens voor nodig. Mag hij niet gezien worden?” Mijn vingers speelden tussen mijn geschoren schaamte.
“Eh … eh … ik … eh …. h-h-h-h,” stotterde de jongen uiteindelijk. Hij streek met een hand over zijn gulp.

Ik hield het niet meer. In de lege winkel zat ik te soppen op mijn stoel. Had ik die verlegen knul nu zo ver dat hij zijn piemel uit zijn broek ging halen om hem door mij langs de scanner te laten halen? Nog nooit was ik op mijn kassastoel zo geil geweest!
“O. Oh, oké, ik g-geef h-h-het op,” stamelde de knalrode jongen. Bijna moedeloos gingen zijn vingers naar zijn broek en ritste hij die open. Met een soepele beweging stak hij zijn hand erin. Toen hij hem weer terugtrok, kwam inderdaad de bobbel tevoorschijn.

“Wel godverdomme, stomme lul!” schreeuwde ik. “Ik had je helemaal sufgeneukt! Zelfs als je een kleintje had gehad. Zo geil ben ik!”
Ik stond op van achter de kassa, vergetend dat mijn gulp wijd open stond. Mijn broek zakte naar beneden over mijn knieën. Maar goed dat ik zo’n supermarktblouse aanhad. Die knul zag gelukkig niets. Ik pakte het blik tomatenpuree en smeet het met een zwaai naar zijn kop.
“Dat loop jij nu mis! Omdat jij zo stom bent om een godvergeten komkommer te jatten!”

Mei 2008

• • •
 

Een lekkere lange (1)

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 20:59

 Zag het er naar uit dat het lente werd? Ik liet me door de veelbelovende verwachtingen van de weerman leiden en koos die morgen voor een rokje en een luchtig truitje. Zonder beha, welteverstaan. Ik heb kleine, maar stevige borsten die niet altijd steun nodig hebben. Het voelde heerlijk om weer eens in dergelijke zonnige kledij naar buiten te gaan. Mijn ogen had ik traditiegetrouw mooi opgemaakt met mascara. Ik was er klaar voor!
Ik moest voor mijn werk naar een vergadering ergens aan de andere kant van het land. Normaal zou ik met de trein reizen, maar gezien de laatste berichten in de krant kon ik niet goed vertrouwen op de dienstregeling van de NS. Vandaar dat ik een auto had geleend van een huisgenoot. Nou ja: ‘auto’ is misschien een te eervolle naam voor de afgetrapte bak roestig plaatijzer die ik mocht gebruiken. Daan zei nog: “Niet te ruw schakelen, hoor! En het is te hopen dat je niet in een file terechtkomt, want als je lang stationair draait raakt de motor geheid oververhit, en dan sta je met panne.”
Nu kon ik me bij ‘oververhit’ wel iets leuks bedenken, maar naar panne keek ik minder uit.

Daans opmerking over files maakte mijn humeur gelijk een stuk minder zonnig. Sinds ik mijn rijbewijs heb, heb ik meteen een nieuwe hobby ontdekt: filerijden. Ik vind het heerlijk om ’s ochtends in de auto te zitten en om me heen te kijken. Al die net niet uitgeslapen koppen in de auto. Al die mensen die nog een beetje bezig zijn met wakker worden, en de bijbehorende rituelen die noodgedwongen in de auto plaats vinden omdat men toch op tijd op het werk wil zijn. En ik zit daar tussen, tussen al die rauwe ochtenderecties en die glazige, slaperige geilheid.
Ik had het vooruitzicht op een lekkere file al van me afgezet. Wat er ook gebeurde: ik moest en zou die ochtend op tijd bij die vergadering zijn. De voortgang van een groot project van ons bedrijf hing ervan af.

Je zult het altijd zien. Als het absoluut niet uitkomt, gebeurt dat waar je voor vreest. Natuurlijk had ik met vertraging rekening gehouden en was ik meer dan een half uur te vroeg weggereden die morgen. Ik had de autoradio aanstaan en er werd geen melding gemaakt van oponthoud op deze Anogwat. Maar ja, hoor. Het was weer eens zover. File! En dit was er niet zomaar een. Zover ik kon kijken, zag ik stilstaande auto’s. Shit, dit ging lang duren. Als ik niet echt op tijd zou moeten zijn, zou ik gezegd hebben: “Dit is een lekkere lange.” Maar dat was nu niet het geval. Ik baalde. Af en toe konden we stapvoets iets verder rijden, maar de meeste tijd stonden we stil. De boodschap van Daan hield ik in mijn achterhoofd, dus als we stilstonden, zette ik de motor uit. Geen oververhitte toestanden voor mij vandaag. Ik begon me te vervelen en keek eens om me heen.
In zo’n file zie je dan wat voor een vreemd wezen de mens is. Mannen die in hun neus peuteren, vrouwen die meezingen met de radio, getrommel op het stuur, lui die onderuit liggen met een fles drinken, armen buiten het raam.

Links naast mij kwam een sportwagen stil staan. Het was zo’n Honda, volgens mij. Ik heb er geen kijk op. Waar ik wel kijk op heb, zijn de bestuurders. Vaak zijn dat van die jongens met een wit t-shirtje en iets teveel spieren in borst en bovenarmen. Nu ook weer. Die gast zat me aan te kijken met een blik die volgens mij een enorme erectie moest verraden.
Het leek me leuk om het spelletje een beetje mee te spelen. Ik keek verleidelijk terug en likte met mijn tong mijn bovenlip af. De knul knipoogde.
Hij kon weer een stukje rijden. Niet veel later ik ook. Toen stonden we weer naast elkaar.

De jongen wenkte naar mij. Zijn raam ging automatisch open en hij boog naar zijn portier toe. Ik was nieuwsgierig geworden en draaide handmatig mijn raampje naar beneden.
“Hoi,” zei hij met een glimlach. “Heb jij misschien een vuurtje voor mij?”
“Nee,” schudde ik. “Ik rook niet.”
“Balen hè, die file?”
“Ach, ik vind het normaal niet zo erg, hoor. Je spreekt nog eens iemand.”
“Ben je zo eenzaam dan?” vroeg hij.
“Nee hoor. Wilde je me gezelschap komen houden, dan?”
“Lijkt je dat leuk?”
“Ligt eraan wat voor type je bent.”
“Op wat voor mannen val jij dan?”
“Nou, best een beetje stoer, maar ook wel met een zachte kant.”
“Zou ik een beetje jouw type kunnen zijn?”
“Je bent wel gretig, hoor,” grinnikte ik. “Wat zijn je verwachtingen?”
Hij kon geen antwoord geven. Mijn rij ging weer rijden.

Lang duurde het niet. Even later stond ik weer stil. En ja hoor, voor ik het wist stond die ene sportieve auto ook weer naast me.
“Jij ziet er wel lekker uit,” zei hij ineens. Hij knipoogde.
“Oja, joh?” Ik wist dat ik op mijn hoede moest zijn.
“Je hebt mooie ogen.” Hij keek helemaal niet naar mijn ogen, maar naar mijn borsten. Ik kon zijn linkerhand op het stuur zien liggen, maar zijn rechterhand had hij in zijn schoot. Of zo. Of bewoog hij ermee?
“Dank je.”
“Zullen we zo ergens iets gaan drinken?” vroeg hij ineens.
“Ik moet naar een vergadering,” antwoordde ik.
“Dan zeg je toch dat je in de file staat? Het is nog waar ook.”
“Het lijkt wel of jij eenzaam bent, en niet ik,” zei ik.
“Ach, ik ben een man en ik heb behoeftes.”
“Goh,” spotte ik. “Ga weg, zeg. Waar heb je me voor nodig?”
“Het is een zonnige dag,” zei hij ineens ietwat voorzichtig. “Het lijkt me leuk om met jou plezier te maken.”
“Je hebt je plan al klaar, hoor ik.”
“Iets verderop is een parkeerplaats. Daar is een leuk bosje met een veldje.”
“Je wilt picknicken!” riep ik uit. “Ik heb een boterham met kaas bij me. Die kunnen we delen.”
“Nou,” zei hij, terwijl er kwijl vanuit een mondhoek droop, “ik zat meer te denken aan dat jij je pruim sopt terwijl je van mijn salamiworst proeft.”
Kijk, dan haak ik af.
“Gedver!” schreeuwde ik naar hem. “Hoe haal je het in je perverse hoofd? Ik ga nog liever naar honderd vergaderingen dan dat ik naar jouw stomme praatjes moet luisteren.”
De knul keek me verbijsterd aan.
“Trouwens, ik moet weer rijden,” gebaarde ik naar hem. Ik draaide het raampje weer naar boven, startte en reed een eind weg.

Veel schoot het niet op. Weer stoppen. Straks zou ik echt te laat komen op de vergadering.
De rij links naast mij bleef doorrijden. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik de auto van de jongen ook weer dichterbij komen. Het zag ernaar uit dat hij door kon rijden.
Op het moment dat hij langs mij kwam, draaide ik me naar het raampje toe. De knul keek me verlekkerd aan. Ik bedacht me niet en trok mijn truitje tot aan mijn kin omhoog.
De mond van de jongen viel open van verbazing toen hij mij met mijn tietjes zag schudden. Hij bleef kijken. Zo zag hij niet dat de auto voor hem plotseling moest remmen. Met een daverende klap botste de Honda er tegenaan. Er klonk gerinkel van glas. Even gebeurde er niets. Toen stapte de knul uit en begon hij tegen de auto voor hem te schreeuwen. De bestuurder was inmiddels ook uitgestapt en er ontstond iets dat op een handgemeen leek.

Ik moest lachen om de jongen. Mijn rij mocht rijden.
Echt boos was ik niet meer. Terwijl ik hem rechts passeerde, zwaaide ik nog even vriendelijk naar hem.

April 2008

• • •
 
Volgende pagina »