bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

14-07-2008

Arachnophobia

Filed under: kassameisjes corner - oudere stukken — bazbo @ 18:18

In mijn fanmail wordt regelmatig gevraagd in welke supermarkt ik werk. Blijkbaar zijn er genoeg jongetjes die het emballagehok wel eens van binnen willen zien. De naakte waarheid is echter dat ik een echte baan heb. Ik ben nog niet zo lang geleden begonnen met een zogenaamde ‘ondersteundende’ functie in een IT-bedrijf.
Steunen en kreunen kan in deze functie maar al te goed. Ik heb lekkere collega’s genoeg. Het zijn wel bijna allemaal nerds, maar die hebben vaak het meeste vuur in hun lendenen. En nerds zijn leuk; veel leuker dan die marketingmannetjes die denken dat ze door hun geblaat de wereld aan hun voeten kunnen krijgen. Of mij op mijn knieën.
Nee, aan dat soort jongens heb ik echt een hekel. Ik vind het best dat ze overdrijven tot hun vakgebied hebben gekozen. Maar laat ze even normaal doen tegen de mensen die met ze moeten werken, zeg!

Laatst zaten we met een leuk groepje mensen in de kantine. We hadden het over de verschillende baantjes die we ondergaan hebben voor we klaar waren met spelen en een echte baan namen. De marketing-blaataap was er wat later bij komen zitten. Meteen aanwezig nog voor hij wist waar we het over hadden, waren de eerste “jah, had ik ook” en “hmm hmm’s” hem al ontsnapt. Sjors was een stereotiep, zonder dat hij er iets voor hoefde te doen. Altijd in pak, ook als hij de deur niet uit hoefde. Met zijn te dikke kop riep hij elke avond dat hij ging squashen, maar zijn pens spreekt dit tegen.

Op het moment dat ik opmerkte kassameisje te zijn geweest, brak hij los met zijn favoriete verhaal.
“Toen ik nog op de groenteafdeling in een supermarkt werkte,” vertelde Sjors, “toen hadden we een keer zo’n bananendoos waar zo’n spin in zat.”
“Getsie,” zei Marjolein van de repro. “Ik ben als de dood voor spinnen.”
“Nou, ik niet,” ging Sjors verder. “Tussen de gele vruchten door verschenen ineens de zwarte harige poten van een reusachtige spin. Ik geef toe, ik schrok me een hoedje. Stond er een of ander hysterisch wijf bij de bananen die hem ook zag. En die begón me toch te gillen! De hele winkel was plotseling één chaos.”
“Wat voor spin was het, Sjors?” vroeg ik met een nogal ongelovig gezicht.
“O, zo’n bananenspin, of hoe heet zo’n kreng?”
“Een vogelspin?”
“Precies.”
“De vogelspin is geen aparte soort,” legde ik Marjolein uit. “Het is een verzamelnaam voor een aantal grote spinnen. Vogelspinnen is een algemene naam voor een flink aantal soorten grote spinnen uit de onderorde Mygalomorphae (vroeger: Orthognata), rechtkakigen, in het bijzonder de familie Aviculariidae.”
“Jij weet er veel van af,” zei Marjolein.
“Ja, ik heb een brede interesse en ik ben gek op huisdieren.”
“Maar goed,” ging Sjors verder. “Uiteindelijk heb ik hem onder mijn schoenzool weten te pletten.”
“Dapper, hoor,” zei Marjolein.
“Och,” haalde Sjors stoer zijn schouders op.
“Je zult wel de held van de dag geweest zijn?” vroeg ik spottend.
“Ja. Klinkt gek, maar al die meiskes achter de kassa vonden me echt een hele vent. In het magazijn heb ik nog ‘bedankje’ gekregen van een van de dames.” Hij knipoogde er vet bij. “Dat had ik als redder wel verdiend.”
“Een vogelspin,” zei ik, hardop voor me uitdenkend.
“Een vogelspin, ja.” Sjors werd zenuwachtig. “Die beesten zijn dodelijk.”
“Nou, niet voor mensen. Dat is alleen in Bond-films, hoor. Voor mensen is de beet van een vogelspin te vergelijken met een wespensteek.” Ik genoot. “En die kwam uit een bananendoos, Sjors?”
“Uit een bananendoos, ja.” Het zweet stond op zijn kop.
“Jeetje, Sjors,” zei ik. “Dat Broodje Aap-verhaal gelooft niemand toch nog?”
“Hoe bedoel je?” vroeg hij.
“Nou, iedereen weet dat die bananendozen in het vliegtuig in het ruim staan. En daar is het veel te koud. Die spinnen overleven dat niet. En al komen ze met de boot, dan duurt de reis te lang en gaan ze dood van de honger.”
“Wat is een broodje aap?” vroeg hij.
Kijk, dan haak ik af. Ik stond op en ging naar mijn eigen bureau terug.

Ik zat er nog geen paar minuten, of Sjors kwam binnen. Ook hij heeft zijn bureau in onze kantoorruimte. Hij keek me niet aan en ging schichtig achter zijn pc zitten.
Ineens gaf hij een gil.
“Wat is er, Sjors?” vroeg ik. Ik stond op en keek hem aan. Hij zag lijkbleek.
Op zijn bureau zat een flinke spin, die naar het toetsenbord van Sjors’ computer wandelde. Intuïtief trok ik mijn pump uit en liep ik op het bureau af. Het monstertje bleef stil staan. Langzaam kwam ik dichterbij. De spin zat zijn poten te wrijven in het zonlicht. Ik hief mijn schoen omhoog en liet hem met ferme kracht op het dikke lijf terecht komen. Flats! Een groot deel van het lijf was geplet. Een dikkige zwartbruine derrie kwam uit het beest omhooglillen. En de hak van mijn pump ragde dwars door het toetsenbord van Sjors heen. Geheel overbodig gaf ik hem nog een hengst. En nog eens en nog eens. De toetsen van het bord van Sjors kletterden alle kanten op. Hijzelf zat te gillen als een mietje. Zijn hoofd in zijn handen. De hele afdeling keek naar het bizarre tafereel. De acht poten bewogen niet meer.

Ik had mijn vieze pump nog in de hand, toen ik de bibberende jongen in mijn armen nam. Met mijn lege hand duwde ik van achteren zijn hoofd naar me toe. Ik drukte mijn lippen op die van hem en stak mijn tong ruw in zijn mond. Ik lepelde even flink rond zijn gebit, zijn gehemelte en zijn tong. Toen trok ik mezelf weer terug.
“Zo,” zei ik. “Dat had ik als redder wel even verdiend, vind je niet?”

• • •
 

PIN-nig

Filed under: kassameisjes corner - oudere stukken — bazbo @ 18:14

“Pff, staan we dan weer, hè? Te wachten op de kassa,” hoor ik een klant zeggen tegen de meneer achter haar. Gelukkig zegt die man eigenlijk niks terug. Alleen: “Hmm …” Hij mompelt nog iets onverstaanbaars en kijkt vervolgens een andere kant op. Groot gelijk. Dat zou ik ook doen als er zo’n wijf met me wil praten.

Het is al de hele dag gezeur. Toen ik binnenkwam hoorde ik van een collega dat er problemen waren met de pinautomaten van een tweetal kassa’s. Ik wist meteen: dit wordt een klotedag.
Op dagen als deze zijn de rijen langer, de mensen onvriendelijker en de baas ongeduldiger. Niemand heeft tegenwoordig nog contant geld in de portemonnee. En de klanten die dat wel hebben zijn bejaard en houden de boel alleen maar langer op. De storingen aan de pinautomaten van kassa twee en kassa drie staan keurig vermeld op een bordje aan het begin van de rij. De rest van de automaten werkt nog wel. Ik neem kassa negen over en krijg meteen de volle laag van het vrouwtje.

“Hallo? Kunnen jullie even opschieten? Er staan hier mensen te wachten.”
Mijn collega draagt de laatste dingen over en ik zit nog niet eens goed op mijn stoel. Dan hoor ik dit.
“Het is heel erg druk in de winkel, hoor,” gaat deze klant door. “Kom op, tijd om te werken!”
“Mevrouw, mijn collega draagt mij even belangrijke dingen over,” zeg ik beleefd. “Een momentje geduld, alstublieft.” Ik denk: “Bla bla, wijf.”
“Het is te gek voor woorden dat ze twee van de negen pinautomaten buiten werking laten op dit tijdstip van de dag. En als ze dat nou nog op kunnen vangen met een beetje service… maar nee hoor, ze gaan staan kletsen alsof iedereen hier alle tijd van de wereld heeft.”

Ze praat niet direct tegen mij. Dat vind ik nog wel het alleronbeleefdste wat een mens kan doen. Dat wijf praat tegen de man achter haar in de rij, of tegen de hele rij achter haar. Daar vindt ze medestanders. Nee, ze dénkt dat ze medestanders vindt. De man achter haar en de andere mensen in de rij kijken ongemakkelijk een andere kant op.
De boodschap is evenwel voor mij bedoeld. Niet dat ik er iets aan kan doen dat zij een tyfuswijf is, of dat er een paar pinautomaten stuk zijn, of dat er oorlog is in de wereld, of honger in Darfur. Nee, daar houdt dit type geen rekening mee. Ze moet gewoon even klagen tegen mensen die knikken en denken dat ik als caissière enige invloed heb op de werking van een stukje hoogwaardige techniek. Ik lach en wens haar stilletjes een langzame en vooral pijnlijke dood, terwijl ik mijn kassa start en mijn stoel goed zet.
Ze heeft haar boodschapjes op de band gelegd. Die liggen nu klaar om gescand te worden: een korfje vruchtenyoghurt, een blik gepelde tomaten, een half casinobrood, een pak zilvervliesrijst. Wat ze daar mee moet is me onduidelijk. Het lijkt me een type dat de komkommers uitzoekt op pasvorm in plaats van op smaak. Om toch maar vlot van het zeikwijf en de rest van de wachtende klanten af te zijn begin ik de spullen te scannen.

“Heeft u een spaarkaart?” vraag ik glimlachend. “Wilt u zegeltjes?”
De vrouw schudt van nee.
“Doet u mee aan de Phantasialand spaaractie? En heeft u een koffiekaart?”
Het irriteert haar en ik vind het leuk. De koffiekaart bestaat niet eens.
Dan moet ze betalen. Op het moment dat ze haar pas door de gleuf haalt, hoor ik haar mompelen. De bekende piep, pincode en ‘ok’. Dan is het wachten. Het duurt lang, alsof de bank het even zeker wil weten, voor het slechte nieuws op het schermpje verschijnt. Er piept iets vanuit de elektronische kassa.

“‘Uw saldo is niet toereikend’, zegt het apparaat, mevrouw.” Ik kijk haar vriendelijk, maar toch ook wel triomfantelijk aan.
“Dat kan niet. Verdomme.” Ze kijkt schichtig naar de rij achter zich.
“De betaling is mislukt, kunt u misschien op een andere manier betalen?” Ik glimlach mijn alleraardigste lach en weet al hoe laat het is.
“Deze automaat is ook al stuk,” zegt ze tegen de rij achter haar.
“Mevrouw,” leg ik net te hard en hoorbaar aan haar uit, “deze automaat werkt prima. Het apparaat geeft aan dat uw saldo niet toereikend is.”
“Maar ik héb wél geld!” schreeuwt ze. Zie ik dat nou goed of staat ze nog te stampvoeten ook? “Jullie willen me gewoon niet geloven!”
“Daar heeft het niet zoveel mee te maken, mevrouw. Ik moet volgens de regels te werk gaan. U kunt om een of andere reden met deze pas niet betalen.”
“Ik heb van de week nog geld gebeurd!” Ze wil de spullen van de band halen.
“Dat geloof ik wel, maar ik kan u deze boodschappen nu niet mee geven. U heeft nog niet betaald.”
“Ik heb wél betaald! Ik betaal me scheel hier! Ik betaal al jaren veel te veel!”
“Het spijt me, mevrouw. Wilt u die spullen hier laten en nu plaats maken voor de volgende klant?”
“Ik heb nu even maling aan de volgende klant! En het spijt jou helemaal niet, trut! Jij vindt het gewoon leuk om mensen te pesten! Geef mij mijn boodschappen!”
“Mevrouw, u heeft ze niet betaald, dus zijn ze niet van u. Pas als u betaalt, krijgt u ze mee.”
“Wat is dat godverdomme voor grote bek? Beetje respect, ja? De klant is koning! Ik ga een klacht indienen!”

Kijk, dan haak ik af. Ik pak de goedkope vruchtenyoghurt en trek het dekseltje van het korfje af. Met één beweging smijt ik de volledige inhoud in haar gezicht. “Hier,” zeg ik kalmpjes. “Uw yoghurt.” Ik open het blik gepelde tomaten bij het lipje, gris over de band haar decolleté naar mij toe en deponeer de inhoud van het blik in de geul tussen haar dikke oude tieten. “En daar zijn uw gepelde tomaten.” Ik haal het half gesneden casinobrood uit het zakje en prop het in haar van verbazing opengesperde mond. “En een wit casino.” Het pak rijst scheur ik open en ik giet de bruinige korrels over haar haren heen. De vrouw hangt hijgend over de band. Ze probeert adem te halen, maar dat gaat nogal moeilijk, geloof ik. Langzaam zakt ze door de knieën. Terwijl ze ineenzijgt, kijkt ze mij nog met wijd open ogen aan.
“Kijkt u eens, mevrouw,” zeg ik haar nog. “Hier hebt u uw boodschappen. Gratis.”

Ik glimlach naar de volgende klant in de rij.
“Komt u maar hoor, er is niks mis met de automaat aan deze kassa.”

• • •
 

Echt geen seks

Filed under: kassameisjes corner - oudere stukken — bazbo @ 18:06

De meeste mensen die mij kennen, weten wel een beetje hoe ik in elkaar steek. Ik wil onafhankelijk zijn in alles wat ik doe, en niet gebonden zijn aan welke verplichting dan ook. Die carrière van mij, die gaat dan ook voor alles. Wat niet wegneemt dat ik af en toe grote behoefte heb aan een flinke portie buitenissige seks.

Zo ook die donderdagmorgen. Ik was ’s morgens het kantoor binnengekomen en hij viel me onmiddellijk op. Een nieuwe jongen op het bureau en ik wist van niets? Tijdens het werkoverleg liet ik niets van mijn belangstelling merken, maar ik nam hem goed op. Hij deed zijn best slim over te komen. Soms maakte hij een opmerking die inhoudsloos genoeg was om niemand voor het hoofd te stoten, maar die liet blijken dat hij wist waar het over ging. Een beetje vragen naar de bekende weg, zeg maar. Hij zag er verzorgd uit. Zijn haren waren kort geknipt en hij was glad geschoren. Hij droeg een pak, maar had het jasje uitgedaan. Alleen dat groene overhemd vond ik wat overdreven. Gelukkig droeg hij geen stropdas. Je zag hem staan voor de spiegel vanmorgen, twijfelend in zijn ongemakkelijk zittende plooibroek.

Toen de meeting afgelopen was, zag ik dat hij de vergaderkamer verliet. Ik pakte snel mijn spullen en liep achter hem aan. Hij liep langs de kopieermachine en verdween toen in het herentoilet. Ik bedacht me niet en deed hetzelfde. Hij stond bij een urinoir. Ik liep naar de wastafel en begon mijn handen te wassen. In de spiegel zag ik dat hij verbaasd omkeek.

“Eh, sorry…”, begon hij hakkelend, “maar heb je door dat je in het herentoilet terecht bent gekomen?”
“O, is dat zo?”, deed ik net alsof ik verbaasd was. “Stom. Ik dacht er niet bij na.”
Hij had zijn gulp dichtgeritst en draaide zich om. Ik droogde mijn handen af. Hij kwam naar de wastafel en begon zijn handen te wassen.
“Ben je nieuw hier?”, vroeg ik naar de bekende weg. Dat kan ik namelijk ook.
“Ja. Gisteren begonnen.”
“Welke afdeling?”
“Development. Of, eh, Software Engineering, zoals het officieel heet. Ik zit in het team van Hans de Bok.”
“Is het wat?” Hans was zo’n uitgerangeerde, overspannen stresskip die ze manager hadden gemaakt omdat hij niks kon.
“Dat kan ik nog niet zeggen na een dag. Maar er liggen volgens mij genoeg kansen en uitdagingen.”

Kansen en uitdagingen, als iemand dat in een serieus gesprek zegt, moet ik altijd heel erg kotsen. Dus ik besloot er geen gras overheen te laten groeien. Ik ging dichter naar hem toe en legde mijn hand op zijn schouder.
“Over kansen en uitdagingen gesproken. Is er een kans dat wij een uitdaging aangaan?”
“Wat bedoel je?” vroeg hij verbaasd.
“Ach, gewoon. Ik wil onafhankelijk zijn in alles wat ik doe, en niet gebonden zijn aan welke verplichting dan ook. Die carrière van mij, die gaat dan ook voor alles. Wat niet wegneemt dat ik af en toe grote behoefte heb aan een flinke portie buitenissige seks.”
De jongeman begon zwaar te ademen. Hij draaide zich naar mij toe, maar bleef wat aarzelend staan.

“Kom, niet zo terughoudend”, zei ik. Ik pakte zijn handen en legde die op mijn borsten. Zelf pakte ik zijn kont lekker vast en begon ik zijn broek los te maken. Mijn initiatief viel in goede aarde. Hij drukte zijn lippen in mijn hals. Ik had zijn broek open en die zakte op zijn enkels. Toen pakte ik zijn overhemd met twee handen bij het bovenste knoopje beet en rukte het open. De knoopjes stuiterden over de tegels. Mijn handen streken over zijn blote torso. Ik werd er zowaar heet van. Hij had inmiddels mijn korte rok omhooggetrokken en zat met zijn hand in mijn string. Zelf had ik al zijn boxershort bij het boord vastgepakt. Handig deed ik die naar beneden. Ik wierp een blik naar zijn in oprichting zijnde orgaan. Hij mocht er zijn. Maar wat was dat? In zijn witte onderbroek zat een knoert van een bruine streep.

Kijk, dan haak ik af. Ik deed een stap naar achteren. Zijn handen verdwenen uit mijn kleren.
“Viezerik”, zei ik. “Dacht je werkelijk dat ik met zó iemand een flinke portie buitenissige seks zou willen hebben?”
“Huh? Wat bedoel je?” vroeg hij niet-begrijpend.
Ik antwoordde niet, maar draaide me om en liep naar de deur van de toiletruimte. Hij bleef achter met zijn overhemd opengescheurd, en met zijn broek en boxershort op zijn enkels.
Toen ik de deur opengooide, botste ik bijna tegen de manager van de afdeling Development op.
“Sorry Hans”, zei ik. “Ik had me vergist.” Zonder verder nog aandacht te besteden aan zijn verbaasde blik liep ik naar mijn kantoor. Wél zag ik vanuit een ooghoek dat hij hoofdschuddend de toiletruimte betrad.

• • •
 

Bloedrood

Filed under: kassameisjes corner - oudere stukken — bazbo @ 18:00

Met dank aan de hormonen…

Als vrouw zijnde heb ik soms van die dagen. Moet ik er meer over vertellen? Laat ik het er maar op houden dat mijn haar voor geen meter zit en dat mijn gemoedstoestand niet zo gelijkmatig is als anders. Hormonen: ze zouden ze moeten afschaffen.
Het vervelendste is als mannen erover beginnen. Laatst ontmoette ik er een die zei dat hijzelf het grootste slachtoffer was van de menstruatie van zijn vrouw: “Want ik moet de hele dag naar dat uitgezakte kapsel kijken!” Of nog erger: “Ik heb drie hele dagen last van dat chagrijnige smoel.” Soms tref je d’r ook wel eens eentje die een betere poging waagt. Ik krijg echte moordneigingen van mannen die laatdunkend doen over menstrueren. Sommige kerels bedoelen het goed, al snappen ze er geen bal van. Ze denken te weten wat het voor ergernis is. Maar uiteindelijk gaan ze toch allemaal onderuit. Neem nou de volgende situatie.

Ik kwam de supermarkt binnen en liep door naar de medewerkersruimte. Daar hing ik mijn jas op en trok ik de uniformjas aan.
“Goedemiddag,” hoorde ik achter mij. Ik draaide me om. Het was die jonge vakkenvuller van de non-food afdeling. Een lekkere knul. Ik had wel eens met hem staan zoenen in het emballagehok.
“Hee, hoi.”
“Je ziet er mooi uit,” zei hij.
“Mijn haar zit vandaag nergens naar.”
“Ach, ik hou wel van een beetje wild.” Hij snoof en gaf me een vettige knipoog.
“En ik van wilde kerels.”
“Zie ik je in de eerste rookpauze even in het magazijn?” fluisterde hij.
Ondanks mijn toestand vond ik het wel spannend, en ik zei: “Is goed. Jij mag er ook altijd best zijn.”

Die middag achter de kassa was het saai. Vrijdag overdag is het bij ons nooit druk. Pas later, tijdens de koopavond, dan komen de klanten. Hordes gezinnen die de weekendboodschappen komen halen. Van die saaie vrouwen, doodgeslagen door hun kinderen. Ze nemen massaal hun kerel mee om het weekend al ruziënd te kunnen beginnen. Die ellende zat er aan te komen. Ik voelde het aan mijn water. Nu had ik niet zoveel te doen. Ik was dan ook blij dat het rookpauze was. Snel ging ik naar het magazijn. Ik wachtte bij de voorraad dranken. Snel bracht ik nog even mijn haren wat in fatsoen, voor zover dat ging.

“Hee, ben je daar al?” zei een stem. Ik keek opzij en zag hem. Hij keek me glimlachend aan.
“Had je iemand verwacht, dan?” vroeg ik. “Had je ook nog met iemand anders afgesproken? Toch niet die tuthola van de kaas, hè?”
“Nee, die nooit meer. Ik heb d’r wel eens geprobeerd te benaderen, maar toen ik een hand op haar knie legde, werd ze al allergisch. Bleek ze ongesteld te zijn.”
“O? Is dat een bezwaar dan?”
“Nee joh,” lachte hij. “Dat is toch de normaalste zaak van de wereld? Vrouwen zijn nou eenmaal regelmatig ongesteld. Dat hoort er gewoon bij. Dus ik zei tegen die tuthola dat ik dat helemaal niet erg vond, dat ze ongesteld was. Begon ze over seks voor het huwelijk en zo.”
“Dat is bij mij geen probleem,” vertelde ik.
“Nee? Vertel daar eens wat meer over.”
“Seks, daar moet je niet over praten. Dat moet je gewoon doen,” was mijn mening. “Niks mis met een stomend hete pot seks. Zo vaak mogelijk.”
“Je hebt gelijk,” zei hij. Hij kwam dichterbij en sloeg zijn armen om mij heen. Ik boog naar voren en zoende hem vol op zijn mond. “En je zoent lekker,” hijgde hij. Zijn tong drong tussen mijn lippen door mijn mond in. Hij wurmde zijn been tussen de mijne. Het was een heerlijk gevoel om zijn gespannen spier tegen mijn warme orgaan te voelen. Zijn opgezwollen orgaan duwde zacht maar dwingend in mijn onderbuik.
“Eh, wacht even,” zei ik.
“Hoezo? Net zeg je dat je zovaak mogelijk … heb je nu dan geen zin in een stomend hete pot seks?”
“Sorry, ik heb mijn dag niet.”
“O, is dat het? Je bent ongesteld. Oftewel: lek. Ik dacht al: wat ruik ik toch?”

Kijk, dan haak ik af. Ineens zag ik hem in een van die mannen die met hun vrouw boodschappen ging doen op vrijdag. Alleen maar om zijn vadzige mokkel tevreden te houden, zodat hij seks kon hebben. Automatisch ging mijn knie omhoog. Ik trof hem vol. Het was een heerlijk gevoel om mijn knie tegen zijn weke delen te voelen. Hij klapte dubbel en belandde met zijn kop in mijn decolleté. Met twee vuisten ramde ik hem van boven op zijn schedel.
Hij zakte door de knieën en viel languit voorover op de grond. Ik keek letterlijk en figuurlijk op hem neer. Kreunend lag hij daar. Naast ons stond een stapel kratten goedkope wijn. Toen ik hem zijn hoofd zag optillen besloot ik wat ik moest doen. Hij was de loser bij de kassa, de klootzak die vanavond aan de kassa stond en probeerde met me te flirten terwijl hun domme, saaie vrouwen bezig waren de boodschappen in te pakken en de kinderen in het gareel te houden.

Ik pakte een fles en sloeg die op zijn hoofd kapot. Het geluid was mooier dan dat van zijn plettende ballen op mijn knie. Het was een kinderkoor op speed. Het glas kletterde alle kanten op. Bloed gutste uit een wond en vermengde zich met de inhoud van de fles. Het was rode wijn. Bloedrood. En goede wijn smaakt naar meer. Ik pakte het bovenste krat van de stapel en hief het hoog boven mijn hoofd. Eén moment zag ik hem lijden. Zijn ogen draaiden mijn kant uit en in zijn blik zag ik dat hij wist wat er ging gebeuren. Toen kraakte alles: de flessen, zijn schedel en mijn wraakzucht.

Besmeurd met rode wijn ging ik terug naar de winkel. De twee veertienjarige vakkenvullers keken me raar aan. Angst stond in hun ogen toen ik lief naar ze glimlachte. Het was dezelfde glimlach die ik achter de kassa had als er weer zo’n veertiger stond te geilen tijdens het pinnen.
Vandaag had ik ze allemaal te pakken. Soms sta ik versteld van mijn eigen kracht. Met dank aan de hormonen.

• • •
 

Automechanisch

Filed under: kassameisjes corner - oudere stukken — bazbo @ 17:47

Het is vroeg. Ik eet mijn bakje All-Bran met yoghurt terwijl ik probeer niet te morsen op mijn ongemakkelijk zittende rok. Het schemert. Ik hou er totaal niet van zo vroeg op te staan. En zeker niet om met een kop te hete thee op de bank te zitten terwijl ik op de klok kijk om te zien of het al tijd is om te gaan. Misschien is dat wel de gekste tic die ik heb.
Ik besluit dat ik om kwart voor zeven moet gaan rijden. Dat geeft me de tijd om rustig aan te doen, maar ik ben altijd te vroeg. Ook vandaag ben ik te vroeg. Ik haastte me onder de douche en had gisteren mijn kleding al klaar gelegd. Dat doe ik anders nooit. En nu zit ik op de bank te wachten tot het kwart voor zeven is. Tergend langzaam tikt de klok verder.
Precies om één minuut voor het uur U sta ik op om te gaan. Ik zet mijn ontbijtbordje op het aanrecht. Dan stap ik de deur uit om naar mijn auto te lopen. Het weer is goed, de dag breekt definitief door en om exact kwart voor zeven steek ik de sleutel in het slot van mijn auto. Na een ferme draai hoor ik niks dan gepruttel. Waar er normaal een “broem-broem” moet komen, hoor ik weinig meer dan “schlurrp-schuk”! En verder niks. Dat doet-ie anders nooit. Ik baal. Als ik dit had geweten, had ik nog in mijn bed gelegen. Een kapotte auto is een prima excuus om niet om half negen aan de andere kant van het land te moeten zijn voor een gesprek waar ik helemaal geen zin in heb.

Ik stap uit de auto en probeer de motorkap omhoog te doen. Dan bedenk ik me dat er binnen een knop zit om het ding te ontgrendelen. “Pop”, zegt de kap als ik de knop omhoog duw. Ik loop weer naar de voorkant van de auto en trek aan de kap. Er klikt iets, maar verder zit het ding muurvast. Ik frommel en beweeg hem, maar krijg hem niet open. Dan besluit ik dat de auto stuk is. In het handschoenenkastje ligt een boekje met een nummer van een garage dat ik moet bellen als de auto stuk is. Ik krijg een man aan de lijn die iets onverstaanbaars mompelt in een Brabants accent dat ik niet ken.

“Eh, goeiemorgen, ik heb een auto, en die is stuk.”
“We mankeert er aan?” zegt de man.
In zo duidelijk mogelijk Nederlands probeer ik hem te vertellen wat er mis is. “Eh, ja, dat is nou juist het probleem. Ik weet niet eens hoe ik de motorkap open kan krijgen.”
“Oh, dan moet je even binnen onder het dashboard aan da palleke draaien, dan gaat-ie wel open.” Ik hoor het meesmuilende lachje op zijn gezicht. In elk geval probeert hij zich verstaanbaar te maken, dat dan weer wel. Zijn aanwijzing blijkt te kloppen en ik krijg ineens vertrouwen in de situatie. Hoewel, zijn technische kennis gaat de mijne ver te boven. Wat meteen de reden is dat hij bij een garage werkt en ik iets doe met organisatie-advies en echte mensen.
“En nu?” vraag ik hem als de kap open staat.
“Ziet u die breedgefreeste dubbelpasknikbuis?”
“Eh, even kijken.”
“Hij moet naast de voorkantsbalkmoer zitten.”
“Ik geloof dat ik iets zie.”
“Fijn. Dan moet u die dubbelpasknikbuis egaal zien te krijgen met het peurventiel van de kanaalborstelkling.”
“Hoe doe ik dat? Gewoon draaien?”
“Ja, maar wel voorzichtig. Kijk uit dat u niet in de problemen komt met die plakstang. Die zit namelijk dubbel geswitched, waardoor de frontaalpin geklemd komt tussen de prakdeelversluiting.”
“O. Maar als ik dit buisje draai, loopt dan niet de hele boel in de soep?”
“Nee, dat moet niet uitmaken. Heeft u de momuraal ten opzichte van de achterkop voldoende fasaal gediposteerd?”
“Volgens mij wel. Maar dat moet ik even nakijken. Waar kan ik die precies vinden?”
“Schuin onder de kantelbeveiliging van de voorstelgarnering. Als u die momuraal ietwat taps verderstanst, moet u goed uitkomen wat betreft de subconificaaltransfittingen. Ziet u waar die zich bevinden?”
“O. Bedoelt u dat blauwe ding?”
“Nee, dat is de doorwerkschraag. U moet meer naar links kijken, tussen de twee meukbetrechters in, daar zit-ie.”
“Meukbetrechters? Die vieze bruine doppen?”
“Ik vrees dat we er zo niet uitkomen. Het ziet er naar uit dat ik even ter plaatse moet zijn om het zelf op te lossen. Waar staat u precies?”
“Kent u het Fontanellenplantsoen? Ik bevind mij in de meest oostelijke uitsparing daarvan.”
“Fijn. Dan ben ik denk ik met een minuut of tien bij u.”

De monteur ziet er uit als een monteur. Zijn auto met beplakking van het bedrijf stopt naast de mijne. Een man in werkbroek stapt uit en groet me. Ik heb in de tijd dat ik op hem moest wachten mijn afspraak afgezegd. Hij werpt van onder naar boven een verlekkerde blik over mij. De geilaard.
“Zozo.” De monteur laat zijn onderzoekende blik over de homp staal gaan die mijn auto zou moeten voortdrijven.
“Ja, precies hetzelfde zei ik daarstraks ook.” Mijn grapje werkt niet echt goed.
“Je carborateurslag is in elk geval wel goed.” Hij veegt met een doek over een glimmend onderdeel en gaat verder.
“Gelukkig.”
“Maar je waterschrobhijstap is verroest.”
“O. Is dat erg?”
“Op termijn wel. Maar het is nog niet zover dat de accufilterstopper het heeft begeven.”
“Die groene weerschijn op dat ding daar, kan dat kwaad?”
“Dat is de monstransrand. Als je die niet op tijd doorkwast, kan het op den duur grambierrot veroorzaken. Maar dat lijkt me hier niet het geval.”
“U heeft er nogal kijk op.”
“Mevrouw, als je zoals ik al jaren in dit vak zit, leer je de kneepjes wel kennen. Maar wat zie ik hier? Het vorkvervomiteerfoudraal zit helemaal scheef in de pulkversmalling gedreind!”
“Nu u het zegt, ruik ik het ook!”
“Dat zal het euvel zijn. Met een simpele begrenstijdversmeuring kom ik een heel eind.”
“Fijn. Ik ben blij dat u in de gelegenheid bent om het voor elkaar te krijgen.”
“Maar goed dat ik altijd mijn voorbindpipet bij me heb.”

De monteur stapt in zijn auto en rijdt met piepende banden weg. Hij heeft nog geen tien minuten onder de motorkap gekeken. Het schrijven van de factuur, vol met onbegrijpelijke termen, duurde langer. En daarbij heeft hij meer tijd naar mij gekeken dan naar de auto. Ik besluit richting mijn werk net te doen alsof ik ergens in de middle of nowhere stilgevallen ben.
“De reparateur is net geweest,” vertel ik naar waarheid. “Helaas heb ik geen tijd meer om naar mijn afspraak te gaan. ’t Is nog drie uur terug rijden. Spreek je morgen.”
Mijn baas wenst me succes met de reis terug. Ook dat doet-ie anders nooit.

• • •