bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

28-12-2008

Igor en zijn viool – Een kerstverhaal

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 00:43

Daar liep hij, de kleine Igor. Stap, stap, stap. Lekker snel ging het niet. Al zijn spieren werden koud en stijf. Igor stopte even, vouwde zijn handen en blies erin. Toen ging hij weer een stukje verder.
“Lag er maar sneeuw,” dacht hij. “Dan geven de mensen sneller geld.”
Hier was een goed nieuw plekje. Hij zette zijn krukje onder de luifel van de winkel neer en legde de koffer op straat. Voorzichtig maakte hij hem open en haalde hij zijn instrument eruit. Even keek hij om zich heen. Gelukkig, geen agenten te zien. Hij was nog niet gepakt en weggestuurd, vandaag.
Een mevrouw keek naar hem en hield haar pas in. Met een sierlijke zwaai zette Igor de viool aan zijn kin. Al snel danste de strijkstok over de snaren.

Hij kende maar een paar liedjes. ‘Amarici Amari’, die kon hij wel goed spelen. Papa had het er bijna bij hem ingeslágen. Veel fouten maakte hij nooit. Maar nu lukte het minder. De waterkoude wind sneed door zijn dunne jas. Zijn vingers zagen rood van de kou. En wat waren ze stijf!
De straat werd leger. De meeste winkels gingen sluiten. Het was al bijna helemaal donker. De mevrouw was allang doorgelopen.
“Ik moet nog een paar centen erbij hebben,” dacht Igor. “Want dan kan mama misschien nog iets lekkers kopen voor morgen. Iets dat mama warm kan maken, zodat we toch nog een beetje het gevoel hebben dat het Kerstmis is.”

“Amarici Amari,” zong Igor over zijn spel heen. Terwijl hij de strijkstok heen en weer bewoog en zijn vingers over de snaren liet glijden, keek de jongen naar de vioolkist die opengeklapt voor hem op straat lag. Hij had niet veel geld bij elkaar gesprokkeld vandaag. Een euro, twee muntjes van vijftig cent en wat kleiner spul. Eigenlijk was het de moeite niet waard. Maar alles was beter dan de kerstvakantie in huis zitten. Niet dat hij de kans kreeg om binnen te zitten. Zijn vader had hem de straat op gestuurd, zoals alle vrije dagen. Ondanks de barre koude.
“Hoe krijg ik het wat warmer?” vroeg hij zich al verder spelend af. Op school had de juf het sprookje van het meisje met de zwavelstokjes verteld. Hij kón zijn viool in de fik steken. Dan had hij het even warm. Maar dan was hij zijn viool kwijt. En ook de manier om nog een beetje geld te verdienen.

“Wat een mooi liedje,” zei plots een stem naast hem. Igor hield op met spelen en keek.
Het was een kerstman. Compleet met rode neus en rode wangen.
“Waar gaat het over?” vroeg de kerstman.
“Geen idee,” antwoordde Igor. “Het is een oud Bulgaars lied in de traditionele Roma-taal, geloof ik. Thuis praten papa en mama wel in die taal.”
“Waar kom je vandaan?”
“Uit Roemenië. Daar ben ik geboren, maar ik weet niets meer van hoe het daar was. Toen ik twee jaar oud was, zochten mijn ouders hun heil hier in Nederland. Ze hoopten dat ze het wat beter zouden hebben dan in het arme Roemenië.”
“En is ze dat gelukt?” vroeg de oude dikke man.
Igor haalde zijn schouders op.

“Mama vertelt wel eens over Roemenië, dat het er arm was en oorlog.”
“Ja jongen, het is niet overal feest, zoals hier.”
“Nou, hier is het ook geen feest,” zei Igor bedremmeld.
“Nee? Nou, het zal vast beter zijn dan in je vaderland. Hier is Kerstmis met lichtjes en gezang. En wijn!”
Igor rook de adem van deze kerstman. Bah, hij stonk. Hij kende die geur maar al te goed. “Ik moet trouwens voortmaken,” dacht hij. “Het is bijna sluitingstijd van de winkels. Ik heb nog maar heel eventjes om nog een paar centjes op te halen. Misschien zit er wel een pak chocolademelk in! Die kunnen we morgen opwarmen!”
“Lekkere wijn,” zei de kerstman. “Wat een feest is dit leven toch!”

“Dat valt wel tegen,” legde de jongen uit.
“Hoe kun je dat nou zeggen?” vroeg de dikkerd met de rode neus. “We leven hier in een paradijs. Wees blij dat je in een welvarend land woont!”
Igor begon te huilen. De tranen werden snel koud op zijn wangen.
“Toe maar, jongen.” De kerstman legde een arm om zijn schouder. “Vertel het maar aan mij. Ik zal het niet verder vertellen.”
“Ik moet van papa alle vrije dagen op straat spelen om wat bij te verdienen. Hij heeft geen werk. Ja, een uitkering, maar daar kunnen we niet van rondkomen. Mama moet met heel weinig geld boodschappen doen. Vaak eten we dagenlang stamppot of bonen. En ik loop ook al tijden in dezelfde kleren. Geld voor nieuwe is er niet.”
“Maar er is zat werk in dit land!” zei de kerstman met plotse stemverheffing.
“Daar heeft papa geen tijd voor. Hij is overdag druk.”
“Wat doet hij dan?”
“Hij zit in een café, met vrienden uit Polen. En als hij dan thuiskomt, breekt de hel los.”
“Oei, wat gebeurt er dan?”
“Hij gaat tekeer tegen mama. Hij slaat haar. Mij soms ook. Maar meestal weet ik me te verbergen.”
De kerstman zei niets.
“Dus ik weet nog niet zo net of het hier beter is dan in Roemenië. In de winter is het hier ook koud!” bibberde Igor.

“Jij bent zo druk voor je familie. Ik vind het heel knap dat je meehelpt met het verdienen van het geld. Een mooi cadeau heb je wel verdiend.” De kerstman boog zich naar hem toe. Igor zag de wijde pupillen en rook nog eens de alcohollucht.
“Shit,” dacht de jongen. “Die ouwe vent is zo zat als een aap.”
“Kijk eens wat ik voor jou heb?” zei de dikke kerstman. Van onder zijn jas haalde hij een pak. Dat gaf hij aan Igor. Met bevende handen pakte de jongen het cadeau aan. “Maak het maar open, hoor,” zei de kerstman.
Het lukte Igor om het papier los te scheuren.
“Mooi hè?” lachte de oude man met nogal dubbele tong. “Het is een bel, net zo een die ik heb! Daar kun je ook muziek mee maken!”
“Heel leuk. Maar wat heb ik daar nou aan?” zei Igor met een zachte stem.
“Nou, jongeman,” baste de kerstman opeens met lage stem, “een beetje meer dankbaarheid is wel op zijn plaats, hoor!”
“Maar hier kan ik toch niet mee thuiskomen?” riep de jongen uit. “Thuis zitten ze te wachten op geld en dan komt u hier mee aanzetten! Ondertussen zijn de winkels dicht en alle klanten naar huis! Wég is mijn kans om nog wat geld op te halen.”

“Ontdankbaar rotjoch!” brulde de kerstman. Hij pakte Igor bij een oor en draaide dat een halve slag.
“Auw, blijf van me af!” gilde de jongen. “Je lijkt mijn vader wel!”
“Beetje respect voor de kerstman, kereltje,” siste de oude man.
Igor bedacht zich niet. Hij gaf een keiharde schop tegen het korte kromme scheenbeen van de kerstman.
“Au, oei!” joelde de verklede kerel, die Igors oor had moeten loslaten. Terwijl hij op één been stond te hinken, moest Igor lachen. Wat een mal gezicht!
Flats! Daar had hij een klap van de kerstman te pakken. “Zo, dat zal je leren om een oude man zo te sarren!” brieste het vanachter de baard. “Pak aan!” De grote hand zwaaide nog eens omhoog, klaar voor een volgende slag.

Igor was sneller. Hij bedacht zich niet en raakte met zijn viool de kerstman vol op de linkerslaap. Die was in één klap gevloerd. Met een smak sloeg hij tegen de grond.
“Pak aan? Pak zélf aan!” zei Igor nu doodkalm. Nog éénmaal gaf hij een hengst op het hoofd van de oude dikkerd. Die verloor zijn muts en pruik. Er verscheen een kale kop met een bloedende snee erin. De viool lag aan splinters. Doodstil bleef de kerstman liggen.
Igor keek om zich heen. Er was niemand te bekennen in de stille winkelstraat. Hij liet alles achter en liep naar huis. “Ik heb nu geen geld en mijn viool ben ik ook kwijt. Als ik thuiskom krijg ik enorm voor zeven stuivers. Papa zal kwaad zijn. Hij zal me een hengst voor mijn kanis verkopen, niet te zuinig. Mama zal het voor me opnemen en ook zij zal klappen krijgen,” zuchtte hij. “Maar dankzij dat robbertje vechten heb ik het nu wel even lekker warm. Toch nog wát leuks met Kerstmis.”

 

Apeldoorn, december 2008

• • •
 

23-12-2008

Porno? Levensgevaarlijk!

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 22:31

Het is verrekte koud buiten. Wat wil je ook, hartje december om kwart voor één ’s nachts. Normaal gesproken zou ik allang in mijn bed liggen. Wat doe ik dan nu op straat?
Ik kom terug van mijn werk. Het is prettig om een extra zakcent te hebben. Daar kan ik leuke dingen van doen.
De kille tegenwind blaast door mijn dikke winterjas. Ik trek mijn schouders op. Zo komt mijn das omhoog en heb ik het in mijn hals wat warmer.
Ik fiets door de Orderparkweg naar huis. Aan weerszijden van de straat staan vrijstaande woningen. Achter de meeste ramen is het al donker. Achter sommige ramen brandt nog licht. Een enkel huis heeft de gordijnen open, zodat ik naar binnen kan kijken.

Zou er iets te zien zijn? Wat zou ik moeten zien? De televisie, natuurlijk!
Ik hoop iets op te vangen van dat wat de Apeldoornse gemoederen al een tijdje bezig houdt: TVA, oftewel TV Apeldoorn. Haha, Apeldoorn heeft een illegale televisiezender! Thuis kijken we er niet naar. Er gaan geruchten. Het schijnt dat de zender iedere vrijdagavond een seksfilm uitzendt!
Wacht, hier zijn de gordijnen open en er brandt licht. Ik ben benieuwd of ik wat te zien krijg. Balen, deze mensen hebben de televisie in de verkeerde hoek staan. Ik zie ze zitten op de bank en ze kijken naar de tv die naast het raam staat.

Het is 1980. Ik ben vijftien jaar oud en ik denk de hele dag aan meisjes. Veel verder dan dat kom ik niet. Ik ben een erg verlegen en stil jochie. Nogal klein voor mijn leeftijd. Op school zit ik altijd halverwege de klas dicht bij het raam te denken en te dromen. Over de meisjes met wie ik graag iets moois zou willen hebben, maar met wie ik niet durf te praten. En er zijn zat leuke meisjes in de klas. Angelique, Astrid, Petra en Antoinette. Ik zie hun wel zitten, maar zij zien mij niet staan. Ondertussen gieren de hormonen voordurend door mijn lichaam. ’s Nachts verlang ik naar de lijfelijke aanwezigheid van een lief meisje, maar altijd blijf ik alleen. Ik fantaseer een hoop. Al die opgekropte opwinding moet er een keer uit, dus soms help ik even een handje. Nee, ik en meisjes, dat is gewoon geen handige combinatie. Hoe graag ik het ook wil.

Ik vlucht mijn vrije tijd in muziek. Hele dagen kan ik op mijn zolderkamer zitten luisteren naar mijn platen. De hoezen speur ik af op zoek naar alle kleine beetjes informatie die ik kan vinden. Zo kom ik op nieuwe namen van groepen en artiesten. Mijn verzameling groeit langzaam maar zeker.
Een paar maanden geleden ontdekte ik de muziek van Emerson Lake & Palmer en jongens, wat is dát gaaf!
Mijn broer is drie jaar ouder. Hij heeft altijd een bijbaantje gehad. Van zijn eerste salaris kocht hij een stereo-installatie. Een plat geval met een radio, cassettedeck en een platenspeler erin. Die wil ik ook!
Ik moet nog eventjes flink sparen.

Mijn broer is inmiddels gaan studeren in Amsterdam. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik voor een deel zijn baantje bij de firma Hijskes kon overnemen. Het is een patattent aan de Asselsestraat, gevestigd in het pand naast ijswinkel Van Buren. De eigenaar en zijn vrouw wonen in een herenhuis ernaast.
Ik moet werken op vrijdagavond van half zes tot half één. Aan het eind van de avond druipt het vet uit mijn haren. Ik zal wel stinken ook.

Hee, daar! Weer een huis met de gordijnen open! Ik minder vaart, zodat ik ruim de gelegenheid heb om een blik naar binnen te werpen. Wat zal ik te zien krijgen?
Stiekem hoop ik op blote mensen die ‘het’ aan het doen zijn. Ik heb nog nooit blote mensen gezien die ‘het’ aan het doen zijn. Ik heb wel eens blote mensen gezien.
Afgelopen zomer nog. We waren op vakantie in Vlissingen en ik maakte met mijn vader een lange strandwandeling van Vlissingen naar Zoutelande. Het is de tijd dat sommige vrouwen zonder bovenstukje zonnen, dus blote borsten had ik al wel gezien. Zelfs mijn eigen moeder ging topless. Ik schaamde me kapot!
“Verrek,” zei mijn vader halverwege, om zich heen kijkend. “Hier lopen ze helemáál in hun nakie!”
“Pa, dat is al een kwartier zo,” zei ik. Ik was al een kwartier bezig om zo onopvallend mogelijk te staren naar alle borsten, billen, piemels en voorbipsen die voor mijn ogen dansten.

Jeroen heeft mij ingewerkt. Hij is een stille jongeman die veel in de cafetaria werkt. Aan het begin van de avond geeft hij mij opdrachten wat ik moet doen. Dat kan heel divers zijn. Soms mag ik meehelpen met bestellingen opnemen en met bakken. Maar meestal moet ik in de koude schuur nasiballen draaien of slaatjes opmaken.
“De nasiballen moeten wel perfect rond, hoor,” legt Jeroen uit. “Kijk, zo doe je dat.” Hij pakt een hand nasi uit de grote bak en kneedt het tot een ronde bal. Dan doopt hij hem in eigeel en vervolgens rolt hij de bal door paneermeel.
“Toch raar,” zeg ik. “Vorige week moest ik gehaktballen maken en die mochten juist níét rond.”
“Klopt. Een nasibal ziet er lekkerder uit als hij perfect rond is en een gehaktbal ziet er lekkerder uit als hij juist niet rond is.”
Ik snap er geen bal van.

Het huis heeft de televisie op de goede plek staan! Zal ik dan eindelijk blote mensen zien die ‘het’ aan het doen zijn? In mijn hoofd borrelen beelden op van vrouwelijke billen en borsten, schaamhaar en een grote stijve mannenpiemel.
Op de televisie zie ik een groen voetbalveld. Stik. Die mensen kijken geen TV Apeldoorn. Ik maak weer vaart en rijd verder de Orderparkweg af.

Aan het eind van iedere vrijdagavond drentel ik achter Jeroen aan het huis van meneer en mevrouw Hijskes binnen. Ik krijg een briefje van vijfentwintig gulden in mijn handen gedrukt. Jeroen krijgt er vier.
Iedere week stop ik vijfentwintig gulden in mijn spaarpot. Eens in de maand koop ik een elpee en de rest is voor mijn stereo.

Hier! Kijk, hier is weer een huis dat de gordijnen niet dichtheeft en de televisie aan. Ik minder weer vaart, zodat ik wat beter door het raam kan kijken. Wie weet is er iets te zien. Ondanks de kou heb ik het ondertussen een beetje warm gekregen. Ik rijd stapvoets. Op de televisie zie ik vaag twee mensen in bed liggen, de deken kuis over zich heen. Wat niet is, kan nog komen. Toch?
Ik draai om en fiets een stukje terug tot de hoek van de straat. Dan keer ik weer om en rijd naar het huis met de gordijnen open. Als ik naar binnen kijk, liggen de mensen in bed er nog net zo bij. Niets geen vrouwelijke billen en borsten, schaamhaar en een grote stijve mannenpiemel.

WHAAAMMMMM!!!! Plotseling lig ik op de achterklep van een geparkeerde auto. Alles doet pijn. Bliksemsnel ga ik weer staan en graai ik mijn fiets overeind. Mijn knieën knikken. Ik moet hier weg en snel. Ik ren. Op de hoek van de straat durf ik weer te fietsen. Het stuur staat helemaal scheef en een trapper is verbogen. Het licht doet het niet meer. Ik heb pijn aan mijn been en volgens mij heb ik een dikke bult op mijn kop. Mijn hart bonkt in mijn keel en ik kom adem tekort. Steken in mijn zij.

Als ik thuiskom, pel ik mijn vette kleren van mijn lijf en ga ik snel nog even douchen. Meestal luister ik nog een elpee. Van Emerson Lake & Palmer. Maar nu niet. Rozig en met natte haartjes lig ik in bed. Ik ben nog altijd geschrokken. Trillend blijf ik wakker liggen. Vannacht even niet verlangen naar lieve meisjes uit de klas en niet even ‘een handje helpen’.
Porno? Levensgevaarlijk!


Apeldoorn, december 2008

• • •
 

11-12-2008

Carlo Piemol en de automutilatie

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 22:36

Neef Noga komt uithuilen bij Carlo Piemol.
Neef Noga is depressief.
“Alles is kut.”
Neef Noga snijdt zichzelf.

Een leerzaam verhaal over automutilatie.

 

Buiten is het donker.
Het zijn de dagen voor Kerstmis.
Carlo Piemol zit in de woonkamer.
Lekker knus bij de tv.
Een biertje voor Carlo Piemol.
Met een kerstkransje.
Er brandt een kaars.
En de lampjes in de kerstboom zijn aan.

“Wat is dat?” zegt Carlo Piemol.
“Wie belt er aan mijn deur?”
Carlo Piemol doet open.
Op de stoep staat Neef Noga.
Hij heeft roodomrande ogen.
Carlo Piemol zucht.
“Het is die halfzachte Neef Noga weer,” denkt hij.
Maar hij zegt het niet.
“Kom binnen, Neef Noga.
Hier binnen is het warm en gezellig.”

Neef Noga gaat zitten.
“Pak een kerstkransje,” zegt Carlo Piemol.
Neef Noga doet het.
Carlo Piemol kijkt naar de arm van Neef Noga.
Wat is dat nou?
Carlo Piemol ziet krassen op de polsen van Neef Noga.

“Zeg, Neef Noga,” vraagt Carlo Piemol,
“wat is er met jou?
Je kijkt of je het niet meer ziet zitten.
En wat doen die krassen op je polsen?”
Neef Noga moet huilen.
“Vertel op, Neef Noga,” zegt Carlo Piemol,
“maak van je hart geen moordkuil.
Vooruit met de geit!”

Neef Noga vertelt snikkend:
“Ik zie het niet meer zitten.
School is kut.
Het leven is kut.
Alles is kut.
Ik ben alleen.
Niemand wil mij.
Geen enkel meisje wil iets met mij doen
in ruil voor een breezer.
Breezers zijn ook zo duur!
Ik wil er een eind aan maken.
Vandaar dat ik met een mes oefen.
Op mijn polsen.
En ik doe ook aan brandwonden.
Met de soldeerbout van Opa Poepchinees.
Maar dan niet op mijn polsen.”
“Waar dan wel?”
“Op mijn billen.”
Neef Noga gaat nu heel hard huilen.

“Hou op, Neef Noga!” troost Carlo Piemol.
“Je hebt toch nog zoveel moois?
Het hele leven ligt nog voor je.
Je hebt fijne ouders en een leuke oom.
Het is donker, maar het wordt ook wel weer licht.
En wat een mooie piercing heb je toch!”
Neef Noga stopt met snikken.
“Meent u dat, oom Carlo Piemol?”
“Tuurlijk, mijn jongen.
Ik vind het moedig van je dat je erover praat.”
Zowaar, Neef Noga glimlacht even.

“Heb je al hulp gezocht?” vraagt Carlo Piemol.
“Niemand kan mij helpen,” zegt Neef Noga.
“Alles is kut.”
“Dat weet ik nou wel,” denkt Carlo Piemol.
Maar dat zegt hij niet. Hij zegt:
“Er zijn instanties die jou kunnen helpen.
Het Riagg of hoe heet dat tegenwoordig?”
“Ik weet niet of ik dat wil,” zegt Neef Noga.
“Naar een psychiater of zo.
Ik schaam me.”

“Joh, dat hoeft niet,” zegt Carlo Piemol.
“Tegenwoordig zit iedereen in therapie!
Ken jij één iemand
die niet bij een psych in behandeling is?”
“U ook, dan?” vraagt Neef Noga.
“Nee, ik niet,” zegt Carlo Piemol.
“Maar ik ben dan ook Carlo Piemol!”
“Weet u zeker dat het kan helpen?” vraagt Neef Noga.
“Tuurlijk,” weet Carlo Piemol zeker.

Neef Noga is gerustgesteld.
“Ik ga morgen naar het Riagg,” zegt hij.
Of hoe heet dat tegenwoordig?”
“Neem nog een kerstkransje,” zegt Carlo Piemol.
“Wil je ook een biertje?”
“Nou graag, oom Carlo Piemol.”
Neef Noga glimlacht alweer.

“Zie je wel dat het meevalt?” zegt Carlo Piemol.
Hij heeft een flesje bier voor Neef Noga.
“Dat het leven best leuk is?”
Neef Noga knikt.
“Hier, we doen nog een kaarsje aan.
Gezellig, niet?”
Neef Noga steekt zijn arm in de vlam.
Oeps. Macht der gewoonte.
Dag Neef Noga! Dag Carlo Piemol!
En alvast een fijn kerstfeest!

 

Apeldoorn, december 2008

Dit is deeltje 8 uit de Carlo Piemol-serie. Meerdere deeltjes zijn in voorbereiding.

• • •
 

09-12-2008

Sinterklaasje, kom maar binnen! – Sint Nicolaas ontkleed (deel 2)

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 21:59

Wat is het guur buiten! Er staat een ijzige wind en er valt sneeuw. Dat is een mooi gezicht als je binnen zit. Ik zit binnen, maar zie er geen klap van. De gordijnen zijn dicht. Buiten is het dan ook stikkedonker. Dus hoe mooi het er ook uitziet, ’s avonds heb je er niets aan.
Ik vind sneeuw wel leuk. Behalve dat het er mooi uitziet overdag, is het een fijn avontuur om erdoorheen te banjeren. Niet al te lang, hoor, want dan krijg ik koude voeten. Ik houd niet zo van koude. Ik ben meer een mens voor de warmte. Het voorjaar en de zomer, dát zijn de jaargetijden dat ik geniet, dat ik rondloop in t-shirtjes en op mijn blote voeten in sandalen.

Gelukkig is het nu wél warm in huis. Ik heb de centrale verwarming op eenentwintig graden gezet.
Uit de stereo klinkt stemmige muziek. Een vrouwenstem zingt in een Scandinavische taal. De begeleiding is sober; je hoort alleen gitaar of een piano. Ik vind het een mooie plaat en de cd-speler staat op de repeat. Het is al de tweede keer dat ik hem hoor.
Het is vijf december. De heerlijke avond is gekomen. Nou, dit jaar niet. Ik ben alleen en vind het niet eens erg. Geen cadeaus, geen gedichten en geen pepernoten voor mij dit jaar. Ik heb er geen zin in.

Eigenlijk ben ik gewoon bang dat ik te stout ben geweest. Áls er al een Sint binnenkomt, weet ik zeker dat ik in de zak zal belanden. Want wat ben ik dit jaar vaak de fout in gegaan!
Ik heb een hoop meisjes en vrouwen begeerd die ik beter níét zou begeren. De meesten waren veruit te jong voor mij. Ik ben een ouwe viezerik. Mijn vlees is zwak. Ik heb het niet in de hand. Als zo’n prachtig breekbaarheidje in mijn omgeving is, moet ik er wel naar kijken. Voor ik het weet, verlang ik ernaar om die zachte rondinkjes te strelen. Gelukkig ben ik ook weer niet zó’n viespeuk dat ik dat verlangen omzet in daadwerkelijke handelingen. Ik ben meer een stille genieter. Mijn hoofd zit voortdurend vol met gedachten aan bekoorlijke glimlachjes, schitterende ogen, blozende wangetjes, prille tietjes en zachte billen.
Met dat ik dit zit te overwegen, betrap ik me erop dat het me opwindt. Ik schrik ervan en wil mijn aandacht afleiden. Zuchtend sta ik op en loop ik naar het grote raam.

Ik schuif het gordijn een klein stukje opzij en werp een blik op straat. Veel kan ik niet zien. Het sneeuwt gigantisch. Overal is alles wit. Iets verderop is een lantaarnpaal. Daaronder is goed te zien hoeveel vlokken er naar beneden dwarrelen.
Hee, er is beweging! Er loopt iemand. Wie gaat er nu met dit weer over straat? Als ik goed kijk, begrijp ik wie het is. Een lange gestalte, gehuld in een witte jurk, die een rode mantel om zich heen heeft geslagen. Op het hoofd zie ik een soort rode puntmuts. Of nee, het is geen puntmuts. Het is een mijter. Ik had het kunnen weten. Het is de Sint.
Met één hand probeert de goedheiligman de mijter op het hoofd te houden; met de andere zet hij de staf diep in de sneeuw. Voetje voor voetje schuifelt hij vooruit.
“Hij is alleen,” stel ik vast. “Vreemd. Waar zijn de pieten gebleven? Ik zie ook geen zak.”

Even lach ik om mijn eigen flauwe grapje. “De enige zak in de buurt, dat ben ik zelf.”
De Sint is bijna onder de straatlantaarn vandaan. Plotseling zie ik hem wankelen. Zijn voet glijdt weg en hij valt achterover. Boem, met zijn hoofd op de besneeuwde stoeptegels. Dat zal zeer doen.
Ik denk niet meer na, maar ren naar de voordeur en gooi die open. Op het tuinpad is het glad, maar ik spoed mij verder. De goedheiligman ligt nog altijd op de grond. Ik krijg sneeuwvlokken in mijn ogen, maar ik glibber snel verder.
“Sint!” roep ik, als ik bijna bij hem ben aangekomen. Ik kniel neer. De oude man ligt met gesloten ogen op de witte bodem. Er dwarrelen vlokjes op zijn gezicht. “Sint! Heeft u zich pijn gedaan?” Ik schud aan zijn schouders.

Langzaam openen de ogen. Ze zijn felblauw en kijken verrassend helder.
“Gaat het, Sint?” vraag ik.
De ogen zeggen niets. Ze gaan even langzaam dicht en dan weer open. Alsof ze willen vertellen dat het goed is.
“Kom, ik help u overeind.” Ik neem de Sint bij de arm. Traag komt hij omhoog. Hij kijkt wat verward.
“Eh … waar ben ik?” zegt hij met opvallend lichte stem.
“Kom, ga met mij mee naar binnen,” zeg ik. “Dan kunt u wat opwarmen en even op adem komen.” Ik hoop maar dat de Sint zich even niets herinnert van al mijn onbetamelijke verlangens.

Voorzichtig schuifel ik met de oude man aan mijn arm in de richting van mijn voordeur, die nog altijd op een kier staat. Bij de stoeprand wankelt de heilige weer. Bliksemsnel grijp ik hem bij zijn middel. Gelukkig gaat het goed en valt hij niet. Maar allemensen, wat heeft de Sint een slanke taille!
“Kijkt u wel uit?” zeg ik. “Op uw leeftijd heeft u zó een gebroken heup te pakken.”
De oude man heft zijn hoofd naar mij op en kijkt me flauwtjes aan. Plots valt het me op hoe klein hij eigenlijk is. Vroeger was Sint Nicolaas een rijzige figuur die angst, ontzag en bewondering inboezemde.
Op de deurmat klop ik de meeste sneeuw van de tabberd af.
“Gaat u maar snel de woonkamer in,” zeg ik. “Daar is het lekker warm. Ik zal gauw een flinke kop koffie voor u maken.” Ik spoed mij de keuken in.

Als ik terugkom met een grote mok senseobocht, merk ik dat de Sint zich totaal niet verroerd heeft. Daar staat hij, doorweekt, druipend en bibberend van de kou.
“Wacht, ik help u met wat warmer worden. U bent drijfnat. Het lijkt me het beste dat u die natte boel uittrekt.”
De tabberd is loodzwaar; die heeft nogal wat water geabsorbeerd. Geen wonder dat de oude man zo wankelde.
“Gaat u zitten, dan doe ik uw schoenen uit.” Ook de sokken zijn nat, dus die trek ik ook uit. Wat een kleine, sierlijke voetjes heeft de Sint!
“Die witte jurk is ook doorweekt. Er zit niets anders op, uwe heiligheid. U zult ook die uit moeten trekken. Ik haal een deken.”

De Sint staat nog steeds in mijn woonkamer. Ik heb de deken op de bank gelegd.
“Sint Nicolaas? Wat zei ik nu? U moet de jurk uitdoen. Straks wordt u nog ziek! U hoeft zich niet te schamen, hoor. We zijn kerels onder elkaar. Wacht, ik help u dat ding over uw hoofd te trekken.”
Voorzichtig pak ik de mijter van het hoofd van de Sint en zet ik hem op tafel. Ik buk, pak de jurk van onderen beet en trek hem naar boven. De halsopening is bijna te klein voor het hoofd van de oude man. Ik trek langzaam, maar toch stevig.
Oei, wat gebeurt er nu? De goedheiligman verliest zijn baard en pruik!

Ik schrik. Voor mij staat een prachtige jonge vrouw. Ze heeft alleen ondergoed aan. Lichtblauwe kanten lingerie. Haar lange blonde haren hangen slordig en in natte strengen over haar schouders. Verlegen heeft ze haar ogen neergeslagen. Aan haar wenkbrauwen hangen nog twee plukken witte watten.
Even ben ik stomverbaasd. Dan zie ik hoe koud ze het heeft en sla ik de deken om haar heen. Zachtjes duw ik haar naar de bank. Ze gaat zitten. Ik geef haar de mok koffie. Ze pakt hem aan.
“Mag ik?” vraag ik, en ik trek voorzichtig de twee plukken watten van haar voorhoofd.
“Dank je,” zegt ze zachtjes.
“Iemand moet het toch doen,” zeg ik. Ik weet niet waarom ik het zeg.
Gedurende een minuut of langer is het stil. Op de klanken uit de stereo na, dan. “Mooie muziek,” zegt ze, terwijl ze me aankijkt. Wat een prachtige ogen. Ik knik.
“Wie mag ik bedanken?” vraagt ze.
Ik pak de mok koffie weer van haar aan en zet die op tafel. Ik neem haar hand in de mijne en noem mijn naam. “En hoe heet jij?”
“Sofia.” Met een klemtoon op de tweede lettergreep. Ik weet dat het de schitterendste naam ter wereld is. Sofia kruipt zachtjes tegen mij aan.
“Weet je,” zeg ik, “jij bent het mooiste sinterklaascadeau dat ik nooit heb durven vragen.”

Apeldoorn, december 2008
• • •
 

De hamam en de radar

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 21:57

Ik heb een tijd geleden al eens geschreven over mijn bezoeken aan de sauna, of ‘thermen’ zoals het tegenwoordig in wellnessbewoordingen heet. Heet? Wat een raar woord in dit verband! Toen ging het over een mooie zomerdag waarop het heerlijk naakt toeven was in het complex en de omliggende tuinen. Nu is het guur. Het vriest en bij vlagen sneeuwt het.
“Zou je je slippers niet aandoen?” vraagt vrouwlief, als we buiten naar een saunahut lopen. Ik heb alleen mijn handdoek bij me, losjes over mijn schouder geslagen.
Ik ben een bikkel, zou je zeggen. Het ligt enigszins anders. Eigenlijk zou ik met mijn blote behaarde billen in de sneeuw moeten gaan liggen raggen. Eerlijk gezegd is verkoeling hard nodig. Het uitzicht hier is namelijk weer eens overweldigend en dan heb ik het niet over de omgeving, het gebouw of de weersomstandigheden. Jaja, nee: de radar staat weer eens aan.

De radar staat altijd aan. Laat ik daar heel eerlijk over zijn. Overal en altijd zijn mijn voelhorens op zoek naar mooie meiden en fijne vrouwen. Niet dat ik thuis te klagen heb, hoor. Integendeel. Maar het is sterker dan ikzelf. En in zo’n sauna is het aantrekkelijke aanbod best groot.
Gelijk de eerste cabine waarin we zitten, is het al raak. Een jonge vrouw gaat naast mij op de bank liggen, op haar rug met haar benen naar mij toe. Ze kronkelt wat om een behaaglijke houding te vinden. Even kijk ik naar haar. Ze ligt er prettig bij met ietwat gespreide benen en biedt mij zodoende ruimschoots uitzicht op haar haarloze externe vrouwelijke geslachtskenmerk. Snel wend ik mijn hoofd af.

Zo gaat dat altijd, het eerste uurtje in de sauna. De reden van onze aanwezigheid is ontspanning, maar in het begin gieren de zenuwen door mijn lijf. Waar laat ik mijn ogen? Kan ik gewoon kijken naar al die blote mensen of vinden ze me dan een viespeuk? En omgekeerd: al die blote mensen die naar mij kijken, wat vinden die van mij? Hoe zit het met het formaat van mijn orgaan? Lachen ze me nu toe of uit?
Na een uurtje ben ik wel wat rustiger. Ik ben mij weer bewust dat iedereen op zijn of haar eigen manier een mooi mens is. Of je nu een smal kontje hebt of een dikke reet, of je gezegend bent met peertjes of meloenen, en of je een augurkje of een komkommer met je mee moet zeulen. Het maakt niet uit; ik loop voluit met mijn piemel te paraderen. En ik kijk gewoon in het voorbijgaan onopvallend naar alle vrouwelijke gezichten, borsten, billen en andere interessante onderdelen.

Dit keer heeft vrouwlief iets extra ontspannends geregeld: een behandeling in de hamam!
Op de afgesproken tijd melden we ons in badjassen bij de balie. Een volledig geklede dame brengt ons naar een uithoek van het beautygedeelte van het gebouw. Daar wacht een grote Turksuitziende man ons op. Hij heeft een roodgeruite doek om zijn middel geslagen en draagt zwarte cloggs. We moeten de badjas aan een haakje hangen en plaats nemen in een kleine stoomcabine.

Tegenover ons zitten twee jonge meisjes van een jaar of twintig. De een is rondig en blondig; een frisse Hollandse kaasdeerne met bleke huid, rode wangetjes en haar haren in een paardenstaart. Ze heeft een slanke taille, waardoor haar volle billen en borsten opvallen. Het andere meisje is een klein Zuidoost-Aziatisch mensje. Ze heeft een platgeslagen spleetogenkop om op te spugen, maar wel vriendelijke oogjes en de rest van haar lijfje is ronduit goddelijk. Zo mooi glad en lichtbruin met fijne rondinkjes. Snel kijk ik maar weer naar mijn vrouwlief.
Dan komt de grote kale Turkse meneer. Hij neemt ons mee naar de hamamruimte. Er zijn vier open kamertjes waar het ritueel gaat plaatsvinden.

In de vier halletjes staan vier mensen klaar. Drie mannen en een vrouw. We zijn met drie vrouwen en een man, dus ik ga ervan uit dat de vrouwen een man krijgen en ik de vrouw. Lijkt me voor alle partijen wel zo prettig, nietwaar? Het wordt allemaal anders dan ik verwacht.
Ik krijg de grote brede kale Turk. “Liggen,” gebaart hij.

“Eerste keer hamam?” vraagt hij. Ik knik.
Ik lig op mijn rug op een zwarte stenen werkbank en krijg een roodgeruite doek over mijn lendenen heen gedrapeerd. Verderop hoor ik een boel gespetter en geklots. Dan voel ik warm water over mij heen uitgegoten worden. Ik sluit mijn ogen en wacht wat er verder gaat gebeuren.
Grote handen wassen mijn benen en armen met een zachte doek. Ik wil ontspannen, maar merk dat ik dat best moeilijk vind. De handen glijden over mijn bovenbenen in de richting van mijn kruis en over mijn borst. Hij zal er toch niet aan gaan zitten, hè? Daar kan ik niet zo goed tegen. Onwillekeurig span ik mijn spieren. En dan is er weer veel warm water over mijn lijf.
“Omdraaien asjeblieft.” Deze is de inburgeringscursus maar nét doorgekomen.
Ik krijg een doek waar ik mijn hoofd op kan leggen, en hij legt doekjes onder mijn knieën en voeten. Dit ligt wel prettig, behalve dat mijn lul geplet wordt op het hardzwarte graniet. De lendelap krijg ik als een prop van onder tussen mijn benen gedrukt. Ik leg mijn handen onder mijn hoofd.

Als ik voor mij kijk, zie ik vrouwlief in de ruimte naast mij ook op haar buik liggen. Zij heeft een knappe jonge knul die haar behandelt. De jongeman zwaait iets met een soort luchtige handdoek en knijpt er dan een heleboel olie en zeep uit over de rug van mijn vrouw. Daar wrijft hij haar hele rug, armen en benen mee in.
Hetzelfde gebeurt bij mij. De zeepmassage wordt afgewisseld met warm water om mee af te spoelen.
Wéér de stevige handen op mijn lijf. Zelfs mijn billen slaat hij niet over. Hij kan het wel, deze vent. Krachtig gaat hij tekeer op mijn benen. Dan pakt hij mijn voet beet. O, als hij maar niet … hij doet het wel! Hij strijkt over mijn voetzool! Dat moet je niet doen! Er schiet een scheut naar mijn kruis. Ik wil hem van me af trappen, maar hij is me voor. Hij geeft een klap op mijn zool en legt mijn voet weer terug op zijn plek. Dan is mijn andere been aan de beurt. Mijn spieren staan stijf van de spanning. Het is toch geen homo, hè? Dat zul je altijd zien; dat heb ik weer! Ik kijk nog maar eens naar mijn vrouw die iets verderop ligt te genieten. Wéér het warme water over mij heen.

Mijn armen en handen krijgen eenzelfde zeepmassage. Eerst de rechterkant. Van boven naar beneden. Hij neemt de tijd. Zelfs vinger voor vinger wordt gesopt en gemasseerd. Dan kneedt hij mijn linkerarm. Aan mijn linkerhand zitten twee ringen. Een grote aan mijn duim en mijn trouwring aan mijn pink. Aan mijn pink? Ja, die moest verhuizen omdat mijn ringvinger te dik werd.
Waar ik bang voor ben gebeurt: als hij mijn pink bewerkt, glijdt mijn ring af.
“Sorry,” zegt hij en voorzichtig schuift hij hem terug op mijn vinger.
Nóg meer warm water over mijn lijf. En dan is het afgelopen.

“Zitten asjeblieft. Handdoek?” Ik begrijp dat ik hem had moeten meenemen. Dat heb ik niet.
“Ik heb alleen mijn badjas,” zeg ik terwijl ik rechtop ga zitten.
De brede kale man pakt mijn badjas en houdt die voor mij open. Ik sta op en draai me erin. Dan wijst hij mij naar een ontspanningsruimte; ik mag plaatsnemen op een bank met grote ronde kussens. Vrouwlief zit er al. We krijgen een glaasje thee. “Caj,” weet ik nog van mijn bezoek aan Istanbul anderhalf jaar geleden. De brede kale Turk reageert niet eens op mijn uitgebreide kennis van zijn taal.
De twee meisjes komen naast ons zitten. Ik voel me ontspannen, rozig en opgewonden. Vrouwlief merkt het.
“Laten we maar weer in onze blote reet de sneeuw ingaan,” zegt ze. Even later hebben we de thee opgeslurpt en de daad bij het woord gevoegd.
“Volgens mij heb jij hier een hoop te kijken,” zegt vrouwlief. Ze kent me.
“Nee hoor,” probeer ik diplomatiek te doen, “ik heb jou toch?”
Vrouwlief kijkt naar mijn kruis. “Slap gelul.”


Apeldoorn, december 2008

• • •
 

28-11-2008

Ik kok als ik wok

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 22:59

Iemand in mijn omgeving ging zijn verjaardag vieren en wilde het nogal groots aanpakken.
“Ik houd mijn hart vast,” zei ik tegen vrouwlief toen het bericht ons bereikte.
“Hoezo?” vroeg ze.
“Dat wordt weer een avondje Aldichips, exportbier, derderangscola, genetisch gemanipuleerde eiersalade en weke toastjes van vorig jaar, ben ik bang.”
Niets bleek echter minder waar.
Een paar dagen later bracht de post een mooie uitnodiging. “Omdat ik een bijzondere leeftijd heb bereikt, wil ik het graag wat uitgebreider vieren,” vertelde de tekst. “Zondagmiddag dan en dan zijn jullie vanaf 17.00 uur van harte welkom in wokrestaurant ‘Foei Bah’.”
“Dat scheelt weer koken,” verheugde ik me.

Als we binnenkomen, zit de hele zaal vol. “Allemensen, wat een mensen,” zeg ik. “Waar zit de jarige?”
Het is nog een hele zoektocht. Na een kwartier vinden we hem.
“Nou, gefeliciteerd en hier is een enveloppe en doe ermee wat je leuk vindt en je vriendin ook proficiat en wat een leuke kinderen heeft ze en wat is het hier gezellig druk en wie hoort nou bij wie en wie is nou wat van wie en zijn daar nog plekken vrij en doe mij maar een biertje.”
“Tast flink toe,” zegt de jarige. “Hou je niet in.”
Ik begrijp dat het een eenheidsprijs is voor een hele avond schransen.

“Het bier is in ieder geval goed,” zeg ik.
Vrouwlief is inmiddels weer terug. Ze zet een flink bord met een kop erop op tafel. Ik kijk eens rond.
Aan een zijkant van de zaal staat een grote groep mensen in de rij. Ze hebben allemaal een bord in hun hand met daarop allerlei rauwe etenswaren. Als ik goed kijk, zie ik dat ze staan te wachten op een kok die het klaarmaakt.
“Ga jij niets halen?” vraagt vrouwlief. Ze zorgt zo goed voor mij. Ze weet ook hoe erg ik dit soort buffet-achtige eetgelegenheden verafschuw.

Een avondje uit eten heeft voor mij alles te maken met sfeer, met ontspannen, met gezelligheid. Daar hoort voor mij bij dat ik bediend word; het liefst door een leuke serveerster. Ik wil ook één vaste ober of serveerster aan mijn tafel, zodat ik als het ware een band kan opbouwen met de bediening. Zo ontstaat een atmosfeer waarin ik mijn wensen kan duidelijk maken en waarin ik mij op mijn gemak voel. Ik wil rustig kunnen blijven zitten, zodat ik volop van het eten kan genieten. Op die manier kan het een gezellige avond worden met goede gesprekken en dan mag de maaltijd van mij gerust een hele avond duren. Ik heb geen haast; de wekker gaat morgen pas om half zeven.

Hier is dat allemaal anders. Iedereen eet zo snel mogelijk zijn bord leeg om daarna nóg een bord vol te halen. En daarna nóg een en nóg een. Het is een drukte van belang bij de bakken met voer. Overal lopen mensen heen en weer met lege en volle borden. Als een bord leeggegeten is, schuift men het van zich af. Op de tafels ontstaan torenhoge stapels vieze borden. De obers rennen af en aan met volle en lege glazen. De ene keer krijg ik mijn biertje van een vrolijke dikzakspleetoog, dan weer van een blond onnozelheidje en vervolgens van een sportschoolchinees. Ze hebben nogal wat mensen in dienst.

“Het lijkt erop dat er nu wat minder mensen in de rij staan,” zeg ik. “Ik ga het erop wagen.”
Ik sta op, loop naar een stapel schone borden en pak er eentje. Uit een bak pak ik met een tangetje wat garnalen en leg die op een bord. Ook zie ik kleine lapjes rundvlees. Daar leg ik er ook een paar van op mijn bord. En dan volgen bamboescheuten, peultjes, wortelreepjes, Chinese paddenstoelen en stukjes paprika.
“Zo moet het wel lukken,” denk ik. “Maar nu?”
Ik kijk rond en zucht. Er zit niets anders op. Ik moet in de rij gaan staan.

Er staan nog zo’n tien mensen voor mij. Ze hebben allemaal een berg rauw eten op hun bord. Daarbij vergeleken heb ik maar een muizenhapje.
Ik kijk iets verderop. Daar staat een jongeman bij een grillplaat. Hee, dat is ook interessant. Je kunt er  kiezen uit een biefstukje, een varkenshaasje, gamba’s, lamskotelet, zalm en makreel. Maar wat doet die jongeman? Hij pakt alle lapjes met dezelfde tang uit verschillende bakken?
“Hoe zit het hier met de hygiëne?” begin ik mij af te vragen.

“Kompumaa,” zegt iemand tegen mij. Het is één van de koks achter het fornuis. Hij houdt zijn hand op. Ik moet mijn bord aan hem geven. Hij pakt het ruw van mij aan en smijt de inhoud in een zeef die in een pan met kokend water hangt.
“Saus?” vragen de spleetogen.
“O, eh, weet ik veel?” zeg ik.
De kok wijst op een schoolbord achter hem. Ik kan kiezen uit negen sauzen.
“Doe maar gan boa,” gok ik in het wilde weg. Op het schoolbord zie ik achter mijn saus twee pepers getekend. Dat belooft wat.
Dan pakt de kok de zeef met mijn eten erin uit de pan en houdt hem op de kop boven een wokpan. De vlam slaat erin, maar de kok lijkt niet onder de indruk. Wild zwaait hij met de pan en een roerlepel heen en weer. Dan draait hij zich om en haalt uit een bak een soeplepel die hij boven de wokpan leeggooit. De brand is geblust. Vervolgens pakt hij een schoon bord en kiepert daar de inhoud van de pan op. Met zijn andere hand pakt hij het bord beet en houdt hij het ongeduldig voor mijn neus. Of ik even wil aanpakken.

“Dat ziet er lekker uit,” zegt de mevrouw die naast ons zit. Ik houd niet zo van Aziatisch eten.
“Eet ze,” wenst vrouwlief mij toe.
Met een vork prik ik een garnaal, een stukje vlees, een peul en een reepje wortel op. Voorzichtig steek ik het in mijn mond. Het is niet pittig, maar wrangig zoet. De garnaal is taai, het rundvlees is zacht, de peul knispert tussen mijn tanden en op het stukje wortel breek ik bijna een voortand.
“Dit is niet gewokt,” stel ik vast. “Het is alleen maar een heel klein beetje gekookt.”

“Dit is echt een top-wokrestaurant!” roept de vrouw die naast ons zit. “Ik heb al drie borden op en ik ga straks nóg een keer halen, hoor! Goede kwaliteit! Vind je ook niet?”
“Ja. Dat vind ik ook niet,” antwoord ik. Ondertussen ben ik tamelijk misselijk. “Ik kok als ik wok.”
Over smaak valt wel degelijk te twisten. En veel ook.


Apeldoorn, november 2008

• • •
 

21-11-2008

England sucks!

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 23:07

“Lord, have mercy on the people in England
for the terrible food these people must eat”

– Frank Zappa, 1970

Voor iedereen die dit stuk gaat lezen, heb ik een mededeling. Ik ga geen flauwe grappen maken over het feit dat ze in Groot-Brittannië aan de verkeerde kant van de weg rijden. Die kennen we nou wel, zeg.
De meeste wegen in Engeland zijn trouwens wél een verschrikking. Hier in Nederland hebben we bij wijze van spreken tussen Hoog en Laag Soeren een snelweg lopen; daar kennen ze voornamelijk provinciale wegen en die zijn berekend op de breedte van één auto. Niks geen berm; nee, gelijk een muur of een hoge heg. Tsja, dus als er dan een tegenligger aankomt, dan heb je een probleem.

Het land ziet eruit alsof het al eeuwen in een staat van verloedering verkeert. Wat een zootje. Huizen zijn vervallen en eromheen ligt een enorme portie troep.
Even voor de duidelijkheid: vrouwlief en ik bevinden zich in de provincie Wessex. Ons vliegtuig landde op Bristol Airport en een taxi bracht ons naar Bradford-on-Avon, een stadje in de buurt van Bath.
Op zich ziet de streek er wel mooi uit met die heuvels en de rivier Avon die zich door het dal heen meandert. We brengen een bezoek aan het historische dorp Lacock, dat helemaal door The National Trust beschermd wordt. In het verleden zijn er veel filmopnames voor Harry Potter en voor andere historische rolprenten gemaakt. Het is dan ook best wel een schilderachtige plaats, ware het niet dat iedere vrije vierkante meter langs de straat is ingenomen door een geparkeerde auto. Weg is de rustieke aanblik.
In het gehele land ziet alles er grauw en grijs uit. Je wordt er somber van. Alsof ze geen schoonmaakmiddelen hebben. Bristol is het toppunt: een afgrijselijke, dieptrieste, gore havenstad.
Dat grijze en grauwe heeft natuurlijk ook alles te maken met het klimaat. Godskolere, het is er koud en het regent 99% van de tijd. Daar word je ook niet vrolijk van.

Ondanks het slechte weer lopen de meeste Britten er trouwens bij alsof het hoogzomer is. Midden november is het, en we zien jongelui in t-shirtjes op straat, met een bermudabroek aan en zelfs op teenslippertjes. Als het dan om meisjes gaat, heb ik daar normaal gesproken eigenlijk niet zoveel bezwaar tegen, maar allemensen, wat zijn de Britse meisjes lelijk in die strakke broekjes en truitjes met die blubberbuiken ertussen. Het enige meisje dat ik tegenkwam in het Verenigd Koninkrijk dat wél begeerlijk was, was de assistente van het echtpaar dat de Bed & Breakfast runde. Toen ik met haar in gesprek raakte, bleek ze uit Zuid-Afrika te komen. Britse meisjes zijn dik, dom en lelijk.
Mannen zien er ook niet uit. Laten we ons daar geen illusie over maken. De meesten zijn kalend en staan kort op de kromme poten. Alsof ze allemaal polio hebben. Ze noemen het niet voor niets de Engelse ziekte. Of ze hebben die kromme benen doordat hun pens zo dik is.

Die bolle buiken komen natuurlijk van het eten. De Britse kookkunst is berucht. Het ontbijt glibbert je keel in, alleen al van het vet. ‘Full English breakfast’, noemen ze een bord vol vette viezigheid dat je de rest van de dag aan de diarree helpt. In het dorp zijn tussen de middag alle eetgelegenheden dicht en áls je al eens een vreetschuur geopend aantreft, bestaat het menu uit ongekruid halfgekookt vlees, sufgekookte groente of ranzige scones met cottage cream en die eeuwige marmelade erop! Culinair gezien is Engeland één doffe ellende.

Een andere oorzaak van Britten die er niet uitzien, is natuurlijk dat ze de hele dag bezig zijn met het zuipen van dat vieze bier. Drinken doe je er in de pub. Het enige leuke van de pub is dat kinderen er niet mogen komen, dus word je er niet geconfronteerd met die malle apenpakjes die het schoolgaande grut in het land moet dragen. Maar daar is alles mee gezegd. Want laten we het even over het bier hebben. Of wat er voor moet doorgaan.

Brits bier is ronduit afschuwelijk. Tappen kunnen ze niet, dus heb je geen schuimkraag. Het gore bocht zit dus tot de rand. En ze hebben alleen maar pints. Dit zijn héél grote glazen. En er zit niet eens lekker veel alcohol in de lager, stout of ale, dus je moet belachelijk veel ervan drinken vóór je geen last meer hebt van de verschrikkelijke smaak.
Dat platte bier moet je uit alle macht uit een vat pompen. Vandaar dat Britse bardiensters van die potige wijven zijn. Tussendoor zuipen ze zichzelf ook vol en vreten ze zich klem aan de overgebleven full English breakfast. Maar over dikke trollen heb ik het al gehad.

En wat is het er dúúr! Een ale voor bijna drie pond! Dat is potdorie bijna drie euro en zestig cent! Sowieso vliegen de ponden in Engeland je portemonnee uit. Ook stom dat de munt een pond heet en niet eens zoveel weegt. Het ziet er niet uit ook, dat Engelse geld. Wat een malle muntjes, vooral die zeskantige 20 en 50 pencestukken. Waarom zijn die Britten niet gewoon meegegaan met de euro? Waarom moesten ze zo nodig eigenwijs zijn en vasthouden aan dat Playmobilgeld? Het land ligt aan de rand van de afgrond, dus die eigenwijzigheid is wel bestraft.

De eigenwijze Brit is ook nog eens onverstaanbaar. Ik heb op school heel wat jaren Engels geleerd en ik kan best een boek of folder in het Engels lezen en dan snap ik het ook nog. Maar raak eens in gesprek met een lokale bewoner: ik versta er geen hol van. Nu weet ik ook wel dat ik zelf waarschijnlijk ook met een accent spreek (gelukkig geen Apeldoorns – mijn familiegeschiedenis begint in Amsterdam) en dat ik een malle stem heb, maar als een Brit eenmaal zijn mond opendoet, ruik je niet alleen een alcoholputlucht, maar word je ook getrakteerd op een portie gebrabbel dat nergens mee te vergelijken is. De charme van het accent, rot toch op.

Transport in Engeland is een regelrechte ramp. Over de wegen heb ik me al boos gemaakt. Nu dan even het openbaar vervoer: public transport. Bij ons kun je overal met de bus of trein komen; in Groot-Brittannië is dat allemaal anders. Bussen rijden eens in de drie dagen en de trein is schreeuwend duur. Een taxi dan maar? Op de momenten dat je er een nodig hebt, zijn ze allemaal druk en is er niet één beschikbaar.
Vliegen is natuurlijk nog veel erger. Niet zozeer het vliegen zelf, maar de security op het vliegveld. Na 11 september zijn de Britten volledig paranoïde geworden.

Gelukkig mag ik na een lang weekend weer naar huis. Ik leg mijn koffertje op de lopende band, zodat die gescand kan worden. Vrouwlief is me vóór en wordt al door zo’n krommepotenagent gefouilleerd. De viezerik.
Ik loop door het poortje. Alles gaat nog goed. Vanuit een ooghoek zie ik mijn koffertje door de scan gaan. En ja hoor, alle zwaailichten en sirenes gaan af. Er zit iets in mijn koffer. Een uniform wenkt me. Ik loop erheen.
Niet zozeer uit zijn woorden, maar uit zijn gebaren begrijp ik dat de koffer open moet. Of ik de koffer onbeheerd heb achtergelaten. Of ik de koffer zelf heb ingepakt. No en yes. Vreemde handen wroeten tussen het vuile wasgoed van de afgelopen dagen. Wat kan het zijn dat de toeters en bellen heeft geactiveerd?
Een potje chutney. Iets meer dan honderd milliliter. Genadeloos verdwijnt hij in de vuilnisbak. Alsof ik er iemand mee zou hebben kunnen vermoorden. Ze zijn hier allemaal totally crazy.

“England sucks,” zeg ik tegen vrouwlief, als we door de douane heen zijn. De deuren naar het vliegveld gaan open. Het regent. Natuurlijk. We moeten een klein stukje lopen naar de verrijdbare trap die ons zal leiden naar de deuren van ons vliegtuig. Heerlijk. Ik mag naar huis!
Al lopende draai ik mijn hoofd naar links om te zien of er toevallig verkeer aankomt. Je weet maar nooit. Op dat moment word ik compleet overhoop gereden door een karretje dat koffers vervoert. Shit, even vergeten dat ze hier aan de verkeerde kant van de weg rijden.

Apeldoorn, november 2008

• • •
 

Mensen met honden – Egbert de Ruijter 3

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 23:06

‘Nou, mijn naam is dus Egbert de Ruijter, bevobbelt. Dat geeft toch niet? Toch wel, want ik kan er niets aan doen dat ik die naam heb gekregen. Maar daar wilde ik het niet over hebben. Waarover dan wel? Welk interessant maatschappelijk probleem zal ik deze keer eens ter sprake brengen? Mensen met honden, bevobbelt!

Van alle schepsels op aarde is de hond wel de stomste. Die heeft zich mooi aan banden laten leggen, zeg. Katten zijn ook gedomesticeerd, en varkens en koeien en paarden, en die moeten zich ook het nodige laten welgevallen, maar geen enkel beest heeft zich zó door de mens laten inpakken als de hond. Katten gaan de hele dag hun eigen gang, varkens liggen lekker in de modder, koeien kauwen en herkauwen maar raak, en paarden laten zich van tijd tot tijd geil berijden. En de hond? De héle dag moet hij luisteren naar wat de baas hem zegt te doen. Het stomme is: hij doet het nog ook! Wat een lapzwans, zeg. Hersenen zijn er categorisch uitgefokt.

Maar de hersencapaciteit van de hond is nog fenomenaal in vergelijking met die van de hondenbezitter. Wat een sneue figuren zijn dat! Ik zie ze wel eens lopen, hoor. ’s Morgens in alle vroegte, als ieder weldenkend mens nog gewoon in zijn bedje ligt. Als je een kind hebt, hoef je alleen maar de beginjaren van zijn leven voor het mormel te zorgen; daarna is hij zelfstandig. Maar een hond? Die moet je zijn hele godverdomde leven verzorgen en uitlaten! En tafelmanieren leert hij ook niet.
Het allerergste van het hebben van een hond lijkt mij dat je op straat moet praten met andere hondenbezitters. Kijk, dat je zelf niet al te snugger bent, dat is oké, daar kun je ook niet zoveel aan doen. Maar dat je vier of vijf keer per dag met andere geestelijk minder bedeelden een conversatie moet hebben, lijkt me een ware marteling. Waar moeten die gesprekken over gaan? Over het weer, over dat Rakker onlangs getrimd is of over dat het eigenlijk niet jouw hond is, maar dat je dit doet voor je zieke buurvrouw. “Ja. Kanker. Erg, hè? En wat doe je eraan? Je staat zo machteloos. Het leven is geven en nemen. Zo is er altijd wat. Je hebt het niet altijd voor het zeggen.” Zelfs middenstanders voeren een intelligenter gesprek.

Hondenbezitters zien er allerdebielst uit op straat. Met dat schepje en zakje in de hand. Ondanks dat het verplicht is om het hondenafval op te ruimen, liggen de wegen, goten en stoepen toch vol met uitwerpselen van huisdieren. Gadverdamme. De berg kak op straat is nauwelijks te overzien.
Dagelijks glibber ik te voet van mijn huis naar de supermarkt en vice versa. Met mooi weer heb ik sandalen aan zonder sokken. Thuis kan ik dan de stront tussen mijn tenen vandaan flossen.

Onlangs gleed ik weer eens de route van het winkelcentrum naar huis. Het was koud buiten. Ondertussen was het al half oktober, en ik had mijn sandalen nog aan. Zonder sokken. Ik had koude tenen. Flink doorstappen, dan merkte ik het niet. In iedere hand hield ik een zware tas vol met boodschappen. Een brood, melk, kaas en leverworst, bevobbelt.
Ik passeerde een tweetal mensen. Een meisje van een jaar of dertien met een knalgele fleece trui  en lang blond haar liep een beetje bangig naast een oudere vrouw. Zou dat haar moeder zijn? Die droeg een strakke spijkerbroek en een veel te kort truitje waar haar blubberbuikje onder vandaan kwam. Ze had twee honden aan de lijn van een onbekend type, merk of soort. Kortharig, vals kijkende ogen en kwijlende bek. De vrouw stond gebogen over de hond en schreeuwde: “Niet dáár lopen! Hier moet je lopen!” Driftig wees ze op het voetpad. De hond stond uitgebreid de goot schoon te likken.

Altijd lachen: mensen die denken dat honden begrijpen wat je zegt. Bevobbelt:
“Wel uitkijken, hoor, Astor!”
“Woef! Natuurlijk. Dat spreekt vanzelf. Maar fijn dat u mij even helpt herinneren.”
“Fifi, niet bij die meneer de tenen likken, hoor!”
“Wraf! Flikker op. Ik sta hier te genieten. Mjam, die meneer heeft écht smakelijke tenen.”
“Foei, Tarzan! Hou op met tegen die dame op te rijen.”
“Zit er niet doorheen, mens. Ik kom bijna!”

“Mevrouw,” wilde ik een gesprekje beginnen, “denkt u nou wérkelijk dat die hond u begrijpt?”
“Waar bemoei jij je mee met je grote bek?” antwoordde ze.
“Heeft u een cursus gedaan met hem?”
“Weet je wat dat kost?”
“Goed zo, mevrouw. Het heeft ook geen enkele zin, zo’n cursus. Ze zijn te stom om te leren.”
“O? Sta jij hier een beetje mijn hond te beledigen?” Ze stond parmantig met haar handen in haar zij. “Wat denk jij wel niet?”
“Ik denk een heleboel,” zei ik. “Dat kunnen we van honden en hun baasjes niet zeggen.”
Flats! De vrouw sloeg. “Pak ze, Rupert!” riep ze.
Ik had me vergist. Deze hond begreep wel degelijk wat de vrouw bedoelde.

“Hou dat kreng bij je!” brulde ik, terwijl ik rondjes over straat rende met de kaken van het beest in mijn billen. De twee tassen met boodschappen had ik al rennende los moeten laten. Mijn aankopen lagen verspreid over het voetpad. Een brood, melk, kaas en leverworst, bevobbelt. Het wijf stond er maar een beetje bij te lachen.
“Rupert, af!” riep het meisje. De hond beet nog eens stevig door. “Rupert!” riep het meisje nog eens. Rupert gromde, maar liet niet los.
Toch wist ik het beest van me af te trappen. Met een zere muil droop de keffer af naar zijn baasje.
“Ik weet wat hem scheelt,” hijgde ik naar de vrouw.
“Heb je nog niet genoeg gehad?” schetterde ze. “Zal ik hem nog eens op je afsturen?”
“Wat dan?” vroeg het meisje zachtjes aan mij.
“Hij is doof.”

Thuis probeerde ik zo goed en zo kwaad als dat ging mijn reet te verbinden. Toen sleepte ik mijzelf terug naar de plek des onheils. Mijn boodschappen lagen nog her en der in het rond op het voetpad en ernaast. Een brood, melk, kaas en leverworst, bevobbelt. Het meeste was besmeurd met hondendrek. Moedeloos slofte ik terug naar mijn woning. Daar bakte ik een diepvriespizza in de oven. Dat ik daarbij mijn jatten verschrikkelijk verbrandde, kon er ook nog wel bij.

Dit was het dan weer. Dank voor de aandacht. Volgende keer beantwoord ik een nieuwe levensvraag. Ik heet Egbert de Ruijter. Onthouden die naam!
Bevobbelt!’

Apeldoorn, november 2008

• • •
 

06-11-2008

Oldtimer – Je wordt ouder, papa!

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 18:39

“Het is druk op straat, vandaag,” zeg ik. “Iedereen wil op koopzondag overal heen.”
“Wij toch ook?” vraagt mijn zoon gevat.
We staan samen bij de bushalte. Het duurt nog even voordat de bus komt. De regen stort met bakken uit de hemel. Lang leve de bus, zeker als je zelf geen auto hebt of er geen kunt rijden.
“Ik zie, ik zie wat jij niet ziet,” zeg ik, “en de kleur is blauw.”
“Hou toch ’s op met die kinderachtige spelletjes,” ergert hij zich. Hij is afgelopen donderdag zestien geworden.
“Heb jij een beter idee?”
“Laten we automerken raden.”

Dit ga ik verliezen, weet ik.
“Een Ford,” zegt hij bij de eerste auto die voorbij komt. Ik geloof hem op zijn woord. “Fiat.”
“Weet je dat zeker?” vraag ik.
“Ja hoor. Je kunt het zien aan het logootje op de voorkant.”
“En het typenummer?”
“Daar doen we niet aan. We zouden merken raden, niet ook nog ’s de typenummers.”
“Vroeger ging dit spelletje heel anders.”
“O shit. Daar gaan we weer,” zegt zoonlief.
“Waar heb je het over, jongen? Wat bedoel je?”
“Dan krijgen we nu zeker een verhaal over vroeger?”
Ik geef hem gelijk.

(Laat ik het dan maar weer eens over vroeger hebben. Misschien moet ik hier op FOK! een rubriek starten onder de titel ‘Bij opa op schoot’. Hoewel ik niet eens grootvader ben, is het wellicht een leuk idee dat ik allerlei vertellingen uit het verleden opdis. Misschien ook niet. Help me onthouden.)

Ik ben een jaar of vier à vijf oud. Ik ben ook een typisch, klein, schuchter en bangig jochie. Onzeker kijk ik met veel te nieuwsgierige blik de grote boze wereld in. Als ik praat, praat ik niet, maar hakkel ik zachtjes wat ik wil zeggen. Met ook nog ’s de verkeerde woorden. Meestal zeg ik helemaal niets en duik ik weg in stille hoekjes, in een boek of op mijn slaapkamertje. Ik heb een schetsboek en speel met de koffergrammofoon en de singeltjes van mijn moeder.

Voor mijn verjaardag heb ik een kwartetspel gekregen. Er staan allemaal auto’s op. Ik speel het spel heel vaak. Met papa en mijn grote broer Maarten. En als opa er is, met opa. Het duurt niet lang of ik ken alle auto’s van het kwartet uit mijn hoofd.
Als ik met papa op straat ben, wijst hij iedere langsrijdende auto aan. Zowaar, de meeste kan ik benoemen.
“Wat is dat?”
“Een Ford Mustang.”
“En die daar?”
“Een Vauxhall Viva coupé.”
“Kijk daar!”
“Dat is een Ford Capri!”

Het is eind jaren zestig. Zóveel automerken zijn er niet, en van ieder merk rijden er één of twee, hooguit drie verschillende types personenauto’s over straat. Vandaar dat ik ook de cijfers en de letters die bij het type auto horen kan benoemen.
Ook minder voor de hand liggende auto’s en vrachtwagens op straat weet ik.
“Kijk pap, een Unimog!” roep ik uit, met mijn vingertje wijzend. “En daar een Hanomag Henschell.”
Het wordt een kunstje waar mijn vader heel trots op is. Als er bekenden of familie in de buurt zijn en we zijn op straat, vraagt hij aan mij welke auto er voorbij komt. Al snel weet iedereen dat ik dat kleine jongetje ben dat alle auto’s kent.

Na een jaar of wat blijkt het autokwartet enigszins gedateerd. Het straatbeeld verandert. Er komen nieuwe types van oude merken en er rijden zelfs nieuwe automerken voorbij. DAF wordt Volvo en Simca wordt Chrysler. Of andersom. Auto’s zijn plotseling lager, zodat ze onder een slagboom door kunnen rijden, of krijgen een ‘druppelvorm’. Weg zijn de koekblikjes op de straat van mijn jeugd.
Papa’s eerste auto was een Ford Taunus, daarna een Austin Glider en vervolgens een Austin Maxi. Er zal wel een nummertje in de naam hebben gezeten, maar ik ken die niet meer. Daarna rijdt hij in een ‘Princess’. Eerst een rode, later een beige. Als vader overschakelt van zijn heilige Britse auto’s naar een Volkswagen Jetta, ben ik allang het huis uit en tevens alle interesse in auto’s volledig kwijtgeraakt. Het verhaal dat ik als klein kind alle automerken ken, blijft hardnekkig in de familie de rondte doen.

“Een Mercedes.” Het merk benoemen lukt mijn zoon prima. Zelfs die malle allernieuwste merken kent hij. Ikzelf ben met de opkomst van de Japanners in het straatbeeld afgehaakt. Snoek, Mini, Kever, Duck; de klassiekers ken ik nog wel. Voor de rest zijn autosoorten en merken me vreemd. Ik neem het mijn zoon dus allerminst kwalijk dat hij het typenummer niet weet.
“Jij bent aan de beurt, pa.”
Er komt een nogal futuristisch vehikel aangereden. Geen idee.
“Een Hyundaihatsuzuki!” gok ik in het wilde weg.
“Fout!”
Wie kent tegenwoordig nog het verschil tussen een Fiat Foetus XP28 en een Ford Fistel K3, of tussen een Volvo Vulva 24SLC en een 4711SM Datsun Dildo?

Apeldoorn, november 2008

Dank voor de titel! – Priscilla
En dank voor de subtitel – Hans

• • •
 

30-10-2008

Mijn zoon

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 14:16

Het is vandaag donderdag 30 oktober 2008. Een bijzondere datum in huize bazbo.
Vandaag precies zestien jaar geleden werd hij geboren. Dat was nog een hele toestand. Hoe vaak heb ik nu al niet geprobeerd een verhaal te maken over zijn geboorte? Honderden keren en altijd werd het helemaal niets. Altijd ging het veel meer over mijn eigen angsten en onzekerheden in plaats van over de bijzonderheden van de geboorte zelf.
Want wat was het een schatje. Vierenveertig centimetertjes lang en vijfentwintighonderd vijfentwintig grammetjes zwaar. Alles perfect in verhouding. Een prachtkereltje. Wat leek hij op mij! Je had nog nooit zo’n trotse vader gezien.
Het was de makkelijkste baby die ik mij maar kon voorstellen. Ook toen hij verder groeide, leverde hij geen enkele zorg op. Ik zei wel eens: “Eigenlijk hebben we géén kind aan hem.” Hij deed het geweldig. Veel slapen, goed eten, lekker lullen, prima poepen en plassen, en vooral veel lachen.

Het lachen verging ons echter toen hij anderhalf à  twee jaar oud was. Plotseling werd ons kindje erg ziek. Wat begon met stuipjes bij koorts, ontwikkelde zich tot een heftige vorm van epilepsie. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. EEG hier, EEG daar. Containers vol medicijnen verdwenen er in het jochie. Van een vrolijk kletsend kind veranderde hij in een vlakke en stille jongen. Het was een tijdje zó erg, dat hij ieder uur een volledig insult had, dat we het ook niet meer wisten en dat we hem in een daad van uiterste wanhoop in het ziekenhuis lieten opnemen. Na twee weken van observatie, een MRI en andere onderzoeken vonden we uiteindelijk de juiste verhouding van medicijnen.
De ziekte leek onder controle. Oplettendheid bleef echter noodzakelijk. Zijn ontwikkeling ging ineens een stuk trager in vergelijking met andere kinderen, terwijl hij daarvóór juist zo voorop leek te lopen.

Ondanks alle zorgen waren er vooral heel veel blije momenten. Het jochie deed zulke mooie uitspraken. Bij hagel riep hij: “Kijk, sneeuw die stuitert.” Ieder familielid herinnert zich zijn knuffelslofje, zijn autootjes, het pluchen konijn genaamd Mixomatose en de kerst-cd van Ernie en Bert.
Op de dag dat hij vier jaar oud werd, speelde hij enthousiast met andere kinderen en auto’s. Uitgerekend op zijn verjaardag viel hij met zijn gezicht op de hardhouten trap. Maar liefst drie voortanden raakte hij erbij kwijt. ‘Gelukkig’ waren het zijn melktanden. Momenteel heeft hij een puntgaaf gebit.
Rond zijn zesde jaar had hij al twee jaar geen enkel epileptisch insult gehad. Na overleg met specialisten bouwden we de medicijnen af. Sindsdien is de epilepsie van de baan. Mijn zoon is ‘eroverheen gegroeid’.

Op de basisschool kwam hij moeizaam mee. Niet omdat hij het niet aankon, maar omdat bleek dat hij meer tijd nodig had dan andere kinderen. Het jochie vond nieuwe dingen eng en ging die het liefst uit de weg. En dat is wel lastig voor een jong kind op school, dat iedere dag heel veel nieuws moet leren. Het liefst koos hij voor de veiligheid van vertrouwde dingen.
Hierdoor werd hij een kwetsbaar kind dat in de klas nogal gepest werd. Juffen hadden niets in de gaten en het leek erop dat ze geen bal begrepen van hoe het jong in elkaar zat. We hebben acht jaar lang op school moeten knokken voor begrip en de juiste begeleiding.

Toen hij een jaar of negen werd, kreeg hij een Nintendo 64 van ons. Het was het begin van een hardnekkige gameverslaving. De Nintendo werd een paar jaar later aangevuld met een Playstation2. Urenlang kan hij op zijn slaapkamer doorbrengen met allerlei spellen. Daarnaast zijn stripboeken een grote liefhebberij. Verder heeft hij een abonnement op de Donald Duck en is het maar goed dat ikzelf vroeger zoveel Guust Flater en Lucky Luke heb verzameld, en vrouwlief helemaal weg was de X-Men en andere comics.

Op het moment dat de middelbare school in beeld kwam, begonnen we ons toch wel zorgen te maken. Het was op dat moment een bijzondere jongen, die best veel ondersteuning nodig had. We lieten hem goed onderzoeken via allerlei instanties. Hij kreeg senso-motorieke training om zijn bewegingsapparaat wat soepeler te maken. Ook was er extra gym buiten schooltijd en een ouder-kindgroep bij de plaatselijke GGD.
Ruim drie jaar geleden werd PDD-NOS bij hem vastgesteld, een aandoening in het autistisch spectrum. En dan niet de ‘extraverte’ versie, maar een introvertere vorm. Hij heeft die contactstoornis, aangevuld met een aantal ontwikkelingsstoornissen.
Tot op de dag van vandaag is het belangrijk dat hij weet waar hij aan toe is en dat hij ruim van te voren op de hoogte is van veranderingen. Bij nieuwe dingen of complexe (school)opdrachten overziet hij niet wat hij moet doen. Hij weet niet waar hij moet beginnen en dan dúrft hij niets te doen, uit angst om het verkeerd te doen. Als je samen met hem stapjes onderscheidt, dan kan hij het allemaal heel goed. Hij heeft alleen even dat stukje ondersteuning nodig.

De eerste twee jaar van het vmbo volgde hij op een speciale school voor jongeren die extra hulp en begeleiding nodig hebben. Vanaf het derde jaar doet hij de richting Groen op een kleine school in Twello.
Wat een bikkel. Ik zei nog: “Je mag een treinabonnement.” Maar dat wilde hij niet. Iedere dag fietst hij elf kilometer heen naar school en ook weer elf kilometer terug naar huis.
Hij heeft een rugzakje waarmee we de ambulante ondersteuning op school kunnen financieren, en twee keer in de week gaat hij naar de studiebegeleiding van een orthopedagoog. Het resultaat is ernaar.
Want wat doet hij het geweldig. Zijn eindrapport van het derde leerjaar bevatte maar één cijfer onder de zeven. Dat was een zes voor gym.
In de praktijk komen zijn andere kwaliteiten naar boven. Hij blijkt een hardwerkende collega te zijn die veel plezier heeft in zijn werk. Zijn grote stage als hovenier bij een instelling heeft hij met een vette ‘goed’ afgerond. Momenteel werkt hij bij een grote restaurantketen in de ploeg die verantwoordelijk is voor het tuinonderhoud.

Tegelijkertijd pubert hij er lekker op los. Daar waar hij zich veilig voelt, zegt hij onbezonnen wat er in hem opkomt. Ook op school zoekt hij grenzen op en kan hij onverwacht uit de hoek komen. En hoeveel bazbo-eigenwijzigheid herken ik niet in hem? Het regent. “Een regenpak aan? Tuurlijk niet; ik ben niet gek!” “Ik doe het op mijn eigen manier, hoor!”
“Gaan jullie vanmiddag nog weg?” vraagt hij steevast iedere zondag. Hij vindt het heerlijk om alleen thuis te zijn. Niet dat hij dan de beest gaat uithangen, hoor. Nee, gewoon: het is het idee dat hij zijn eigen gang kan gaan. Meestal doet hij dan gewoon de dingen die hij anders ook doet: gamen en lezen.
Prachtig om te zien dat ook zijn motoriek verandert. Liep hij als leerling van de basisschool nog als een pinguïn; tegenwoordig heeft hij de nonchalante tred van Steven Seagal.

Zijn gevoel voor humor is geweldig. Hij kan halve shows van Bert Visser en Arie & Silvester navertellen. Hij ligt in een stuip bij allerlei malle films. Mijn Monty Python-verzameling ligt structureel bij hem op zijn slaapkamer.
Ook aan de eettafel lachen we wat af. Wat zei hij nou laatst weer? Ik had de soep van de avond ervoor aangepast. Vrouwlief vond hem veel te scherp. Zegt hij zachtjes dat zijn moeder het niet hoort: “Tja, een van de nadelen van getrouwd zijn. Moeder de vrouw is de baas.” En een week of wat geleden was er een grote doos bezorgd door de post. Toen ik hem openmaakte, zaten er veel exemplaren van mijn eigen boek in. En wat zei die jongen? “Huh? Zoveel boeken? En je hebt er maar eentje geschreven!”

Kortom: ik maak mij geen moment meer zorgen om hem. Hij komt er wel. Samen zoeken we naar de juiste ondersteuning. Straks doet hij eindexamen vmbo en dan is het MBO in beeld. Ik heb er alle vertrouwen in. Zeker nu hij af en toe mailtjes krijgt van docenten: “Jij hebt de zaken goed voor elkaar. Wat een fijne leerling ben jij.”
Zijn behoefte aan ondersteuning wordt steeds kleiner. Shit zeg, straks moet ik hem nog helemaal loslaten. Dat zal moeilijk worden, want het is zo fantastisch om hem te zien opgroeien en daar onderdeel van te zijn.

Vanaf vandaag mag hij officieel bromfiets rijden. Maar dat wil hij niet. Hij blijft fietsen. Geen bromfiets, geen modebiele telefoon, geen msn.
“Wat wil je later worden?” vroeg ik hem eens.
Zijn antwoord was: “Pa, ik wil liever mezelf blijven.”
Mijn zoon, mijn knul, wat ben ik trots op hem. Mag dat?
En kan ik hem hier ook feliciteren met zijn verjaardag vandaag? Bij dezen.

 

Apeldoorn, oktober 2008

• • •
 
Volgende pagina »