bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

14-07-2008

Tranen

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 14:52

Billy en ik in Duitschland. Altijd lachen. Twee vrienden die alles en tegelijkertijd niets serieus nemen. Een jonge knul (Billy) en een oude vent (ik) die zich overal misdragen. In een supermarkt, bijvoorbeeld.
De doos met shampooflessen was opengescheurd en de inhoud lag nu over de vloer in het gangpad. Ernaast zat een winkelmeisje op haar knieën de flessen weer op te rapen om ze in de schappen te zetten. Billy en ik keken elkaar aan en bedachten ons geen moment. Luid kletsend liepen we dwars door het bergje, de flacons flink van ons af trappend.
Even later stonden we bij de kassa om af te rekenen. Er zat een aardig wichtje aan de andere kant van de band. Ze keek ons met belangstelling aan. “Ja, kassameisje,” zei ik hardop en gewoon in het Nederlands, “nu kun jij wel zo vriendelijk naar ons zitten lachen, maar wij zijn het nog niet vergeten, hoor!”
Buikkrampen en tranen van het lachen. Om de meest misplaatste grappen.

Ik bevind mij in het noordoosten van Duitsland op een heel klein muziekfestival. In het nog geen duizend koppen tellende publiek is Billy ook ergens. Het is al wat later op de zaterdagavond van een zomerse dag in 2002. Om mij heen wordt het langzaam steeds een beetje donkerder. De zon staat op het punt om onder te gaan en de lucht achter het podium is oranjerood. Het is nog steeds mooi weer. Lekker warm; ik loop nog in mijn t-shirt. De voorlaatste act van vanavond staat op het podium. Hoe heten ze ook weer? O ja, ‘The Lewinskys’. Leuke naam.
Ik heb zojuist bier gehaald voor Billy en mijzelf. Ik wring mij naar voren om nog dichter bij het podium te komen. Daar staat mijn held. Hij is te gast bij de band. Mijn held heet Mike Keneally en hij speelt de sterren van de hemel. Allahmachtig, wat een gitaarvirtuoos. Het bandje maakt malle folkpop; liedjes die je meebrult zonder dat je ze ooit eerder gehoord hoeft te hebben.
Ik ben niet zo’n dans- en swingtype. Meestal sta ik bij een concert met mijn voet mee te tikken, of met mijn hoofd op de maat licht op en neer te bewegen. Tenzij het iets is waar ik helemaal in opga. Zoals nu. Er beweegt iets vanuit mijn knieën en heupen. Mijn hoofd begint heen en weer te schudden op het ritme van de muziek. Ik doe mijn ogen dicht en denk aan niets.

Een enorme Hell’s Angel staat schuin voor me. Hij is helemaal gekleed in zwart leer. Zelfs de lap die hij om zin hoofd heeft gebonden, is van donker leder. Hij heeft lang grijzend haar en een pluizige lange baard. Samen met wat andere mensen staat hij te dansen en te headbangen. Af en toe draait hij zich om en kijkt hij lachend het publiek rond. Zijn blik zegt: “Wat een lekkere muziek! Ik ga helemaal uit mijn dak!” Hij kijkt mij in de ogen en heft zijn plastic beker die halfvol bier zit. Ik lach terug en houd mijn beker ook omhoog. Dat is nog best lastig. Hij zit tot de rand vol en er kan een halve liter in. Waarom maken ze geen hengsels aan die dingen?
Een meisje verschijnt van achteren. Ze dringt zich door de kleine mensenmassa heen en duwt ook mij opzij. Dan vliegt ze de Hell’s Angel om de nek. Die draait zich naar haar om, zoent haar en neemt haar in de armen. Ik sta er naar te kijken, terwijl de muziek lekker doordendert. Het meisje is een mooi meisje. Een jaar of twintig oud. Ze heeft lang donkerblond haar, dat slordig krullend tot halverwege haar rug hangt. Twee blauwe ogen in een fris gezichtje. Ze draagt een bruin hemdje en een wijdvallende legergroene broek. Haar blote voeten in teenslippers zijn zwart van het zand. Aan haar polsen hangen armbanden en om haar hals een stuk of wat kettingen. En ze lacht. Vaak en veel. Ik vind het leuk om naar haar te kijken. Ze staat met de Hell’s Angel te dansen en te lachen. De Hell’s Angel draait zich weer om naar mij. In zijn hand heeft hij zijn plastic beker, die nu leeg is. Hij lacht weer naar mij en komt op mij af.
“Das ist meine Tochter!” brult hij in mijn oor.
“Ein hübsches Mädchen!” roep ik naar hem. Hij blijft lachen.
Het meisje komt naar mij toe en slaat een arm om mijn nek. “Ich bin besoffen!” gilt ze.
“Das macht nichts,” zeg ik, maar ik ben bang dat het te zacht is. Mijn Duits is niet best. Ik kan het goed verstaan, maar spreken lukt me maar moeizaam. Vier jaren Duits aan de middelbare school: veel is er niet van blijven hangen.
Ze wijst naar mijn bier. Wat bedoelt ze? Ineens pakt ze de beker uit mijn hand en brengt die naar haar mond.
“Oké?” vraagt ze. Ik knik vriendelijk. Ze neemt een fikse teug en geeft mij mijn beker weer terug. Dan komt ze dichterbij en geeft me een kusje op mijn wang. Ik bloos. Ze lacht en gaat weer bij haar vader staan. Ik kijk haar na. Ze ziet er leuk uit. Dan richt ik mijn aandacht weer op het podium. Billy komt langs.
“Goed hè¨?” roept hij. “Wat een pretband!”
Ik knik met wijd open ogen. “Jaaaaa! Fantastische feestmuziek!”
We staan een minuut of wat samen te headbangen.
“Ik ga nog even wat meer daarginds staan!” zegt Billy. Ik vind het oké en hij is weg. De muziek op het podium gaat nog lekker door.
Ineens tikt er naast mij iemand op mijn schouder. Het is het meisje weer. Ze wijst weer op mijn beker bier. Ik vind het best. Ze neemt opnieuw een ferme slok en geeft de beker weer terug. Ik krijg weer een kus. Ze blijft even naast mij staan. Ik lach naar haar. Ze heeft een lief lachje en mooie ogen.
Ik kijk weer naar het podium en neem een slokje. Mijn zicht is niet helemaal helder. Toch heb ik niet zoveel gedronken. Het zullen al deze indrukken wel zijn.
Opnieuw een arm om me heen en een hand die mijn beker pakt. Daarna weer twee lippen op mijn wang. Ze lacht opnieuw en blijft naast me staan. Ik wil haar niet steeds staan aangapen en kijk naar Mike Keneally die een zoveelste uit-je-dak-partij staat te gieren.

Ineens denk ik aan thuis. Aan mijn gezin. Aan mijn fantastische vrouw die nu alleen thuis zit met mijn zoon. Aan mijn zoon die ondertussen zo groot wordt, en die ondanks zijn ontwikkelingsstoornis uitgroeit tot een geweldig leuke knul. Aan de beste vriendin van mijn vrouw, die een afschuwelijke ziekte heeft en binnenkort zal doodgaan. Aan mijn eigen moeder, die ook al een tijd ziek is en veel dingen niet meer kan. Aan mijn vader, die er alles aan doet om haar goed te verzorgen.
Ik knijp mijn ogen even stijf dicht, in een poging om dit alles ook weer te vergeten. Dan doe ik ze weer open en ik kijk.

Ik kijk naar het podium, waarachter de mooiste zonsondergang gaande is die ik ooit heb gezien. Op dat podium staat mijn grote held een waanzinnige gitaarsolo te spelen. Ik kijk om mij heen en zie zoveel plezier. Zoveel mensen die in zomerse kleren staan te swingen en te lachen. Ik kijk naar Billy, die iets verderop staat. Ook hij heeft het naar zijn zin. Hij ziet mij en heft zijn plastic beker; ik zie hem en doe hetzelfde. Ik kijk voor mij en zie de Hell’s Angel die met allerlei mensen om zich heen staat te dansen. Ik kijk naast mij en zie het mooie meisje dat mijn beker weer heeft gepakt en die met een grote slok leegdrinkt. Ze legt haar arm om mijn nek en ik krijg weer een kusje op mijn wang.
En ineens komen de tranen.
Het meisje kijkt mij aan en moet lachen. Ze zegt iets dat ik niet hoor. Met een hand veegt ze het vocht van mijn wangen. Dan slaat ze beide armen om mijn nek en ze drukt zich tegen mij aan. Ze ruikt lekker. Haar lichaam is warm en haar lippen op mijn wang zijn zacht.

Ik heb kippenvel en ik ben volmaakt gelukkig.

Apeldoorn, september 2007

• • •
 

Rituelen

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 14:51

“PIEP! PIEP! PIEP!” zegt de wekker. Ik draai me om naar het nachtkastje en druk op de grote knop. Het apparaatje is stil. Ik doe mijn ogen iets open om te kijken hoe laat of het is. Het is 05.45 uur. Ik sluit mijn ogen en val opnieuw in slaap.
“PIEP! PIEP! PIEP!” zegt de wekker weer. Ik open mijn ogen opnieuw en druk het schuifknopje van het apparaatje van me af. Nu staat hij echt uit. Het is 05.54 uur. Met een zwaai trek ik het dekbed van mij af. Ik ga zitten op de rand van het bed en sta op. Zachtjes loop ik de overloop op. Ik ga de badkamer in, maar doe het licht niet aan. De toiletbril is al naar beneden. Ik ga zitten en plas. Dan sta ik weer op en ga over de overloop in de richting van de trap. De houten treden voelen koud aan mijn blote voeten.
In de keuken doe ik het licht boven het aanrecht aan. Ik pak het waterreservoir van de Senseomachine af en vul hem onder de kraan. Ik druk op de grote knop om het water op te laten warmen. Ik haal de koffiepadhouder uit de machine en schud de gebruikte pads in het papieren zakje vol groen afval, dat op het aanrecht staat. Dan haal ik de bus met koffierondjes uit het aanrechtkastje, ik doe de houder weer terug in de machine en leg twee pads in de houder. Met een klik open ik de vaatwasser. Ik druk het apparaat uit en trek het bovenste rekje iets naar voren. Ik pak mijn vaste mok met de Swedish Cook van de Muppets uit de vaatwasser. Die mok staat altijd helemaal vooraan. Ik zet hem onder de Senseo. Dan schuif ik het onderste rek van de vaatwasser iets naar buiten. Ik pak de kunststof broodplank en de kaasschaaf, die voor in het bestekmandje staat. Zo kan ik er altijd snel bij. De vaatwasser is altijd op dezelfde vaste manier ingeruimd. Ik leg broodplank en kaasschaaf op het aanrecht. Het lampje van de Senseo knippert niet meer; het water is warm. Ik druk op het knopje met het symbool van twee kopjes koffie. De machine maakt een brommend lawaai.
Ik loop weer naar boven en ga de badkamer in. Ik pak de elektrische tandenborstel en druk er een borsteltje op. Ik knijp wat tandpasta uit de tube op het borsteltje. Dan breng ik het borsteltje in mijn mond en doe ik het apparaat aan. Ik poets mijn tanden. In de wasbak zie ik klodders tandpasta. Die zijn niet van mij. Met mijn natte vinger peuter ik de klodders weg. Na dik twee minuten doe ik de borstel weer uit en ik spoel hem onder de kraan schoon. Ik zet het borsteltje weer in de houder. Vervolgens loop ik naar de douchebak. Ik schuif het douchegordijn opzij en stap in de wasbak. Ik schuif het gordijn achter mij dicht. Met twee ringetjes tegen elkaar aan tegen de muur; zo spettert er geen water op de badkamervloer. Ik doe de warme kraan aan. Daarna draai ik de koudwaterkraan ook open. Ik voel of het water niet te heet of te koud is. Nee, nu is het lekker en ik ga onder de straal staan. Eerst was ik mijn haar en spoel ik het uit. Dan draai ik de douchekop opzij tegen de tegeltjeswand aan. Het water heeft nu de juiste temperatuur; als ik de kraan uitdoe, moet ik straks eerst weer zoeken naar de goede warmte. Ik pak de fles met douchegel en knijp een kwak op mijn handpalm. Ik smeer de gel uit over mijn hele lichaam. Dan draai ik de douchekop weer boven mijn hoofd en spoel het schuim van mijn lijf af. Ik doe de kraan uit, schuif het douchegordijn opzij en pak de grote handdoek. Ik droog eerst mijn haar af, dan mijn gezicht en hals en de voorkant van mijn romp. Vervolgens mijn armen en benen. Ik til een voet op, droog hem af en zet hem op de badkamervloer. Dan til ik mijn andere voet op en droog die af. Tenslotte droog ik mijn rug. Ik hang de handdoek terug op het haakje. Op de overloop hangt het wasrekje en ik haal er een schone onderbroek vanaf. Ik trek hem aan. Als ik de slaapkamer in loop, is het er nog donker. Op de stoel naast ons bed heb ik gisterenavond mijn kleren klaargelegd. Een spijkerbroek en een T-shirt vandaag. Als ik die aanheb, ga ik terug naar de badkamer. Ik borstel mijn haren. Ik peuter wat achtergebleven haren uit de borstel en gooi die in de toiletpot. Ik was mijn handen en ga naar beneden. Ik doe het luik in het trapgat achter mij dicht, zodat mijn slapende gezin geen last van mij heeft.
In de keuken neem ik een slok koffie. Dan loop ik door de woonkamer naar het halletje. Daar staat mijn tas. Ik pak hem op, ga ermee naar de woonkamer en zet hem op de driezitsbank. Ik open de tas en haal de broodtrommel eruit. Die leg ik naast de tas op de bank. Dan draai ik mij om naar de kast met de muziek erin. Ik kies vier cd’s uit. Voor sommige moet ik even op het kleine trapje staan om ze helemaal van de bovenste plank af te halen. Ik stop de cd’s in mijn tas. Ik haal de krant van eergisteren uit de tas en leg die op de salontafel. Bij de salontafel staan de schoenen van mijn zoon. Met mijn voet duw ik de schoenen onder de tafel, zodat ik er niet over kan struikelen. Ik pak de krant van gisteren van de salontafel en stop die in de tas. Met de broodtrommel in mijn hand loop ik weer naar de keuken. Ik leg de broodtrommel op het aanrecht. Uit de diepvries haal ik vier sneeën donker brood. Ik pak de kaas uit de koelkast. Met de kaasschaaf snijd ik stukken harde korst van de homp. Ik zie kroonkurken op het aanrecht liggen. Zuchtend pak ik ze op en wil ze weggooien, samen met de kaaskorsten. Ik open de prullenbak. “Verhip, die vuilniszak zit niet goed in de bak. Er zit veel lucht tussen de zak en de bak, zodat er bijna niets in kan.” Ik maak de zak los van de rand en druk de lucht tussen de zak en de bak uit. Nu kan er weer veel afval in. Met de kaasschaaf snijd ik plakken kaas. Ik pak ook sla, komkommer en tomaat. De boterhammen beleg ik met de kaas en het groenvoer. Ik stop alles in mijn broodtrommel. Ik neem nog een slok koffie. Als ik naar de woonkamer ga, neem ik de broodtrommel en de koffie mee. Ik zet de mok op het bureau naast de computer. Ik doe de broodtrommel in mijn tas en rits die dicht.
Terug bij de computer. Ik druk het beeldscherm aan. Dan open ik de mailbox. Geen nieuwe berichten. Ik open het tabblad van FOK! en controleer of er nieuwe reacties bij mijn column staan. In het forum voor columnisten kijk ik naar de laatste posts. Ondertussen drink ik mijn koffie verder op. Ik kijk of de downloads binnen zijn. Na de laatste teug sta ik op en doe ik het beeldscherm uit.
Ik ga naar de hal en doe de deur van het toilet open. Ik knoop mijn broek los en stroop hem naar beneden. Zachtjes ga ik zitten op de bril.
“Shit, de wc-rol hangt verkeerd om.” Ik haal de rol van de houder en draai hem om. “Het eerste velletje moet naar mij toe hangen, zodat ik hem meteen kan grijpen als ik hem nodig heb.” De afvalstoffen verlaten mijn lichaam.

“Alles moet altijd hetzelfde gaan. Waar ben ik in het leven zonder rituelen? Als ik alles volgens een vaste volgorde doe, alles op dezelfde manier, alles automatisch, dan hoef ik niet meer na te denken over de eenvoudigste handelingen in mijn leven. Een gestructureerd bestaan geeft me duidelijkheid, overzicht en rust. Rust in mijn hoofd. Waarom zou ik nadenken over dagelijkse handelingen als ik ze ook automatisch kan doen? Het geeft me de ruimte in mijn kop voor andere, belangrijker zaken. Maar dan moet iedereen wel meewerken. En de afwas een beetje netjes stapelen. Zo’n vaatwasser bouw je van achteren naar voren vol. De spullen die ik ’s morgens vroeg als eerste nodig heb, de kaasschaaf en mijn vaste mok, die moeten helemaal vooraan staan. Die rol pleepapier moet ook handig hangen, met het eerste velletje naar mij toe. De vuilniszak goed in de bak gedaan. Geen tandpastaklodders in de wasbak. Schoenen wegzetten in de hal en niet bij de salontafel. De kroonkurken niet op het aanrecht, maar in de prullenbak; je hoeft je alleen maar om te draaien en daar staat de vuilnisbak. En het allerergste wat er kan gebeuren is als ik ’s avonds bij het koken het gas wil aansteken. Dan open ik het doosje lucifers en kom tot de verschrikkelijke ontdekking dat iemand gebruikte lucifers heeft teruggestopt in het doosje! Het is maar goed dat ik niet in het bezit ben van een BIJL!!!”

Waarom zit ik hier ineens zo te schreeuwen op het toilet? Ik reinig mijn anus. Als ik opsta, kijk ik niet achter mij in de pot naar wat ik heb achtergelaten. Ik trek door. Dan hijs ik mijn broek op en knoop hem dicht. Terug naar de keuken.
Onderweg kom ik langs de computer. Ik pak de mok van het bureau en neem hem mee. Bij de gootsteen was ik mijn handen. Ik spoel de mok om, zet hem op het aanrecht en ga naar boven. In de slaapkamer leg ik een hand op de schouder van mijn vrouw. “Tot vanavond,” fluister ik. Ze draait zich naar mij toe. Ik geef haar een zoen. Ik wacht geen antwoord af, maar ga weer naar beneden naar de keuken. De klok op de magnetron zegt dat het 06.35 uur is.
De mok vul ik met tomatensap uit de koelkast. Met een teug drink ik de mok voor de helft leeg. Dan ga ik naar de hal. Ik trek mijn sandalen en mijn vest aan. Met een hand voel ik in mijn linkerbroekzak of mijn sleutelbos daar zit. Hij zit er. Met de andere hand controleer ik in mijn rechterbroekzak of mijn strippenkaart erin zit. Hij zit er. Ik loop weer naar de keuken. Met een teug drink ik de mok leeg. Ik spoel hem af onder de kraan en zet hem op het aanrecht. Ik loop terug naar de woonkamer. Bij de bank pak ik mijn tas en hang die over mijn schouder. Ik ga naar de hal en doe de voordeur open. Met een stap ben ik buiten. Ik trek de deur achter mij dicht.
De dag kan beginnen.

Apeldoorn, augustus/september 2007

• • •
 

12-07-2008

Een frisse wind

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:38

Vroeger bij ons thuis ging het alleen maar over poep. En scheten. We kletsten er niet alleen over, we brachten alles ook uitgebreid in de praktijk. Tjonge, d’r werd wat afgeruft bij ons.
Ik had zelf een aardige manier gevonden om alle aandacht te vestigen op het gas dat zo luidruchtig de achterkant van mijn lichaam verliet. Als ik iets voelde aankomen, tekende ik een denkbeeldig trekkoordje van boven naar beneden in de lucht. Vervolgens rukte ik daar uit alle macht aan en tegelijkertijd trok ik een been omhoog. Met en beetje geluk klonk een knoerthard knallende scheet en rolden we over de vloer van het lachen.
Het was de sport om de wind precies in het gezicht van een broer of zus te laten. Mijn jongste broertje deed zijn uiterste best, boog iets voorover bij het hoofd van mijn zus, die nietsvermoedend in de luie stoel tv zat te kijken. Hoe hij ook perste, er kwam niets. Mijn moeder was al dit gedoe een weinig moe en riep: “Nou is het afgelopen! Ga naar je kamer!” Mijn broertje draaide zich om, haalde zijn schouders op met een blik van “Mij best!” en met dat hij zich in beweging zette trok hij zijn bips ter hoogte van het gezicht van mijn zus en liet een riant ratelende ruft. Precies raak. De tranen liepen ons over de wangen van het lachen, behalve bij mijn zus. Bij haar liepen de tranen ook over de wangen, maar bij haar was het van de stank.
Het toppunt van speelgoed was een scheetzak.

Later verdween het grootste deel van deze obsessie met poep en scheten. Wel bleef de problematiek rondom mijn zwakke darmenstelsel. Allahmachtig, wat gedoe is dat, zeg.
(Ik heb er al wel vaker over geschreven. Kijk even in mijn columnoverzicht. Als je op mijn rubber kip gaat staan en klikt, krijg je een link naar mijn overzicht. Zoek naar het verhaal ‘Erg’, ergens helemaal onderaan in de lijst.)
Ik diarreer wat af. Tja, als ik moet, dan moet ik. En wel meteen. Zo ook enige tijd geleden.

Ik was ’s morgens vroeg onderweg naar de bushalte. Meestal probeer ik voordat ik de deur uitga, nog even op het toilet het nodige eruit te persen. Maar dat was vanmorgen niet gelukt. Hoe ik ook drukte en perste, steunde en kreunde. Even speelde ik met de gedachte om mijzelve te toucheren, zodat ik het porselein alsnog zou bevuilen, maar ik stop nu eenmaal geen vingers in het achterste van een man.
Ik had de bushalte bijna bereikt, toen ik iets in mijn endeldarm duidelijk voelde worden. Misschien was het alleen maar wat gas. Ik laat tegenwoordig geen scheten meer in het openbaar. Die tijd is echt voorbij. Nu was er echter niemand in de buurt. Ik zou dus met een gerust hart mijn wind kunnen laten vliegen. Voorzichtig zette ik wat druk op de anus. Ineens voelde ik een kleine warme golf mijn onderbroek binnengutsen.
Ai, vruchtbare humus! Jammer dat het zo verspild werd. Ik schrok.
Bliksemsnel draaide ik me om en liep terug. Er zat nog veel meer aan te komen, vertelde de verzwaarde endeldarm mij. Nu is het zo’n vijfhonderd meter terug naar mijn huis. Ik probeerde mijn sluitspier aan te spannen, maar wist eigenlijk al dat het vergeefse moeite was. De gruwelijke werkelijkheid drong zich tot mij door: ik ging de plee niet halen zonder mijzelf te bevuilen.
Toen ik de voordeur opendeed, liep de bagger me al uit de wijde broekspijpen over mijn blote voeten en sandalen. Het was mooi weer.

Aan de andere kant maak ik ook de mooiste momenten in het leven mee op het kleine kamertje. Intens genot kan ik bereiken als ik rustig op de pot zit en ik niet eens hoef te persen, maar dat de fecaliën zo uit mijn lichaam lopen. Mijn toiletruimte in mijn huis is dan ook de plek waar ik me het meest thuis voel. Er hangen foto’s van belangrijke mensen aan de muur en allerlei aandenkens aan bijzondere gebeurtenissen. Het is er ook ruim. Niets zo erg als een klein rothok waarin je voorovergebogen met je hoofd tegen de deur kracht moet zetten om de afvalstroom in werking te zetten. Nee, het liefst heb ik trouwens de deur wagenwijd open. Onze plee kijkt uit op de grote hal, die rijkelijk voorzien is van glas, zodat er ruim licht in valt. Zeker ’s morgens schijnt de zon in alle vroegte haar felle stralen de hal en dus ook het schijthuis in.
Kakken in het zonlicht, bestaat er iets mooiers?

Apeldoorn, september 2007

• • •
 

9-11: Grappig

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:30

Het was 9/11. Of was het nou 11/9? 11/11 kan ook, of 9/9. Weet ik veel. Het doet er ook eigenlijk niet eens toe.
De bus had me van het werk naar het station gebracht. Ik stapte uit en liep naar mijn fiets. Behendig opende ik alle sloten. Met een sprongetje belandde ik op het zadel. Het was mooi weer. De zon scheen en er stond een matig briesje. Ik pedaleerde opgewekt over de straten van het schilderachtige Apeldoorn.

Het was in de tijd dat kinderopvang nog te betalen was. Wij hadden ons kind echter niet ondergebracht bij een instelling, maar bij een heus gastoudergezin. Mijn vrouw werkte op onregelmatige tijden en ik moest vroeg weg. Aan reguliere buitenschoolse opvang hadden we niet zoveel. Via via hadden we deze mensen gevonden, die ’s morgens vroeg vanaf half acht en ’s middags na school wel op onze zoon wilden passen. Het was een fijn katholiek standaardgezin met twee dochtertjes, die allebei bij Luc op school zaten. Luc was een jaar of acht oud en had het er prima naar zijn zin.

Ik was inmiddels het woonkamergeluk van het gastgezin binnengestapt. Normaal zat de hele meute aan de keukentafel. Het was tenslotte etenstijd. Dit keer bevond iedereen zich in de woonkamer. En dat was vreemd. Het was in dit gezin niet de gewoonte dat er ’s middags televisie gekeken werd. Meestal moest Luc spelletjes doen, met Lego rommelen of buiten op het klimrek. Zowaar, iedereen zat stilletjes voor de buis.
“Goedenavond!” zei ik opvallend. Niemand zei iets terug. Alleen de moeder keek me aan en legde een vinger op de lippen. Ik begreep dat er iets belangrijks gaande was. Eens kijken op dat tv-scherm. Ik zag twee bekende Amerikaanse wolkenkrabbertorens. Maar een van die torens zag er nu heel anders uit.

Ik heb zo mijn momenten. Momenten dat ik zeg wat er in mij opkomt. Momenten dat ik heel grappig ben.
“Het schijnt dat die kantoren van het World Trade Centre erg benauwd waren. Maar dat is nou mooi opgelost, met die gevels en puien eruit. Wat een boel smog daar in New York, trouwens. Met zoveel luchtvervuiling zou je er toch niet willen wonen.”
Op de televisie vloog een vliegtuig het andere gebouw binnen.
“Allahmachtig, het lijkt wel of die piloot zijn brevet bij een wasmiddel cadeau heeft gekregen! Het vliegveld is mijlenver daarvandaan!”
Ik keek triomfantelijk het kringetje rond. De monden van de leden van ons gastgezin stonden wagenwijd open, net als de holle ogen die mij aanstaarden. Ik had geloof ik iets verkeerds gezegd, al begreep ik nog absoluut niet wat er op de beeldbuis gaande was.
Zonder verder nog veel te zeggen griste ik mijn kind tussen de televisiekijkende familie vandaan. Ik zwaaide naar iedereen, maar ze zwaaiden niet terug. De ogen waren weer gericht op het scherm.

Thuisgekomen zette ik onmiddellijk de televisie aan. Ontelbare keren kwamen de beelden voorbij. Beelden van een vliegtuig dat de bovenverdiepingen van een torenflat binnen vliegt. Een rode explosiewolk en een gele steekvlam aan de andere kant van de flat. En enorme pikzwarte wolken vol roet. Later op de avond beelden van paniek in de straat, van brandweerlieden die tevergeefs proberen te redden wat er te redden valt, en van mensen die van honderden verdiepingen hoog naar beneden – en dus een wisse dood tegemoet – springen. Toen uiteindelijk de twee reusachtige torens in elkaar stortten, was ik met stomheid geslagen.

Soms kan ik heel grappig zijn. Soms ook niet.

Apeldoorn, september 2007

• • •
 

Muziekcolumn – Emerson Lake & Palmer / Peter Gunn

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:23

Hoe die ene slag op een snare drum in één klap mijn leven veranderde.

“Neem je wel wat van jouw singles en elpees mee?” vroeg Sjoerd.
De zomer van 1980 was een dolle vakantieperiode. Eerst ging ik met mijn ouders en broers en zus een week naar Engelberg in Zwitserland. Aansluitend zaten we twee weken in een huisje in Nieuwe Niedorp in Noord-Holland. Een huisje aan het water. We hadden een roeibootje voor de deur. Twee weken lang voer ik dagelijks langs andere huisjes en haalde zoveel mogelijk kinderen op om met mij mee te varen.
“Wat doe je allemaal, Bas?” riep mama vanaf de kant. “Zoveel mensen kunnen er niet in dat bootje!”
“We spelen bootvluchtelingetje!” brulde ik terug. Het moge duidelijk zijn wat er op dat moment actueel in het nieuws was.
Ik was vijftien jaar oud en mocht ook nog een week logeren bij mijn neef Sjoerd uit Nijmegen. Of ik wat singles en elpees meenam. Ik had maar een paar discosingles. Die had ik in de twee voorgaande jaren gekocht. De meeste niet eens omdat ik ze echt mooi vond, maar omdat alle andere kinderen uit de klas ze ook kochten.
Nee, ik koos meer voor elpees. Ik had een paar platen van Electric Light Orchestra en Supertramp. Dat vond ik mooie muziek en ik luisterde er veel naar.
Sjoerd was een singletjesjongen. Hij had er een heleboel. In de dagen dat ik bij hem was, luisterden we elkaars platen. Daarnaast liet hij me Nijmegen en omgeving zien.

Iedere ochtend stond de wekker op tien voor acht. Zodat we om acht uur op de wekkerradio konden luisteren naar het nieuws en de grote hit van die dag. Die draaiden ze ieder uur na het journaal.
Het was mijn laatste ochtend bij mijn neef Sjoerd. We hadden het journaal gehad en wachtten op de hit van de dag. Er klonk gejuich uit de radio. Het was een live opname. Toen hoorden we een diepe bastoon, die secondenlang aanhield. Vervolgens speelde een trompet-achtig instrument een fanfare-achtig deuntje. Het wás geen trompet, dat hoorde ik wel, maar ik kon niet bedenken welk instrument het dan wel was. De spanning bouwde op en een mannenstem zei: “Ladies and Gentlemen,” waarna hij de naam van de band noemde. Ineens sloeg iemand heel hard op een snare drum. (Die klap op die snare drum veranderde mijn hele leven op slag.) Onmiddellijk daarna klonk een baslick, ondersteund door drums, die mijn hart sneller deed kloppen. Wat ik hoorde was een compositie van Henry Mancini, maar dat wist ik toen nog niet. Het thema van een televisieserie genaamd ‘Peter Gunn’. Hier werd het gespeeld door een band met de naam Emerson Lake & Palmer. En ik vond het fantastisch! In het midden van het nummer hoorde ik een solo, gespeeld op een in mijn oren vreemd klinkend instrument. Later bleek het een synthesizer.
Nog geen uur later zaten we aan de ontbijttafel. Het was negen uur. Weer het nieuws. Maar dat journaal kon mij niet zoveel schelen. Ik wachtte op de plaat van de dag. Daar was-ie weer! Wat een geweldig nummer!
“Sjoerd,” begon ik. “Ik ga zo weer terug naar huis. Jij zou me toch even met de bus naar het treinstation brengen? Kunnen we nog even onderweg langs de platenwinkel, want deze single móét ik hebben.”
Het lukte. Onderweg stapten we uit de bus. In de platenwinkel hadden ze zowaar het door mij fel begeerde singletje. Ik betaalde hem van mijn allerlaatste zakcenten.
Thuisgekomen zei ik gedag tegen iedereen en na een tijdje verdween ik naar mijn zolderkamer. Ik legde het plaatje op de draaitafel en daar ging ik. Helemaal uit mijn dak. Ik draaide ‘Peter Gunn’ een keer of zes. De b-kant was ook goed.

De zomer van 1980 was nog niet voorbij. Ik zat bij de scouting en het jaarlijkse zomerkamp vond plaats. Deze keer ging de reis naar Drenthe, naar een klein plaatsje nabij Grollo. Tot mijn grote schrik bleek het dorpje Elp te heten. Alles is toeval.
De week erop volgend ging ik op zoek naar een hele ELP-elpee en ik kwam er in de platenwinkel achter dat er een hele langspeelplaat was van het concert met ‘Peter Gunn’. Ik had inmiddels mijn zakgeld opgestreken en kon die plaat kopen.
Uren besteedde ik aan het uitpluizen van de platenhoes op zoek naar alle informatie die ik maar kon vinden. In gedachten speelde ik alle orgel- en pianopartijen mee. De vensterbank van mijn zolderkamer werd mijn toetsenbord. Ik was de beste ELP-playbacker. Nog geen half jaar later had ik alle ELP-platen. En toen moest ik op zoek naar nog meer symfonische rock of progrock. Na ELP kwamen bands als The Nice, Camel, Yes en King Crimson.

Vijftien jaar en toen al bedorven. Op school durfde ik niemand te vertellen van die gave muziek die ik had ontdekt. Ik liet het wel aan vriendjes horen, maar die snapten niets van Hammond orgels en Moog synthesizers die over het podium stuiterden. De zolderkamer bleef de enige plek waar ik kon luisteren naar die ingewikkelde muziek. Ikzelf vond het allemaal niet zo ingewikkeld. Ik kende maar twee soorten muziek: de muziek die ik mooi vond en de muziek die ik niet zo mooi vond. Emerson Lake & Palmer was de eerste band waar ik echt helemaal gek van was.

Toen ik drie jaar later besloot om zelf ook toetsen te gaan spelen, en ik een elektronisch orgel had gekocht, was de eerste lick die ik mij aanleerde, niet moeilijk te kiezen…

Apeldoorn, augustus 2007

‘Peter Gunn’ staat op het album ‘Emerson Lake & Palmer in Concert’. Deze plaat is een paar jaar geleden op cd heruitgegeven onder de naam ‘Works Live’.
En ik had graag wat songteksten ingevoegd, maar ’t is een instrumentaaltje, hè?

• • •
 

Zin

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:19

De deurbel gaat. Ik wil niet open doen. Niet nu. Niet nu ik in deze omstandigheden verkeer.
Voorzichtig kijk ik door het raam. Er staat iemand bij de voordeur. Een man. Ik ken hem niet. Ik wil niet weten wie hij is. Ik wil niet met hem praten. Ik wil met niemand praten.

Gelukkig ging mijn zoon vanmorgen vroeg de deur al uit om naar school te gaan. Ik wekte hem, smeerde zijn boterhammen en zette zijn ontbijt klaar. Zonder veel te zeggen at hij zijn yoghurt met muesli en pakte hij zijn tas in. Niet veel later fietste hij weg. Snel ging ik weer naar boven en kroop in bed. Een half uur later voelde ik dat mijn vrouw naast mij wakker werd en opstond. Nog weer drie kwartier later hoorde ik de voordeur dichtslaan. Ik was alleen.
Na vijf minuten sloeg ik het dekbed van mij af. Ik ging douchen en beneden in de keuken maakte ik koffie.

De man bij de deur is weer weg. Ik zucht van opluchting.
Maandag is mijn dag alleen. Dan werk ik niet. Ik doe wat klusjes in en om huis. Het laatste restje was, kaas halen op de markt, de vaatwasser uitruimen en de boodschapjes voor de week. Dat is het. Dan kruip ik achter de computer. Ik schrijf wat aan verschillende columns of verhalen. Vaak werk ik aan meerdere stukken tegelijk. Ik controleer een IRC-kanaal, een forum en wat e-mail.
Maar vandaag kan ik het niet lang volhouden. Het kan me niet eens iets schelen. Tijd voor een lunch. Ik maak twee boterhammen met kaas en eet die op. Het is stil in huis.

Muziek. Een groot deel van mijn leven draait om muziek. Ik ben nooit de virtuoze musicus geworden die ik graag had willen worden. In mijn dromen. Mijn ongeduld maakt dat ik niet lang kan studeren op een wat ingewikkelder passage. Dan maar niet. In een kamertje boven in het huis staan allerlei instrumenten met een dikke laag stof erop. Ik heb mijn passie voor muziek dan maar omgezet in een onverzadigbare verzamelwoede. Besluiteloos sta ik voor de grote kast vol cd’s, dvd’s en elpees. Ik speur de planken af, op zoek naar iets helends. Tien minuten later heb ik nog niets gevonden. Er is helende muziek zat in mijn collectie. Van soundscapes tot wereldmuziekjes, van klassiek tot gitaargepiel. Van Tom Waits tot Peter Gabriel en van Robert Fripp tot David Sylvian, om maar wat namen te noemen. Meteen weer vergeten, die namen. Vandaag kan ik geen keuze maken.

Op maandag werk ik niet. Ik heb een contract van zesendertig uur en werk vier dagen van ieder negen uur. Lange dagen, maar daardoor kan ik op maandag vrij zijn. Maar ik wil nu niet denken aan werk. Dat wordt nog wat. De functie die ik heb, bestaat over vier weken niet meer. Dan ben ik ‘formeel boventallig’. Het is het gevolg van ‘doorontwikkeling’ in onze organisatie. ‘Doorontwikkeling’, dat is managementtaal voor ‘reorganisatie’ en het betekent dat functies verdwijnen en dat ik mijn baan verlies. Niet dat ik daar wakker van lig. Ik lig al wakker van andere dingen.

Ik kan geen keuze maken. Het blijft stil in de woonkamer. Ik ga naar boven. In de slaapkamer ga ik op bed liggen. Ik sluit mijn ogen. Als ik nou maar niet aan iets geils ga denken. Dat doe ik niet. Geen zin in seks, zeker niet met mezelf. Ik wil in slaap vallen, maar dat doe ik ook niet. Dat zul je altijd zien.
Vroeger had ik altijd allerlei meisjes en vrouwen om aan te denken. In gedachten laat ik er een paar voorbijkomen. Dat waren nog eens tijden. Zeer gelukkig getrouwd, en dan toch zoveel meisjes en vrouwen om aan te denken. Niet dat ik ooit ook maar iets met ze heb uitgespookt. Ik was te pas en te onpas verliefd op deze en gene, maar er gebeurde nooit iets. Al die meisjes en vrouwen – ik had ze nodig om mijzelf er steeds maar weer bewust van te houden hoe gelukkig ik het thuis heb. Boeken kan ik erover schrijven. Dat heb ik dan ook gedaan. Ik heb boeken geschreven en ze allemaal weer verscheurd en in de prullenmand gegooid. Die verliefdheden gingen daarmee overigens niet over. Dat kwam later pas. Toen ik veertig werd. Met het ouder worden verdween de behoefte aan andere meisjes en vrouwen om mij heen. Soms zie of ontmoet ik nog wel eens zo’n heerlijkheidje, en dan kijk ik en zucht ik eens, en dat is het dan. Geen gezeik meer met de wijven.
Ik sta weer op en ga naar beneden.

Hoe laat is het? Het is vier uur. Over een uurtje komt mijn zoon thuis; over drie uur mijn vrouw. Ik heb dorst. In de koelkast vind ik flesjes bier. Ik pak er een en maak hem open. Als ik het flesje aan mijn mond zet, klok ik het vocht met grote teugen naar binnen. Het smaakt niet. Gewoon doorgieten.

De telefoon gaat. Gelukkig heb ik mijn antwoordapparaat aanstaan. Stel je voor dat ik nu met iemand zou moeten praten. Dat zou ik niet aankunnen. Niet nu ik in deze omstandigheden verkeer.
Het bierflesje is leeg. Ik laat het los. Het valt op de plavuizen en spat uiteen. Ik zak door mijn knieën en ga tussen de scherven zitten.

Apeldoorn, augustus 2007

• • •
 

Titel

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:12

Ineens was ik columnist bij FOK! en moest ik nog columns gaan schrijven ook. Een goede vriend had me bij mijn lange haren meegesleept en zei: “Zo. Dit hier is FOK! Hier kun je je talent eens echt gaan gebruiken. Weg van dat zolderkamertje! Schrijven, kreng! Wekelijks een meesterwerk, anders zwaait er wat.” Braaf deed ik wat er van mij verwacht werd.

(O, even voor de duidelijkheid: ik heb een hekel aan Engelse woorden als daar ook een goed Nederlands alternatief voor is. Dus de crew is de ploeg en de administrator een bestuurder. De user is een gebruiker en een moderator een politieagent.)

“De columns worden niet goed gelezen!” schreeuwde ineens een ploegleider. “Daar moet wat aan gebeuren!”
Dat lieten de columnisten zich geen twee keer zeggen. Als bezetenen gingen ze aan het werk. De schrijvers beulden zichzelf af. Normaal zit een columnist zielig op een kamertje te pennen met in de buurt alleen een fles Aldi-wijn en een goedkope hoer, maar voor die hoer was nu in een keer geen tijd meer. Het laatste restje wijn verschaalde in de fles. Plotseling verschenen er meer columns op een dag. Meestal twee, maar soms ook drie.
“Meer columns, dat leidt niet automatisch tot hogere kijkcijfers!” riep iemand uit de ploeg. “Behalve meer columns moeten we ze ook anders gaan schrijven!”
Dat lieten de columnisten zich geen twee keer zeggen. Als bezetenen gingen ze aan het werk. De schrijvers beulden zichzelf af. Niks geen wijn meer!

Hoe krijg je voor elkaar dat columns meer gelezen worden? Dat was de vraag waarover de ploeg columnisten zich ging buigen. Een paar schrijvers wisten het antwoord wel. “Als je een pakkende titel hebt, dan gaan meer gebruikers je columns lezen.” Goede gedachte. Maar wat is een pakkende titel?
En zo verschenen er steeds meer columns met een pakkende titel, waarin de benamingen voor de genitaliën als eerste in het oog springen. ‘Urenlang een keiharde erectie’, ‘De kut van de koningin’, ‘Soppend het weekend in’, ‘Kwak je zaad in haar gelaat’, ‘Geil voor de bijl’ of ‘Goedkope hoeren en Aldi-wijn’. Je kon ze zo gek niet bedenken. Het bleek besmettelijk. Zelfs columnisten die normaal gesproken literaire diarree schreven, gingen door de knieën. ‘Schone dame in négligé’, ‘De naakte feiten’, ‘Met het blote oog’, ‘Ik kom er rond voor uit’, enzovoorts, enzovoorts.

Zelfs i gaf er aan toe. Ik maakte een mooi verhaaltje over het leuke meisje dat in de supermarkt werkt en ik noemde het ‘Geile boodschappen’. En mijn bezoek aan de sauna, waarin ik een ‘vergelijkend warenonderzoek’ deed, noemde ik ‘Enorme prammen en kleine pikkies’. Ze werden allebei niet noemenswaardig meer gelezen. (Ik was toch al een kijkcijferkanon.)
Om de proef op de som te nemen, klikte ik eens op die column met de titel ‘Goedkope hoeren en Aldi-wijn’. Ik was in de veronderstelling dat ik een opwindend verhaal over de zelfkant van een zekere Amsterdamse wijk-bij-nacht te lezen zou krijgen. Ik had mijzelf bij voorbaat alvast getrakteerd op een ferme erectie. Helaas bleek de inhoud van het verhaal niet overeen te komen met mijn verwachting.

Kortom, weg met die vieze titels! Het helpt allemaal geen ene rattenreet! Ze zetten de lezer alleen maar op het verkeerde been. Ik moet gewoon een goed verhaal schrijven en daar een pakkende en allesverklarende titel boven zetten. Verder geen gedoe.
Mijn zoon van veertien kijkt trouwens ook wel eens over mijn schouder mee naar het beeldscherm van mijn computer. Dan loopt hij de kans geconfronteerd te worden met zinsnedes die de fantasie op erotische wijze prikkelen. Ik wil het niet voor hem verborgen houden – zo’n wereldvreeme naïeveling ben ik nou ook weer niet -, maar om het hem nou op te dringen, vind ik een ander uiterste.

Dus een oproep aan iedereen die columns schrijft of instuurt: geef je verhaal een pakkende titel die de lading dekt. Daar hoeven heus niet per se ‘seksueel prikkelende’ termen in, hoor. Als het functioneel is, zet er dan gerust een schuttingwoord in. Maar een geforceerde titel doet de aandacht van de lezer al gauw verslappen.

Zelf heb ik ook een titel. Omdat ik ooit eens een HBO-opleiding heb afgerond, mag ik mijzelf ‘bacchalaureus’ noemen. Iemand die daar geil van wordt?

Apeldoorn, augustus 2007

• • •
 

Plaatsonbepaald

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:08

– voor TheGrandWazoo

“Bas, het is half twaalf. Ik moet zo weg.”
“Ik kom eraan!” zei ik, maar hij had de deur alweer dichtgedaan. Ik moest heel erg plassen. Snel gooide ik het dekbed van me af.
“Je krijgt een lekker warm bed,” had hij gezegd. “De avond ervoor heeft mijn ex erin geslapen.” Ik had gevraagd naar de hoeveelste ex dit van hem was, maar hij vond het geen leuk grapje. Het bed was warm, maar de nacht te kort om me intensief bezig te houden met de warmte of de geur van de ex. Het vele bier en de anderhalve fles wijn eiste zijn tol.
Ik haalde mijn tandenborstel en tandpasta uit mijn tas en liep de overloop op. Daar vond ik zowaar de badkamer. Die was vrij. Ik poetste snel mijn tanden. Daarna kleedde ik me aan en ging ik vlug naar beneden. Ik plaste op het toilet. Vervolgens liep ik de woonkamer in. Daar stond hij.
“In de keuken vind je alles wat je nodig hebt voor ontbijt,” legde hij uit. “Dan ga ik nu.”
“Wacht even,” zei ik snel. “Ik heb nog een ding van je nodig. Waar vind ik hier een bushalte?”
“Je loopt hier de deur uit en dan ga je links de straat in. Aan het einde van de weg rechts. Die straat loop je helemaal uit en daar zie je wel een bushalte. Ik moet nu weg.” De deur sloeg hard dicht. Hij was weg.
Ik zuchtte eens diep en keek de woonkamer rond. Dus hier woonde zijn moeder. In de boekenkast stonden muziek-dvd’s van Pink Floyd en de Beatles. Ik pakte mijn tas, trok mijn vest aan en ging de gang in. Voorzichtig trok ik de voordeur achter mij dicht. Ik liep het tuinpaadje af en ging linksaf.
Het huis was de helft van een dubbele woning, jaren zeventigbouw met lichte stenen. De straat was rustig. Het was zondag.
“Goed. De straat uit en aan het einde rechts,” mompelde ik in mijzelf. Aan het eind van de straat keek ik uit in een weiland. “In welke uithoek van dit land ben ik in vredesnaam terechtgekomen?”

Gisterenavond waren we in Roermond. Ik was te vroeg met de trein aangekomen. Voordat we elkaar zouden ontmoeten, had ik nog een uur. Ik besloot een rondje door de stad te lopen. Een tochtje door de winkelstraten, langs de Munsterkerk en de markt, via de stadswal, en toen weer terug naar het station. Daar ging ik op een muurtje zitten en haalde mijn papieren tevoorschijn.
“Hee!” Daar was hij. We begroetten elkaar. “Ik weet een goed restaurant.” Waarom heten alle Griekse eettentjes toch ‘Akropolis’? We namen brood met kaas vooraf. Hij bestelde gyros en ik een bord met gemenge vleesgerechten. En twee grote glazen bier. Dommelsch, natuurlijk.
Het begin van de avond verliep vlotjes. Na het eten liepen we langs de galerie ‘Pittstowe’, waar we kennismaakten met de eigenaar. Toen zochten we naar een geschikte plek om ons moed in te drinken. Op het grote plein bij de kerk was een heuse taptoe aan de gang.
“Wij Limburgers zijn gek op dit soort dingen,” vertelde hij en hij danste met een dronken zwerver. “Noem het onze Duitsche invloed.”
In een Iers café dronken we een paar glazen en selecteerden we onze teksten voor later die avond. We bezochten nog een paar kroegjes. Om elf uur waren we in de kunstwinkel ‘Pittstowe’ terug. Een Duitse jazz-zangeres deed haar best. Haar stem galmde in de kale, hoge ruimte.
“Dát wordt het podium,” zei dichter John. Hij wees op een hilde, drie meter boven de vloer. Niet veel later las John zijn gedichten. Zijn vriendin Danny droeg ook poëzie voor. We dronken rode wijn. De ene fles na de andere ging open. Naast mij stond hij; wij kwamen hierna.
“Weet je zeker dat jij na mij wil?” vroeg ik.
“Hoezo? Waarom niet?”
“Nou, anders val jij zo tegen.” Hij kon er de lol wel van inzien en lachte hardop door de gedichten heen. Er was niet veel volk. Het werd met recht een Lange Midzomer Cultuurnacht.
Ik las, vertelde, speelde, mimede, worstelde, sprak, fluisterde en schreeuwde mijn verhalen de lucht in. Na mij las hij. Beheerst, snel, bevlogen en grappig. We maakten indruk; we waren goed. Vier keer stonden we ieder op het podium. Toen was het half vier.
In het donker reed de taxi schijnbaar eindeloos lang door velden en over wegen. Ineens stopten we. We betaalden en stapten uit. We stonden in een straatje in een woonwijk. Hij liep een tuinpad in en opende een voordeur. We gingen naar binnen. Hij haalde een blik bier voor ons beiden. Ik kreeg hem niet op.
“Laten we gaan slapen. Het is nu vier uur. Ik moet morgen om tien uur uiterlijk weg,” zei hij.
Boven liet hij me mijn slaapkamer zien. Het bed was niet opgemaakt en zag er gebruikt uit. Er zat een deuk in het kussen en het dekbed lag verfrommeld op het hoeslaken. Ik draaide me naar hem om, maar hij was al verdwenen. Ik trok mijn kleren uit, ging op het bed liggen en trok het dekbed over me heen.

“Waar ben ik? Hoe heet dit dorp?” Ik liep en liep. Een buitenwijk. Het zag er niet naar uit dat ik naar het centrum van een woonkern liep. Daarginds was een wat grotere straat. Toen ik in de buurt kwam, bleek het een voorrangsweg te zijn. “Een provinciale weg. Maar van waar naar waar?” Op het kruispunt keek ik naar rechts. Ik zag de bushalte. Ik zag er twee. Aan iedere kant van de weg stond er een. Ik liep naar het bord van de dichtstbijzijnde halte en keek naar de naam ervan. Misschien wist ik dan in welk dorp ik mij bevond. De halte had geen naam. Die aan de overkant ook niet. Er stond ook niet naar welke plaatsen de bus reed. Alleen een lijnnummer. 61. Dat schoot op.
Ik wachtte. Hoe lang? Een kwartier? Een half uur? Geen idee. Ik draag geen horloge. Voortdurend keek ik naar twee kanten. Van iedere kant kon een bus aankomen. De eerste bus die langskwam, zou ik aanhouden en vragen waar hij heen ging.
Kijk! Daar! Er kwam iemand aanlopen aan de overkant van de weg. Een jonge vrouw die een babywagen voor zich uit duwde. Ik rende naar haar toe. “Mag ik u iets vragen? Weet u waar deze bus heen gaat?” De jonge vrouw beantwoordde mij in een taal die ik niet verstond. Achter mij hoorde ik geronk van een vrachtauto. Ik keek om. Het was de bus. ’61 Weert’ stond er boven de voorruit. “Dank u wel!” riep ik naar de jonge vrouw, terwijl ik weer naar de overkant terug rende.
“Ik moet naar Weert,” zei ik tegen de dikke chauffeur.
“U moet niet, u wilt graag!” zei hij.
Ik voelde mijn vuisten gaan branden, maar kon me beheersen. “Naar Weert, graag,” mummelde ik.
“Waar zijn we hier?” vroeg de chauffeur en hij haalde zijn leesbril tevoorschijn. Ik schrok me kapot. Hij wist het ook niet!
“Al slaat u me dood,” haalde ik mijn schouders op. Ik was allang blij dat deze bus naar een plaats reed die ik kende. Alleen van naam, maar de opluchting was er niet minder om. Mijn trein naar huis ging langs Weert. De chauffeur stempelde mijn strippenkaart bijna op. Godverdegodver. We wisten dan niet waar we waren; ik wist wel dat het een teringeind rijden zou zijn voordat ik in een bekend klinkende plaats zou zijn. Ik ging zitten op een ruime bank. De bus had zich in beweging gezet.
Wat volgde was een ellenlange rit door plaatsen, gehuchten en buurtschappen waar ik nog nooit van had gehoord, en die ik ervan verdacht dat ze op geen enkele kaart te vinden zouden zijn. Heythuisen. Leveroy. Ik zat alleen in de bus. Niemand stapte in. Hier leefden geen mensen. Het was tenslotte zondag. Ergens zag ik een wegwijzer met daarop de naam ‘Roggel’. “Hee, die plaatsnaam ken ik wel!” Ogenschijnlijk uren later passeerden we het bord ‘Weert’. Op het station nam ik de trein.
Langzaam kwam ik weer in de bewoonde wereld. Utrecht kwam in zicht. Nog even en ik was terug in het middelpunt van mijn aarde: Apeldoorn. Een gelukzalig gevoel van thuiskomen na een jarenlange wereldreis bekroop me.

Naschrift:
Limburg moet platgebombardeerd!
Maar TheGrandWazoo zal ik missen, zeker zijn columns hier op FOK!.

TheGrandWazoo, het allerbelangrijkste dat ik van je heb geleerd is: als het allemaal tegenzit, als je het echt niet meer ziet zitten, als het water je aan de lippen staat, als alles uitzichtsloos lijkt, bedenk dan: “Zelfmoord is ook een optie.”

(TheGrandWazoo weet hoe hij mijn rubber kip moet misbruiken – Zappanale festival, Bad Doberan, Duitschland, juli 2005)

bazbo

Apeldoorn, augustus 2007

• • •
 

Carlo Piemol koopt pannen

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:06


Carlo Piemol koopt pannen.
Van een vertegenwoordiger.
Hij voelt zich genaaid.
Een leerzaam verhaal over zwendel en oplichting.

Carlo Piemol is op zijn werk.
Hij zit in zijn koffiepauze.
Het is mooi weer.
Dus is hij buiten.
Ineens staat er een man voor hem.
Het is een vent met een rood shirt aan.
En met dikke spierballen.
“Hallo,” zegt de man. “Ik heet Jan Brink.
Ik ben vertegenwoordiger.
Voor Solingen.
Kent u Solingen?”
Carlo Piemol baalt.
Hij heeft koffiepauze.
Maar hij is klantvriendelijk.
Hij antwoordt netjes.
“Ja hoor, Solingen ken ik wel.
Dat is toch van de messen en het bestek?”

“Inderdaad,” zegt Jan Brink. “Maar ook pannen en serviesgoed.
Kortom: een compleet horecagebeuren.”
Carlo Piemol begint een klein beetje aambeien te krijgen.
“Maar waar ik voor kom,” zegt Jan Brink, “is het volgende.
Jullie bedrijf staat nog niet in ons klantenbestand.
En we hebben net een heel mooie catalogus uit.”
“Fijn,” zegt Carlo Piemol.
“Ja, en nou wil ik graag dat jullie die catalogus ook krijgen.”
“Je verrast me niet,” zegt Carlo Piemol.
“Wie gaat er over dit soort zaken?” vraagt Jan Brink.
“De mevrouw die erover gaat, is vandaag afwezig,” liegt Carlo Piemol.
“Maar volgende week is ze er weer.”
“O, nou, dan stuur ik volgende week de catalogus wel op,” is het antwoord van Jan Brink.
“Maar nu ik hier toch ben…”
Carlo Piemol begint nog een klein beetje meer aambeien te krijgen.
“Ik heb nog een leuke pannenset waar ik vanaf moet,” vertelt Jan Brink.
“Ojajoh?” zegt Carlo Piemol.
Naast hem staan twee collega’s, Kees en Koos.
Die zijn geïnteresseerd in een pannenset.
“Wacht even,” zegt Jan Brink, “dan rijd ik mijn wagen even voor.”

Jan Brink rijdt zijn wagen voor.
De achterklep gaat open.
“Kijk,” vertelt Jan Brink, “We waren op een beurs.
En daar stonden al deze dozen met pannensets.
Van het merk Berghaus.
Die kunnen we nu niet meer verkopen in de winkels.
Dus moeten we ze op een andere manier kwijt.
Ik zal heel eerlijk zijn.
Van de opbrengst ga ik met mijn collega-vertegenwoordigers uit.
Dan gaan we een avond zuipen.
Normaal kost de pannenset €1400.
U mag hem hebben voor, laat ik mal doen, €250.”
Carlo Piemol houdt van koken.
“Vertel eens over de pannenset,” vraagt Carlo Piemol.
“Het is professioneel spul,” vertelt Jan Brink.
“Berghaus.
Goede pannen.
Deksels met een chip die vertelt hoe heet het in de pan is.
Levenslange garantie.
En nog meer.”
Er begint iets te kriebelen bij Carlo Piemol.
Zijn collega Kees zegt: “250?
Voor een avond zuipen?
Ik bied 150!”
Jan Brink zegt: “Oké, voor €175 is hij van jou.”

Collega Kees koopt een pannenset.
Collega Koos koopt een pannenset.
Carlo Piemol koopt een pannenset.
Jan Brink heeft €525 euro in zijn hand.
“Wil je koffie?” vraagt Carlo Piemol.
“Nee dank je wel,” zegt Jan Brink.
“Ik heb de hele ochtend al koffie gehad.
Tot ziens!”

Jan Brink is weg.
Kees loopt weg met zijn pannenset.
Koos loopt weg met zijn pannenset.
Carlo Piemol blijft staan met zijn pannenset.
Hij gaat naar een computer.
En googlet.
‘Berghaus’.
Hij komt op de site van Radar.
“Ook pannen gekocht uit de kofferbak van een vertegenwoordiger van Berghaus?”
“Shit,” denkt Carlo Piemol.
Hij scrolt naar beneden.
Carlo Piemol heeft nu knollen van aambeien.
Zijn hele gat staat in brand.

Wie gelooft er nou dat een pannenset die €1400 kost,
dat die nou ineens maar €250 of €175 kost?
Carlo Piemol voelt zich genomen.
Maar het zijn mooie pannen.

Dit is deeltje 4 uit de Carlo Piemol serie.
Meer deeltjes zijn in voorbereiding.

Apeldoorn, augustus 2007

• • •
 

Hoe diep kun je zinken?

Filed under: FOK!publicaties - 2007 — bazbo @ 01:00

BazboSoms kom ik er niet onderuit. Dan moet ik mij onder de mensen begeven. De massa in. Ik zit daar persoonlijk niet op te wachten. Liever vertoef ik de meeste tijd thuis in de tuin of in de woonkamer van mijn huis. Daar waar andere mensen graag de menigte opzoeken in café of op feest, daar vind ik mijn geluk in kleine kring; het liefst met alleen mijn vrouw en zoontje om mij heen. Ik kan zeer verguld zijn met de rust in ons gezin en besteed uren luisterend naar muziek, lezend in een boek of een uitgebreide maaltijd bereidend.

Mijn zoontje was een woensdag vrij van school. “Dan kun jij mooi eens iets met hem ondernemen!” riep mijn vrouw. Ik deed wat me werd opgedragen. Soms doe ik niet moeilijk. Ik doe meestal erg moeilijk, maar er zijn momenten dat ik zo volgzaam als de pest ben. Ik regelde dat ik een dag van mijn werk kon wegblijven.
Vader en zoon samen op pad. Wat gingen we doen? Een heikele kwestie. Waar doe je je kind een plezier mee? Het was mooi weer, dus was het zeker dat we naar buiten zouden gaan. Hoe en waar bezorg je een jochie van acht jaar de dag van zijn leven? Juist ja.
“Wat zou je graag nog eens willen doen?”, vroeg ik Luc. “Waar wil je graag heen?”
Het antwoord was even resoluut als verschrikkelijk. “Naar een pretpark.” Ik moest eraan geloven.
Ik heb het niet zo op pretparken. Veel te massaal, onmogelijk duur en ik word kotsmisselijk van hoogtevrees in al die schommelschuitjes, achtbanen en duiktorens. Pretparken zijn voor het Centreparksvolk en daar reken ik mijzelf niet toe. Ik heb geen joggingpak. Een pretpark, godbetert. Hoe diep kun je zinken?
In Apeldoorn hebben we een gezellig familiepretpark; ideaal voor kinderen van de basisschoolleeftijd. Tenminste, dat werd me verteld. Nu was ik er vroeger als kind zelf wel eens geweest, maar dat was inmiddels ruim vijfentwintig jaar geleden. Ik zuchtte eens diep. De kogel was door de kerk: we gingen!

Samen fietsten we naar de Amersfoortsestraatweg. Een of andere oetlul had het pretpark helemaal bovenop een heuvel gelegd, zodat we al bekaf bij het park aankwamen voordat we ook nog maar een attractie hadden bekeken.
De kosten voor entree vielen mee en de koffie en thee waren zowaar gratis. Ik begon aan mijzelf te twijfelen. Straks ging ik dit nog leuk vinden ook! Mijn angst duurde gelukkig niet lang.
De ellende was: ik moest overal mee in. De knul was nog te klein om helemaal zelf zijn gang te laten gaan. En gezellig is het ook niet. Het liefst wilde ik ergens op een bankje gaan zitten, en hem geheel vrij laten. Maar dat was niet het doel van deze dag, die vader en zoon samen zouden doorbrengen.

En dus liepen we heen en weer tussen de draaimolens, de glijbanen, de ouderwetse carrousel, de botsautootjes en de kinderachtbaantjes. Luc had een leuke dag en ik volgde hem. Tussen de middag aten we patatjes en daarna gingen we weer verder. De dag vloog om. Aan het eind van de middag kwamen we in een deel van het park dat we nog niet hadden bezocht.

“Verhip,” ontglipte me. “Ze hebben die oude bootjesvijver nog steeds!” In een grote betonnen bak dreven vijf bootjes die op petroleum liepen. Tenminste, daar stonken ze nog altijd naar, net zoals vijfentwintig jaar geleden. Twee rode, twee gele en een blauw bootje. Er stond een hele rij mensen bij de betonnen bak te wachten. Iedere vijf minuten mochten twee mensen in een bootje stappen. Een chagrijnige kerel luidde een bel, en dat was het teken dat de bootjes naar de kant moesten.
“Ja, ik wil ook varen,” zei Luc.
“Is goed, maar dan moeten we wel even wachten.”
Het duurde even. Het duurde even nogal lang. Ik weet niet hoeveel mensen voor ons.
“We krijgen toch wel een rood bootje, hè?” vroeg Luc.
“Nou, dat weet ik niet, hoor. Het ligt eraan welk bootje vrij komt als wij aan de beurt zijn.”
Na een half uur kregen we het blauwe bootje. Luc keek nogal sip.
“Joh,” zei ik. “We zijn de enigen in een blauw bootje. Vallen we lekker op!”
Met tegenzin ging het jochie naast mij in het wankele bootje zitten. Hij wilde niet eens meer sturen. Ik probeerde nog wat op hem in te praten, maar hij ging met zijn armen over elkaar zitten mokken.
Behendig stuurde ik het bootje de vijver op. We voeren een paar ruime rondjes. Toen de vijf minuten om waren, klonk een bel. Ik wendde het bootje en we meerden weer aan.

“Kom, we hebben nog een half uurtje voordat we naar huis moeten,” vertelde ik mijn zoon. “We kunnen nog net één attractie doen.” Luc koos uit de draaimolens, de glijbanen, de ouderwetse carrousel, de botsautootjes en de kinderachtbaantjes voor een reuzenglijbaan. Nadat hij drie keer naar beneden was gezoefd, was het gezellige dagje van vader en zoon voorbij. Het was bijna sluitingstijd.

We liepen in de richting van de uitgang en kwamen langs de bootjesvijver. Het was er een drukte van belang.
“Wat een boel mensen,” zei Luc. “Willen die allemaal nog varen?”
“Er is iets aan de hand,” zei ik. “Kijk maar eens hoe ze over iets heen gebogen staan.”
“Gaan we kijken?”
“Vooruit.” We liepen naar de betonnen bak.
Langs de rand stonden allemaal medewerkers van het pretpark. Ze waren druk bezig om iets uit het water te trekken. Het kostte veel moeite. Ik ging iets verderop langs de rand van de vijver staan en keek over de rug van enkele mannen het water in.
Op de bodem van de vijver lag een blauw bootje.

Apeldoorn, augustus 2007

• • •
 
Volgende pagina »