bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

11-06-2018

Hoog tijd voor een kroegverhaal (8)

Filed under: FOK!publicaties - 2018 — bazbo @ 01:00

Nou vooruit, het moest dan maar. Met frisse tegenzin liep ik naar het café De keurschlager. Niet lachen. Dat deed ik ook niet.

Nou vooruit, het moest dan maar. Met frisse tegenzin liep ik naar het café De keurschlager. Niet lachen. Dat deed ik ook niet. Want ik hoef u niet te vertellen welk type muziek ze daar draaien. Precies. Terwijl ik nog buiten was, kwam het me door de gevel heen tegemoet. Ik had me op dat moment moeten omdraaien en weer naar mijn veilige thuis moeten gaan. Maar dat is achteraf. Ik verander er nu niets meer aan.
Eenmaal binnen klonk die muziek nog veel luider. Niet alleen doordat de stereo op elf stond, maar ook omdat alle stamgasten aan de bar meebrulden. Het lachen was me al vergaan, maar nu sprongen me de tranen in de ogen.

‘Het raakt je, hè?’ Gut, hoe heette die vogel ook weer, die nu op me af kwam. Hij sloeg me joviaal op mijn schouder. Heel joviaal. Het deed pijn. ‘Geef het maar toe, jongen. De gevoelige snaar. Je houdt het niet droog. Maar hier mag je je emoties tonen.’
‘Echt waar?’ vroeg ik. ‘Mag dat echt?’
‘Het mag.’
‘En ik mag ze uiten op de manier die ik het liefste wil?’
‘Dat mag. Zo lang je je maar aan de wet houdt.’
‘Dan niet!’ riep ik. Ik maakte me los en liep naar de toog.

‘Gast achter de toog,’ zei ik tegen de gast achter de toog, ‘doe mij een glas water zonder bubbels. Als je niets op de fles hebt, mag het ook uit de kraan. Ik vind het niet erg als je er een prijs voor rekent. Hoe veel kost het?’
De gast achter de toog boog naar me toe. ‘Wasseggie?!’ Zijn sputum spetterde me van verre tegemoet in mijn gezicht.
‘Ik geloof dat ik mijn plat water al te pakken heb,’ zei ik. ‘En niet eens van de fles of uit de kraan.’
‘Wat mojje drinke?!’
Ik veegde met mijn mouw mijn gezicht snel droog en zei: ‘Plat water, dat is zonder bubbels. Liefst uit de fles.’
‘Spa blauw?’
‘Als het Spa blauw is, ben ik dik tevreden.’
De gast achter de toog graaide onder de toog en zette een flesje op tafel. ‘Hoeft geen glas bij, hè? Dat is dan drie euro voor een Spa blauw.’
Ik pakte het flesje op en bekeek het aandachtig. ‘En hoe veel kost dit flesje Sourcy?’
‘O, gaan we gevat doen?’ De slapen van de gast achter de toog liepen rood aan. Ze trilden ook nogal. ‘Meneer hep gestudeerd?’ Zijn nek trok wit weg. ‘Meneer denkt een hardwerkende ondernemer een beetje openlijk voor lul te zetten, hè?!’
‘Geenszins,’ zei ik. ‘Ik vroeg me alleen af waarom je het een Spa blauw noemt als je Sourcy schenkt.’
‘Ik schenk niets. Dat doe je maar mooi zelf!’
‘Vooruit, voor deze keer,’ zei ik. Ik legde een briefje van vijf op de toog. ‘Kijk eens. Laat maar zitten.’ Ik pakte het flesje, draaide me om en liep naar een lege tafel.

Alle tafels waren nog leeg. Alle bezoekers hingen aan de bar. Ik ging zitten, nam een slok en zette het halflege flesje op tafel.
Uit de meute bij de bar maakte iemand zich los. Nee hè, het was hoe heet ze ook weer. Ze kwam naar me toe.
‘Hoe heet je ook weer?’ vroeg ik haar, nog voordat ze mij kon aanspreken.
‘Jacqueline.’
‘Jacqueline,’ herhaalde ik. ‘Nooit van gehoord.’
‘Jij weet nog wel eens wat, hè?’ begon ze.
‘Ho ho,’ onderbrak ik haar. ‘Ik weet niks. Hooguit één ding.’
‘Wat dan, als ik vragen mag?’
‘Als iemand tegen je zegt: jij weet nog wel eens wat, dan weet je in ieder geval dat hij of zij iets van je moet.’
‘Ik moet niets van je. Ik wil alleen maar.’
‘Nee, dank je, Angelique.’
‘Jacqueline.’
‘Jacqueline.’
‘Bas, jij had toch een depressie of een burnoff?’
‘Een burnout.’
‘Whatever.’
‘Nou, doe er niet al te gemakkelijk over.’
‘Hoezo niet?’
‘Het is geen pretje.’
‘Maar wel actueel. Het is bijna een hype.’
‘Laat me raden, Danique. Nu wil jij er ook één?’
‘Jacqueline.’
‘Whatever.’
‘Hoe zou jij het vinden als ik jou steeds Bart of Bert of Joop of Jaap of Joep zou noemen?’
‘Niet zo erg.’
‘O.’
‘Maar wat ik zeggen wilde, Janine: had jij twintig jaar geleden ooit gedacht dat je nog eens bijna zeven gulden zou betalen voor een slok water in een café?’
Ze zuchtte. ‘Zit jij nou nog om te rekenen? Dat is toch al lang passé? Terugtellen naar guldens is zó vorig decennia.’
‘Decennium.’
‘Whatever.’
‘Engelse termen gebruiken voor een begrip waar we een heel behoorlijk Nederlands alternatief voor hebben getuigt tegenwoordig voornamelijk van een niet al te hoge intelligentie en zelfkennis.’
‘Ik kan je niet volgen.’
‘Volgens mij gaat het niet zo goed met jou. Of zit ik er nu heel ver naast?’
Ze barstte in tranen uit. ‘Praat me er niet van,’ snikte ze.
‘Goed. Dan gaan we het eens over iets anders hebben. De crisis in Syrië, bijvoorbeeld.’
‘Nee!’ jankte ze. ‘Niet Syrië! Daar wil ik niet met jou over praten. Er is iets anders waar ik mee zit en wat ik aan je wil vragen. Ik zit tegen een burnout aan.’
‘Dat kan niet. Neem van mij aan: je hebt er een of je hebt er geen.’
‘Wat is het dan wat ik heb?’
‘Een scherpe behoefte aan aandacht?’
‘Laat mij nou even vertellen!’ Haar tranen waren weg. In plaats daarvan zag ik een ongekende felheid in haar ogen.
‘Vooruit, Frederique. Laat je gaan. Vertel maar. Zeg wat je op je hart hebt.’
‘Ik voel me zo waardeloos.’
‘Ik voel met je mee.’
‘Echt. Nutteloos, niet gewaardeerd. Ik ben mijn baan kwijt, mijn relatie, mijn zelfvertrouwen. Ik weet niets, ik kan niets, ik ben niets.’
Ik knikte instemmend en begripvol.
‘Zeg nou eens iets opbeurends,’ drong ze aan.
‘Ach toe nou,’ zei ik. ‘Zo erg is het toch niet? Stel je voor dat je iets weet en dat anderen dat doorkrijgen. Dan komen ze de hele tijd bij jou met van: Jij weet nog wel eens wat, hè?’
‘Praat me er niet van.’
‘Dan houden we er alsnog over op.’
‘Nee, zo bedoel ik het niet! Jij bent bekend met depressie en burnout. Had jij toen ook het idee dat je niets kon?’
‘Dat idee heb ik al bijna drieënvijftig jaar. Maar in mijn geval heeft het meer te maken met hoe mijn moeder met mij omging, dan dat het is gebaseerd op feiten.’
‘Leg eens uit?’
‘Nee.’
‘Ik snap je niet.’
‘Zeg dát dan.’
‘Ik snap je niet.’
‘Geeft niet. Daar kun je ook niets aan doen. Om het wat minder erg te maken en wat draaglijker: er is toch wel iets wat je kunt?’
‘Nee, ik ben een grote mislukkeling.’
‘Kom op, Marie-Antoinette. Er is vast en zeker iets waar je goed in bent. Fietsen, bijvoorbeeld? Tennissen? Knutselen? Lassen? Zeg het maar.’
‘Maandstonden.’
‘Joke, het was leuk even met je gesproken te hebben. Nu moet je weer terug naar de bar.’
‘O. Waarom?’
‘Daar komt die vogel van daarnet.’

Die vogel van daarnet kwam bij de tafel staan. ‘Is zij nou ook geraakt door de muziek?’ vroeg hij aan mij.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik heb haar zojuist weggestuurd. Vandaar die tranen.’
‘Ze zit hier anders nog steeds.’
‘Monique is een beetje doof,’ zei ik. Ik draaide me naar haar toe. ‘Optyfen!’ brulde ik.
Geschrokken stond ze op en ze rende bijna naar de toiletten.
‘Die had hoge nood,’ zei ik.
‘Ik ken haar wel,’ zei de vogel van daarnet. ‘Het is een zeikwijf.’
‘Kennen wij elkaar?’ vroeg ik wazig.
‘Bas, natuurlijk kennen wij elkaar.’
‘Ik jou niet.’
Hij stak een hand toe. ‘Lothar,’ zei hij.
‘Lothar? Is dat Duits? En hoe heet je dan van achteren?’
‘Warmond.’
‘Is dat Duits?’
‘Weet ik het?’
‘Als jij al het niet weet, wie zou het dan wel moeten weten?’
‘Ik ga zitten.’
‘Doe of je thuis bent. Je hoeft het niet te vragen.’
Lothar ging zitten. ‘Hoe gaat het met jou?’
‘Hoe gaat het met mij? Is dat van belang? Stel: het gaat goed met mij, wat ga je dan met die informatie doen? En als ik nou zeg dat het niet zo goed gaat, hoe moet het dan? Stuur je dan een hulpverlener op mij af? Je weet toch dat als je aan mensen vraagt hoe het met ze gaat, dat ze dan in de meeste gevallen liegen dat het goed gaat? En wat is goed? Het tegenovergestelde van slecht, maar wat is slecht? Wie bepaalt wie goed is en wat slecht? Wat denk jij: moeten we ons na afloop van dit aardse bestaan nog ergens verantwoorden en zo ja: bij wie? Wie heeft hem of haar dan de macht gegeven om te bepalen wat goed en slecht is? Wat een levensvragen allemaal weer. En dat op een avond in het café. Voor een goed gesprek hoef je niet naar de kroeg.’
‘Dat zei ik laatst ook tegen mijn vrouw.’
‘Ha, en wat zei zij toen?’
‘Neuk ’s door!’
Ik keek hem met grote ogen aan.
‘Wat nou?’ riep hij uit. ‘Alsof jij nooit iets tegen je vrouw zegt.’
‘Nee. Daar zijn we mee gestopt. Daar komt alleen maar ruzie van. Maar zeg eens, Lothar Walmbeck. Heb jij wel eens ruzie met je vrouw en zo ja: ook tijdens het neuken?’
Hij tilde een bil van zijn stoel op en liet een tamelijk harde wind.
Ik keek hem opnieuw met grote ogen aan.
‘Wat nou?’ riep hij uit. ‘Alsof jij nooit scheten laat.’
‘Dat wel, maar ik laat nooit zo luid van me horen.’
‘Het is gas! Hartstikke schaars! Een mooi alternatief voor die gasten in Groningen! Ze zouden blij moeten zijn!’
Volgens mij werd hij boos. ‘Volgens mij word je boos,’ zei ik.
‘Boos! Ja, om dat geouwehoer over die bevingen en die gasboringen en die Groningers met hun scheuren in de gevel. Het land schreeuwt om gas en die Groningers willen uit zuinigheid op hun huisje niet dat wij het bij hen uit de grond halen en dan doneer ik vrijwillig mijn gas zodat we er allemaal gebruik van kunnen maken en dan zet meneer hier grote ogen op! De ondankbaarheid!’ Al schreeuwende was hij opgestaan. Zijn stoel was naar achteren geschoven en achterover gevallen.
‘Voorzichtig,’ zei ik. ‘De ruiten trillen in de sponningen van je gebrul. Straks breken ze nog.’
‘Ik brul niet! Wat kan mij goffedegoffe die ruiten rotten? Ik kom hier voor een leuke avond in de kroeg en dan zal ik niet de ramen uit de muren mogen brullen! Wat is dit hier voor een …’
Lothar had zijn stoel opgepakt en liep ermee naar het grote raam. Tamelijk handig gooide hij hem door het glas heen. Bij de bar keek men op. Lothar had inmiddels twee andere stoelen opgepakt en liep er zwaaiend mee naar de toog.
‘Ik daggut nie, hè?’ zei de gast achter de toog. ‘Ik daggut nie!’
‘Ik dacht het wel.’ Een stoel vloog over de toog heen en raakte de computer. De schlagers stopten. Een tweede stoel vloog ook over de toog en raakte de gast die erachter stond.
‘Wat is hier gaande?’ gilde Jacqueline, die net uit het toilet kwam. ‘Ik kan jullie ook niet heel even alleen laten of er gebeuren ongelukken, hè?’
‘Inderdaad, je kunt niets, Aukelien,’ zei ik.
‘Bemoei je d’r niet mee!’ krijste ze. Iemand hield haar tegen. ‘Houd me niet tegen! Lothar, help!’ Ze sloeg haar nagels in het gezicht van de iemand die haar tegen hield. Bloed spatte tegen de muur.
Dat had ze heus niet tegen Lothar hoeven zeggen. Lothar had al vier man bij de toog pootje gehaakt en een elleboog in het gezicht gegeven. Nu vloog hij op Jacqueline af.

Zelf vond ik de avond leuk genoeg geweest. En dat voor slechts vijf euro. Terwijl ik naar de deur van café De keurschlager liep, zocht ik de inmiddels kale wanden af. Ik kon natuurlijk nergens meer zien hoe laat of het was. Toch wist ik het wel.


Apeldoorn, april 2018

Hier lees ‘m op FOK!

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post.

Leave a comment