bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

16-04-2018

Piespot

Filed under: FOK!publicaties - 2018 — bazbo @ 01:00

Soms heb je dat. Althans: ik wel. Laatst had ik het weer.

Soms heb je dat. Althans: ik wel. Laatst had ik het weer.
Vol goede moed ging ik naar het ziekenhuis. Waar ik die moed vandaan haalde weet ik niet, want ik ben niet zo’n held. Onzekerheid en angst domineren mijn leven. Sinds De Grote Depressie van 16 november 2013 en de drie jaar die daarop volgden, heb ik geleerd mij staande te houden, maar gemakkelijk is het niet. Dat komt: ik ben ook al geen doorzetter. Bij het uitdelen van de ruggengraten stond ik niet vooraan in de rij; door mijn onzekerheden en angsten lukte het me niet mij te verweren toen anderen voordrongen. Aanvaarden van dit alles lukt me dan weer wel. Zo ook het avontuur van vandaag: naar het ziekenhuis om bloed te prikken.

Ergens bij een balie trok ik een nummertje. Vervolgens ging ik zitten en wachtte ik op mijn beurt. Aan de muur hingen posters. Aandachttrekkerij voor methoden en programma’s om de meest afgrijselijke ziekten te voorkomen. Gezellig.
Ik heb het niet zo op een ziekenhuis. Vanaf het moment dat je een stap over de drempel zet, kun je geen verdere stap meer doen, want je bent ziek en moet dus in een rolstoel. Behalve als je op bezoek komt, maar ik word in een ziekenhuis ook niet vrolijk van al die mensen die in rolstoelen zitten of in bedden liggen. In een ziekenhuis moeten ze je beter maken, maar aan hoe de patiënten erbij zitten of liggen, merk ik weinig progressie.
Inmiddels weten we dat herstel het beste gaat als je beweegt. Ik wil Erik Scherder wel geloven. De hersenen hebben bepaalde stimuli en stofjes nodig om signalen te geven naar de lichaamsdelen die moeten genezen. En die stimuli en stofjes ontstaan door: bewegen van het lichaam. Dan is het dus bijzonder vreemd dat als je wilt genezen, je in een ziekenhuis gelijk in een bed moet.

Gelukkig hoefde ik niet in bed. Zo erg was het allemaal ook weer niet. Ik hoefde alleen maar mijn bloed te laten prikken. Op een display verscheen het nummer dat overeenkwam met het nummer dat op mijn briefje stond. Ik stond op en liep naar een hok. Daar zat een mevrouw aan een tafel. Op de tafel stond een heel rek met allerlei buisjes.
‘Gaat u zitten,’ zei ze.
Ik vond de stoel die ze me aanbood niet zo comfortabel, maar uit beleefdheid ging ik toch maar zitten.
‘Doet u de mouw maar even omhoog,’ zei ze.
Ik deed het ook nog. Zoals gezegd: onzekerheid en angst.
De mevrouw wreef met een nat watje in de binnenkant van mijn elleboog en stak er vervolgens doodleuk een injectienaald in. Ik was nog net op tijd met de andere kant op kijken.
‘Zo, dat is ook weer gebeurd,’ zei ze.
Ik keek weer naar haar. Ze schroefde een dopje op een buisje en plakte er een stickertje op. Het buisje zette ze in het rek. Toen wreef ze weer met een watje in de binnenkant van mijn elleboog en plakte het vast met een stukje pleistertape. Vervolgens keek ze op de papieren die ze voor zich had liggen.
‘En u komt ook nog urine inleveren,’ ze zei ze.

‘Klopt.’ Ik haalde het kleine potje uit mijn tas en zette het op tafel.
‘Eh,’ begon de mevrouw, ‘dat kan ik zo niet aannemen.’
‘O?’
‘Het zit niet in het juiste buisje.’
‘Maar dit is een gewoon ziekenhuisbuisje om urine in op te vangen.’
‘Nee, het is niet een van onze buisjes. Heeft u die van ons gekregen?’
‘Nee, dat niet. Heel verhaal. Een paar maanden geleden is mijn schoonmoeder overleden. Bij het leeghalen van het huis vond mijn vrouw een hele voorraad medicatie en een paar van dit soort buisjes. Zonde om weg te gooien. Helemaal niet nodig, ook. Er is niets mee gebeurd, ze zijn niet gebruikt en zaten nog in het plastic.’
‘Dat begrijp ik wel, maar wij mogen alleen monsters innemen die in de buisjes van ons eigen ziekenhuis zitten.’
‘Wat is dat nou voor onnodige onzin?’ Ik pakte het potje weer op en dacht: Dan niet!
‘Woonde uw schoonmoeder in een andere regio?’
‘Gelukkig wel,’ wilde ik zeggen. Maar ik zei: ‘Ja, bij Barneveld in de buurt.’
‘Dat dacht ik al wel. Iedere regio hanteert zijn eigen materialen.’
‘Belachelijk. Ik vind het grove verspilling om dit spul weg te gooien. Het is nog goed en zat zelfs nog in de verpakking.’
‘Mag ik het buisje nog eens zien?’
‘Alsjeblieft.’
Ze nam het van mij aan. ‘Hm, ik denk dat ik voor deze keer wel een uitzondering kan maken.’
‘Fijn,’ zei ik. ‘En wil je dan ook ergens aankaarten dat dit voortaan anders gaat?’
‘Dat zal ik doen, maar ik kan natuurlijk niets beloven,’ lachte ze.
‘Natuurlijk niet.’
‘Een fijne dag nog,’ zei ze.
Ik zei: ‘Ik ben bang.’

Ik stond op en verliet het kamertje. Buiten scheen de zon. Ik knipperde met mijn ogen en zei hardop: ‘Wat een gezeik om een piespotje.’


Apeldoorn, april 2018

Lees hem hier op FOK!

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post.

Leave a comment