bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

20-09-2014

Grijs gebied

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2014 — bazbo @ 15:14

Het was zover. De paniek sloeg toe. Het zweet stond hem op het voorhoofd, in zijn nek, op zijn rug, in de handpalmen, op de benen, in de bilnaad.

Het was zover. De paniek sloeg toe. Het zweet stond hem op het voorhoofd, in zijn nek, op zijn rug, in de handpalmen, op de benen, in de bilnaad. Maar dat kon ook van het weer zijn. Het was nu al een paar dagen goed heet in het land en dus ook in zijn achtertuin. Zijn vrouw waagde zich niet buiten met deze atmosferische omstandigheden; zij zocht de verkoeling binnen en was aan de computer doende met e-mail en Facebook. Hijzelf lag onderuit op een tuinstoel die was gepositioneerd onder een parasol op het terras achter het huis. De zon scheen fel en de UV-straling leek dwars door het dunne doek heen te branden.

Hij had zitten lezen. Het dikke boek plakte op zijn blote bovenbenen. Met deze warmte had hij zijn lange broek, sokken en shirt uitgetrokken. Slechts gekleed in een onderbroek zat hij te puffen. In dit soort verhitte tijden droeg hij het liefst helemaal geen kleren. Wat belette hem? De tuin was beschut genoeg.

De laatste week liet hij ’s morgens vroeg, als hij naar beneden kwam, de gordijnen dicht en zijn kleren uit. Heerlijk vond hij dat. Een gevoel van ultieme vrijheid, zo beleefde hij het. Jammer dat hij de straat op moest om de krant uit de brievenbus te halen. Die brievenbus hing aan de muur van de schuur. Het was op de vroege ochtend nog zeer stil op straat, maar het ging hem te ver om de gok te wagen dat toch niemand hem zou kunnen zien. Nee, hij ging de straat heus niet op in zijn blote reet. Toch beleefde hij een steels genoegen toen hij vanmorgen in zijn onderbroek de voordeur uitging en de zes meter schielijk aflegde om het ochtendblad uit de brievenbus op te halen. Niemand zag hem.

Het was écht warm. Zijn hand gleed over zijn bezwete buik. Even luchten, dacht hij nog. Handig trok hij het elastiek van zijn onderbroek omhoog, zodat zijn onderdeel zich niet langer in zijn benauwde positie hoefde te bevinden. Terloops wierp hij een blik op zijn ongeschoren schaamte. Maar wat was dat? Zijn mond viel open.

‘Zo, komt u binnen.’
Hij was al binnen.
‘Neemt u plaats op de stoel.’
Iets anders was hij niet gewend.
‘Nou, vandaag neemt u een beetje afscheid van uw jeugd.’
‘U haalt me de woorden uit de mond,’ wilde hij zeggen. ‘En straks nog een melkkies ook.’ Hij zei het niet.
Dat van die melkkies was echt waar. Het was me toch wat. Hij liep al meer dan vijfenveertig jaar op deze aardbol rond met een juveniel onderdeel in zijn gebit en er zat geen volwassen exemplaar onder. Dit was al die vijfenveertig jaar lang geen probleem geweest, tot enkele maanden geleden. Toen zei de tandarts: ‘Hij moet er binnenkort uit. Er is grote kans dat hij gaat ontsteken. Dan moet hij er alsnog uit en dat zal in die omstandigheden zeer pijnlijk zijn. U kunt een afspraak maken bij de assistente.’
‘Komt dit nu vaak voor?’ vroeg hij, terwijl hij hoorde hoe de tandarts zijn plastic handschoenen aantrok.
‘Niet vaak, maar dat er in een dergelijk geval uiteindelijk problemen ontstaan en dat de melkkies verwijderd moet, dat zo goed als altijd.’
‘Ach zo,’ wilde hij zeggen, maar daar kreeg hij geen gelegenheid voor. De stoel bewoog al naar achteren.

Het was allemaal zo gepiept. De verdoving maakte dat hij er niets van voelde. Nog geen kwartier later stond hij weer buiten, nu met een gaasje tussen zijn kaken geklemd.
Hij reed terug naar huis via de supermarkt.
‘Goedemiddag,’ begroette hem het meisje van achter de kassa.
‘Mmmnnnnggg,’ murmelde hij met gesloten mond. Hij durfde haar niet aan te kijken en legde de laatste benodigdheden voor de bamisoep (mie, bladselderij, gebakken uitjes) op de band.
De caissière noemde het eindbedrag.
Hummend maakte hij duidelijk dat hij wilde pinnen. Snel drukte hij de code in. Het ging allemaal goed.
‘Wilt u het bonnetje mee?’
‘Hmmnnunkjuh.’
Het kind achter de kassa keek hem aan alsof hij de viezigheid zelve was. Zo voelde hij zich wel. Met een diepe zucht duwde hij het karretje met de paar boodschapjes erin naar buiten. Hij had pijn aan zijn bek.

‘Schat!’ brulde hij, terwijl hij de keuken binnenstormde.
‘Wat is er?’ riep zijn vrouw vanuit de woonkamer. ‘Vanwaar de paniek?’
‘Het is zover!’ Hijgend ging hij naast haar stoel staan.
Ze was bezig achter de computer. ‘Wat?’
‘Hier.’ Hij liet zijn onderbroek zakken.
‘Waar?’
‘Daar!’ wees hij. Hij peuterde in zijn struikgewas en trok iets tevoorschijn. Met een ferme ruk kwam de boosdoener los. ‘Nu hier,’ zei hij, terwijl hij het met pincetgreep tussen duim en wijsvinger op het bureaublad presenteerde. ‘Ik zit in de tuin en opeens ontdek ik dit!’
‘Wat is het?’ vroeg zijn vrouw voorovergebogen, de ogen samengeknepen en turend met gefronste wenkbrauwen. Ze bewoog haar bril naar het puntje van haar neus.
‘Het is het begin van het einde,’ was zijn antwoord.
‘Het is een witte haar,’ zei ze opgelucht. ‘Nou nou, wat een paniek. Kijk in de spiegel, daar zitten er nog veel meer.’
‘Maar deze is anders.’
‘Hoezo?’
‘Het is een scháámhaar. Dat zag je toch?’
‘Nee, dat was me ontgaan. Je stond ook zo te gillen.’
‘Dan weet je het nu.’
‘Dus jij zit in de tuin je schaamhaar op kleur te controleren? Leuk voor de buren, is dat.’
‘Die zien niets. Wij zien die buren van ons toch ook nooit?’
‘Toch vind ik het niet kies dat je dat daar gaat zitten doen. Dat je het überhaupt zit te doen.’
‘Een beetje medeleven was me tot steun geweest.’

Ietwat beteuterd ging hij terug naar de tuin. Met een puf van de warmte zakte hij neer op het kussen in de terrasstoel. Onbewust gleed zijn hand over zijn buik naar beneden. Wederom trok hij het elastiek van zijn onderbroek omhoog, zodat een voorbijkomende windvlaag een verfrissend effect op zijn kruis zou hebben. Echter, er was geen voorbijkomende windvlaag, dus sjorde hij zijn slip tot halverwege zijn dijen naar beneden. Er was toch niemand in de belendende percelen die hem zou kunnen zien.
Zo van boven zag zijn dinges er maar klein uit. Schijn bedriegt, wist hij. Als hij in zijn blootje voor de spiegel stond, was schaamte omtrent zijn orgaan nicht im Frage. Tjonge, wat kon hij tevreden zijn met de kleine dingen in het leven. Of wacht, het betrof hier nu juist helemaal géén klein ding. Van opwinding kreeg hij een harde plasser. Zo verouderd als zijn lichaamsbeharing eruit mocht zien, zo naar behoren functioneerde zijn penis.
Ouder worden, zo bedacht hij, het verval en de aftakeling, het bleef een grijs gebied.


Apeldoorn, september 2014

 

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post.

Leave a comment