bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

21-12-2011

bAAzbo

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2011 — bazbo @ 11:24

(Deze column schuif ik al maanden voor mij uit.)

Ik heet Bas Langereis en ik ben geen anonieme alcoholist. Ik kom er rond voor uit. Zie mijn dikke buik maar eens.
“Ik heb een enorme afkeer van drugs,” roep ik altijd. “Het maakt mensen niet meer wie ze eigenlijk zijn. Dat mensen zich zo kunnen verliezen in benevelde toestanden, daar kan ik met mijn kop niet bij. Ik heb veel liever te maken met mensen die grip op zichzelf hebben.” Vervolgens giet ik mijn glas nog eens vol. Drank is de hardste drug die je je maar voor kunt stellen.

(Deze column schuif ik al maanden voor mij uit.)

Ik heet Bas Langereis en ik ben geen anonieme alcoholist. Ik kom er rond voor uit. Zie mijn dikke buik maar eens.
Ik drink niet uit ellende. Ik hoef niets te vergeten. Ik ben de gelukkigste vent van de wereld. Ik heb alles wat ik maar zou willen: een huis, een muziekverzameling, schrijftalent, zelfs een leuke báán (Wat zeg ik? Ik heb wel twéé nieuwe werkplekken!), maar veel belangrijker nog: ik heb schitterende mensen om mij heen, waaronder veel vrienden en bovenal een kanjer van De Zoon en een schat van een Vrouwlief. Ik heb echter wel een probleem: ik drink fors.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
De eerste drieëntwintig jaar van mijn leven stond ik bekend als notoire niet-drinker. Nou, daar is enigszins verandering in gekomen. Maar daarover later meer.
Mijn oma werd tachtig jaar en dat moest gevierd. Alle kinderen en kleinkinderen verzamelden zich in een zaaltje onder in de kelder van het bejaardenhuis aan de Heijendaalseweg in Nijmegen. Ik zal een jaar of twaalf geweest zijn. De beruchte neef Frank voerde mij drie minieme borrelglaasjes rosé. Ik vond het tóén al leuk om toneel te spelen en deed net alsof ik heel dronken was. Mama kreeg mijn malle gedrag in de gaten, dacht dat het allemaal echt was en schudde mij door elkaar. “Rotjongen! Je moet niet doen wat anderen tegen je zeggen! Hoor je me? Gedraag je nou toch eens! Waar heb ik zulke kinderen toch aan verdiend?”

Een gezinsmoment tijdens het kerstdiner. Ik ben zeventien jaar. Wijnglazen op de eettafel. Ik zet die van mij op de kop. Ik hoef geen wijn. Mama zegt kribbig: “Hè, doe nou ’s een keer gezellig. Drink een klein glaasje met iedereen mee.” Weer niet goed.
Ik houd niet van drank. Dat komt door mijn vrienden. Die zitten net als ik bij scouting. Zij zuipen bier. “Wát? Heb jij al drie bier op?” roepen ze tegen elkaar. “Ik pas twee. Dan moet ik dóórdrinken!” Ik vind dat zó achterlijk, hè.

Als ik achttien ben, ga ik studeren in Tilburg. Niet lang. Wel lang genoeg om er verliefd te worden op een paar meisjes. Ik koop af en toe een flesje wijn en deel deze dan met een betreffend meisje. Met de studie en de meisjes wordt het niets en ik keer terug naar het machtige Apeldoorn.
Jaren later ben ik op een feestje bij vrienden aan de Randenbroekerweg in Amersfoort. We toosten met een Tequila Sunrise. Wauw, dat is lekker. Iets later die avond vind ik op de dranktafel wodka en jus. In mijn glas gaat bij ieder nieuw drankje steeds minder jus en steeds meer wodka.
Rond die tijd ontmoet ik Vrouwlief en ik ga met haar samenwonen. Veel mensen menen dat mijn drankgebruik te wijten is aan Vrouwlief, maar dat is niet zo. Ik bedoel: ík drink. Zij ook, maar tegenwoordig een stuk minder.

Met een stelletje malle lui ga ik een keer kanovaren van Loenen naar Apeldoorn over het Apeldoorns Kanaal. Midden in de nacht. Hoewel het een zwoele augustusnacht is, heb ik om warm te blijven een fles wodka mee. Als we de kano instappen is de fles vol en als we twee of drie uur later de kano uitstappen is hij leeg. Ik begin het al aardig te leren.
Het duurt niet lang of ik ga het thuis ook op een zuipen zetten. Aanvankelijk drink ik alleen in het weekend. Hoe ik achteraf dan al die werkdagen ben doorgekomen, is me een algeheel raadsel. Vrijdagmiddag vieren we weekend met een biertje, nog een biertje en later op de avond een wodkaatje of wat.

Ik heb al eens eerder verteld van mijn aanvraag bij de Gemeente voor een eigen glasbak voor de deur. Die aanvraag is geweigerd. Wél kreeg ik een tijdje terug een blauwe papiercontainer die ik niet wilde. Ik zette eens per maand het oud papier aan de straat en dan kwam een vereniging alles ophalen. Gratis. ‘Die blauwe papierbak krijg je ook gratis en legen kost ook niets,’ zul je zeggen. Ja, het eerste jaar of zo. Let maar eens op volgend jaar! Zeg dat ik het gezegd heb.
De jaren vorderen en dan komt de tijd dat ik echt iedere avond veel drink. Ik doe twee, hooguit drie dagen met een literfles wodka.

Rond het jaar 2001 ga ik lesgeven aan een MBO in Zwolle. Ik sta om kwart over vijf op en kom om zes uur ’s avonds thuis. Snel eten en dan verdwijn ik in mijn studeerkamer voor correctiewerk, uitdenken en uitschrijven van allerlei modules en het voorbereiden van mijn lessen. Om half elf kom ik naar beneden. Daar drink ik dan in sneltreinvaart mijn drank.
Ik had een keer op een donderdagmorgen vroeg een les ‘Menselijke ontwikkeling’ van twee uur lang en stond zwaar bekaterd (en eigenlijk nog halfzat) voor de klas. Als een bezetene begon ik te vertellen. Ik draaide niet mijn lesje af, maar gooide er vooral veel persoonlijke en dus lollige verhalen in over mijn eigen jeugd en opvoeding.
Een week later vroeg ik de klas hoe ze de les van vorige week hadden gevonden. “Dat was de leukste les die we tot nu toe van u hebben gehad, meneer!” was de reactie. Ik vertelde dat ik de avond ervoor nogal veel gedronken had en eigenlijk best draaierig mijn les had gegeven. “Wilt u iedere avond dan zoveel drinken, meneer?” vroeg de klas. Wisten zij veel.

Het was erg. Ik zat eens op een verjaardagsfeest en de jarige zei: “Ik heb voor jou een fles wodka in huis gehaald.”
“Welk merk is het?” Ik was nog kieskeurig geworden ook.
“Dat weet ik niet. Maar hier, moet je proeven.”
Ik proefde. “Dat is Moskowskaya,” zei ik. “Dat is een goeie.” Ik had gelijk. Zó erg was het met mij.
De hoeveelheid verhalen over mijn misdragingen als beschonkene doet mij blozen van schaamte. Heel veel van die verhalen heb ik hier al verteld. Niet dat ik er trots op ben; verre van dat.
“Ik heb een enorme afkeer van drugs,” roep ik altijd. “Het maakt mensen niet meer wie ze eigenlijk zijn. Dat mensen zich zo kunnen verliezen in benevelde toestanden, daar kan ik met mijn kop niet bij. Ik heb veel liever te maken met mensen die grip op zichzelf hebben.” Vervolgens giet ik mijn glas nog eens vol. Drank is de hardste drug die je je maar voor kunt stellen.

Sinds een jaar of zes ben ik gestopt met sterke drank. Dat dan weer wel. Sterke drank is heel duur geworden en met mijn drinktempo viel er niet langer geld tegenaan te verdienen.
Ik herinner me een moment dat de accijnzen op alcohol met een procent of tien omhoog gingen. Om de jongeren het drinken te ontmoedigen. Dat vond ik heel oneerlijk. Jongeren dronken toen voornamelijk bier. Een biertje kostte toen nog geen twee euro in de kroeg en dus zou de prijsverhoging nog geen twintig cent zijn. Maar een wodkaatje kostte al gauw vijf pleuro en dat betekende een forse prijsverhoging. De maatregel trof niet zozeer de jongeren, maar veel meer ons onschuldige alcoholisten! Sindsdien houd ik het bij bier. Met de nodige nadelen.

Wat drink ik zoal tegenwoordig?
Op werkdagen ben ik meestal rond vijf uur of zes uur thuis. Dan zorg ik voor eten. “Wie het eerste thuis is die kookt,” is de regel in huize bazbo. Ik ben niet als eerste thuis, maar Vrouwlief is wegens slopende ziekte vaak te moe om te koken. Tijdens het koken drink ik een biertje. Soms twee, soms meer. Als we aan tafel zitten, drink ik nog een biertje. Soms twee, soms meer. Dan is de avond al wat gevorderd. Meestal ga ik schrijven of muziek luisteren en dat moet je niet doen met een droge bek. Tijdens het schrijven of muziek luisteren drink ik een biertje. Soms twee, soms meer. Het komt voor dat ik op een avond zo zes bieren naar binnen giet. En dat is dan een werkdag.
Op vrij-, zater- en zondag gaat het anders. Dan heb ik om vier uur al zin in een witbier. Die neem ik dan. Soms twee, soms drie. En dan is het vijf of zes uur en ga ik over op de werkdagenroutine.

Tot aan mijn vijfendertigste woog ik nog geen vijfenvijftig kilo. Dat lijkt weinig, maar ik voelde me goed en het hóórde bij mij. “Eet toch eens wat meer! Kom eens wat aan,” riep men in mijn omgeving. Nu kom ik op verjaardagsvisite en zegt men: “Wat ben jij dik geworden.” Het is ook nooit goed.
“Ik leid een goed leven,” klets ik mij eruit.
Hier, moet je nou toch eens kijken. Dat lichaam van mij, dat is het slachtoffer van de roofbouw die ik heb gepleegd. Allahmachtig, wat heb ik een dikke buik en een pafkop gekregen. Ik zie er niet uit.

Nu is het moment daar. Het moment dat ik in de openbaarheid beken: “Ik heet Bas Langereis en ik ben geen anonieme alcoholist.”

Apeldoorn, juni 2011

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post.

Leave a comment