bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

25-08-2010

Voor Marianne

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2010 — bazbo @ 22:53

De liefde van mijn leven. Bestaat hij? Of moet dat ‘zij’ zijn? Is liefde mannelijk of vrouwelijk? Of misschien zelfs onzijdig? Even nakijken. Het woord ‘liefde’ is vrouwelijk, vertelt mijn woordenboek. Hoe moet dat dan als je een heteroseksuele vrouw bent? Dan is de liefde van je leven ook vrouwelijk.
De liefde van mijn leven. Bestaat zij? Die vraag klopt niet. Het moet zijn: Bestaan zij? Want hoeveel liefdes van mijn leven heb ik ondertussen al niet gehad?

De liefde van mijn leven. Bestaat hij? Of moet dat ‘zij’ zijn? Is liefde mannelijk of vrouwelijk? Of misschien zelfs onzijdig? Even nakijken. Het woord ‘liefde’ is vrouwelijk, vertelt mijn woordenboek. Hoe moet dat dan als je een heteroseksuele vrouw bent? Dan is de liefde van je leven ook vrouwelijk.
De liefde van mijn leven. Bestaat zij? Die vraag klopt niet. Het moet zijn: Bestaan zij? Want hoeveel liefdes van mijn leven heb ik ondertussen al niet gehad?
Om misverstanden te voorkomen: de enige echte, vroeger en nu en tot in de eeuwen der eeuwen amen, is natuurlijk Vrouwlief. Maar ik heb een hartafwijking, dat heb ik al vaker verteld. Niet alleen moet ik leven met een hartruis en de gevolgen daarvan (pijn, steken, hartkloppingen, kortademigheid, weetikveel, als ik het maar rustig aan kan doen), maar ook is mijn hart zó groot dat ik het altijd graag heb willen delen met diverse meisjes en vrouwen, niet zelden meerdere tegelijk. Niet dat ook maar één meisje of vrouw mijn gulgevigheid ooit aanvaardde. Op een paar uitzonderingen na, maar dat moge duidelijk zijn.

Over Marianne heb ik al heel veel gedichten, brieven, verhalen en boeken geschreven. Nog veel meer gedichten, brieven, verhalen en boeken over Marianne heb ik níét geschreven. Het houdt een keer op. Wat niet ophoudt, is de dorst. Allahmachtig, wat zit ik hier weer te zuipen. Hoog tijd dat ik een eigen glasbak op mijn erfje krijg. Zo eentje die ingegraven is, dat je aan de oppervlakte niet kunt zien hoeveel vergif ik mijn lijf in giet. Met Marianne kon ik altijd heel goed drinken. En praten. Over Marianne kan ik ook goed praten. Eindeloos.

De regen kwam nog steeds met bakken uit de hemel. Als het weerlichtte, kon je goed zien dat het hele terrein onder een flinke laag water stond. Alleen de kooktent en de etensvoorraad waren als door een wonder droog gebleven. Wéér zo’n felle flits, even later gevolgd door een doffe rommel.
Mijn gympies en sokken waren doorweekt en mijn broekspijpen waren tot aan mijn knieën nat. De goedkope paraplu hielp niet veel.
Het was half drie ’s nachts. Een half uur geleden waren de kinderen uit de slaaptenten gedreven. Het rommelde de hele avond al wel, maar zo”n wolkbreuk als deze hadden we niet verwacht. Binnen vijf minuten stond het hele kampeerterrein onder een laag water van bijna tien centimeter. Als een speer hadden we de kinderen met alles wat nog droog was in de taxibusjes gepropt om te schuilen.
Ik had koffie gemaakt en chocolademelk opgewarmd. De overgebleven pannenkoeken van die avond gingen er gretig in. Toen iedereen in de busjes was voorzien van eten en drinken, vond ik dat ook ik wat rust had verdiend. Ik slenterde in de richting van de kooktent. Het was niet koud en mijn benen waren nat, dus het maakte niet uit dat ik door de plassen heen slofte. Het water spatte hoog op.
In een van de busjes werd een raampje open gedraaid.
“Hé Bas, kom je bij mij in de bus zitten?” klonk haar stem.

We waren met z’n dertienen. Vrijwillig offerden we ieder een week van onze vakantie op om al deze kinderen een onvergetelijke week te bezorgen. Vijftig kinderen uit Apeldoorn, die zelf niet op vakantie gingen. Dan kun je wel bedenken wat voor kinderen je meekrijgt: uit gebroken gezinnen, uit gezinnen die moeten rondkomen van de bijstand, of kinderen met leer-, gedrags- of opvoedingsproblemen. Ieder jaar weer zochten we een andere camping ergens in Nederland en maakten we een week plezier.
Ik ging al jaren mee. De eerste keren begeleidde ik een groepje kinderen; de laatste jaren kookte ik voor de hele groep. Nu was het 1994 en stonden we bij Middelbeers in Noord-Brabant.
Vorig jaar was ze er voor het eerst bij en lieve help, wat een verpletterende indruk maakte ze.

Haar stem! Haar stem! Vaak hoorde ik niet eens wat ze zei, maar luisterde ik alleen maar naar hoe ze het zei. Stemexpressie waar ik geheel ondersteboven van kon raken. Zo zachtjes en rustig, zo verward en onzeker. Zo veilig en mooi. Zo stemhebbend als ze lachte.
“Bas, heb jij een horloge?” vroeg ze.
“Nee,” zei ik.
“O, jammer. Nou ja, geeft niet. Of… ach. Godver.”
Zij was de vrouw die zo schitterend kon vloeken.

“Dat is goed!” riep ik terug. “Ik kom er zo aan. Even de fles pakken!”
“Goed idee,” lachte ze. “Ik ben ook wel toe aan iets sterks.”
Niet veel later deed ik de deur van het busje open en ging ik zitten achter het stuur. De fles zette ik aan mijn voeten. Ze zat op de stoel naast me en had een deken over haar benen liggen. Achter in de bus was het rustig. Verscheidene kinderen lagen op of tussen de achterbanken. Er hing zo’n zompig doffe geur van vlak na een zomeronweersbui. Ik draaide de dop van de fles en schonk twee bekertjes wodka in.
“Hmm, lekker,” fluisterde ze en ze begon te drinken. Ik goot het eerste bodempje snel naar binnen en deed mezelf een nieuwe in. Voorzichtig keek ik opzij.
Ze had haar handen om het bekertje heen geslagen, alsof ze zich eraan warmde. Ze had haar ogen gesloten. Natte strengen van haar lange blonde haren hingen wild langs haar gezicht omlaag. Haar zwarte shirt was kletsnat. Van het dashboard pakte ze een dik boek. Ze bladerde erin, maar leek niets te kunnen vinden.
“Weet je wat we morgen eten?” begon ik een flauwe grap. Ik wist niet wat ik anders moest zeggen. “Watermeloen.”
Ze moest lachen en bladerde intussen door. “Wil jij iets voorlezen?” vroeg ze opeens.
Ik pakte het boek aan en zocht het allerkortste sprookje dat ik kon vinden. ‘De prinses op de erwt’.
De kinderen waren stil. Ik las. Ik voelde hoe Marianne naast mij zat te luisteren. Stiekem keek ik even opzij. Ze luisterde met haar ogen dicht. Onder het vertellen schonk ik haar bekertje weer vol. Ik hoorde haar zachtjes giechelen en las verder. Ze bewoog naar het bekertje op het dashboard. Het sprookje was bijna afgelopen. Ze slurpte een beetje en ik moest ervan grinniken.
Ik sloeg het boek dicht en keek achter mij. Alle kinderen lagen te slapen. Ze pakte het boek uit mijn handen en legde het weg.
“Laten we maar proberen om een beetje te gaan slapen,” zei ze. Toen vouwde ze de deken uit en sloeg een helft over mij heen.
Met één teug leegde ik mijn bekertje en zette het op de vloer. Ik trok mijn benen omhoog en legde mijn voeten naast het stuur op het dashboard. Hoe ik me ook bewoog, ik kon geen prettige ontspannen houding vinden.
Naast me hoorde ik plots een snurkgeluidje. Ik keek. Ze sliep al. Haar lange blonde haren waren nog altijd nat en zaten flink door de war. Door haar ademhaling gingen haar buik en borst op en neer. Op haar voorhoofd maakte een druppel zich los uit haar haren. Langzaam liep hij naar beneden. Haar dunne wenkbrauw bleek geen obstakel. Ik volgde de druppel over de bolling van haar oog tot hij in de ooghaartjes op haar jukbeen bleef hangen.
Ik legde mijn hoofd naar achteren tegen de leuning en terwijl ik naar haar bleef kijken, wist ik dat de slaap nooit zou komen.

Eergisteren is ze getrouwd. Ik had altijd gedacht dat ik een beetje dood zou gaan als ze dat zou doen. Ik bedoel: ze mag best trouwen, maar niet met een ander. Alleen met mij. Toch leef ik nog. Afstanden groeien. Ik heb nog wel contact met haar, maar het is niet zo intensief als het eigenlijk ook nooit geweest is. De liefde moet van twee kanten komen. Misschien kwam hij dat ook wel. Van mijn kant zeker.
Ik pak mijn glas en hef het. Zonder woorden brul ik: “Proost! Deze is voor een van de liefdes van mijn leven. Het had zo mooi kunnen zijn. Nu is het nóg mooier. Wie weet in welke ellende ik zou zijn beland als ze mijn liefde wél had beantwoord. Al een paar jaar geleden heb ik haar losgelaten. Toch kriebelde het nog altijd steeds een beetje als ik aan haar dacht. Nu is het weer eens zover. Ik ben gelukkig, óók zónder haar. Misschien ook wel juist zonder haar. Niettemin: deze is voor altijd voor Marianne.”

Apeldoorn, september 1994 en augustus 2010

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. | TrackBack URI

Leave a comment