bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

09-10-2009

Herfstherinneringen (1) – Jij nog bier?

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2009 — bazbo @ 10:42

bazbo beleeft de herfst met weemoedige gedachten aan het fraaie verleden vol verdwenen vrouwen …

Aflevering 1: Jij nog bier?

“Jij nog bier?” vroeg Lieke.
“Nou, eentje dan.”
“Vooruit.”
“Gauw terugkomen, hoor. Want a. ik kan je nog niet missen en b. anders mis jij iets van die fantastische Antonio Rivas y sus Vallenatos. Tenminste, als ik het goed uitspreek. Mijn Colombiaans is niet zo goed.”
“Niet zo goed?” vroeg ze. “Niet zo goed als wat?”
“Als jouw Italiaans,” grapte ik. Ze had enige tijd eerder een halve one night stand gehad met een Italiaan met wie ze gezien de taalbarrière nauwelijks kon communiceren.

Lieke maakte lachend een wegwerpgebaar en liep naar de bar. Ik liet mijn blik nog maar eens gaan over de bezoekers van Gigant en kwam tot de conclusie dat er toch wel een bepaald publiek afkwam op de wereldmuziek die voor vanavond geprogrammeerd stond. Veelal oudere jongeren met grijs haar bij de slapen, ruimzittende spijkerbroeken en vergezeld van bijzet-teven in bloemetjesjurk. Gelukkig was Lieke snel terug.
Al drinkend praatten we over van alles. Over muziek (Lieke is een begaafd hoboïste; althans, ze speelt hobo; ik wil verder af zijn van het niveau van haar orkest; ze heeft in ieder geval de muze in zich; dáár gaat het om!), over drank, over Italianen, over werk, over onszelf, over de belangrijke mensen in ons leven en over het Leven Zelve. Soms luisterden we ook naar de muziek op het podium en verdomd, die mocht er zijn.

De Colombiaanse accordeonist had een klein gezelschap meegenomen. Een bassist, een gitarist en een man met zo’n rasp. Maar waar waren nu de beloofde conga’s? Aan het begin van het optreden had Antonio Rivas wel iets verontschuldigends gemompeld over de afwezigheid van de trommelaar, maar zoals gezegd is mijn Colombiaans niet wat het nooit is geweest en was het Engels van de Colombiaan ook niet zo goed als het Italiaans van Lieke.
Ik keek eens rond of ik ergens een meisje zag met wie ik ooit seks had gehad. Ik ben sinds de zomer van 1988 samen met mijn Vrouwlief en ik beschouw mijzelf als erg trouw en loyaal, dus in die afgelopen jaren had ik slechts seks gehad met Vrouwlief. Vóór die tijd was ik te onzeker, te bang en te schijterig om een vrouw te verleiden, hetgeen er toe heeft geleid dat je de hoeveelheid meisjes met wie ik ooit seks heb gehad kunt tellen op één hand, en dan houd je nog vingers over ook. Dus de kans dat ik hier nu vanavond een meisje zou ontmoeten met wie ik ooit seks had gehad, was nagenoeg nihil, en dus staakte ik mijn zoekpoging snel.
“Wat is er?” vroeg Lieke. “Zoek je iemand?”
“Neen,” zei ik.
Even was het stil tussen ons. We luisterden naar de muziek en wiegden zachtjes mee.
“Weet je,” begon Lieke voorzichtig, “ik denk dat het nu ook onze beurt is om ons in die leeuwenkuil te begeven.”
“Hmm, ja,” was mijn evenzo voorzichtige antwoord, “je hebt gelijk.” En daar gingen we.

De twee treden beneden stuitten we gelijk op een jong meisje met lang blond haar in een paardenstaart die tot op haar kont reikte. Ze had haar trui om haar middel geknoopt en droeg van boven enkel een bruin hemdje. Haar gezicht glom. Ze danste met haar armen omhoog en haar ogen gesloten. In één van haar handen droeg ze een halfvol glas bier.
Lieke zag dat ik naar het meisje keek. Ze lachte vertederd naar me. Ik bracht mijn mond naar haar oor. “Mooie vrouw; echter, te bezopen!” riep ik alleen maar. Lieke kreeg een lachkick.
Toen we een stuk of wat nummers hadden staan swingen, gebaarde Lieke dat ze moest plassen.
“Tot zo!” schreeuwde ik. “En neem gelijk even bier mee!”
Opnieuw kreeg ik een wegwerpgebaar en weg was ze. Ik stopte met dansen, vouwde mijn armen over elkaar en keek een poosje naar het podium, waar de Zuid-Amerikaanse feestmuziek maar doorging. Het werkte aanstekelijk, want onwillekeurig begon ik toch weer met mijn knieën te bewegen.
“Helemaal alleen aan het dansen?” vroeg plotseling iemand naast me. Toen ik naast me keek, zag ik niemand. Of toch wel. Het was een klein Surinaams uitziend vrouwtje van een jaar of vijfenveertig. Ze droeg een kortgeknipte haardos en een bril. Verder een lichtblauw gebreid truitje en een donkere broek. Ze lachte naar me, alsof ze was aangedaan.
“Ja, maar dat duurt maar heel even!” riep ik haar na. Ze lachte nog steeds. Ik ook.

Lang hoefde ik niet alleen te dansen. Lieke was snel weer terug en we dansten tot de band ophield. Toen de band weer terugkwam voor een toegift, dansten we opnieuw en daarna was het toch echt afgelopen.
We haalden onze jassen bij de garderobe. Ik pikte nog wat van die gratis boomerangkaarten bij de bar en trok de aankondigingsposter van Antonio Rivas van een pilaar. Met een onhandige beweging stopte ik alles in de reusachtige binnenzak van mijn jas.
“Wat doen we nu?” vroeg Lieke.
“Is het al tijd om naar huis te gaan of gaan we nog even verder kijken?” was mijn wedervraag.
“Het is half één. Het kan nog wel even.”
“Dan gaan we naar ‘The Dubliner’. Daar is ook altijd wel wat leuks te beleven. Misschien speelt ook dáár nog wat uitheems.”
Lieke knikte alleen maar en gezamenlijk liepen we naar de uitgang.

Op het Caterplein was het nog rustig. In ‘The Dubliner’ daarentegen barstte het van de mensen. Lieke kwam gelijk een bekende tegen. Er werd “Hai!” en “Hoi!” geroepen en dat moest vrij luid, want op een klein podiumpje speelde het duo dat hier zo vaak zong.
“Wat wil jij drinken?” gebaarde ik naar Lieke die haar bekende achter zich had gelaten.
“Doe maar effe niks!” pantomimede ze terug.
“Gezellig!” riep ik.
Ik wrikte me door de mensenmassa heen en bereikte uiteindelijk de toog. Niet veel later was ik een groot glas Guiness rijker en zeven en een halve gulden armer.
“We gaan naar achteren!” deed ik het spelletje Hints tegen Lieke. “Daar is vast nog wel een tafeltje vrij.”
Onderweg naar de rustige hoek werd ik tegengehouden door iemand.
“Ha Bas!” schreeuwde hij me toe.
Jezus, hoe heette deze pief ook weer? “Hoi!” riep ik terug. “Hoe is ‘t-ie?”
“Goed! En met jou?”
“Ook zó!” was mijn antwoord. Ik stak mijn duim omhoog en vervolgde mijn weg zonder de tiep nog een blik waardig te keuren. Even denken, hoe heette hij nou ook weer? Hij zag er in ieder geval nog net zo uit als eeuwen geleden, inclusief kleding. Rob, dat was het! Rob. Een eikel.
Lieke had ondertussen een vrije tafel gevonden. We hingen onze jassen over de rugleuning en gingen zitten. We kletsten over deze Ierse pub en over het concert van vanavond. Maar plotseling ging het fout!

Het duurde niet lang of de bekende van Lieke kwam op ons af. Hij was een vriendelijk kijkende dikkop met een spijkerbroek en een donkerblauw colbertjasje. Nogal foute jongeman, dus eigenlijk.
Lieke stelde me aan hem voor.
“Ha Dikkop,” begroette ik hem. “Ik heet Bas.”
“Ga zitten,” nodigde Lieke hem uit. Hij ging nog zitten ook.
Vanaf dat moment werd de avond heel anders. Opeens ging het gesprek over dingen waarover ik niet zoveel te praten heb. Al snel verveelde ik mij stierlijk. Het enige leuke was, dat Dikkop niet zuinig bleek te zijn. Hij trakteerde op Kilkenny en anderhalf uur later op shoarma. Maar dat was alweer in een heel andere horecagelegenheid.

Onderweg naar huis in haar auto vertelde Lieke honderduit over de Dikkop: hoe vriendelijk hij wel niet was, hoe nuchter hij tegen zaken aankeek en hoe goed hij les gaf aan jongeren. Ik kreeg geen gelegenheid om er ook maar één speld tussen te krijgen. Ze zette me af op de hoek van de straat waarin ik woon. Toen reed ze weg. Waarom ze tegelijk met mij naar huis was gegaan, was me een raadsel.
Lang bij dit raadsel stilstaan deed ik niet. Thuis had ik nog bier zat.

Apeldoorn, februari 1998 en oktober 2009

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. | TrackBack URI

Leave a comment