bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

29-03-2009

The Bottles & The FoolZ – Cultuurnacht, Houten – March 28, 2009

Filed under: FoolZ,Lex related — bazbo @ 15:05

The Bottles and The FoolZ both performed on the Cultuurnacht in Houten, a small festival. The Bottles played for 45 minutes in restaurant ‘De Roskam’ and The FoolZ played for an hour in ‘De Suite’.

The Bottles - Paul, Lex, Martin & HansThe Bottles - Paul, Lex, Martin & HansThe Bottles - Paul, Lex, Martin & Hansau3 & Paulu$The Bottles - Paul, Lex & HansThe Bottles - Paul, Lex, Hans & Martin

The FoolZ - Pedro, Remco & LexThe FoolZ - keThe FoolZ - keThe FoolZ - Pedro & RemcoThe FoolZ - Pedro, Remco & LexThe FoolZ - ErwinThe FoolZ - ErwinThe FoolZ - PedroThe FoolZ - RemcoThe FoolZ - WanThe FoolZ - WanThe FoolZ - keThe FoolZ - keThe FoolZ - PedroThe FoolZ - RemcoThe FoolZ - Pedro, Remco, Lex & ke

Youtube:

The Bottles:

1. Dream (The Everly Brothers) – http://www.youtube.com/watch?v=NFAs3W2FmMU

2. Sunny Afternoon (The Kinks) – http://www.youtube.com/watch?v=wOjmSziqpAY

3. Bye Bye Love (The Everly Brothers) – http://www.youtube.com/watch?v=firbPpXLKtA

The FoolZ:

1. Sofa – http://www.youtube.com/watch?v=nLEJaOMlw8c

2. Cosmik Debris – http://www.youtube.com/watch?v=44agUgHIgtk

3. Echidna’s Arf (Of You) – http://www.youtube.com/watch?v=X5FjADiUsm8

4. Blessed Relief – http://www.youtube.com/watch?v=e-yF-Ftwwng

5. Inca Roads (part 1) – http://www.youtube.com/watch?v=b1kq_ILkQxA

6. Inca Roads (part 2) – http://www.youtube.com/watch?v=Wjm6VJBEODQ

• • •
 

26-03-2009

Catalogus vol viezigheid

Filed under: FOK!publicaties - 2009 — bazbo @ 22:31

Tegenwoordig heeft iedereen hem op de salontafel liggen, maar er was een tijd dat je hem angstvallig onder het echtelijke matras verstopt hield. Op de financiële pagina van de dagbladen stond altijd van alles, maar niet hoezeer het Beate Uhse voor de wind ging. Heden ten dage wordt de PABO-catalogus nog steeds discreet verstuurd in een envelop zonder naam van het bedrijf erop, maar de openheid over erotische speeltjes, ondergoed met gaten of het bekijken van een vies filmpje op z’n tijd is nog nooit zo groot geweest.
Dat was vijftien jaar geleden wel anders.

(more…)

• • •
 

23-03-2009

Wanneer Maastricht in bloei staat

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:40

Het felle ochtendlicht doet pijn aan m’n ogen wanneer ik de deur van het café open zwaai. Maastricht staat in bloei. De smalle straatjes die naar het Vrijthof leiden, kennen alle kleuren van de regenboog. De stoeptegels met hun ingetrokken mix van confetti en bier ; slingers dwarrelen in het rond. In mijn hoofd het suizen van drank en flarden van liederen die zonet nog, schouder aan schouder, uit onze dorstige kelen klonken. Een vertrapt masker ligt aan mijn voeten. Het feest is voorbij. Voor deze nacht. Straks gaat alles weer verder. De kinderen, fris en uitgeslapen in hun beste pakjes, lopen dan de muziek weer achterna. Ze kondigen een nieuwe dag aan. Wat nu rest is de stilte, op een enkele vuilniswagen na die dreigend en beslist een eind maakt aan de laatste sporen van wat de nacht ons bracht.

Ik houd me met één hand staande aan de deurpost van het café. De weg naar huis duurt vast een eeuwigheid. Kom op en verman je! Straks is het weer voorbij, dan is het bedje weer gespreid. Ik probeer een stap vooruit te zetten. Dat lukt tenauwernood. Ik wankel als ik een volgende stap naar voren doe en val, als in een stomme film, heel langzaam en doeltreffend op de grond. Iemand schaterlacht. Het is een jonge vrouw, verkleed als bloemkool. Ze heeft het hele schouwspel van achter een lantaarnpaal waargenomen. Ik grinnik beschaamd. De jonge vrouw komt naar me toe en reikt me een hand en helpt me omhoog. Ze is mooi, maar erg dronken. Chantal is haar naam. Ze slaat een arm om me heen en helpt me de laatste meters richting huis. Een hele tijd weet ik niets te zeggen. De stad slaapt en ik slaap stil met haar mee. Zachtjes neuriet Chantal de carnavalsschlager het jaar. Ze port me in mijn zij; ik moet meezingen. Met mijn laatste stukje stem stoot ik wat klanken uit die lijken op de melodie die Chantal steeds harder door de slapende straten van Maastricht zingt.

In het portiek van één van de oudste kroegen in deze stad, slaapt een man met een grote trom voor zich. Chantal stopt onmiddellijk met zingen en legt streng haar hand op mijn mond. Dan laat ze me voor een moment los en gaat gehurkt bij de slapende man zitten. Ze streelt hem zachtjes door zijn bezwete haar en zegt iets tegen hem dat ik niet kan verstaan. Ik wil naar huis. Ik wil niet meer op haar wachten. Het is niet ver meer; ik kan best alleen lopen. De man met de grote trom wordt wakker. Hij geeuwt, wrijft zich door het gezicht en lacht flauwtjes naar Chantal. Ze glimlacht terug en helpt de man omhoog. Hij probeert zijn dikke trom te dragen, maar valt voorover terug op de grond. Ik vind het maar een zielig schouwspel en neem aanstalten om de weg naar huis te vervolgen, maar Chantal is onverbiddelijk. Ik moet bij haar blijven.

De koude lucht daalt op ons drieën neer. Lantaarnpalen knippen automatisch uit. Ik hoor de eerste gezangen van vogels die voorzichtig de stad binnenvliegen op zoek naar iets eetbaars uit de rotzooi die de nacht heeft achtergelaten. Het suist in mijn oren. De eerste frisse man fietst de hoek om. Hij heeft een grote tas op z’n bagagedrager. ‘Zou hij het feest gemist hebben?’ vraag ik me af.  Met een grote zwaai stapt hij van zijn fiets. Hij opent de grote tas en haalt er een stapel kranten uit Ik probeer zijn gezicht te zien. Hij kijkt erg ontevreden. Chantal tikt op mijn rug, de man met de dikke trom die nu stevig om zijn middel gebonden is, fier naast haar. We kijken elkaar een poosje aan en schateren het uit. Kijk ons hier nou staan; wat een schitterend treurig plaatje. Als drie verdwaalden, dwalend in een palet met daarop de klodders van een magistrale avond.

Het Vrijthof. We staan met z’n drietjes op het Vrijthof. Chantal staat heel dicht naast me. Ik knijp zachtjes in haar hand. ‘Laten we dansen!’ roept ze opeens. Ze slaat haar arm om mijn middel en sleept me naar het midden van het Vrijthof toe. De man met de dikke trom strompelt hikkend van het lachen achter ons aan. Hij slaat links en rechts op de strakke tromvellen. De kapot gevallen glazen knisperen onder onze voeten een heerlijke melodie. Zelfs het ongecontroleerde getrom van de man klinkt wonderschoon. Mijn hart tromt mee. Mijn oren suizen alsmaar luider. Chantal tilt me op en houdt me een aantal seconden boven de grond. Ik snak naar adem, kan niet meer stoppen met lachen. Ik voel tranen in mijn ogen opkomen. Ik was haast vergeten hoe het was om verliefd te zijn. Ben ik verliefd? De man met de dikke trom slaat het antwoord. Ja. Ja. Ja. Ja.

• • •
 

De grote dag

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:39

Vandaag is het de grote dag. Het huis van Henry is al dagen versierd en het hele dorp is uitgelopen om hem straks op te halen. Hij is de koning van schutterij ‘Sint Petrus’. Henry schoot die windstille zomerdag, terwijl zijn maten al stomdronken op hun geweren leunden, de laatste broodjes worst van hand tot hand gingen en het publiek steeds luidruchtiger werd. Die zomerdag op het schuttersfeest schoot Henry de allesbeslissende vogel af. Met zijn wijsvinger trillend bij de trekker, het zware geweer rustend op zijn schouder, zijn beste vriend vlak achter hem, wijselijk stil maar met zichtbare zenuwtrekjes rond zijn mond. Één verkeerd schot zou de overwinning voor de ander betekenen. Even keek Henry naar links, naar de andere partij ‘Sint Paulus’. Een venijnige grijns op het pokdalige gezicht van de opperschutter ontsierde al het pracht en praal waarmee hij behangen was. Twee schutters durfden niet te kijken, maar vouwden hun handen en prevelden zachtjes vrome woordjes. Zweetdruppels op het voorhoofd van de jury, zij die de hele dag niet mochten drinken en een kruis zouden slaan wanneer dit schouwspel eindelijk voorbij was. Doodstil was het, niemand durfde geluid te maken, bang de magie van de laatste schoten voorgoed te verknallen en de kans op gratis consumptiebonnen van de schutter mis te lopen. Iemand van ‘Sint Paulus’ moest niezen. Kwade gezichten, sissende slangentongen. “Afleiding, pure afleiding,” riep een dorpsgenoot dronken, maar beslist. Henry concentreerde zich weer op de loop van het geweer. Hij sloot zijn ogen, dacht aan de heilige maagd Maria, kneep één oog dicht, deed het ander wagenwijd open en schoot. Raak! Als een groep kinderen die eindelijk de bestemming van het schoolreisje bereikt heeft, klonk het gejuich van de dronken groep mannen en vrouwen. Veel tijd om na te denken had Henry niet, en waarom zou hij ook? Hij werd letterlijk op handen gedragen, iedereen riep z’n naam. Voorlopig hoefde hij zich nergens druk om te maken. Tot diep in de nacht danste hij met zijn Marie. De vrouw die bij elke aangelegenheid dat haar man moest optreden als schutter aanwezig was. En dat vond ze niet erg; het hoorde erbij. Haar vriendinnen klaagden wel eens dat ze nooit meer langs kwam omdat ze samen met Henry op pad moest, maar dan haalde ze onverschillig haar schouders op en was ze stiekem maar wat trots op haar man en wilde hem met alles wat ze maar in zich had dienen.

Henry drukte haar dicht tegen zich aan toen de laatste plaat door de boxen knalde in de feesttent en de dienstdoende bardames de stuk gevallen glazen bij elkaar stonden te vegen. Midden in de kots en bloedplassen schuifelden twee mensen die al langer dan dertig jaar met elkaar getrouwd waren. Al zijn vrienden waren getrouwd, maar velen ook gescheiden of in de gaten gehouden omdat ze met hun poten niet van al die jonge prinsessen op de praalwagens konden afblijven. Henry daarentegen was een en al trouw aan zijn vrouw. Marie wist dat. Op weg naar huis, begeleid door een fanfare met daarin slechts enkele overgebleven, nuchter wordende leden, vertelde Henry voor de eerste keer aan zijn vrouw dat hij van haar hield. Écht van haar hield. Hij zocht op de tast in zijn door alcohol benevelde brein naar woorden die hij werkelijk meende. En ofschoon Marie hem door de herrie van de fanfare haast niet kon verstaan, wist ze dat dit een ontzettend belangrijk moment was. Misschien wel het laatste mooie moment. Ze liepen samen de nacht in, zagen samen de maan in het hemelrijk zwiepen. Wat waren ze dronken.

Wat er allemaal bij komt kijken wanneer je een vogel hebt afgeschoten! Marie kon het allemaal niet meer bijbenen en vroeg hulp aan haar zussen. Zij stonden te springen om maar iets voor het koningspaar te kunnen betekenen. In de cafés was Henry al een tijd niet meer te zien, hij moest zich opladen voor de grote dag. Maar men sprak wel over hem. Het moment van het verlossende schot werd uitvoerig en steeds sterker aan elkaar verteld. Totdat de kastelein er genoeg van had en de dronkebroeders foto’s liet zien van zijn eigen schuttersgilde. Het inmiddels ter ziele ‘Sint Sebastianus’. Door slecht geldbeheer en vage, door drank benevelde avonden kwam die schutterij aan een bizar einde. Van de ene op de andere dag werd op het gemeentehuis de schutterij uit de officiële lijst geschrapt, zonder enig protest van de direct betrokkenen. Dat Henry, die vroeger regelmatig tegen ‘Sint Sebastianus’ moest schieten, nu ook nog koning was geworden, kon de kastelein niet verkroppen. Midden in de nacht, de dag voor het grote feest, brak er dan ook een knokpartij in het café uit, nadat enkele uit balans gebrachte stamgasten met barkrukken op de hoofden van fanatieke Sint Petrus aanhangers begonnen in te slaan. Ze hadden genoeg van de messiasverschijning die ze Henry noemden.

Henry sliep slecht die nacht. Had hij wel aan alles gedacht? De buurtvereniging had hem zo goed geholpen. In de hele straat, op elke lantaarnpaal was een foto van hemzelf geplakt. De lokale omroep had hem wel drie uur lang geïnterviewd; hij werd nog emotioneel toen het over zijn vader ging. Zijn vrouw, zijn lieve vrouw, had samen met haar zussen gekookt en gepoetst. Het huis rook naar vers gebakken vlaai. Niets over het hoofd gezien, aan alles gedacht. Morgen vroeg op en naar de kerk. Daarna feest, drank en misschien wel een toespraak van de burgemeester. Welke gekke sketches zullen er bedacht zijn? Met zijn hoofd vol verwachtingen en een arm om Marie geslagen, viel Henry in slaap.

Het is half vijf in de vroege ochtend als Henry wakker wordt. Het is vandaag de grote dag en hij kan niet meer slapen. Maar hij durft niet op te staan. Hij voelt zich weer als een klein kind dat straks jarig is. Marie slaapt diep en zucht zwaar. Buiten schreeuwt een dronken fan. ‘Henry…wakker worden…wakker worden Henry’.

Hij stapt uit bed, zet het slaapkamerraam op een kier en zwaait naar de dronken man beneden. ‘Ga toch naar bed, mafkees’, roept Henry lachend. ‘Ik zie je morgen wel in de kerk’. Hij sluit het raam en kijkt nog eens naar Marie die nergens van wakker wordt. Natuurlijk, hij houdt van haar, al eeuwen lang. Maar wat is het lang geleden dat ze nog eens met elkaar naar bed zijn geweest. ‘Vind ik dat erg?’, vraagt hij zich af. Hij zou haar kunnen wakker maken, even met elkaar zoenen, misschien wel meer. Maar zijn gedachten dwalen af naar straks. De kerk, de zalige woorden van pastoor, het feest en de drank. Het heeft volgens Henry geen enkele zin meer om terug naar bed te gaan. Hij sluipt naar beneden. Daar zet koffie en doet zijn computer aan. Even kijken of er nog mail is. In zijn postvakje verschijnen wat advertenties, een enkele verlate felicitatie en notulen van de schutterijvergadering. Het klokje op de computer staat op vijf uur. Nog precies vierenhalf uur voordat de fanfare hem straks feestelijk komt ophalen. Als hij zijn ogen sluit kan hij het trompetgeschal al horen.

Henry weet wat er te koop is op internet. Op kantoor laten collega’s hem regelmatig kennismaken met sites met daarop afbeeldingen waar hij nooit over durfde te dromen. Hij voelde zich er nooit gemakkelijk bij, zelfs een beetje beschaamd. Marie was zijn enige, daar kwam niemand tussen. Ook geen smakelijke dame op plasmascherm. ‘Het is pure verveling dat ik nu op een porno site zit’, denkt Henry wanneer hij voor het eerst in zijn leven een pornofilm zit te downloaden. In de keuken pruttelt de koffie. Henry snijdt stiekem een stuk versgebakken vlaai af, schenkt koffie in zijn lievelingsmok en loopt terug naar de woonkamer. Daar verschijnt op het beeldscherm van zijn computer een heftige pornofilm. Twee jonge meisjes spelen met een student. De beelden zijn schokkerig, wellicht opgenomen met een mobiele telefoon. Het wordt ruiger, harder, gillend komen ze klaar. Van schrik morst Henry wat koffie op zijn pyjama. Hij zet het geluid snel uit . Maar hij wil veel meer zien. En dat kan, want overal word je netjes doorgesluisd naar het volgende avontuur. Dikke negerinnen, net geen achttien, veertien mannen op één vrouw, striptease, alles gratis te downloaden en binnen enkele seconden op het scherm. Henry vergeet zijn schaamte. Voelt een enorme opwinding. De tijd tikt. Af en toe brengt de trouwfoto hem terug bij een onbehaaglijk gevoel. Maar hij schudt eveneens de schaamte van zijn schouder en zoekt door. ‘Waarom wil ik dit zien?’ vraagt Henry zich af. ‘Omdat het nooit kon’, antwoordt hij zelfverzekerd. Het is vast gezond.

Het is acht uur als de wekker gaat. Marie wordt knorrig wakker. Maar als ze beseft dat dit, na het trouwfeest, de belangrijkste dag uit haar mans leven zal worden, staat ze vrolijk op. Ze lacht als ze ziet dat Henry al wakker is. Beneden is Henry de tijd vergeten. Hij is zelfs vergeten dat hij de koning is. De huldiging, de kerk, het kan hem gestolen worden. Alle playmates vanaf de jaren tachtig gearchiveerd op het net! Zelfs onder zijn matras verstopte hij in dertig jaar huwelijk nooit een smerig blaadje. De eerste lichtstralen vallen door het stoffen gordijn. Een krant valt in de bus. Henry hoort het niet. Marie loopt naar beneden. Ze haalt de krant uit de brievenbus, maar vindt de koppen zo treurig. Morgen zal ze het abonnement opzeggen. Wanneer ze de kamerdeur opendoet, ziet ze Henry hijgend, met zijn pyjamabroek naar beneden gestroopt masturberen voor het scherm. Hij hoort haar niet, ook niet het snikken en de verontwaardiging.

Marie schreeuwt. Henry schrikt, wilt de smerigheid van het scherm wegklikke en laat de koffiemok op de grond vallen.Die breekt in duizenden stukjes. Net als het hart van Marie. Vol woede stort ze zich in de armen van Henry. Snotterend probeert Marie haar gedachten te ordenen. Ze houdt nu een man vast die haar doet walgen. Henry weet niets te zeggen. Of toch wel? ‘Ik deed het…omdat ik niet wist wat het is om…’, maar Marie laat hem niet uitpraten. Ze rukt zich van hem los. Ze denkt aan alle diensten die zij ooit voor hem heeft bewezen. Het thuisblijven wanneer hij op stap ging. De maaltijden die zij zorgvuldig kookte. Uren die ze vrijmaakte voor zijn vereniging, zijn vrienden, zijn leven en plezier. En al haar vriendinnen die haar hadden gewaarschuwd; ze had haar schouders opgehaald, zich er nooit iets van aangetrokken. En diezelfde man had nu haar hart vertrapt. Was de hele nacht in haar ogen vreemdgegaan. Het enige dat Henry uit kon brengen was ‘dat hij niet wist hoe het was om…’.

Het is negen uur in de ochtend als Henry in zijn koningspak en met rode ogen zit te wachten op de fanfare die hem komt halen. Marie is naar de badkamer om zich op te maken, maar ze is er met haar hoofd niet bij. Wat ze zag blijft kleven. Haar handen trillen als ze naar de lipstick grijpt. De fanfare is slechts enkele straten van het huis van Henry verwijderd. Hij denkt alleen nog maar aan zijn Marie en de naakte meisjes van het internet. Zijn medailles rinkelen koninklijk, maar hij voelt zich een nar. Marie komt naar beneden, stampvoetend, nog steeds jankend. Hij staat op, wil haar in zijn armen sluiten, het goed maken. De Heer zal hem later wel vergeven. Marie loopt de deur uit, richting het schuurtje. De fanfare komt alweer een straat dichterbij. Henry denkt aan zijn vader. Wat zou hij trots zijn geweest op hem. Maar zijn gedachten slaan weer af richting de schaamte. Zou het ooit nog goed komen met hem? Marie komt terug de keuken in met het geweer, waarmee Henry de vogel afschoot, ferm in haar handen gedrukt. Ze loopt in één ruk naar de huiskamer. De koning wil het geweer in ontvangst nemen, zijn troef, zijn instrument dat hij dadelijk nogmaals zal laten zien aan zijn vrienden. Maar Marie staat in gevechtshouding en schiet drie kogels in zijn buik. Het bloed spuit uit zijn ingewanden, terwijl op de achtergrond de eerste maten te horen zijn van de kapel in de vroege ochtendzon.

• • •
 

Solo concert

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:37

De vloer komt in beweging en schokt hevig. Ik zie het landschap aan me voorbij razen. Grasvelden, een akker, dan weer wat water. Het volgende station is Eindhoven. Vier jaar geleden probeerde ik in deze stad mijn opleiding voort te zetten, maar het bier in de talrijke kroegen smaakte me beter dan de in mijn ogen overbodig opgelegde kennis van professoren die de lagen stof van hun ziel kuchten bij iedere zin die ze zo tergend traag uitspraken. Ik sliep in deze stad op de bank van menig ex-vriendin. Ik kreeg het voor elkaar dat ze me telkens binnen lieten. Ook al waren er zoveel borden gesneuveld en was er zoveel pijn geschied. In de luwte van de ochtend werd ik weer op straat gezet omdat ze moesten werken of studeren. Met een baard van drie dagen, vuile kleren en weinig geld op zak at ik brood in de verwarmde stationshal en miste ik alweer mijn enige doel: te worden wat van me werd verwacht.

Stop. Alles staat stil. Deuren zwaaien moeizaam en krakend open.

Ik zit hier alleen. Er stappen wel mensen in, maar ze verdwijnen allemaal naar andere gangen. Op andere stoelen of banken. Een aan stukken gescheurde krant ligt aan het voeteneind van het bankje naast mij. Er staan smerige voetsporen op. Toch kan ik nog ontcijferen wat er staat geschreven. Het dringt niet tot me door. Elk woord zweeft in het rond, vindt geen aansluiting in een zin en blijft zeurend, nutteloos in mijn kop spoken.

Alles komt weer in beweging. Ik kijk uit op het perron. Buiten rennen mensen een stukje mee. Er zit een slecht geklede vrouw te knikkebollen op een bankje. Mijn ogen volgen haar tot ik haar niet meer kan zien. Iemand komt mijn kaartje controleren. Ik vergeet meteen z’n gezicht. Ik zie geen grasvelden, geen akkers en al helemaal geen water meer. Hier en daar een huis of een flat waar licht brandt. Maar het is vooral de vroege avond die buiten alles zwart kleurt. Mijn ogen zijn zwaar; ze vallen dicht.

Station Tilburg. Als ik uitstap slaat meteen de kou om me heen. Ik knoop mijn jasje helemaal tot boven dicht en loop met opgetrokken schouders en mijn handen diep in de jaszakken gestopt richting het centrum. De mensen lachen. Ze dragen grote tassen vol cadeaus. Het ruikt naar verse oliebollen en suikerspinnen. Ik twijfel of ik nog wat zal eten in een van de gezellig cafés die het winkelende publiek naar binnen zuigen of om meteen naar de poptempel te lopen. Ik kies voor het laatste.

Ik zie bekenden. Ze zwijgen allemaal. Eens per jaar zien we elkaar omdat we toevallig van dezelfde muziek houden. Af en toe durf ik te knikken naar iemand  met wie ik vorig jaar nog stond te drinken. Maar ik ben bang dat ze me niet meer herkennen. Een grote golf van slenterende mensen begeeft zich naar de ingang. Ik zwem mee en alweer wordt er een kaartje gecontroleerd.

T-shirts kosten dertig euro per stuk; de laatste cd is hier vijf euro goedkoper dan bij mijn vaste platenboer. Ik besluit de cd te kopen en wat muntjes in te slaan voor straks. Er staat een flinke rij bij de muntautomaat. De man voor mij draagt een tour-shirt van de band die ik straks ga zien. Het is de tour van de eerste plaat, heel veel jaren geleden. Hoe graag had ik ze toen gezien! Als ik aan de beurt ben en mijn geld in de gleuf stop, kletteren er vier gele muntjes in het vakje. Dat zijn dan twee grote emmers bier voor vanavond. Mijn vaste plaats aan de bar blijkt bezet. Je kunt hier prima het concert volgen, bier drinken en eventueel flirten met de dienstdoende bardame. Dat deze plaats nu is ingenomen door een erg jonge kerel met jeugdpuistjes, doet me alleen maar goed. Tijd is alles en het heeft me ingehaald. Ik dien me elders te vermaken in de grote zaal. Steeds meer mensen zoeken een goede plaats voor het podium. De pauzemuziek is prettig en herkenbaar. Mijn eerste emmer bier bestel ik aan de bar. Op het moment dat ik twee muntjes overhandig, dooft het licht in de zaal en begint de muziek vanaf het podium te spelen.

Ik zweef. Tussen meezingers en spannende improvisaties. Het geluid van een oude mellotron rommelt in mijn onderbuik. Een lage, zachte toon borrelt omhoog en leidt tot een gigantische explosie. Bijna orgastisch is de beleving van deze zuivere kunst. Mijn lievelingslied voor de toegift roert me tot tranen. Een jong stel houdt elkaar stevig vast. Ze zoenen. Mensen schreeuwen om meer. De muziek heeft ze de hele tijd in hun greep gehouden; de ontlading is massief. De zaal trilt. Ik beef. Het zweet loopt langs mijn rug naar beneden. Ik heb nog twee muntjes voor een emmer bier. Door de mensenmassa probeer ik mij een weg te banen naar de bar. Een prachtige studente helpt me aan drank. Ik zeg vriendelijk ‘dankjewel’, en loop naar de zijkant van het podium. Nu kan ik alles erg goed zien. De toegift is bezig. Een episch stuk van twintig minuten, dat alle kanten uitschiet, raast door de zaal. En verstopt zich in de oren en de harten van de mensen. Elke slok van mijn bier smaakt fris. Dan zie ik een fan eenzaam en alleen in de zaal staan. Ook hij heeft niemand om vast te houden. Hij draagt een tour-shirt van de periode waarin ik de band graag had willen zien. Het is de man die voor me stond bij de muntmachine! Ik moet me inhouden om niet naar hem toe te gaan en om hem niet te omhelzen. In plaats daarvan concentreer ik me op de laatste minuten van het muziekstuk. Het einde is voorspelbaar als altijd, maar nog even indrukwekkend als toen ik het voor het eerst hoorde. In Eindhoven was dat. Ergens midden in de nacht. Het was die nacht dat ik besloot dat ik nooit meer zou studeren. Dat ze allemaal kapot mochten vallen. Het effect van de laatste maten was als een donderslag bij heldere hemel. In één teug klokte ik het laatste restje bier naar achteren.

Als eerste sta ik weer buiten de poptempel. Twijfelend. Zal ik nog wachten op de man met dat gave t-shirt? Maar om niet alweer de weg kwijt te raken moet ik op pad. In het centrum is iedereen al naar bed. Enkele kroegen zijn nog open. Iemand zingt luid in het portiek tussen twee grote winkelketens. Wolken drijven voor de maan. Af en toe valt er licht op mijn pad. De muziek dendert maar door in mijn hoofd en verwarmt nog immer mijn ziel. Ik houd alle noten bij elkaar. Ik ken ze uit mijn hoofd. Spreken kan ik niet; zingen wel. Zachtjes neurie ik de laatste minuten van het epische stuk.

Alles komt weer in beweging. Het schokt en dendert maar door. We staan nog even stil. Vijf, acht, vijftien minuten. Station Eindhoven. Dronken supporters gunnen mij geen eenzaamheid. Ze schreeuwen platte liederen en vragen mij waar ik vandaan kom. Ik geef ze zacht antwoord. De dronken supporters schenken geen aandacht meer aan me. Ik zie hoe ze met elkaar op de vuist gaan. Ze vliegen door de coupé. Een belachelijk gezicht. De controleur grijpt in, maar durft geen ferme actie te ondernemen. Zodra de controleur verdwijnt, begint het gejoel en gevecht weer opnieuw. Ik word er zenuwachtig van. Station Roermond. De dronken supporters stappen niet uit. Even overweeg ik om naar een andere coupé te gaan. Maar mijn ogen worden weer zwaar. En ze vallen dicht.

Met een grote vriendengroep gaan we naar Pinkpop. Ik kan het gras nu nog steeds ruiken. Kula Shaker speelt de sterren van de hemel en ik ben voor het eerst dronken. Mijn haar is lang en hangt voor mijn ogen. Door mijn licht blonde haren zie ik mijn meisje dansen. Ze gaat helemaal op in de muziek. Ik heb zin om haar vast te houden, maar we willen niet al te klef overkomen. Natuurlijk niet. We zijn zestien. Het jaar later gaan we naar Lowlands. Voor het eerst drink ik een fles wodka op in mijn eentje. Mijn haren zijn korter, mijn meisje is al maanden met een ander. Ik waggel over de camping en val over een paar scheerlijnen. De maan bungelt aan de hemel. Overal is muziek te horen. Mijn vrienden zoenen onbekende meisjes. Ik val uitgeput in het gras en word pas uren later wakker. Zoveel concerten gezien, zoveel vergeten. Verzopen verleden, geen duidelijke foto of ansichtkaart in mijn bezit. Alles is kwijt, maar ik ben tevreden. Geen enkel berouw voor zoveel kinderachtigheid.

Station Sittard. Ik schrik wakker. De dronken supporters staan buiten op het perron te gillen. Ik stap uit en trek alweer mijn schouders omhoog en stop mijn handen in de jaszakken. Op het perron staan, naast de supporters, drie jonge meisjes te wachten. Ze hebben het koud, maar stralen gelukkig. Dit is vast hun eerste avond uit. Ook zij zijn naar een concert geweest. Ze houden de gekochte merchandise stevig vast. Ik verlaat het perron en loop richting mijn huis. Dit is mijn stad niet. Iedereen slaapt al. De kroegen zijn al uren gesloten en bij de snackbar valt haast niets meer te halen. Nog drie straten en ik ben thuis. Ik heb geen zin om wat te zingen. Ben veel te bang iemand wakker te maken. Ik lach zacht om zoveel schaamte. Maar het lachen vergaat me snel wanneer ik bedenk dat het morgenvroeg weer wennen zal zijn zonder behaaglijke hoofdpijn, de smaak van de kater, op te staan.

Dit is mijn huis. Ik steek mijn sleutel in het slot, veeg mijn voeten, smijt de sleutel op het dressoir en stap de kamer in. Daar staat mijn bed. Het dekbed opengeslagen. Ik poets mijn tanden en bekijk mijn gezicht. Dan trek ik mijn kleren uit en stap in het koude, koude bed.

• • •
 

De storm

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 21:34

Ik ben nat omdat het buiten regent. De kamer ziet blauw van de sigarettenrook. Blijkbaar hebben werkers hier gepauzeerd tijdens het renoveren van de overloop. M’n huisgenoten waren allemaal al vertrokken. Iemand had nog een briefje op mijn deur geplakt, met daarop de vraag wat er met mijn spullen moet gebeuren. Gelukkig heeft niemand zich daar verder om bekommerd, want zover ik kon inschatten stond alles nog in mijn kamer. De flinke stapel post, die tijdens mijn afwezigheid in opdracht van de huisbaas werd bewaard, ligt netjes met elastiek bij elkaar gebonden op het bureau. Ik til het pakketje op en check vluchtig of er iets belangrijks tussen zit. Behalve wat incassobrieven lijkt niemand daadwerkelijk in mij geïnteresseerd. Veel reclame, giroafschriften en een verkeerd bezorgde vakantiekaart. Ik stop de incassobrieven in mijn jaszak en ga op de rand van het bed zitten. Het beddengoed ligt nog slordig opengeslagen. Precies zoals ik het die bewuste middag had achtergelaten. Ik pak het kussen en ruik er voorzichtig aan. Een muffige geur herinnert me aan de ongezonde dagen die ik hier gesleten heb. Ik probeer de jaren van mijn verblijf te tellen, maar moet telkens opnieuw beginnen. De tijd heeft hier voorgoed stilgestaan. Omdat ik me niet thuis voel, besluit ik de kamer weer te verlaten.

De spullen mogen worden weggegooid ; ik hecht niet meer aan de sporen van wat ooit is geweest. De archeoloog van mijn eigen rotzooi, die ik zorgvuldig heb opgebouwd in de afgelopen jaren, is definitief gestopt met graven. Weg met de overpeinzingen, het schuldgevoel. Ik sta op, loop naar de kamerdeur en kijk niet meer om. De trap naar beneden, naar de voordeur, lijkt langer dan normaal. Ik twijfel nog even, zucht dan eens diep en tel rustig tot drie. Één voor wat achter mij ligt, twee voor de toekomst, drie voor de angsten wat dit met zich meebrengt en go, go, go! Elke trede die ik afdaal naar het zonlicht, kraakt onheilspellend onder mijn voeten. Beneden vliegt de deur open. Ik schrik en sta even stil. De werkers zijn inmiddels weer terug van hun lunch-break. Ze schreeuwen, bulderen van het lachen, boeren en kennen geen schaamte. Ze groeten mij niet eens, lopen langs me de trap weer op naar de overloop. Ik weet niet eens wat ze precies komen doen. Mijn huisbaas heb ik al in geen maanden meer gesproken. Het mag een wonder heten dat hij mijn spullen nog niet aan de straat heeft gezet tijdens mijn afwezigheid. Iemand zal de rotzooi wel weer voor me hebben opgelost. Ik ril bij de gedachte dat ik alweer niks alleen kan. De afhankelijkheid werkt verslavend en tegelijkertijd beklemmend. Vooral omdat ik zoveel dank verschuldigd ben aan diegenen die mijn leven weer op orde proberen te brengen. Maar ik kan ze niet danken; ik haat ze. Ik houd me stevig aan de leuning van de trap vast als ik heel voorzichtig naar beneden loop. Mijn kop zit nog vol medicijnen en mijn evenwicht is niet al te best.

De laatste tree voelt als een verlossing en wanneer ik de deur open zwaai, het licht weer in mijn armen sluit en als ik de eerste smerige uitlaatgassen van het opeengestapelde autoverkeer ruik, voel ik me zowaar gelukkig. ‘Niet te snel, Tim. Probeer eerst eens een aantal stappen voorruit te komen,’ bedenk ik me. De duizeligheid verdwijnt langzaam. Het huis waar ik zo-even was, ligt aan een druk kruispunt. Ik zie de stoplichten wel, maar de kleuren niet. Groen, oranje, rood, niets van dit al kan ik waarnemen. Ik ben vreselijk bang om over te steken. Er wordt luid getoeterd. Mensen kijken me lachend na. Ik waag het erop, steek de straat over en hijgend van de inspanning ga ik zitten op de stoeprand.

Ik graaf een groot kanaal op het Scheveningse strand. Vanaf de zee naar de duinen. Ik denk dat kinderen in Afrika nu voldoende water krijgen. De hele middag ben ik niet in zee geweest. Zeker tien keer heeft mijn moeder gevraagd of alles in orde was. Ze begrijpt maar niet dat ik me de hele dag heb kunnen vermaken met enkel een schep en emmer. Het water komt steeds dichterbij. Nog een paar minuten en het water zal door het grote kanaal naar de andere kant van het strand stromen, richting de afvoerputjes, linea directa naar Afrika. Een man met een witte hoed en veel te lange zwembroek neemt mijn werkzaamheden, vanaf zijn drijvende rubber bootje in zee, waar. Hij komt naar me toe gevaren, stapt met zijn plompe voeten uit de boot en spettert flink veel water in mijn gezicht. Zonder zich daarvoor te excuseren vraagt de man in een zwaar Amsterdams accent wat ik aan het doen ben. Ik leg uit dat ik voor het eind van de middag de kinderen in Afrika van water wil voorzien. De man lacht. Eerst vriendelijk, daarna heel gemeen. Hij legt me uit dat zoiets natuurlijk helemaal niet kan en duwt z’n smerige hand in mijn gezicht, waardoor ik midden in mijn net gegraven kanaaltje val.

De mensen op straat stinken. Thuis slaan ze vast hun kinderen of vrouwen. Ze schreeuwen allemaal door elkaar. Vulgaire groeten worden uitgewisseld; een kind valt hard op haar knietjes. Het arme wicht huilt hartverscheurend, maar het blijft liggen waar het viel. Met stevige passen probeer ik me een weg te banen naar het treinstation. Daar zal ik proberen een reis te boeken naar zee. Ik wil midden in de nacht alleen het ruisen van de zee horen. Af en toe het geronk van een motorboot, maar verder helemaal niets. De golvende stilte van een verlaten strand. De geur van zout en verse vis. Hier op straat ruikt het naar wiet en shoarma. Bedorven zielen proberen onder toeziend oog van het winkelend publiek elkaar de kop in te slaan en in het café is iedereen verzopen en bezopen. Of ze zitten buiten in hun betonnen tuintjes en kijken kwaad en ontevreden. Het liefste zou ik één voor één hun koppen willen inslaan. Ik wil met een soldeerbout brandplekken aanbrengen op hun lompe lichamen. Doodschoppen, fileren, met hun bloed de muren beschilderen. Ik zal om niemand een traan meer laten. Ook niet om diegenen die mij helpen, telkens weer. Het heeft geen enkele zin, niemand wordt er beter van. Maar altijd krijg ik weer een arm om mijn schouder of een brief met lieve woorden. Ik wil het niet meer! Ze kunnen allemaal dood vallen. Ze stoppen me uiteindelijk in het ziekenhuis, achter slot en grendel. Met verschillende kleuren pillen in mijn mik moet ik slapen van de dokter. Alleen maar slapen. Ik mag niet meer denken. Nooit meer denken. Het station ligt niet ver meer van dit verderf vandaan, maar ik krijg het steeds meer benauwd. Toch wil ik naar zee. De wilskracht is sterker dan mijn lichaam. Ik sleep me voort.

De badmeester is woedend. Kan ik dan helemaal niets horen onder water, luidt zijn retorische vraag. Ik kan simpelweg de ringen niet opduiken. Alle andere kinderen wel; zij staan al zeker tien minuten aan de kant. Ik voel een koude haak onder mijn buik. De badmeester takelt me omhoog en zet me op de kant bij de rest. Ze krijgen allemaal vrijaf. Één voor één springen ze het grote bad in waar ik nog niet in mag komen. Ik moet de ringen opduiken. De badmeester schopt me het water in. Een flinke pijn schiet door mijn rug, maar ik zal niet huilen. Ik mag niet huilen. Nooit meer huilen. Na twintig minuten geeft de badmeester het op. Nadat ik me heb afgedroogd en aangekleed, wacht ik buiten met natte haren op mama. Ze vraagt hoe het ging. Ik lieg en zeg dat ik vandaag een compliment heb gekregen van de badmeester. Zij gelooft me niet. Hij heeft al naar huis gebeld.

Hoe ik in de trein gekomen ben, weet ik niet. Zeker een uur is er uit mijn geheugen gewist. Ik check meteen mijn zakken of ik wel een kaartje heb gekocht. Het blijkt in orde te zijn. Er zit niemand anders in de trein. Het is dan ook al erg laat. Buiten is het pikkedonker, zodat geen enkel landschap me kan ontroeren. Neutraal zwart is wat ik zie, met hier en daar een kleine lichtflits. Ik voel me rustig en op m’n gemak. De dag dat ze me zijn komen halen terwijl ik nog lag te slapen, was precies zo’n dag. Alles was zwart, rustig en neutraal. Met veel geweld werd mijn deur opengerukt door een politieagent en een verpleger. Buiten stond de ambulance met gillende sirenes klaar. Om me heen was alles netjes in orde, maar op de gang lagen knuffels. Beren, olifantjes, honden, katten. Allemaal opgesneden en met ketchup besmeurd. Ik kreeg niet eens de gelegenheid om me te douchen, moest meteen meekomen naar het ziekenhuis. Wat is er daarna met mijn knuffels gebeurd? Ik zou het waarlijk niet weten. De mobiele telefoon brandt in mijn zak, maar ik zal niemand meer bellen. Wie is precies de schuldige van dit alles? Er valt niemand aan te wijzen. Het is een samenzwering van mensen die mij liefhebben. Maar waarom zouden ze mij liefhebben als ik zelf te laks ben om daadwerkelijk mijn leven te veranderen?

De trein stopt enkele meters voor de duinen. Op de tast glijd ik de duin af richting het grondoppervlak. Het zand voelt enorm koud aan mijn billen. Heel even huiver ik. De zee klinkt ruiger dan ooit. De zee fluit, sist, kolkt en beeft. Het strand is verlaten. Enkel en alleen een schepje steekt eenzaam en verlaten in het zand. Ik raap het op en maak een klein kanaaltje richting de duinen. Straks, als het vloed is, hebben de kinderen in Afrika weer water. Het schepje steek ik in mijn jaszak. Ik beweeg me langzaam naar de zee, sluit mijn ogen en snuif de geur van zoutwater diep op. Kinderen schreeuwen in mijn hoofd ; pas gevonden schelpen worden door vader terug in zee geworpen. De kinderen willen ijs. Een haring ligt met uitjes in een viskar te rotten. Dan voelen mijn voeten nat. Ik sta in het koude water. Het water kruipt omhoog richting mijn kruis. Nog steeds het geluid van schreeuwende kinderen in mijn kop. Ik moet ringen opduiken; een steek in mijn rug. Mama komt me zo ophalen en dan is vast alles weer goed. Mijn borst voelt koud; het zeewater staat tot mijn nek. Ik zucht eens diep en loop een meter verder. Het geschreeuw komt dichterbij. En dan de rust. En de rust. En…

• • •
 

Emile wordt 50! + The Steel Breeze – Escape, Veenendaal – March 22, 2009

Filed under: Muziek - Music - LIVE — bazbo @ 20:45

Emile celebrated his 50th birthday in three days. We witnessed the second day. First, we had a great breakfast in café ‘Substitute’ in Ede. After that we all drove to Veenendaal where The Steel Breeze (Pink Floyd tribute band) performed. Finally, back to Ede for the afterparty in ‘Substitute’. Thankz Emile and Cynthia for the lovely day!

There’s links to Youtube movies of The Steel Breeze at the bottom of this post.

Emile gets a 'festival cane'And we all get a wrist band with the words "Emile - heart of gold - 29++"Breakfast is served!Wilbert - 'lopend buffet'Pictures of Emile on the wallWilbert brings us to Veenendaal by his vanWilbert's vanThe Steel Breeze - Henk PalmThe Steel Breeze - Escape, Veenendaal - March 22, 2009The Steel Breeze - Henk PalmThe Steel Breeze - Henk PalmEd & EmileThe Steel Breeze - Remco AalhuizenThe Steel Breeze - Remco AalhuizenThe Steel Breeze - Henk PalmWilbert, Jos & EmileWilbert, Cynthia, Marjolein & EmileThe Steel Breeze - guest sax playerThe Steel Breeze - RemcoThe Steel Breeze - Remco & sax playerThe Steel Breeze - sax playerThe Steel Breeze - Reinier GroenendijkWilbert filming everythingThe Steel Breeze - RemcoWilbert still filming everythingThe Steel Breeze - RemcoThe Steel Breeze - Remco & HenkThe Steel Breeze - HenkThe Steel Breeze - goodbyeBack at 'Substitute' - AbrahamSome jazz bandAfterparty in 'Substitue' - right: EAbraham & EmileSome jazz band with singerSome jazz band singerYoung costumer of 'Substitute' - nice shirtGreat service from behind the barBarmaid & bazboBack in Apeldoorn - late night dinner - shoarma and kebab with cheese

Youtube:

01 Have A Cigar – http://www.youtube.com/watch?v=UI_6vGfcNpQ

02 Wish You Were Here – http://www.youtube.com/watch?v=1DB_fH5eTlQ

03 Time – http://www.youtube.com/watch?v=-xmEHLNNAoI

04 The Great Gig In The Sky – http://www.youtube.com/watch?v=K2UL3QohxuE

05 Us And Them (cut) – http://www.youtube.com/watch?v=XfMnmF4Cekw

06 Shine On You Crazy Diamond (part one) – http://www.youtube.com/watch?v=I9lTZ5p_JOw

07 Shine On You Crazy Diamond (part two) – http://www.youtube.com/watch?v=kaORW9G2aZY

• • •
 

20-03-2009

Ochtendlucht

Filed under: FOK!publicaties - 2009 — bazbo @ 22:23

Ik keek tegen de achterkant van een prettig bukkende meid aan. Toen ze rechtop kwam en bij mij in het bushokje ging staan, zag ik dat het een jonge vrouw was van vóór in de twintig. Ze had haar donkerblonde lange haren over haar schouders en dikke sjaal hangen. Twee glinsterende blauwe ogen keken me aan.
“Goedemorgen,” zei ze.

(more…)

• • •
 

Allan Holdsworth – Gigant, Apeldoorn – March 18, 2009

Filed under: Muziek - Music - LIVE — bazbo @ 19:34

Allan Holdsworth - Gigant, Apeldoorn - March 18, 2009Jeff Aug - opening actJeff Aug - opening actAllan HoldsworthJimmy JohnssonAllan Holdsworth - Gary Husband - Jimmy JohnsonAllan Holdsworth & band - Gigant, Apeldoorn - March 18, 2009Jimmy JohnsonJimmy JohnsonAllan HoldsworthAllan HoldsworthAukeGary HusbandAllan HoldsworthAllan HoldsworthAllan HoldsworthAllan Holdsworth - Gary Husband - Jimmy JohnsonAllan Holdsworth - Gary Husband - Jimmy Johnson

Youtube:

Jeff Aug – part one – http://www.youtube.com/watch?v=m2pj64zEBk4

Jeff Aug – part two – http://www.youtube.com/watch?v=hGoKXX4y3lY

Jeff Aug – part three – http://www.youtube.com/watch?v=jKYYzNy41i0

Allan Holdsworth – part one – http://www.youtube.com/watch?v=rcExX9l-Bi4

Allan Holdsworth – part two (1) – http://www.youtube.com/watch?v=qFJ0jB5z82Q

Allan Holdsworth – part two (2) – http://www.youtube.com/watch?v=9ept9rEVjwE

Allan Holdsworth – part three (1) – http://www.youtube.com/watch?v=dLPsSo8G8P8

Allan Holdsworth – part three (2) – http://www.youtube.com/watch?v=n-pnvbaowI4

• • •
 

18-03-2009

bazbo’s verklaring

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 09:11

Oké,

We schrijven het jaar 2007, en we bevinden ons ergens in mei of juni. Het is de tijd dat er iedere dag één column geplaatst wordt op de VoorPagina van FOK!. Door uitval van een paar vaste columnisten vallen er gaten in het rooster. We kunnen onder leiding van eindredacteur TheGrandWazoo dúsdanig schuiven, dat de hele week gevuld is, behalve de zondag.
Dan doet tuvokki zijn voorstel voor een vervolgverhaal. Een heuse soap op FOK! Na een hoop heen-en-weer brainstormen ontwerpt tuvokki de hoofdlijnen voor ‘Regensburg’. Iedereen is enthousiast, maar na twee afleveringen wordt het volledig ’t kindje van tuvokki en mij. We plaatsen in totaal vijf afleveringen. De eerste vier worden slecht gelezen en de reacties zijn negatief. De eindredacteur twijfelt. Dan komen tuvokki en ik met de vijfde aflevering en TheGrandWazoo vindt hem zó goed, dat hij toezegt dat er vierentwintig afleveringen geplaatst mogen worden en dán kijken we wel verder.
Tuvokki en ik zijn enthousiast en we maken binnen een dag of tien nóg vijf extra afleveringen. De vakantieperiode komt er aan en die moeten we zien te overbruggen. Inmiddels is de vijfde aflevering van ‘Regensburg’ verschenen en wederom: lage kijkcijfers en bedroevende reacties.
TGW overlegt met boven. Het oordeel is onverbiddelijk: stoppen met die soap. Tuvokki en ik zijn teleurgesteld, zeker omdat we op basis van de toezegging nog zo hard hebben gewerkt aan de nieuwe afleveringen die nu niet meer geplaatst gaan worden, maar we kunnen leven met de uitleg. De lezers vinden het gewoon niet leuk, dus laten we iets nieuws verzinnen.
In een post in het columnistenforum legt [de grote FOK!baas] Danny het nog eens uit en erachteraan zegt hij: “Wie zit er trouwens te wachten op dit soort literaire diarree?”

Deze uitspraak maakt tuvokki en mij furieus.
We vinden dat verhalende columns – noem ze ‘literaire diarree’ – een wezenlijke plaats verdienen en in moeten nemen op de VoorPagina van FOK! We gaan alles op alles zetten om dát te bereiken.
Vanaf dat moment plaatsen we zelf alleen nog maar literaire diarree, zo nemen we ons voor. Tuvokki houdt dat heldhaftig vol tot op de dag van vandaag; ik zit anders in elkaar en moet steeds op zoek naar nieuwe vormen, maar blijf overwegend trouw aan ons voornemen.

Wat ‘Regensburg’ in ieder geval wél oplevert, is dat tuvokki en ik ontdekken dat wij samen ontzettend goed en efficiënt kunnen schrijven. We vullen elkaar op een heleboel vlakken aan en de samenwerking is vlot en subliem. Zonder aarzelen spreken we af dat we dóór gaan.
In een poep en een scheet schrijven we een nieuw verhaal. Tuvokki doet het plot en de venijnige wending; ik lucht de boel op met dialogen en onzinnige woorden. ‘Automechanisch’ noemt tuvokki het.
“Wat doen we er nu mee?” is de volgende vraag. Tuvokki komt met een gewaagd plan.

“We sturen het in als submit onder een andere naam, en dan kijken we of het eruit wordt gevist. Dan schrijven we een nieuw verhaal en proberen we het nog eens. We wachten af hoe lang het duurt tot we worden gevraagd om bij de columnistenploeg te komen.”
We beraden ons op het profiel van deze ‘andere naam’, de kloon. In een paar dagen tijd bouwen we aan het karakter van een jonge vrouw. Ik heb zojuist een luchtig verhaaltje geplaatst over de caissière van mijn supermarkt en tuvokki is ook al bezig met iets dergelijks, dus dat onze kloon een kassameisje moet zijn, staat al vroeg vast.
Tuvokki maakt de kloon aan. Ik krijg al gauw ook de gegevens, zodat ik stukken kan plaatsen en reacties kan geven onder kassameisjes naam.

Helaas is TheGrandWazoo ondertussen niet meer onze eindredacteur. Superworm neemt tijdelijk zijn taak over, en hij pikt ‘Automechanisch’ er onmiddellijk uit. Het wordt geplaatst als submit en krijgt goede reacties.
Ik schrijf een tweede verhaal, waarin kassameisje langs een bouwput loopt, haar enkel verzwikt en door een stoere bouwfucker een bouwkeet in wordt gelokt. Aan het eind dringt deze lompe werksman zich nogal op en vóórdat kassameisje zijn hersens inslaat met een koevoet, spreekt ze voor het eerst de woorden: “Kijk, dan haak ik af.” Het verhaal staat op een servertje van tuvokki, dat jammer genoeg de geest geeft vóórdat het stuk ingestuurd kan worden. “Kijk, dan haak ik af,” blijft echter een sleutelkreet in de verhalen van haar.

Superworm wordt vaste eindredacteur (augustus/september?) en mij staat bij dat één van zijn eerste acties is om kassameisje te vragen als vaste columniste. Dat weigert ze natuurlijk. Wél blijft ze verhalen insturen, die bij de lezers wisselend worden ontvangen: de één vindt het helemaal niets, de ander vermaakt zich kostelijk.
Ondertussen misdragen tuvokki en ik zich op MSN in gesprekken met superworm. We voeren hele conversaties en stippen terloops de nieuwe bijdrage van kassameisje aan. Om een lang verhaal kort te maken: we naaien superworm nogal op om haar verhalen toch maar vooral te plaatsen.

Superworm vraagt kassameisje voor een tweede keer als vaste columniste en deze keer hapt ze toe.
Tuvokki en ik vieren in stilte feest: literaire diarree op de VoorPagina.
Tuvokki krijgt een pm van Danny: “Is kassameisje een kloon van jou?”
Tuvokki antwoordt: “bazbo en ik schrijven samen onder de naam kassameisje verhalen. Mogen we de eindredacteur nog een tijdje voor de mal houden?” Danny gaat akkoord.
Tuvokki ontwerpt het ‘plaatje’ van kassameisje: de kreet ‘My Litle Pony’ over een achtergrond van de atoombom.

Ondertussen beginnen we ‘signalen’ uit te zenden. Ik zet verborgen aanwijzingen in mijn verhalen en in kassameisjes verhalen zitten verwijzingen naar mij.
De allergrootste grap is kassameisjes verhaal ‘Hij is lief voor mij’. Aanvankelijk wilde ik het plaatsen als eigen column van mijzelf. Het leek me leep om eens vanuit een stagiaire bij mij op het werk iets over mijzelf te schrijven. Over hoe geweldig ze me vindt. Ik legde hem aan tuvokki voor en die zei dat het wel iets voor kassameisje was. Het kostte niet veel tijd om de bewonderde man in kwestie héél iets te veranderen zodat ikzelf onherkenbaar zou zijn. Kassameisje plande hem in, en nog geen dag later kreeg ik een MSN-bericht van superworm: “Hee bazbo, moet je kassameisjes laatste bijdrage zien; het lijkt wel of ze het over jóú heeft!” Wat superworm niet wist, was dat het ook écht over mij ging. U begrijpt dat we achter de schermen dubbel lagen.

Op 1 oktober 2007 ontmoet ik tuvokki voor het eerst in levende lijve. Tijdens een etentje in Eindhoven bepalen we de verdere strategie rondom ons eigen duivelinnetje kassameisje. TheGrandWazoo is later op de avond óók aanwezig, maar hem vertellen we niets, ook al maken we een flink aantal toespelingen.

Tuvokki begint vanaf dan in het columnistenforum met linke grappen. In een post van kassameisje in het forum schrijft hij ineens iets dergelijks als: “O ja bazbo, laten we inderdaad eens iets afspreken.” Plotseling krijg ik allerlei pm’s van collegacolumnisten in de trant van: “Zo? Stiekem daten met kassameisje?”

In een MSN-gesprek met superworm vertelt tuvokki dat ik kassameisje in levende lijve heb ontmoet. Prompt krijg ik bericht van superworm en hij daagt mij uit tot het schrijven van een verslag van de ontmoeting. Ik maak het verslag daadwerkelijk en plaats het onder de titel ‘Geheime ontmoeting’ begin januari 2008. De reacties zijn ongemeen goed en leuk. Niemand weet dat ik alles van begin tot het eind uit mijn duim heb gezogen.
Priscilla heeft dan al meegewerkt aan de sinterklaas- en de oudjaarsspecial. Ze bouwt een heuse schare fans op, maar er is ook nog steeds een groep die het niets vindt. Een enkeling roept zelfs dat ze een in damesondergoed verklede kerel is, maar niemand neemt dat serieus.

Dan, rond februari en maart 2008, krijgt tuvokki het druk in zijn persoonlijk leven. Hij stopt tijdelijk met het schrijven van columns, maar wil wel tijd vrij blijven houden voor kassameisjeverhalen. Het is echter niet anders, en het duurt niet lang of zelfs zijn bijdragen aan kassameisje beperken zich. Hij maakt nog wel wat opzetjes of bewerkt enkele verhalen die bijna af zijn, maar echt veel kan hij tot zijn grote spijt niet doen. Ik doe mijn best en blijf me fanatiek verplaatsen, maar het eind komt in zicht.

Langzaam beginnen we ons te beraden op het einde. Pris’ laatste column moet alles verklaren, maar moet ook de allermooiste ooit worden. We besluiten om langzaam toe te werken naar haar afscheid.
De wisselende thematiek, de wisselende stemming in haar verhalen helpen ons. Het ene moment is ze lief en bezorgd om de mensen om haar heen, het andere moment spant ze mensen voor haar karretje of is ze ronduit extreem gewelddadig. Er is iets mis met haar.
Dan wordt ze ziek. Voorzichtig vertelt ze zijdelings over haar hoofdpijn. In het columnistenforum heeft ze het over ‘onderzoeken’. Ik wens haar openlijk veel sterkte met haar strijd, hetgeen veel vragen oproept (ik krijg nogal wat pm’s van collegacolumnisten).

Ondertussen heeft superworm in zijn laatste dagen als eindredacteur een klooncheck gedaan en hij ontdekt dat ik kassameisje ben. Hij zegt dat hij het werk van haar erg leuk vindt en wenst me succes bij het verdere kassameisjewerk.
Begin juli lekt her en der uit wie kassameisje is. Lezers weten van niets, maar de nieuwe eindredacteur en de ouwe én Danny zetten druk erop. Ze vinden dat het niet kies is dat kassameisje dood gaat. Dat is spelen met emoties van lezers, vinden ze, en dus mag het zo niet doorgaan.
Ikzelf vind het zieke einde (er komen ook posts in het columnistenforum dat ze zo ziek is) heel mooi. We hebben hier al een half jaar naar toe gewerkt. De wisselende stemmingen en sferen, het harde geweld, de heftige seks, de plotse emoties, het hoorde bij haar nedergang. Zoals we hardop dachten: “De kanker in haar kop maakt dat ze gek is geworden. Ze weet het verschil tussen werkelijkheid en fantasie niet meer; ze vraagt zich af of die heftige seks en al dat extreme geweld nu echt gebeurd is of dat ze het verzonnen heeft. Ze kiest ervoor om niet geopereerd te worden. Sterker nog: omdat ze niet wil lijden, vraagt ze om actieve euthenasie.”

Aanvankelijk komen we er niet uit.
Echter, het is ons de rel niet waard en dus besluiten we dat we de spanning wel opvoeren, maar dat in het laatste verhaal blijkt dat kassameisje het zich allemaal ingebeeld heeft.
Superworm schrijft de basis van het verhaal ‘Nu Niet’, waarin ze in een CAT-scanner gaat. De keer erop krijgt ze de uitslag (in het verhaal ‘Rotkop’), maar dat blijkt later een verzinsel.
‘Rotkop’ wordt geplaatst, mét spannend eind (zonder kanker), en dan is het laatste deel ‘Kijk, dan haak ik af’ inmiddels ook al af. Inderdaad, in het verhaal blijkt dat kassameisje alles verzonnen heeft. Ze kiest ervoor om te leven op een óngecompliceerde manier zónder wilde fantasieën. Het is haar allerlaatste column, waarin ze emotioneel afscheid neemt en vertelt over haar fantasieën en hoe die haar leven beheersen. Ze beseft dat ze in een fantasiewereld heeft geleefd. Alles wat ze geschreven heeft, is verzonnen. Nu kiest ze ervoor om een werkelijk leven te gaan leiden en dus moet ze stoppen met schrijven. Haar laatste zin is, hoe toepasselijk: “Kijk, dan haak ik af.”

Het laatste deel ‘Kijk, dan haak ik af’ is geplaatst op woensdag 13 augustus 2008.

Heb je er achteraf spijt van?
Het enige dat ik betreur is dat ik op een aantal momenten superworm zo staalhard heb voorgelogen. Hij heeft zijn werk als eindredacteur zó goed gedaan; eigenlijk verdient hij het niet om zo grof misleid te worden. We hebben gesold met zijn integriteit en achteraf ben ik daar niet trots op.
Ik heb echter geen enkele spijt dat we het project ‘kassameisje’ ooit zijn begonnen. Ons doel was: literaire diarree heeft een essentiële plaats op de VoorPagina, omdat literaire diarree het verdient. Dat doel hebben we bereikt. Literaire diarree HEEFT INMIDDELS ÉCHT een wezenlijke plaats veroverd bij de columns en is niet meer weg te denken.

En: hoe gek het ook moge klinken: in de loop van de tijd dat ik meehielp met het schrijven van kassameisjeverhalen, ben ik meer en meer van Priscilla gaan houden. Genoeg om te mogen verklaren dat ze, hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, ondanks alles toch een afsplitsing van mijzelf is.

Groet,

bazbo
Apeldoorn, augustus 2008

• • •
 
Volgende pagina »