bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

30-10-2008

Adrian Belew – Paard van Troje, Den Haag – October 29, 2008

Filed under: Muziek - Music - LIVE — bazbo @ 19:02

The Adrian Power Trio played a short but very inspired set of rocking guitar tunes! Adrian really enjoyed himself onstage. He ‘gierde de bocht uit’! Although it was mainly the same song material from the tours in the past three years, it still sounded fresh. After the show I met up with tour manager André Chalmondeley (also guitar player in Zappa cover band Project/Object), and a bit later with the entire band. Later that night we had a drink with Adrian in café ‘De Zwarte Draak’ in Den Haag. What a nice man! (There are links to my youtube movies at the bottom of this post.)

Youtube:

Dinosaur

Of Bow And Drum

“E” – a new song from the upcoming new album

Three Of A Perfect Pair

backstage fun (acapella)

• • •
 

Mijn zoon

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 14:16

Het is vandaag donderdag 30 oktober 2008. Een bijzondere datum in huize bazbo.
Vandaag precies zestien jaar geleden werd hij geboren. Dat was nog een hele toestand. Hoe vaak heb ik nu al niet geprobeerd een verhaal te maken over zijn geboorte? Honderden keren en altijd werd het helemaal niets. Altijd ging het veel meer over mijn eigen angsten en onzekerheden in plaats van over de bijzonderheden van de geboorte zelf.
Want wat was het een schatje. Vierenveertig centimetertjes lang en vijfentwintighonderd vijfentwintig grammetjes zwaar. Alles perfect in verhouding. Een prachtkereltje. Wat leek hij op mij! Je had nog nooit zo’n trotse vader gezien.
Het was de makkelijkste baby die ik mij maar kon voorstellen. Ook toen hij verder groeide, leverde hij geen enkele zorg op. Ik zei wel eens: “Eigenlijk hebben we géén kind aan hem.” Hij deed het geweldig. Veel slapen, goed eten, lekker lullen, prima poepen en plassen, en vooral veel lachen.

Het lachen verging ons echter toen hij anderhalf à  twee jaar oud was. Plotseling werd ons kindje erg ziek. Wat begon met stuipjes bij koorts, ontwikkelde zich tot een heftige vorm van epilepsie. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. EEG hier, EEG daar. Containers vol medicijnen verdwenen er in het jochie. Van een vrolijk kletsend kind veranderde hij in een vlakke en stille jongen. Het was een tijdje zó erg, dat hij ieder uur een volledig insult had, dat we het ook niet meer wisten en dat we hem in een daad van uiterste wanhoop in het ziekenhuis lieten opnemen. Na twee weken van observatie, een MRI en andere onderzoeken vonden we uiteindelijk de juiste verhouding van medicijnen.
De ziekte leek onder controle. Oplettendheid bleef echter noodzakelijk. Zijn ontwikkeling ging ineens een stuk trager in vergelijking met andere kinderen, terwijl hij daarvóór juist zo voorop leek te lopen.

Ondanks alle zorgen waren er vooral heel veel blije momenten. Het jochie deed zulke mooie uitspraken. Bij hagel riep hij: “Kijk, sneeuw die stuitert.” Ieder familielid herinnert zich zijn knuffelslofje, zijn autootjes, het pluchen konijn genaamd Mixomatose en de kerst-cd van Ernie en Bert.
Op de dag dat hij vier jaar oud werd, speelde hij enthousiast met andere kinderen en auto’s. Uitgerekend op zijn verjaardag viel hij met zijn gezicht op de hardhouten trap. Maar liefst drie voortanden raakte hij erbij kwijt. ‘Gelukkig’ waren het zijn melktanden. Momenteel heeft hij een puntgaaf gebit.
Rond zijn zesde jaar had hij al twee jaar geen enkel epileptisch insult gehad. Na overleg met specialisten bouwden we de medicijnen af. Sindsdien is de epilepsie van de baan. Mijn zoon is ‘eroverheen gegroeid’.

Op de basisschool kwam hij moeizaam mee. Niet omdat hij het niet aankon, maar omdat bleek dat hij meer tijd nodig had dan andere kinderen. Het jochie vond nieuwe dingen eng en ging die het liefst uit de weg. En dat is wel lastig voor een jong kind op school, dat iedere dag heel veel nieuws moet leren. Het liefst koos hij voor de veiligheid van vertrouwde dingen.
Hierdoor werd hij een kwetsbaar kind dat in de klas nogal gepest werd. Juffen hadden niets in de gaten en het leek erop dat ze geen bal begrepen van hoe het jong in elkaar zat. We hebben acht jaar lang op school moeten knokken voor begrip en de juiste begeleiding.

Toen hij een jaar of negen werd, kreeg hij een Nintendo 64 van ons. Het was het begin van een hardnekkige gameverslaving. De Nintendo werd een paar jaar later aangevuld met een Playstation2. Urenlang kan hij op zijn slaapkamer doorbrengen met allerlei spellen. Daarnaast zijn stripboeken een grote liefhebberij. Verder heeft hij een abonnement op de Donald Duck en is het maar goed dat ikzelf vroeger zoveel Guust Flater en Lucky Luke heb verzameld, en vrouwlief helemaal weg was de X-Men en andere comics.

Op het moment dat de middelbare school in beeld kwam, begonnen we ons toch wel zorgen te maken. Het was op dat moment een bijzondere jongen, die best veel ondersteuning nodig had. We lieten hem goed onderzoeken via allerlei instanties. Hij kreeg senso-motorieke training om zijn bewegingsapparaat wat soepeler te maken. Ook was er extra gym buiten schooltijd en een ouder-kindgroep bij de plaatselijke GGD.
Ruim drie jaar geleden werd PDD-NOS bij hem vastgesteld, een aandoening in het autistisch spectrum. En dan niet de ‘extraverte’ versie, maar een introvertere vorm. Hij heeft die contactstoornis, aangevuld met een aantal ontwikkelingsstoornissen.
Tot op de dag van vandaag is het belangrijk dat hij weet waar hij aan toe is en dat hij ruim van te voren op de hoogte is van veranderingen. Bij nieuwe dingen of complexe (school)opdrachten overziet hij niet wat hij moet doen. Hij weet niet waar hij moet beginnen en dan dúrft hij niets te doen, uit angst om het verkeerd te doen. Als je samen met hem stapjes onderscheidt, dan kan hij het allemaal heel goed. Hij heeft alleen even dat stukje ondersteuning nodig.

De eerste twee jaar van het vmbo volgde hij op een speciale school voor jongeren die extra hulp en begeleiding nodig hebben. Vanaf het derde jaar doet hij de richting Groen op een kleine school in Twello.
Wat een bikkel. Ik zei nog: “Je mag een treinabonnement.” Maar dat wilde hij niet. Iedere dag fietst hij elf kilometer heen naar school en ook weer elf kilometer terug naar huis.
Hij heeft een rugzakje waarmee we de ambulante ondersteuning op school kunnen financieren, en twee keer in de week gaat hij naar de studiebegeleiding van een orthopedagoog. Het resultaat is ernaar.
Want wat doet hij het geweldig. Zijn eindrapport van het derde leerjaar bevatte maar één cijfer onder de zeven. Dat was een zes voor gym.
In de praktijk komen zijn andere kwaliteiten naar boven. Hij blijkt een hardwerkende collega te zijn die veel plezier heeft in zijn werk. Zijn grote stage als hovenier bij een instelling heeft hij met een vette ‘goed’ afgerond. Momenteel werkt hij bij een grote restaurantketen in de ploeg die verantwoordelijk is voor het tuinonderhoud.

Tegelijkertijd pubert hij er lekker op los. Daar waar hij zich veilig voelt, zegt hij onbezonnen wat er in hem opkomt. Ook op school zoekt hij grenzen op en kan hij onverwacht uit de hoek komen. En hoeveel bazbo-eigenwijzigheid herken ik niet in hem? Het regent. “Een regenpak aan? Tuurlijk niet; ik ben niet gek!” “Ik doe het op mijn eigen manier, hoor!”
“Gaan jullie vanmiddag nog weg?” vraagt hij steevast iedere zondag. Hij vindt het heerlijk om alleen thuis te zijn. Niet dat hij dan de beest gaat uithangen, hoor. Nee, gewoon: het is het idee dat hij zijn eigen gang kan gaan. Meestal doet hij dan gewoon de dingen die hij anders ook doet: gamen en lezen.
Prachtig om te zien dat ook zijn motoriek verandert. Liep hij als leerling van de basisschool nog als een pinguïn; tegenwoordig heeft hij de nonchalante tred van Steven Seagal.

Zijn gevoel voor humor is geweldig. Hij kan halve shows van Bert Visser en Arie & Silvester navertellen. Hij ligt in een stuip bij allerlei malle films. Mijn Monty Python-verzameling ligt structureel bij hem op zijn slaapkamer.
Ook aan de eettafel lachen we wat af. Wat zei hij nou laatst weer? Ik had de soep van de avond ervoor aangepast. Vrouwlief vond hem veel te scherp. Zegt hij zachtjes dat zijn moeder het niet hoort: “Tja, een van de nadelen van getrouwd zijn. Moeder de vrouw is de baas.” En een week of wat geleden was er een grote doos bezorgd door de post. Toen ik hem openmaakte, zaten er veel exemplaren van mijn eigen boek in. En wat zei die jongen? “Huh? Zoveel boeken? En je hebt er maar eentje geschreven!”

Kortom: ik maak mij geen moment meer zorgen om hem. Hij komt er wel. Samen zoeken we naar de juiste ondersteuning. Straks doet hij eindexamen vmbo en dan is het MBO in beeld. Ik heb er alle vertrouwen in. Zeker nu hij af en toe mailtjes krijgt van docenten: “Jij hebt de zaken goed voor elkaar. Wat een fijne leerling ben jij.”
Zijn behoefte aan ondersteuning wordt steeds kleiner. Shit zeg, straks moet ik hem nog helemaal loslaten. Dat zal moeilijk worden, want het is zo fantastisch om hem te zien opgroeien en daar onderdeel van te zijn.

Vanaf vandaag mag hij officieel bromfiets rijden. Maar dat wil hij niet. Hij blijft fietsen. Geen bromfiets, geen modebiele telefoon, geen msn.
“Wat wil je later worden?” vroeg ik hem eens.
Zijn antwoord was: “Pa, ik wil liever mezelf blijven.”
Mijn zoon, mijn knul, wat ben ik trots op hem. Mag dat?
En kan ik hem hier ook feliciteren met zijn verjaardag vandaag? Bij dezen.

 

Apeldoorn, oktober 2008

• • •
 

23-10-2008

De man met zijn fluit

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 14:11

Die nieuwe werkplek, had ik daar al eens iets meer over verteld? Niet dat ik me kan herinneren. Maar laat ik het kort houden. Het leuke van de nieuwe werkplek (die ik overigens al bijna een jaar heb, dus zo nieuw is het allemaal niet meer, maar dat zoals gewoonlijk terzijde) is dat ik er op de fiets naar toe kan in plaats van dat ik in zo’n stinkende streekbus moet. Heerlijk, hoor. En ik kom ook nog eens aan mijn dagelijkse portie bewegen toe. Het nuttige met het aangename verenigd. Wat dan precies het nuttige en wat het aangename is, weet ik zo even niet, maar dat doet er nu niet toe.

Deze keer fietste ik lekker naar huis. Naar huis, dat is toch altijd weer een prettig vooruitzicht. “Reizen is thuiskomen,” schreef Godfried Bomans al. Of was dat iemand anders? Zou iemand het kunnen schelen?
Ik fietste van de wijk Zevenhuizen naar de wijk De Maten. Dat kan via verschillende routes en ik koos ervoor om binnendoor over fietspaadjes te rijden. Toch ontkom je er niet aan dat je op drukke kruispunten komt. ‘De Tol’, bijvoorbeeld, alwaar de Deventerstraat, de Zutphensestraat en de Wapenrustlaan bij elkaar samenkomen. Apeldoorn is voortdurend bezig met vernieuwing en verbetering en dus word je om de haverklap geconfronteerd met straatwerkzaamheden en wegomleggingen. Het kruispunt ‘De Tol’ was een zootje. De verkeerslichten waren verwijderd en op bijna iedere hoek lagen bergen met bouwzand. Her en der stonden graafmachines en bedrijfswagens met veel ruimte op de laadbak. Deze situatie was al weken zo. In het spitsuur stonden er meerdere mannen in fel oranje hesjes het verkeer te regelen.

In mijzelf zong ik een lied. Het ging van hoempapa en tralala en I love you en baby baby. In mijn hoofd verscheen voor mijn ogen een mooi meisje met bruine ogen en een lieve lach. Maar daar doemde het kruispunt in de verte op! Even de aandacht bij het oversteken! Ik stopte bij waar een stoplicht zou moeten staan maar er nu geen was. Oplettend keek ik om mij heen.
Voor mij, aan de overkant van de rijstrook op de vluchtheuvel, stond een jongeman met knaloranje hes voor zich uit te kijken. Ik volgde zijn blik en zag ver weg, links van mij, helemaal aan de andere kant van het uitgestrekte kruispunt, nog een andere verkeersregelaar.
De jongeman voor mij gebaarde iets. Ik keek naar de man verderop. Die gebaarde óók iets. Hij blies op een fluit en wees naar mij. Mooi. Ik kon rijden. Er was trouwens ook geen enkele auto op het hele kruispunt te bekennen.

Ik zette af en stak de rijstrook over. Schuin achter mij hoorde ik een heleboel snerpend gefluit en iemand die schreeuwde. Op de vluchtheuvel stopte ik en keek ik om. De verkeersregelaar aan de andere kant stond te zwaaien en te roepen.
“Hee! Ik fluit hier niet voor Jan Lul!”
“Pardon!” antwoordde ik. “Ik dacht dat u gebaarde dat ik kon gaan.”

De man kwam naar me toe gelopen. Hij had een rood hoofd. “Wat denkt u wel niet?” brieste hij.
“Het was niet duidelijk,” klonk een stem naast mij. Een jonge vrouw was van de andere kant aan komen rijden en stond nu stil op dezelfde vluchtheuvel als ik. “Ik dacht ook dat ik mocht rijden.”
“Je moet niet denken!” brulde de verkeersregelaar. “Je moet kijken en doen wat ik zeg.”
“Nou meneer,” zei ik, plotseling heel rustig, “wij hebben u verkeerd begrepen. Excuus. Uw signaal was mij niet duidelijk.”
“Ik sta hier toch niet voor Jan Lul!” schreeuwde de man weer. Hij werd nog roder en zijn slapen begonnen te kloppen. Hij was inmiddels bij ons aangekomen.

Ik wilde verder fietsen, maar de verkeersregelaar hield me tegen. “Ho, ’s even! Zo makkelijk kom je er niet mee weg!” Ik rook zijn onsmakelijke adem en voelde walging in mij opkomen.
“Wat wilt u nu nog?” vroeg ik. “Ik heb mijn excuus gemaakt. Graag fiets ik nu weer verder. Naar mijn huis en vrouwlief. Een prettig vooruitzicht.”
“Zo wordt het een zootje in dit land!” krijste de man in mijn gezicht.
“Nou meneer,” zei de jonge vrouw. “Laten we er even rustig over praten. Kom, dan gaan we naar de stoep. Hier staan we fietsers en voetgangers in de weg.” Ze liep naar de overkant van de straat, waar twee bouwbusjes stonden. Zowaar, de verkeersregelaar liep met haar mee. Ik ook. Met de fiets aan mijn hand.

“Wat had je nou?” brulde de man tegen de vrouw toen we tussen de twee busjes in stonden.
“Pardon meneer,” zei ik, terwijl ik mijn fiets op de standaard zette, “deze mevrouw wil er graag rustig over praten. Dan hoeft u niet zo tegen haar tekeer te gaan.”
“Dat maak ik zelf wel uit,” spuugde hij terug. “Jij hoeft mij niet te gaan vertellen wat ik moet doen!” Plotseling haalde hij uit en raakte hij mij met vlakke hand in mijn gezicht. Ik was met stomheid geslagen.
“Wat doet u nou?” zei de jonge vrouw. Ze hief krachtig haar knie en die trof de man vol in zijn kruis. De man kreunde luid, haalde piepend adem en zakte door de knieën. “Wilt u dat nooit meer doen?” siste ze.
Ik keek om mij heen. Er was geen mens te zien. Ik pakte de man die op zijn knieën zat bij zijn haren en trok zijn hoofd omhoog. “Waag het eens om dit nog eens te doen. We weten je te vinden.” Toen liet ik hem los. De man viel opzij op de grond. Ik keek naar de vrouw en onze blikken ontmoetten elkaar.

Het was een mooie jonge vrouw. Kortgeknipt blond haar dat wat sprieterig rechtop stond, een wat mysterieus lachje op de lippen en indringend felle ogen. Heel groot was ze niet eens. Ze droeg een zwart jasje, een strakke spijkerbroek en zwarte schoenen met naaldhakken. Hoe oud zou ze zijn? Ergens halverwege de twintig, leek me. Mag ik haar dan een meisje noemen? Ze glimlachte naar me. Toen keek ze naar beneden, naar het hoopje verkeersregelaar dat daar lag te hijgen met zijn handen in zijn kruis.
“Jij krijgt geen kans om het nog eens te doen,” fluisterde ze naar hem en schopte hem in zijn gezicht. De man uitte een zucht van pijn en draaide zich op zijn rug.
Het meisje keek mij aan en er kwam een glinstering in haar ogen. Even werd ik bang van haar. Toen kwam ze naar mij toe, pakte mijn hoofd en drukte haar lippen op die van mij. Haar tong drong vastberaden mijn mond binnen. Ik liet haar begaan. Enigszins overdonderd was ik.

Na een paar tellen hield ze ermee op. Ze deed weer een stap terug. De blik in haar ogen werd anders. Plotseling greep ze naar haar voet en trok een schoen uit. Ze knielde bij het hoofd van de man neer en drukte de naaldhak diep in een van zijn ogen. Ik wendde mijn hoofd af.
De man was gestopt met bewegen. Het meisje was weer opgestaan. Ik keek naar haar. Opeens kwam ze me vaag bekend voor. Waar had ik haar eerder gezien? In een supermarkt vlakbij mijn huis? Ze trok haar schoen weer aan. Toen kwam ze weer naar mij toe. Ze legde haar wijsvinger op mijn lippen. Ik mocht niets zeggen. Ik kón ook niets zeggen en sloot mijn ogen. De vinger verdween van mijn mond.

Ik opende mijn ogen. De mooie jonge vrouw was verdwenen. Aan mijn voeten lag de verkeersregelaar met een plasje bloed naast zijn hoofd. Zijn fluit lag naast hem. Ik gaf het ding een schop en het rolde een put in. Er klonk het geluid van metaal op metaal en daarna een zacht plonsje. Kloenk.
Ik keek om mij heen. Niemand had dit alles gezien.
Ik pakte mijn fiets en reed mijn weg verder naar huis. In mijn woning trof ik mijn vrouwlief. Door alle gebeurtenissen van mijn terugreis en door de gedachten aan de jonge vrouw was ik nogal verhit. Daar kwam seks van. Naderhand viel ik moe maar voldaan in slaap. Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, oktober 2008

• • •
 

20-10-2008

Sheik Yerbouti with Napoleon Murphy Brock – In der Tenne, Elkenroth, Germany – October 18, 2008

Filed under: Muziek - Music - LIVE — bazbo @ 10:10

 

Frank Zappa coverband trad op met speciale gast Napoleon Murphy Brock, die bij Zappa zelf in de band speelde van 1973 tot en met 1976. Met een Pink Floyd coverband in het voorprogramma (die pas een half jaar samen speelden – dit was hun derde concert – maar wat klonk het gaaf) speelde SY de sterren van de hemel. En dat alles op de bovenverdieping van een grote boerenschuur met een wel heel raar podium. Ondanks de lange reis erheen (dank aan ke voor het rijden en Lilian voor gezelschap) was dit de moeite waard: mooie muziek en weer veel bekenden en nieuwe mensen ontmoet! Onderaan dit bericht staan links naar mijn youtube filmpjes.

This Frank Zappa coverband played this evening with special guest Napoleon Murphy Brock, who played in Zappa’s band from 1973 till 1976. The opening band was a Pink Floyd coverband that had formed only a half year ago – this was their third concert ever – but did this sound good! Then Sheik Yerbouti played a fantastic set. It all happened on the second floor of a large farmer’s barn with a curious stage. This concert was worth the long journey to get to it (thankz to ke for driving and to Lilian for the company): good music and the chance to meet lots of familiar and new people! On the bottom of this post you’ll find the links to my youtube movies. 

ke and Lilian during a break near Köln

Youtube:

Tush Tush Tush + Advance Romance

Aybe Sea + Inca Roads

The Idiot Bastard Son

• • •
 

16-10-2008

Vrijgezel?

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 14:33

Om een of andere reden die hier totaal niet terzake doet, werk ik een dag in de week in een andere locatie dan normaal. Die locatie is gelegen in de wijk Apeldoorn Zuid en die ene dag in de week is de woensdag. Op die dag komt er na de lunchpauze een collega mij assisteren bij mijn werkzaamheden. Het is eigenlijk niet echt een collega; ze is nog in opleiding.
Ook gisteren was ze van de partij. Om kwart voor een kwam ze binnen. Ze zette haar tas in een hoek en keek de ruimte rond. Ze vond me snel.
“Ha Bas, daar ben ik.”
“Dat zie ik. Goed dat je er weer bent. Alles oké?”
Ze knikte.
“Da’s mooi. Koffie?”
“Nee, liever thee. Ik lust geen koffie.”
“Hoe lang werk je nog hier?”
“Drie maanden.”
“Dan heb ik drie maanden de tijd om je koffie te leren drinken.”
Ouwe flauwe nietszeggende gesprekken, maar dat gaf niet. We lachten naar elkaar.

Leonie is een fris en fruitig meidje van rond de twintig jaar jong. Ze draagt gympies, een strakke spijkerbroek en een onopvallend shirtje. In haar kledingkeus is ze niet bepaald extravagant. Haar lange donkerblonde haren heeft ze in een staartje achterop haar hoofd huppelen. Een vriendelijk lachje en een wat ongrijpbare, afwezige blik in haar ogen maken haar compleet. Ik vind het leuk om tegen haar aan te kletsen. Ze lacht me vaak toe. Ook geef ik haar veel complimenten over haar werk. Niet omdat ik wil slijmen, maar gewoon omdat ze haar werk zo goed doet.
“Fijn dat je mij zo de gelegenheid geeft om zelfstandig te werken. Daar leer ik echt van,” zei ze vorige week.
“Wat dat betreft maak ik me geen zorgen of een klus wel goed komt,” was mijn antwoord geweest. “Ik heb er alle vertrouwen in dat je het kunt.”
“Dank je wel,” had ze gezegd, haar ogen verlegen naar de grond gericht.
Gelukkig hoorde ze mijn diepe zucht niet.

“Bas, waar lagen ook weer de spullen die ik vanmiddag nodig heb?” vroeg ze gisteren, toen ze aan het werk wilde gaan.
“In dat grote opberghok achter in het gebouw, weet je nog?”
“Eh, nee?”
“Wacht. Loop ik even met je mee.”
Samen gingen we de gangen door. We waren bijna alleen in het gebouw. Doordat het zo rustig en stil was, hoorde je onze voetstappen op de geboende linoleumvloer. Ze heeft een bijzonder, wat ongeduldig loopje. Tijdens het lopen gebruikt ze bijna alleen haar voorvoet. Alsof ze opgejaagd wordt en bijna letterlijk op haar tenen moet lopen.
“Stom hè?” zei ze zachtjes. “Je hebt het me wel laten zien, laatst. Maar ik weet het écht niet meer.”
“Joh, geeft niets,” zwaaide ik haar verontschuldiging weg, in de hoop dat ze wat ontspannen zou raken. “Het is hier ook zo’n doolhof. Kijk, daar is het hok.”
Met een sleutel deed ik de deur open. Ze ging me voor het donker in.
“Als het goed is, staat alles daar rechts achter,” was mijn aanwijzing.
“Het is hier wel donker, zeg,” zei ze.
Op sommige momenten komt het oerbeest in mij naar boven. Zelfs ik heb mijn zwakke momenten.

Allemensen, wat wilde ik dit meisje plots dolgraag van achter bij de heupjes pakken. Ik zou mijn hoofd op haar schouder leggen en haar onverwacht in haar hals zoenen. Zij zou zich verrast naar me omdraaien, haar armen om mijn nek slaan en haar lippen op die van mij drukken. Wat zou volgen, was een hitsig tafereel waarin we in de donkere kast stonden te vieziken. Hoofdrolspelers in het tafereel zouden zijn: vier handen, twee ronddansende tongen, twee kleine tietjes, mijn harde plasser en haar strakke achterwerk.

“Het kan niet. Ze is te jong, te sportief, te ver weg. En ik ben te oud, te saai, te verwaarlozen.” Sommige gedachten maken me somber. Ik deed het licht in het hok aan, wees haar de spullen en hielp haar mee sjouwen.
“Dank je wel,” glimlachte ze.
“Graag gedaan, hè. Dat weet je.”
Ze bloosde een beetje.

Wat later in de middag ging ik af en toe kijken hoe het met haar ging.
“Hoe gaat het?” vroeg ik. “Lukt het allemaal?”
“Ja hoor,” antwoordde ze opgewekt.
“Jammer,” zei ik. Daar schrok ze van. “Zo krijg ik de kans niet om jouw grote held te worden,” zei ik er snel achteraan. “Je redder in de nood.”
“Als de nood zó hoog is, roep ik je echt. Oké?”
“Beloofd, Leonie?”
“Zeker, Bas.” Het maakte niet echt iets goed.

Je zult het altijd zien. Op dagen dat ik dicht bij zo’n leuk meisje in de buurt mag zijn, heb ik ook weer allerlei andere zaken aan mijn kop, die maken dat ik niet in de gelegenheid ben om optimaal van haar aanwezigheid te genieten.
Dit keer was de zaak aan mijn kop mijn eigen zoon. We hadden een oudergesprek op zijn school. Kortom: in mijn ogen veel te vroeg moest ik voor die dag afscheid nemen van Leonie.
“Hee, ik moet gaan,” bloedde ik. “Huiselijke verplichtingen.”
“Nu al? En hoe moet dat nu als ik er even niet uitkom?”
“Dan wacht je tot volgende week,” zei ik enigszins bedrukt. “Je weet dat ik je dan graag weer help.”
Ze lachte. “Ja, dat weet ik. Nou, veel sterkte vanmiddag.”
Mijn hart deed zeer toen ik mij omdraaide en van haar wegliep.

Niet veel later fietste ik naast mijn vrouw. Het was best een eindje rijden naar Twello. Al fietsende bespraken we het gesprek met de klassenmentor voor. Als ik een bekende route fiets, dan heb ik zo mijn ijkpunten. Naar Twello is dat onder andere het bruggetje over de Grote Wetering in Teuge.
“Ben jij niet iets kwijt?” vroeg vrouwlief toen we dat dorp binnen fietsten.
“Huh, nee? Niet dat ik weet,” was mijn antwoord.
“Mis je niet iets aan je linkerhand?”
Ik keek. Aan mijn pink zat normaliter mijn trouwring. Nu was-ie verdwenen. Ik had het vandaag nog niet gemerkt.
“Waar heb je hem gevonden? Vanmorgen in bed, zeker?”
Vrouwlief knikte.
De donderslag die toen door mijn kop denderde loog er niet om.

“Verrek, ik heb de hele dag zonder trouwring rondgelopen. Ik ben de hele dag niet getrouwd geweest! Voor een hele dag was ik weer vrijgezel! Ik had me legaal met Leonie mogen misdragen. En ik had het niet eens door! Weer een kans verkeken! Dat heb ik weer! Shit! Shit!”
We waren ondertussen al op het bruggetje over het kabbelende riviertje. Doelbewust gaf ik een ruk aan mijn stuur naar rechts. Ik botste tegen de reling van de brug. Handig liet ik mijzelf over de kop en over de metalen leuning heen kukelen. Ik hoorde vrouwlief nog iets gillen op het moment dat ik het wateroppervlak raakte.
Terwijl het zwarte weteringwater zich boven mij sloot, dacht ik aan helemaal niets.

Apeldoorn, oktober 2008

• • •
 

15-10-2008

18 jaar getrouwd

Filed under: Fotogalerij 2007-2009 — bazbo @ 19:53

Op vrijdag 19 september 2008 waren we achttien jaar getrouwd. Dat moest gevierd. Maar dat kon niet, want een goede vriend had het in zijn hoofd gehaald op die dag óók te trouwen. Dan maar wat later. Zaterdag 4 oktober aten we ‘mezze’ bij Adnan en zijn broer in het splinternieuwe restaurant ‘Sinni’.

We celebrated our 18 years wedding anniversary on Friday September 19, 2008. We wanted to celebrate that. But we couldn’t, because of a good friend was going to marry on that day too. So we celebrated a bit later. On Saturday October 4 we had some delicious ‘mezze’ at Adnan’s and his brother’s in their brand new restaurant ‘Sinni’.

• • •
 

09-10-2008

Reünie – Tienertietjes

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 09:14

Nogmaals: eigenlijk vind ik die hele schoolreünie maar niets. Ik zie geen bekende, op die enkeling na. Met haar heb ik net een tijdje staan praten. Mijn blik gaat naar de muren. Binnen die muren heb ik heel wat tienervoetstappen gezet. Het Veluws College stond destijds in hoog aanzien. Toen ik twaalf was ging ik er naar toe. Omdat mijn grote broer er ook heen ging. Zo ging dat. Nu ben ik eenendertig jaar verder en met deze reünie ging het net zo. Ik ging omdat mijn broers en zussen ook gingen. Veel had ik er van te voren niet van verwacht en die verwachting bleek nog uit te komen ook. Hoop vreemden hier.

Mijn bloedeigen broers en zus, die ken ik wel. We staan even met elkaar te kletsen. Mijn jongste broer is een guit.
“Hoe heet jij ook weer?” vraagt hij mij, terwijl hij op mijn badge kijkt. “Je komt me zo bekend voor!”
“Da’s wel heel gênant hier,” zeg ik. “Als je iemands naam niet meer weet, moet je naar zijn of haar tiet kijken.”
“Ach joh,” wuift hij mijn opmerking weg, “nu hebben we een mooi excuus. Kunnen we legaal bij allerlei vrouwen naar de borsten staren.”

“Hee Bas, herken je háár niet meer?” vraagt mijn zus, wijzend op de vrouw die naast haar staat.
Ik kijk. Ze heeft wel een bekend gezicht. Mijn hersenen werken onder hoogspanning. “Eh, …” hakkel ik, “… geef me even de tijd …”
“Nou, dat staat je netjes,” zegt de vrouw met een lachje op de lippen. Ze heeft een volle bos blond haar, een wat smal gezicht en indringende ogen. De eerste rimpeltjes zijn zichtbaar op haar huid. Potdomme, wat zijn we allemaal oud geworden. En wie is dit? Ik probeer de badge op haar borst te vinden. Die houdt ze slim afgedekt met haar hand. “Niet spieken!”
Nog steeds graaf ik in de herinneringen aan deze school. Had ik ooit bij haar in de klas gezeten? Volgens mij niet. Ik verschuil mij achter mijn plastic bekertje met bier.
“We zijn ooit nog eens samen op vakantie geweest,” zegt mijn zus. Het kwartje valt. Ik weet wie ze is!
“Weet je niet meer dat we bij mij op bed naar plaatjes van The Beegees zaten te luisteren?” vraagt de vrouw met een lachje.
“Janneke!” roep ik uit. “Oooh, wat érg dat ik het niet gelijk zag!” Ik stap op haar af, grijp haar bij de armen beet en zoen haar op haar wangen. Lachend zoent ze terug.

De zomer van 1978 was een warme. Mijn familie ging op vakantie naar Vlissingen. Daar huurden papa en mama een huis. We waren er al wel vaker geweest. Het was misschien wel de vijfde keer dat we er waren. Dit keer gingen we niet alleen. Er ging nóg een familie mee en die huurden het huis naast het onze.
Janneke was de oudste van die familie. Ze was van mijn leeftijd. Ik kende haar daarvóór niet echt goed. Soms zat ze met haar familie in de kerk vlak vóór ons en dan keek ik naar het meisje met de kortgeknipte blonde haren.
Tijdens de vakantie waren de twee families vaak samen aan het strand. Janneke droeg een groen-zwart gestreepte badstoffen bikini. In het begin hield ze haar bovenstukje nog aan, maar later werd ze vrijer. In haar vrije tijd deed ze veel aan zwemmen. Ik vond het een mooi gezicht om haar met haar zongebruinde sportieve lijf en haar blote tienertietjes door de golven te zien duiken.

In het jaar dat daarop volgde, zaten we allebei in de brugklas. Ieder in een andere. We hielden contact. Als ik de krantjes van de kerk moest rondbrengen, kwam ik langs haar huis. Soms vroeg ze me naar binnen. Dan luisterden we plaatjes, terwijl we samen op haar bed zaten. Verlegen en angstig antwoordde ik op haar vragen en ondertussen bekeek ik haar aandachtig. Ik nam vaak wat grammofoonplaatjes mee. Dat singeltje van The Beegees, hoe heette dat ook weer? ‘Too Much Heaven’ was het.
Bij Janneke voelde ik me wel in de hemel. Maar niet in de zevende.
“Jij bent een grappig joch,” zei ze een keer. “Maar verwacht niets van mij.”
Natuurlijk. Stel je voor, zeg. Dat ik stiekem tóch iets zou verwachten. Hoe kóm je erbij?
’s Avonds in bed vroeg ik me af of Janneke nou echt zó hardvochtig was. Zag ze wérkelijk niet hoe leuk ik haar vond? Zou ze niet beseffen dat ze me met haar opmerking zo ongeveer had vermoord?

Nu is het dan eenendertig jaar later. Ik kijk haar aan. Haar gezicht is verouderd, maar nauwelijks veranderd. Ze ziet er goed uit. Wat een zelfbewuste en levenslustige vrouw is ze geworden. Ik merk dat ik op dit moment net zo graag naar haar kijk als eenendertig jaar geleden. Tegelijkertijd ben ik net zo angstig en verlegen als toen.
Ze vertelt over haar levensloop. Jong getrouwd, drie kinderen. Later gescheiden en hertrouwd. “Weet je wat grappig is?” vraagt ze. “Twee van mijn kinderen zijn hier ook op de reünie. Die hebben het Veluws Collega al verlaten. De derde zit hier nog in het vierde leerjaar.”
“Wat zijn we oud geworden, Janneke,” zeg ik zachtjes.
“Wat zei je?” vraagt ze.
“Jij bent vroeg aan kinderen begonnen,” red ik me eruit. “Dat moet toch wel een gekke gewaarwording zijn, dat je hier met je kinderen op een schoolreünie bent.”
We lachen en praten verder. Over onszelf. Ik vertel over mijn zoon. Hoe trots ik op hem ben.
Dan komen er andere mensen bij staan en die grappen wat heen en weer. Voor ik het weet is ons gesprek naar de knoppen. Ik ga maar eens bier halen. Als ik de eerste slok neem, weet ik dat het goed smaakt. Waar ben ik ook weer?

Als ik weer volledig bij bewustzijn ben, sta ik alleen. Ik kijk om me heen. Mijn zus is iets verderop in gesprek geraakt. Mijn broers zijn spoorloos verdwenen. Zeker op een andere verdieping aan het kijken. Janneke is ook in geen velden of wegen te bekennen.
Ik ga naar buiten en stap op de fiets. Terwijl ik door de straten van Apeldoorn rijd, vult mijn hoofd zich met jeugdherinneringen. Zeker vijfentwintig jaar heb ik Janneke niet gezien. Zou het wéér vijfentwintig jaar duren vóór ik haar opnieuw ontmoet?
De leegte kan niet groter zijn.

Apeldoorn, oktober 2008

• • •
 

06-10-2008

Art Café ‘Sam Sam’ – October 5, 2008 – acoustic show

Filed under: FoolZ — bazbo @ 09:43

Ilness caused a special set today. Remco was ill, ke was ill, therefore special guest Thomas couldn’t make it, and Ed Mann wasn’t there either. A four piece band performed an improvised, but very nice set!

youtube:

Sofa

Cosmik Debris

Peaches En Regalia

I’m The Slime

Let’s Make The Water Turn Black (encore)

• • •
 

02-10-2008

Reünie

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 09:51

Er is hier eigenlijk maar weinig veranderd. Eenzaam dool ik door de stille gangen van het grote schoolgebouw. Hier sleet ik maar liefst zes jaren van mijn tienerleven. De lokalen staan er nog hetzelfde bij. Het lijkt wel of het meubilair nog altijd hetzelfde is als toen. De vloer, de gangen, de ramen: het is alsof ik nooit ben weggeweest. Vijfentwintig jaar geleden trok ik de deur hier achter me dicht. Nu ben ik er weer.

Er zijn niet zo heel veel bekende koppen. De gang bij de grote trap staat propvol met mensen van mijn generatie. Alleen mijn broers en zus herken ik. Die staan geanimeerd met allerlei mensen te praten. Ik kijk eens rond.
“Oh, hoe gaat het met jou?” hoor ik om mij heen. “Wat ben jij gaan doen in het leven?” “Jij bent niets veranderd!” “Waar werk jij nu?” Alsof je iets of iemand bent geworden als je gestudeerd of een goedbetaalde baan hebt. Ik wil weten of mensen gelukkig zijn en waarom. Eigenlijk vind ik er hier geen bal aan en wil ik weg.

“Hee, hallo!” zegt een zachte stem achter mij. “Wat leuk dat jij er ook bent, Bas!”
Ik draai me naar de stem om en kijk in het gezicht van Antoinette. Ik lach en schud haar de hand. Ik heb een bekende gevonden.
“Ik herkende je bijna niet, zeg,” gaat ze door. “Je bent enorm veranderd.”
“Wij hebben toch alleen in drie Havo bij elkaar in de klas gezeten? Toen was ik nog een heel klein jochie.”
“Ja, dat herinner ik me wel. Nu ben je niet zo klein meer. Heb je er medicijnen voor geslikt?”
Ik lach. “Nee joh, ik heb gewoon mijn groeispurt iets later gehad.”
“Ach, de een is daar wat sneller mee dan de ander. Maar wat wás jij toch klein en mager!”
“Nu zijn we allemaal oud, grijs en dik geworden.”

Antoinette was misschien niet het állermooiste, maar wel het populairste meisje uit de buurt. Toch vond ik haar er leuk uitzien. Ze droeg vlotte kleren en had mooi steil blond halflang haar.
In de zomer hing iedereen ’s avonds rond de voetbalvelden voor Jeugdsport Orden, de sportactiviteiten die de speeltuin uit de wijk organiseerde. Ik was er eigenlijk al een beetje te oud voor. Ik zat tenslotte al in de brugklas. Maar het ging me ook niet zozeer om de sport. Het ging om de leuke meisjes. Niet dat ik ooit een meisje had gehad, hoor. Meisjes kwamen nog altijd van een andere planeet. Ik was al bang om naar ze te kijken, laat staan dat ik met ze durfde te praten.
Antoinette was ook regelmatig rond de velden te vinden met haar vriendinnen. Veel jongens probeerden haar te benaderen, maar ze lachte ze allemaal weg. Ik stond van een afstandje naar haar te gapen en hoopte dat ze spontaan op mij af zou komen. Dat gebeurde natuurlijk nooit. Groot was mijn geluk toen ik ontdekte dat Antoinette ná de zomer ook naar het Veluws College zou gaan. Dat geluk werd enigszins gesmoord toen bleek dat er minstens tien brugklassen waren en dat Antoinette en ik wel zes klassen uit elkaar zaten…

Die winter trok ik met een groep klasgenoten uit de buurt op. Antoinette was daar af en toe ook bij. Op 28 december 1977 was ze jarig. Ze werd dertien jaar. Ik ging erheen. Ze had mij niet echt gevraagd om op haar verjaardag te komen, maar ik trok de stoute schoenen aan.
Bibberend van de kou, maar nog veel meer van de zenuwen belde ik aan. Enthousiast deed ze open. Ze had iets spierwits aan en ik vond haar er heel mooi uitzien.
“Bas!” riep ze uit. “Wat leuk! Kom binnen!”
Ik trok mijn jas uit en volgde haar naar de woonkamer. Daar viel ik middenin een bijeenkomst van allerlei klas- en schoolgenoten. Ze moesten allemaal giechelen toen ik binnenkwam. Tja, wat moest het populaire meisje van de school nou met zo’n klein opdondertje als ik? Verlegen stond ik tegenover Antoinette.
“Gefeliciteerd,” hakkelde ik. “Kijk eens, voor jou.” Ik gaf haar mijn cadeautje. Geen idee meer wat het was. Ik geloof een bloemetje. Ik voelde grote hilariteit om mij heen. De anderen wisten niet wat er zou gaan gebeuren.
“Dank je wel, Bas,” zei Antoinette. Ze pakte mijn hand en trok me naar zich toe. Wat gebeurde er nou? Ze bukte en bracht haar hoofd naar mij.

Ze kuste me eerst op beide wangen. Toen op mijn mond. Ik was stomverbaasd. Waarom doet ze dit? Wat wil ze ermee bereiken? vroeg ik me af toen ik haar lippen op die van mij voelde. Antoinette valt tóch niet echt op mij? Kennelijk wilde ze indruk maken op haar vrienden, die iets verderop in de kamer wat zaten te lachen. Ik kneep mijn ogen dicht en zoende haar maar zo’n beetje terug. Daarvoor moest ik wel op mijn tenen gaan staan, anders kon ik er niet bij.
Ze liet me los. “Dank je wel,” zei ze zacht. Ik geloof dat ik een héél rood hoofd kreeg.
“Woeoehoeoe, Bas!” gierden de lui aan de andere kant van de kamer.
Ik stond waarschijnlijk enorm voor gek. Maar ik had wel met het mooiste meisje van de buurt staan zoenen. Dat was hún nog nooit gelukt! Tjonge, wat voelde ik me groot.

“Wat is er van je geworden?” vraagt ze. Ze is werkelijk geïnteresseerd. Als ze het vraagt, houdt ze haar hoofd een beetje schuin. Alsof ze me een interview afneemt. Haar halflange blonde haar hangt op haar schouders.
Ik vertel over mijn geschiedenis, mijn gezin en vooruit, ook iets over mijn opleiding en mijn werk. Ze stelt nog meer vragen. We hebben een gesprek. Ondertussen kijk ik haar aan. Wat er van háár is geworden, weet ik al geruime tijd.
Ik vind het nog steeds een mooi meisje. Ze is een vrouw van drieënveertig, maar een mooie vrouw van drieënveertig.
“Nou Bas, leuk om je weer eens te hebben gezien,” zegt ze. “Heel veel plezier nog. Ik ga even verderop kijken of ik nog bekenden tegen kom.”
“Wanneer zie ik je weer?” vraag ik zachtjes. Volgens mij heb ik een rood hoofd, net zoals dertig jaar geleden.
“Heel snel,” zegt Antoinette met een lach. “Maandagavond half negen presenteer ik weer Tros Radar.”

Apeldoorn, oktober 2008

• • •