bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

25-09-2008

Droompijn

Filed under: FOK!publicaties - 2008 — bazbo @ 09:12

Als ik droom, dan ga ik dood. Altijd. Meestal word ik achtervolgd, door een monster van een krokodil of een leeuw. Of door een heel slechte man. Hij drijft me in het nauw. Enkele keren kan ik ontsnappen. Uiteindelijk niet. Hij raakt me. Zijn kogel dringt mijn borst of hoofd binnen. Andere keren gooit iemand me van een rotspunt in een ravijn. Of ik krijg een enorme jaap van een vleesmes tussen mijn ribben gedouwd. Altijd ga ik dood, word ik vermoord en is dat het enige dat ik van mijn droom kan herinneren. Nooit voel ik pijn, de pijn van de kogel die mijn vlees openrijt of mijn hersenen doet spetteren, het breken van mijn botten als ik in de kloof te pletter stort, of het zompen van mijn weefsel als het mes zich een baan zoekt door mijn organen.

Die nacht droomde ik ook. Zelden weet ik de volgende dag nog wat ik gedroomd heb. Bij het ontwaken is mijn hoofd leeg. Ik herinner me niets. Heel soms staat me bij dat ik dood ben, of vermoord of opgehangen. Die nacht droomde ik ook.

Ze droeg een strakke spijkerbroek, sportschoenen en een wijdvallende gebreide grijze trui. Haar lange donkerblonde haar hing naar achteren en de staart stak door het gat aan de achterkant van haar grijze petje. Ze maakte zich los van de groep mensen en kwam op mij af. Haar grijze ogen stonden vol verwachting.

Ik knipperde even met mijn ogen en probeerde te ontdekken waar of ik eigenlijk was. Na afloop van zo’n bijzondere week zou het wel weer zijn. Bomen op de achtergrond, gras aan mijn voeten, een grijze lucht en ver, ver weg een grote groep mensen.
Toen ze vlak bij me was, draaide ik me om en keerde ik haar mijn rug toe. Al snel liep ze naast me. Haar linkerarm uitnodigend naar me toe gestrekt.

En ik voelde. Haar arm lag om mijn middel en ik voelde daadwerkelijk haar warmte. Automatisch omarmde ik haar ook. De stof van haar trui streelde mijn vingers, de pluisjes kietelden. We stonden stil, draaiden naar elkaar toe en keken. Zij keek een beetje naar beneden, want ze was zowat een halve kop groter dan ik. Haar ogen stonden hoopvol en ik keek glazig omhoog, geschrokken van wat ik hier in het echt aan mijn handen beleefde. Ze boog. Haar lippen weken een stukje uiteen en haar grijze ogen gingen langzaam tot spleetjes dicht. Plots bespeurde ik een warme lucht vlakbij mijn mond. Ik snoof het zachtjes op liet het mijn hele lichaam vullen. Ik keek omhoog naar haar op en onze blikken ontmoetten elkaar. Mijn bovenlip raakte haar onderlip en zie: ik voelde de warme zachte huid van haar mond tegen de mijne. Ze boog nog iets dieper en ik hief mijn hoofd nog wat meer. Elke beweging, ieder spiertje en elk kloofje in haar lippen kon ik gewaarworden en haar zwoele bries die adem heette verwarmde mijn mond, mijn longen, mijn slokdarm, mijn maag, mijn bloedsomloop, mijn organen, mijn ledematen en mijn hele lijf. Plotseling voelde ik de punt van haar tong en ik deed mijn kaken iets verder van elkaar. Mijn eigen tong raakte de hare, ik stuitte op haar tanden en alles proefde warm en welkom en thuis.

(Natuurlijk niks geen seksueels. Niets geen erecties of zin om haar borsten uitbundig te kneden; nee, enkel onze monden en armen ineen. Het voelde echt en werkelijk en reel.)

We keken elkaar aan, onze monden weken uiteen en glimlachten.
“Bas?” vroeg ze. “Ben ik belangrijk? Ben ik belangrijk voor jou?”
Haar vraag priemde me diep in mijn hart. Hoe oud zou ze zijn? Twintig? Tweentwintig? En wie was ze eigenlijk? Leek ze op [ wat was haar naam ook weer? ] of verbeeldde ik me dat maar? Was ze een nieuw meisje? Haar vraag schoot me door mijn hersenen en richtte daar onherstelbare schade aan. Ik ging te pletter vallen. Hoe woorden me soms kunnen steken als een slagersmes diep in mijn ingewanden.

“Natuurlijk, je bnt belangrijk,” klonk mijn stem. “Maar nu even niet zo.” Haar ogen werden groter, lieten me los en zakten naar beneden. Haar armen eveneens. “Morgen niet en overmorgen ook niet zo,” moest ik verder gaan. “Je weet hoe het gaat. Ik ben net terug van zo’n bijzondere week. Dat duurt dagen vrdat iets of iemand anders belangrijk wordt.”
Haar ogen, haar lippen en haar armen begonnen nu vervaarlijk te hellen. “Ik snap het wel,” zei ze alleen maar. Ze draaide zich om en alles aan haar stortte naar de diepte.

En ineens was daar de pijn. De pijn van al mijn dromen, van alle kogels in mijn kop en mijn borst, van alle doodsmakken en alle messteken in mijn buik, bij elkaar opgeteld. Hier, nu, in deze ene droom, toen zij van me weg liep.

Ik werd wakker. Ik keek naar mijn wonden en probeerde het bloeden te stelpen.

Apeldoorn, augustus 1997 en september 2008

• • •
 

18-09-2008

Niet fantastisch

Filed under: FOK!publicaties - 2008 — bazbo @ 13:39

Een goede bekende had tijdens een festival nogal veel gezopen. Of misschien juist een beetje weinig gegeten, dat kan ook. Om een lang verhaal kort te maken: Peter kon geen been meer voor het andere zetten van zatheid en viel dan ook ongenadig op zijn bek. De volgende morgen was een groot gedeelte van zijn aangezicht verborgen achter een zonnebril.
“Last van het zonlicht?” riep iedereen. “En de zon schijnt niet eens!”
Peter haalde voorzichtig de Polaroid van zijn neus en openbaarde ons een aantal fikse schrammen, afgrijselijke wonden die eigenlijk gehecht hadden moeten worden, en twee prachtig blauwe ogen die hij niet bij zijn geboorte had gekregen.
“Zo, dat staat je mooi,” grapte ik.
“Wil jij even niet zo schoolmeesterig staan doen?” zei vrouwlief. “Weet jij nog van een paar jaar geleden?”

Oei. Een paar jaar geleden. Op zijn minst wel tien, geloof ik.
Ik had die zaterdagmiddag boodschappen gedaan in het centrum van Apeldoorn. De zwartlinnen boodschappentas was zwaar. Twee flessen wodka zaten erin. Ik had in die tijd een aanvraag bij de gemeente voor een eigen glasbak voor de deur. Niet dat die ooit gehonoreerd is, hoor. En dus moest ik om de paar dagen met een kistje lege flessen naar de glasinzamelplaats bij ons op de hoek van de straat.
De twee flessen rinkelden tegen elkaar aan in de tas en ik begaf mij op weg naar het Caterplein in Apeldoorn. Normaal kom ik daar nooit. Ik ben niet zo’n kroegtijger. Zuipen doe ik het liefst thuis. Daar heeft niemand er last van en het is nog goedkoper ook. Dit verhaal speelt zich trouwens nog af in de guldentijd, de gloriedagen dat alcohol in de horeca nog betaalbaar was.
Het Caterplein had in die tijd ook nog eens niet zo’n heel goede naam. Vooral in het weekend was het plein nogal eens het decor van geweldsuitbarstingen onder groepen jongeren.

Ik had afgesproken met een groepje vrienden om elkaar te ontmoeten bij de pub ‘The Dubliner’. Die bestond toen nog. Nu is hij helaas al jaren weg.
Het groepje vrienden begroette mij hartelijk met de traditionele kreet: “Is het niet fantástisch?” De precieze herkomst van de kreet was niemand eigenlijk echt goed duidelijk. Ik had hem ooit eens geïntroduceerd, maar weet niet meer bij welke gelegenheid. De grap kwam erop neer dat ik bij alles wat er om me heen gebeurde of gezegd werd, te pas en te onpas riep: “Is het niet fantástisch?” Na een tijdje nam iedereen het over en zo werd het de kreet bij ontmoetingen, verhalen, opmerkingen of wat dan ook.

Het werd een bijzonder gezellig samenzijn. Ik nam een biertje en daarna nog een biertje. Vervolgens nam ik nog een biertje.
“Zullen we ergens gaan eten?” vroeg iemand uit de vriendengroep.
“Leuk idee,” zei iemand anders. “Maar waar?”
Ik sleepte iedereen mee naar Turks restaurant Byzantium in de Beekstraat. Bij Adnan krijg je het lekkerste dat je ooit hebt geproefd. Jammer dat zijn restaurant gesloten is. Heel af en toe doet hij zijn deuren nog wel eens open en dan ben ik er als de kippen bij.
Maar goed, het werd bij Byzantium nóg gezelliger. We kregen raki bij de kaart. Daarna bestelde ik nóg een raki. Bij de hoofdmaaltijd kwam er een flesje wijn op tafel en daarna nóg eentje en nog eentje en nog eentje. Als toetje vroeg ik om een Turkse cognac en die was zó lekker, dat ik er nóg een vroeg.

“En nu?” vroeg ik, toen we voldaan weer op straat stonden.
“De nacht is nog jong,” zei iemand. “Terug naar ‘The Dubliner’?”
Niet veel later bestelde ik bij ‘The Dubliner’ een grote Kilkenny. Bij het eerste slokje Kilkenny dacht ik: Dit slokje Kilkenny had ik beter níét kunnen nemen.
“Gaat het, Bas?” vroeg iemand.
“Tuurlijk,” zei ik. “Is het niet fantástisch?” Ik nam nog een slokje Kilkenny. En die deed ’t ‘m.

Ik waggelde met de zware boodschappentas naar de plaats waar ik dacht dat ik mijn fiets had neergezet. Zowaar, hij stond er ook nog. Hoe lang het duurde voordat ik hem van het slot af had, is volledig uit mijn geheugen verdwenen. Ik hing de zware tas aan mijn stuur en begaf mij slingerend op weg in de richting van waar ik vermoedde dat mijn huis zich bevond.

Nu had je destijds bij de hoek van de Laan van de Mensenrechten en de Tweede Wormenseweg een nogal verraderlijk vluchtheuveltje in het wegdek. Ik was er al eens eerder – met een leuke meid achterop – overheen gedenderd en toen was mijn achterwiel finaal doormidden gebroken.
Nu gaf de stoeprand opnieuw niet mee en mijn stuur klapte plots naar rechts. Door de zware tas aan het stuur verloor ik mijn evenwicht en voor ik het wist lag ik met mijn kop op de grond. Het deed niet eens pijn.

Hoe ik het deed weet ik niet, maar ik stapte weer op en reed verder. Plotseling voelde ik iets kriebelen in mijn linkeroog. Ik wreef er eens goed in, maar het gekriebel ging gewoon door. Ik was nu bij een lantaarnpaal aangekomen en remde af. Toen ik stilstond, wreef ik nog eens goed in mijn oog. Het voelde vochtig aan. Ik haalde mijn hand van mijn oog af en bekeek hem eens. Mijn vingers zaten onder het bloed. Ik had vast een wondje boven mijn oog. Ik had wel eens gelezen dat je wenkbrauw flink kan bloeden.
Met mijn hand op mijn oog gedrukt maakte ik weer vaart. De rest van de route naar huis reed ik met één hand aan het stuur en de andere tegen mijn gezicht. Dat ik, gezien mijn toestand, niet in de vijver langs de Kayersdijk ben gereden, mag achteraf wel een wonder heten.

Ik had ons huis weten terug te vinden en stond nu in de schuur mijn fiets op slot te zetten. Vraag me niet waarom. Kennelijk maakte ik nog lawaai ook, want de voordeur ging open en daar verscheen vrouwlief.
“Wat is er allemaal aan de hand?” vroeg ze angstig.
Wacht even, bedacht ik me. Ik sta hier in de schuur met nogal wat bloed aan mijn handen. Straks denkt ze nog dat ik op het Caterplein in elkaar ben geslagen.
“Er is niets aan de hand, hoor,” zei ik opgewekt. “Ik ben alleen maar gevallen. Er is niets aan de hand.”
“Wat is er wél aan de hand?”
“Er is niets aan de hand. Ik ben alleen maar gevallen. En mijn flessen zijn nog heel. Is het niet fantástisch?”
“Kom maar naar binnen. Daar zal ik wel eens kijken.”

Ze zette me op een stoel en haalde een doekje om het bloed mee weg te poetsen. In het felle licht van de keukenlamp zag ik dat mijn jas en kleren flink onder zaten.
“Het is een winkelhaak in je wenkbrauw. Ik ben bang dat het gehecht moet worden,” zei ze.
Is het niet fantástisch? dacht ik.
“Maar hoe komen we in het ziekenhuis?” was haar vraag. We hebben geen auto. Sterker nog: we kunnen allebei niet eens rijden. “Wacht, ik bel Joop even. Die wil vast wel rijden.”

“Joop komt niet,” vertelde vrouwlief twee minuten later. “Want die heeft zelf ook een fles whisky achter z’n knopen. Maar zijn vrouw Jannie is onderweg.”
Niet veel later zat ik naast Jannie in de auto, met een doekje tegen mijn oog en wenkbrauw aan gedrukt. Jannie zat te giechelen. Waarschijnlijk omdat ik haar de oren van haar kop af kletste.

De wandeltocht naar de afdeling Spoedeisende Hulp leek op een doolhof. Ik raakte mijn oriëntatie volledig kwijt. Toch belandde ik uiteindelijk op een behandeltafel. Een dienstdoende arts boog over mij heen.
Terwijl hij mijn wenkbrauw betastte, vertelde ik hem in geuren en kleuren wat er was gebeurd. En nog veel meer. Alle belangrijke dingen uit mijn jeugd, mijn medische verleden en mijn gezinssituatie moest hij weten.
“Dat moet gehecht worden,” zei de arts zonder in te gaan op mijn doopzeel. “Maar ik denk niet dat het nodig is om dit te verdoven.”
“Is het niet fantástisch?” vroeg ik.

“Nou,” zei vrouwlief. “Weet je het weer?”
“Ik weet het weer,” bekende ik en streek langs mijn linkerwenkbrauw. Van het forse litteken zie je nu allang niets meer, omdat de haren het verbergen.
“En hoe voelde het bij jou?” vroeg Peter. “De dag erna?”
“Niet fantastisch,” was mijn antwoord.

Apeldoorn, september 2008

• • •
 

12-09-2008

Mongolen zijn geweldig!

Filed under: FOK!publicaties - 2008 — bazbo @ 10:42

Weekend! Daar kijken we naar uit. Tenminste, ik wel. Niet dat werken zo erg is, maar ik kan mij leukere dingen in het leven voorstellen. Weekend, bijvoorbeeld.

Het was enige weken geleden en zowaar, we hadden mooi weer op zaterdag! Ik had eerst samen met mijn vrouwlief lekker ‘uitgeslapen’ (nudge-nudge, wink-wink – over leukere dingen in het leven dan werken gesproken). Vervolgens had ik uitgebreid onder de douche gestaan, verse kleren aangetrokken en nu liep ik met een kop koffie en de zaterdagkranten de tuin in.
De boom achter in de tuin stond in volle bloei en de vogels zongen een vrolijk lied. Het zonnetje scheen al hoog aan de hemel, maar het zou nog zeker een uurtje duren voordat de schaduw van mijn terrasje zou zijn verdwenen. Ik liet de keukendeur open staan en rustige bossa nova muziek klonk zachtjes uit de deuropening. Heerlijk! Ik zette al mijn spulletjes op de kunststof tafel en ging zitten in de tuinstoel. Langzaam slurpte ik wat koffie. Op het moment dat ik mijn voeten op het krukje legde en de eerste krant wilde openslaan, klonk in de verte getoeter. Kan gebeuren.

Ik wierp een blik op het nieuws van deze zonnige zaterdagmorgen. De gebruikelijke ellende in komkommertijd, eigenlijk. Zwaarte in de zorg, boodschappen die duurder worden, een hond achtergelaten in een bloedhete auto, een bejaard lijk dat maandenlang in een woning ligt, een nieuwe ontdekking in de hersenen van homoseksuele paarden; weet ik veel wat voor onzin het allemaal was. Maar wat was dat? Het leek wel of het getoeter van ver weg steeds dichterbij kwam! Het hield maar niet op! “Wie gaat er nu op een rustige zaterdagmorgen als een achterlijke zitten toeteren?” mopperde ik bijna hardop. Het klonk ondertussen als het geluid van tientallen vrachtwagenchauffeurs die massaal op de claxon drukten.
“Zijn ze nou helemaal gk geworden?” riep ik uit.

“O, is het weer zover?” vroeg vrouwlief, die ook naar buiten was gekomen.
“Hoe bedoel je: weer zover?” was mijn wedervraag.
“Truckersdag.”
“Ooooooh!” begon ik plots te jubelen. “De jaarlijkse feestdag voor mensen die minder bedeeld zijn in hersencapaciteit.”
“Je klinkt alsof je er ook zin in begint te krijgen,” grapte vrouwlief.
Gelukkig voor haar ben ik nogal tegen huiselijk geweld.
“Ik ben oprecht blij voor die mongooltjes,” zei ik, nu doodkalm.
Vrouwlief trok haar wenkbrauwen omhoog.

“Hoog tijd dat iemand eens iets doet aan het negatieve beeld dat bestaat over mensen met het syndroom van Down,” ging ik verder. “Mongolen zijn geweldig!”
“Nu niet overdrijven, hoor.”
“Bofkonten zijn het wel,” ging ik verder. “Zij hebben het eenentwintigste chromosoom wel drie keer, en wij maar twee!”
Vrouwlief begon zichtbaar af te haken, maar ik had dat niet goed in de gaten.
“Zeg nu zelf,” werd ik steeds enthousiaster, “wie wordt er nu niet vertederd door die amandelvormige, ietwat scheefstaande ogen, die atypische gelaatsvorm en dat vlakke achterhoofd?”
“Je hebt je er aardig in verdiept, lijkt het wel.”
“En waarom ook niet? Mongolen verdienen de aandacht van een ieder. Die doctor John Langdon Haydon Down had dat in 1866 al goed in de gaten, toen hij voor het eerst het klinisch beeld van deze mensen beschreef. Mongolen zijn grandioos! Met die leuke slappe, groot lijkende tong en die open mond. Dat vaak ontbrekende kootje van de ringvinger, de kleine gedrongen gestalte en het prachtige, sluik vallende varkenspeenhaar. Het zijn echte knuffelbeertjes. Z schattig!”
Vrouwlief keek hoofdschuddend een andere kant op.
“Nog ’s wat,” – ik was niet meer te stoppen – “hoe heerlijk eigenwijs zijn die tiepjes? Wat dat betreft zijn ze net zo onweerstaanbaar als een teckel! En alles wat ze zeggen is k zo heerlijk zwakzinnig! Het woord zegt het al: zwak, maar zinnig!”

“Waar haal je dat nou weer vandaan?”
“Eigen ervaring! Je weet dat ik jarenlang met die stinkende streekbus naar het werk moest, hè? Nou, als ik geluk had, stapte er halverwege zo’n gezellige mongool in. En dan baalde ik als er al iemand naast mij zat, hoor. Want als die knul bij je in de buurt zat, had je een hoop aanspraak. Met een beetje geluk begon hij liedjes van Bassie en Adriaan voor je te zingen. Echt reuze aandoenlijk! En dan geeft het helemaal niet dat hij wat sputum op je kleding morst!”
“Pardon? Wat klets je nu?”
“Sputum morsen. Dat klinkt wat vriendelijker dan dat hij de boel onderkwijlt.”
“Ach zo, ja.”
“Die lieverds praten er zelf nooit omheen, hoor. Ze zeggen gewoon waar het op staat.”
Tegenover mij klonk een diepe zucht.

“En ik sta hier niet alleen in, hè? Zelfs popmuzikanten hebben lovend over deze schatjes gezongen. De rockband Status Quo besteedde ooit een heel nummer aan deze innemende persoonlijkheden. ‘Down down’, heet het.” Ik zong het even voor, compleet met mijn benen wijd en met headbangen. Dat ziet er tegenwoordig trouwens helemaal te gek uit, als ik headbang. Met dat lange grijze haar van mij.
“Ja ja, nou weet ik het wel,” zei vrouwlief verveeld.

Nog geen half uur later zat ik op de fiets, op weg om boodschappen te gaan halen. De echt lekkere dingen koop ik bij de Turkse winkel, maar daarvoor moet ik een klein eindje verder naar de wijk Apeldoorn Zuid. Het getoeter klonk nog altijd. Ik stak het kanaal over via een bruggetje en kwam uit bij de Kayersdijk, een nogal drukke weg in mijn woonplaats. Potjandikkie, het was echt druk. Overal stonden mensen langs de weg die ik moest oversteken. Het getoeter was inmiddels oorverdovend geworden. En ja hoor, daar kwamen ze. De stoet met vrachtwagens kwam luid claxonnerend voorbij. Achter de voorruiten zaten de vrolijke dikkerdjes te zwaaien dat het een lieve lust was. Op de hoek van de straat stonden mannen in fel oranje hesjes het verkeer te regelen. Ik kreeg geen enkele kans om even snel over te steken.
“Hoe lang is die stoet eigenlijk?” vroeg ik zo’n verkeersregelaar.
“Heel lang,” zei hij. “Heeft u even?”
“Ik heb een heel weekeinde,” zei ik.
Uiteindelijk moest ik dik twintig minuten wachten voordat alle mongolen voorbij waren.

Tot laat in de middag klonk het geluid van vrachtwagentoeters over het anders zo saaie Apeldoorn. Wat een schitterend feest! En dat allemaal dankzij het eenentwintigste chromosoom!


Apeldoorn, september 2008

• • •
 

06-09-2008

Sequoia festival – September 5, 2008

Filed under: FoolZ — bazbo @ 21:23

The FoolZ speelden op het traditionele Sequoia festival, een gelegenheid georganiseerd door de personeelsvereninging van Centraal Beheer / Achmea. Helaas, Pedro was op vakantie en Remco was cht erg ziek. Bruno verving beider partijen met zijn keyboards!
Ik verzorgde een gastoptreden en probeerde ‘Montana’ te zingen.

The FoolZ played on the traditional Sequoia festival, a happening organized by the company of Centraal Beheer / Achmea. Unfortunately, Pedro was on holidays and Remco was really ill. Bruno played their bass&guitar parts on his keyboards!
I did a guest appearance onstage and tried to sing ‘Montana’.

Het totale programma zag er als volgt uit. The complete line up for the festival was like this:
The Bottles
The FoolZ
F.O.U.R.
Nova Nozem
More Than A Feeling

Youtube:

Peaches En Regalia

• • •
 

02-09-2008

Tram 28

Filed under: FOK!publicaties - 2008 — bazbo @ 22:59

Hoeveel grote schrijvers hebben in de afgelopen eeuwen verslag gedaan van hun rit met de beroemde tram 28 in Lissabon? Ik zou het niet weten, maar volgens de reisgidsen zijn het er nogal wat. In die traditie kan ik natuurlijk niet achterblijven.

Op de lijn wordt nog altijd gereden met nostalgische modellen, die dateren van voor de Eerste Wereldoorlog. Het zijn kleine karretjes met een knalgele metalen carrosserie. Het interieur is van donker gelakt hout. De chauffeur moet sturen en schakelen met twee draaihendels. Als we instappen moet ik even denken aan een verhaal van Suske en Wiske dat ‘Wattman’ heet. Precies zo’n rijtuig is het. Alleen is dit geen stripverhaal, maar pure werkelijkheid.


De route begint helemaal in Campo de Ourique en gaat uiteindelijk tot de oude wijken Alfama en Graia om te eindigen bij het Praça Martim Moniz, iets ten noordoosten van het oude centrum. Ons hotel bevindt zich vlakbij het eindpunt. Als je de hele route volgt, ben je tussen de zestig en negentig minuten bezig. Het is allemaal afhankelijk van de verkeersdrukte van het moment. Nu is het augustus, de tijd dat veel stadsbewoners zelf op vakantie zijn. “Twee maanden per jaar is het rustig in het verkeer,” vertelde de taxichauffeur die ons van het vliegveld naar ons hotel bracht. “De overige tien maanden is het levensgevaarlijk op straat.” De antieke elctrico komt om de vijf minuten voorbij.

We beginnen onze rit op ruim eenderde van de gehele route. We hebben zojuist de Jardim da Estrela bezocht. Het is een oase van rust in een drukke hoofdstad. Als je het park betreedt, word je verwelkomd door palmbomen en gigantische cactussen. Je waant je echt in een andere wereld. Midden in het park staat een smeedijzeren muziektent. Het paviljoen, dat inmiddels helemaal groen is uitgeslagen, ligt naast een speelweide. Lokale kinderen ravotten op de gammele speeltoestellen. Overal in het park staan beelden. In de vijver spartelen watervogels.
Tegenover het park ligt de enorme Basilica da Estrela. Deze basiliek is in 1779 gebouwd in opdracht van Maria I uit blijdschap dat ze een troonopvolger had geworpen. Als we naar binnen willen, ontdekken we de lijkwagen voor de voordeur.
“Niet naar binnen, hoor!” roept vrouwlief in perfect Nederlands.
“Ach wat, ik kijk alleen maar,” is mijn antwoord en ik glip naar binnen. Gelukkig blijkt de begrafenis in een kapel aan de zijkant van de basiliek plaats te vinden en is de hoofdkerk toegankelijk voor publiek. Snel kijk ik rond. In het ruime interieur ontdek ik grijs, roze en geel marmer. Toch is alles licht. De gigantische koepel is indrukwekkend. De tombe van Maria I is helemaal in empirestijl. Veel tijd om wat foto’s te maken gun ik mijzelf niet. Ik ren weer terug naar mijn gezin. De tocht gaat verder.

Samen met ons stappen nog verschillende andere mensen op. Het lijkt erop dat vooral toeristen gebruik maken van tram 28. Het voertuig vervolgt rammelend zijn weg en we passeren het immense Palácio de So Bento. Het grote, witte neoclassicistische gebouw begon aan het einde van de zestiende eeuw als benedictijnenklooster. Na afschaffing van de religieuze orden in 1834 werd het gebruikt als zetel van het Portugese parlement. Ik krijg niet echt de gelegenheid om de façade en trappen vanuit de tram goed te bekijken. Mijn aandacht wordt gegrepen door iets anders.
“Hee, afblijven!” hoor ik mijn vrouwlief plots roepen. Als ik kijk, zie ik dat ze haar hand op haar tas houdt. “Die vent wou mijn tas openmaken!”
Overal in de stad hangen bordjes die ons waarschuwen tegen ‘pickpockets!’, zakkenrollers.
“Ze komen gewoon met z’n drieën de tram binnen en doen zich voor als toeristen. Maar ondertussen!” maakt vrouwlief zich kwaad. “Denk maar aan je fototoestel!”
Ik leg mijn hand op het buideltje dat voor mijn onderbuik hangt. Gelukkig, alles zit er nog in.

Nu klimt de tram door een smalle straat omhoog naar de oude wijk Chiado. Een felle brand legde in 1988 een groot deel van deze buurt in de as. De brandweer kon er vanwege de smalle straatjes heel moeilijk bij. Inmiddels is er weinig tot niets meer te zien van de ramp.
We stappen uit op het Praça Luis de Cames, wandelen een stukje van de Rua Garett in en betreden zo de Chiado. Een kopje koffie gaat er altijd in. We vinden een plekje op het terras van het café A Brasilia en bestellen “uma bica”. Tevreden slurpen we de sterke prut. Het café A Brasilia staat bekend als een ontmoetingsplaats van schrijvers en intellectuelen. Ik kijk om me heen, maar herken er niet n. Dan zien we Fernando Pessoa, de beroemdste Portugese auteur uit de twintigste eeuw. Hij zit nog altijd aan zijn stamtafeltje. Het is hem niet echt, want hij is al sinds 1935 dood, maar een bronzen beeld doet de herinnering voortleven.

Via de Rua de Como wandelen we naar het Rossio-plein, het hart van de lager gelegen wijk Baixa. In mijn reisgids lees ik over café Nicola, waar ook allerlei schrijvers zich verzamelden. Ik heb er een cerveja besteld en niet veel later krijg ik een groot glas Sagres-bier voor mijn neus. Terwijl de koude drank door onze kelen glijdt, kijk eens om mij heen. “Mooie beloftes,” mompel ik. “Ik zie nergens een groot schrijver zitten. Maar dat kan ook komen omdat ik niet thuis ben in de Portugese literatuur.”
We lopen door de Rua Augusta terug naar het tramspoor. In een zijstraat zien we de beroemde Elevador de Santa Justa. De stalen lift die rond 1900 werd gebouwd brengt je 32 meter hoger, naar een geweldig uitzicht over de stad. Een metalen brug leidt je verder naar de wereldberoemde Igreja de Como. Tijdens de zware aardbeving die in 1755 grote delen van de stad verwoestte, stortte het dak van deze kerk in, juist op het moment dat er een dienst aan de gang was. Ter nagedachtenis aan de ramp is de kerk nooit herbouwd en nu is het een van de grootste bezienswaardigheden van Lissabon. Gisteren hebben we er een bezoek gebracht en ik was onder de indruk van de serene rust die er in de rune heerst. Dat is op zich bijzonder, want de resten staan middenin een druk deel van de stad.

Als we doorlopen door de Rua Augusta, is het maar een klein eindje naar het Prada de Comercio. Dit enorme plein kijkt uit over de Taag. Vroeger lag hier het koninklijk paleis en kwamen de ontdekkingsreizigers op deze plek terug van hun queeste. De ontvangst moet overweldigend zijn geweest. Na de aardbeving werd het plein iets anders ingericht. Een triomfboog is de toegang tot de Rua Augusta, de belangrijkste winkelstraat van Lissabon. Wat ook opvalt, is de geometrische vormgeving van de aangelegde straten in dit deel van de Baixa: acht parallelle hoofdwegen van het ene plein naar het andere, onderbroken door acht parallelle dwarsstraten. Bij de wederopbouw in 1755 koos de markies De Pombal voor een modernere indeling, die contrasteert met de overige straatjes in de stad.

Wij zijn ondertussen weer op een voorbijkomende electrico gesprongen en rijden nu langs de S. De kolossale kathedraal dateert van 1150 en is bij verschillende aardbevingen in de veertiende en achttiende eeuw zwaar beschadigd. Steeds weer is hij gerestaureerd in een mengeling van architectonische stijlen. De voorgevel en de twee klokkentorens vormen een indrukwekkend aangezicht aan de voorzijde. Binnen vallen vooral het prachtige roosvenster, de kloostergang en de schatkamer op.

Dan kronkelt de tram zich omhoog en omlaag door de smalle straatjes van de oude wijk Alfama.
De tram stopt. De chauffeur stapt uit. Aan de overkant van de straat staat een oude man met een stok op het stoepje. De bestuurder loopt naar hem toe en neemt hem bij de arm. Samen steken ze de straat weer over. Dan helpt hij de bejaarde de tram in. Het is erg druk en niemand wenst op te staan. Een andere oude man die staat begint tegen een jonge man te praten. De jongeman begint te schreeuwen en wijst op zijn ogen. Ik vermoed dat hij slechtziend is en uit wil leggen dat hij k gehandicapt is en dus recht heeft op een zitplaats. Het wordt een hele ruzie. De jongeman heeft een donkerbruine huid, dus wie weet wordt er wel iets geschreeuwd als: “Sta op, luie neger!” Voor hetzelfde geld discussiëren ze luidkeels over de koers van de Portugese euro, weet ik veel. Ondertussen heeft de oude man die zo slecht ter been is al een ander plaatsje aangeboden gekregen. Steunend en kreunend zet het trammetje zich weer in beweging.

Niet veel later komen we bij de Igreja de Santa Luzia. Hier stappen veel mensen uit. Wij ook. Op de zijkant van het kleine kerkje is in mozaïektegels het oude Praça de Comrcio van vr de aardbeving afgebeeld. Maar al onze aandacht wordt getrokken door het uitzicht. Dit punt heet ook wel Miradour de Santa Luzia en de blik op de oude wijk Alfama is fenomenaal, zeker met de late middagzon die op de huisjes schijnt. Bijzonder nauwe steegjes scheiden de huisjes van elkaar.
We dalen de steile straatjes af, op zoek naar een plek om iets te gaan eten. Overal hangt was te drogen en bij veel ramen hangt een vogelkooitje buiten. De woningen moeten ooit eens wit zijn geweest; nu bladdert het pleisterwerk grijs van de geveltjes. Ineens staan we voor een steegje dat uitkomt bij een plaatsje en daar bevindt zich restaurant Lautasca. We trakteren onszelf op zwaardvis en nog meer Sagres.
De klim terug naar de Miradour is minder prettig.

Toch komen we er heelhuids aan en we lopen nog wat verder steil omhoog. Na nog geen driehonderd meter komen we bij het Castello de So Jorge. Het fort is gebouwd na de herovering van Lissabon op de moren in 1147. Het ligt op de top van wat bijna de hoogste heuvel in de omtrek is. Ook van dit bouwwerk bleef na de grote aardbeving niet veel over en het bleef grotendeels een rune tot 1938. De muren werden hersteld in middeleeuws aandoende stijl en men legde tuinen aan. Het kasteel is hierdoor niet authentiek meer, maar nog altijd ontzagwekkend.
Bibberend waggel ik langs de kantelen.
“Gaat het, schat?” vraagt vrouwlief. “Beetje hoog, hè?”
“Er loopt iets heel dun door mijn broekspijpen,” piep ik.
Als we weer bij de tramhalte zijn, is het langzaam donker geworden.

Terug in de tram weet ik een zitplaats te bemachtigen: links achterin. Met mijn rug zit ik in het hoekje. Als de tram een scherpe bocht maakt, voel ik hoe het voertuig kraakt in zijn voegen. Het lijkt wel of de zij- en de achterwand onafhankelijk van elkaar bewegen. En de tram maakt hier hl veel bochtjes. De wijk Alfama is berucht om zijn smalle en kronkelige straatjes.
Weer moeten we stoppen. Iemand heeft een auto neergezet op de tramrails. De klep van de bestelwagen staat open. Geduldig wacht iedereen tot de eigenaar terugkomt en de auto op z’n dooie gemakkie iets verderop neerzet, daar waar de tram er wel langs kan.

We komen aan op het Praça de Graia. Een zoveelste halte. Piepend en kreunend komt het trammetje tot stilstand. De chauffeur opent de deuren, staat op van zijn stoel en roept naar achteren: “Finish!”
Wat krijgen we nu? We moeten nog verder naar het hotel, maar deze tram schijnt ermee op te houden. Iedereen stapt uit. Wij ook.
De trambestuurder staat bij een lantaarnpaal een shagje te draaien. Ik loop naar hem toe en vraag hem in mijn beste Engels: “Komt er nog een tram? Wij moeten nog verder.”
Hij wijst iets van: “Misschien. Met een beetje geluk wel.”
En nu? Vrouwlief is er niet gerust op. “Het is hier een donkere boel en er lopen allerlei ongure types rond.”
Tien minuten later komt er een andere tram met nummer 28 erop. Deze gaat wel verder. We stappen in en vervolgen de weg. Opnieuw veel slingerstraatjes. Door het duister weten we niet goed waar we zitten.
“Als we maar niet op dat plein Martim Moniz komen, want dat zag er helemaal als een achterbuurt uit,” fluistert vrouwlief.
“Nee joh,” zeg ik, “we moeten er ruim voor het plein uit.” En inderdaad, ineens herken ik de plek waar we vanochtend zijn opgestapt. “Hier is het!”
Op de kruising met de Rua Andrade zien we verschillende groepjes politieagenten rondlopen. In een zijstraat iets verderop staan allerlei mensen midden op straat met elkaar te praten.
“Lekker buurtje,” zegt vrouwlief.
“De taxichauffeur had het over verschillende bevolkingsgroepen in deze wijk,” vertelde ik. “Hij zei het niet met zoveel woorden, maar ik begreep dat er ’s avonds politie surveilleert omdat men bang is voor een botsing tussen de groepen.”
In de buurtwinkel koop ik grote blikken koude Sagres, waaraan we ons tegoed doen in de hotelkamer. De reis met de legendarische tram 28 zit erop.

Een dag later zitten we opnieuw op het Rossio-plein bij café ‘Nicola’ met een cerveja voor mijn neus. Weer kijk ik volop om mij heen.
“Het is hetzelfde als gisteren, hoor,” zeg ik tegen mijn gezin. “In geen velden of wegen een groot schrijver te zien.” Ik kijk in het glunderende gezicht van mijn vrouwlief. Zij heeft er kennelijk wél een gezien.
Plotseling begrijp ik haar. “Shit, ik zou mezelf haast vergeten!”


Apeldoorn, september 2008

• • •