bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

29-08-2008

“Moepoepuh!” – Egbert de Ruijter (2)

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 23:11

“Nou, mijn naam is dus Egbert de Ruijter en net als de vorige keer wou ik een enorme misstand in onze maatschappij bespreken. De toenemende overlast van buren met motormaaiers en kinderen, bevobbelt.
Het is toch werkelijk een schande hoeveel kinderen er tegenwoordig verkocht worden. Of nee: motormaaiers. Excuus voor de verwarring. Hoewel, die verwarring kan wel weer tot leuke misverstanden leiden. ‘Het is z’n makkelijk jochie, daar heb je echt geen motormaaier aan,’ bevobbelt. Of: ‘een motormaaier kan de was doen.’ En wat dacht je van: ‘tijdelijk in de aanbieding: bij aankoop van een tuinhuisje een kind cadeau’?
Maar goed, waar had ik het over? Over motormaaiers met kinderen, bevobbelt.

Ik zat laatst in de tuin. Dat moet ook gebeuren. Wat is een mens zonder de nodige ontspanning? Ik zat laatst in de tuin. Of had ik dat al gezegd? Ik herhaal mijzelf wel vaker als ik me op zit te winden. Ik herhaal mijzelf wel vaker als ik me op zit te winden. Ik zat laatst in de tuin.
Die tuin van mij, daar moet ik het toch eens over hebben. Of nee, toch maar niet. Laat ik volstaan met te melden dat ik hem onderhoudsarm heb gemaakt door allerlei terrastegels erin te mieteren. Alleen aan de zijkanten is een strookje groen en om de tuin heen staan schuttingen, zodat de buurt niet kan zien dat ik bevobbelt in mijn blote kont in de tuin lig. Ook al zouden er gn schuttingen om de tuin staan, dan konden ze ng niet zien dat ik in mijn blote kont in de tuin lig, want wie ligt er nou in zijn blote kont in de tuin? Ik niet!
Maar daar gaat het nu niet om. Waar het nu wel om gaat, is dat ik heerlijk lag te genieten van de stilte en de rust.

Welnu, die stilte duurde niet lang. Ik wilde me net echt gaan ontspannen en twijfelde nog tussen eens fors aan mijn fluit sjorren en even de luiken sluiten, bevobbelt. Na enige overpeinzingen besloot ik om de ogen dicht te doen ? mijn grootste bezwaar tegen masturbatie is dat er een vent aan je lul zit ? en zakte ik nog eens goed onderuit in mijn tuinstoel. Op dat moment ging in de tuin van de buren een kind af.

‘Moepoepuh!’ klonk het luid. ‘Moepoepuh!’
‘Wat is er dan, koedjiekoedjiekoedjie,’ zei de stem van de buurman. Wat een onzin praten ouders toch tegen hun motormaaiers!
Mijn buurman is op zich geen nare buurman, hoor. Over het algemeen kunnen we wel samen door n deur. Niet dat we dat doen, overigens. Want hij heeft niets te zoeken achter mijn deur en ik niets achter die van hem. Of het moet zijn lekkere vrouwtje zijn. Tsjonge, wat heeft die een fijne set secundaire geslachtskenmerken. Dat kindje van hem, dat is een meisje van een jaar of zo. Later krijgt ze misschien ook van die smakelijke secundaire geslachtskenmerken. Ik kijk er al naar uit. Voorlopig ben ik niet van plan om te gaan verhuizen. Nu nog hopen dat buurman hier ook nog een jaar of zestien blijft wonen en dat het kindje niet uit huis geplaatst wordt door de dierenbescherming bevobbelt. Maar daar had ik het allemaal niet over. Waar had ik het dan eigenlijk wl over? Dat geheugen van mij, dat is soms een raar rommeltje.

De buurman. Dat was ‘m. Pfft, ik kom er wel. Nee, met mijn bovenkamer is niets mis. Met andere lichaamsdelen dan weer wel. Mijn rechterpols, bevobbelt. Die heb ik laatst verzwikt bij het paaseieren pellen. Dat kwam zo. Of nee, waar was ik? Laat ik niet afdwalen.
Die buurman is geen nare buurman. Integendeel, hij is erg vriendelijk. Zeker als de postbode bij mij is langs geweest en ik was niet thuis. Dan vangt deze buurman mijn pakketje op. En hij komt het dan later die dag nog bij mij afgeven ook! Waar vind je nog zo’n buurman? Want ik bestel nog wel eens wat, vooral via internet. Laatst had ik nog een schitterende opblaaspop gevonden, bevobbelt. Levensecht! Helemaal uit Amerika en echt niet duur. $69,95 maar! Dat is echt geen geld. En ze lijkt nog op de buurvrouw ook.

‘Moepoepuh! Moepoepuh!’ hoorde ik het kleine meisje roepen. ‘Moepoepuh! Moepoepuh!’
‘Ik kom er zo aan, hoor schatje,? zei de buurman. ‘Koedjiekoedjiekoedjie. Even dit afmaken.’
Tsja, en toen deed de buurman de motormaaier aan. Dat had hij beter niet kunnen doen!
Plotseling was ik niet langer meer de aardige Egbert de Ruijter die iedereen kent.
Het is dat ik niet over de schutting heen kon springen. Ik ben nooit goed sport geweest. In plaats daarvan liep ik mijn eigen tuin uit en opende ik het hek van de buurman.
Die had niets in de gaten en stond rustig zijn grasveld van twee bij twee meter te maaien. Aan zijn rechter zijde kroop het kindje door het gras, slechts gekleed in een dikke pamper. Ik liep naar de buurman toe en tikte hem op de schouder. Buurman schrok kennelijk ergens van, want hij draaide zijn motormaaier plotseling naar rechts.
‘Kijk uit voor je mokkeltje!’ riep ik nog, maar de maaier had de luier al te pakken.

‘Moepoepuh! Moepoepuh!’ gilde het kindje nog. Wat bedoelde het wichtje? Tamelijk onverwacht klonk er vanuit het luiertje het geluid van een rioolbuis die in drie tellen de volledige inhoud van een tankwagen met verse beer loste. Wat een lawaai! Het kwam zelfs boven de motormaaier uit. En dan heb ik het alleen nog over het geluid, en niet over de vrijgekomen geur, bevobbelt.
De dikte van de pamper hield niet lang stand. Plotseling scheurde de luier open en maakte de weg vrij voor een fikse fontein van groenbruine derrie, die als een oliebron in Oklahoma omhoog spoot.

‘Maar koedjiekoedjiekoedjie toch!’ riep buurman uit.
‘Ik zal jou ’s koedjiekoedjiekoedjie,’ zei ik. ‘Eerst een beetje burengerucht veroorzaken met je motormaaier en je kolerekind, en nu dan je mestoverschot gebruiken om je eigen tuin te bevruchten.’
Op het moment dat ik hem een enorme ram verkocht, deed de zwaartekracht van zich spreken. De babyfecaliën die vanuit de luier omhoog waren gespoten, hadden inmiddels hun hoogste punt al bereikt en kwamen nu nedergedaald op aarde. Op de plaats waar buurman en ik stonden, om precies te zijn.

Veel grip op de glibberige buurman kreeg ik niet, dus de pot worstelen stelde niet zoveel voor. In plaats daarvan stootte ik mijn knie maar eens omhoog. Tussen zijn benen, bevobbelt. Toen piepte hij wel anders.
‘Voed dat mormel van je eens op,’ zei ik nog, maar de buurman lag vreemd piepend te hijgen in het besmeurde gras. ‘En doe eens niet zo vrolijk. Jij giert wel erg snel.’
Ik draaide me om en liep de tuin uit.
‘Van ontspannen zal het wel even niet komen,’ mompelde ik. ‘Want ik moet eerst douchen.’
Echter, ondertussen was het wel mooi gedaan met de burenoverlast. Niks geen gemotormaai en gemoepoepuh meer! En ook geen koedjiekoedjiekoedjie! Alleen hing er nu een onmogelijke beermeur in de wijk. Maar ja, je kunt nu eenmaal niet alles hebben.

Maar nu moet ik gaan. Volgende keer stel ik weer een ander heikel punt in de samenleving aan de kaak. Mensen die de hele tijd stopwoordjes gebruiken, bevobbelt. Gek word je ervan. Egbert de Ruijter heet ik. Onthouden, die naam!
Bevobbelt!”


Apeldoorn, augustus 2008

• • •
 

28-08-2008

Kijk, dan haak ik af!

Filed under: kassameisjes corner — bazbo @ 00:51

Doktoren, zusters en ik. Het is een vreemde combinatie. Ik heb een levendige fantasie. Dat is zeker. Het weerhoudt me er niet van de dingen rooskleuriger voor te stellen dan ze zijn. Altijd heb ik gedaan alsof. Alsof ik heftig genoot van seks en geweld. En alsof ik mensen kon vermoorden in het magazijn en de volgende dag doodleuk weer achter de kassa plaatsnemen. Ik heb het allemaal écht gedaan en niemand geloofde me. Het is niet eerlijk, maar ja: het leven is ook niet eerlijk.

Vandaag ben ik bij de psychiater geweest. Het was mijn laatste bezoekje. Alsof ik opnieuw geboren ben, alsof ik een nieuw leven heb gekregen, loop ik naar buiten. En dat terwijl er niets aan me veranderd is. Ik heb geen hoofdpijn meer en ik maak nooit meer iemand dood. Dat eerste heeft alles te maken met het laatste. Want niemand heeft schuld aan het heengaan van kassameisje, zeker de doktoren niet.

Leven met leugens is vermoeiend. Ik dacht dat ik werd behandeld voor een aantal rare ziekten en syndromen. Of waren het dromen? Het is voor mij nooit duidelijk geweest of ik bestond, en als dat zo was, of ik werkelijk zag wie ik was. Nu valt het me zwaar om afscheid te nemen. Afscheid van een wereld die me de laatste jaren bekend en vertrouwd is geworden. Het is eng om je te realiseren dat je ineens opnieuw moet beginnen. En het is goed om eindelijk mezelf te zijn.

De afgelopen tijd heb ik jullie op de hoogte gehouden van mijn ‘belevenissen’ in de supermarkt. De tijd dat ik daar werkte, was de mooiste van mijn leven. Zeker als ik er nu op terugkijk. Ik was jong en vrij, had geen verantwoordelijkheid en heel veel tijd voor nog veel meer fantasie. Nu ik hier lig, alleen in bed, bedenk ik weleens wat er allemaal van me geworden zou zijn als ik niet ziek was geweest. Ik bedoel maar: als mijn tijd in de supermarkt een opmaat was geweest voor de rest van mijn leven, had ik een hoop lol kunnen hebben.

Het verhaal van mijn leven laat zich makkelijk splitsen in drie ongeveer gelijke delen. Eerst was er niets, en toen ineens Priscilla. Van klein meisje tot haar eerste baantje. Niet veel aan, zeker niet als materiaal voor een column. Daarna, en echt vlak nadat ik mijn eerste baantje kreeg, had ik voor het eerst echte seks met een echte jongen. En ik wist zeker dat het afgelopen zou zijn met die random fallusvormige voorwerpen die ik tot dan toe gebruikte om mee klaar te komen; een piemel in me was het lekkerste wat ik ooit gevoeld had. Voeg daarbij dat ik voor het eerst in mijn leven mijn eigen geld verdiende, en je hebt een duidelijk aanwijsbaar breukvlak tussen mijn vroege jeugd en mijn adolescentie.

Die breuk is nu heel definitief geworden. Afscheid doet geen pijn. Afscheid is opnieuw beginnen, van nul af aan. Mijn adolescentie begon zoals bij velen onder ons met studeren. Ik had een weekendbaantje en leefde mijn nogal wilde leven in de grote stad. Daar ben ik gaan zwerven. Niet letterlijk, maar in mijn hoofd. Ik liet alles los wat ik tot dan toe geleerd had en liet me meevoeren op de maalstroom die ‘Het Leven’ heet. Het was een spannende tijd. Een avontuur met een rampzalig einde. Van dag tot dag werd het erger. Ik ging niet meer naar college, liet me limietloos vollopen in de meest schimmige kroegen van de stad, waarna ik naar huis ging met elke kerel, vrouw of groep mensen die me maar wilden misbruiken. Alles was beter dan alleen zijn. Want als ik alleen was, dan kwam de hoofdpijn. Ik kon er niks tegen doen. De doktoren konden niks vinden en ik wist zeker dat er iets mis was met me. Hoe weet ik niet meer, wellicht door mijn gewillige lichaam en schaamteloze lust, maar ik ben afgestudeerd. Ik kan me er weinig van herinneren. Het was de tijd van zaaien, alleen viel de oogst wat tegen.

De periode eindigt als ik ben afgestudeerd en ga werken op een groot kantoor. Niet meteen dan, maar vrij snel na het begin van mijn serieuzere en volwassen leven ben ik getroffen door een vrij heftige en dodelijke ziekte. Zo’n gevalletje dat je dagen achtereen aan bed gekluisterd houdt en je alle lust ontneemt. En overal waar nog lust was, waren er ineens de beperkingen van mijn lichaam. Mijn zieke lichaam zou op sommige dagen een rustige vrijpartij niet eens overleven. Dus om mijn ei kwijt te kunnen, heb ik gedaan wat ik altijd doe als ik me verveel: verhalen verzinnen. Dat deed ik al op rustige dagen achter de kassa, of tijdens een lange vergadering op kantoor. Ik trek mezelf terug en laat mijn verzinsels samenvloeien met de werkelijkheid. En aangezien ik geen nageslacht heb, moest ik het aan iemand kwijt.

Nog steeds konden de heren artsen niets bij me vinden. Ik voelde me in de steek gelaten door de wereld. Niemand kon me helpen. Miljoenen aan belastinggeld is langs mijn bed gekomen en zonder antwoorden is elke cent vertrokken. Ik was ziek en kreeg keer op keer te horen dat er niks mis was met me. Dat heb ik lange tijd niet kunnen accepteren.
Mijn kantoorbaantje ging verloren en ik ging weer bij mijn moeder wonen. Gelukkig was er de kassa, waar ik mijn verhalen verzon. Die schreef ik ’s nachts op als ik niet kon slapen. De pijn die ik voelde was echt. Zo echt dat ik niet eens meer achter een kassa kon zitten. Ze hebben me een keer schreeuwend en kwijlend naar het ziekenhuis gebracht. Daar ben ik gebleven, opgegeven door de wetenschap. Ik dacht dat ik niks meer kon en trok me terug in mijn hoofd. Als een zombie lag ik daar. Een zombie, die alles voelde en waarnam, maar niks kon doen.

Het is heel frustrerend om over seks te praten of te fantaseren, als je te beverig bent voor een goeie masturbatie. Als teveel opwinding betekent dat je flauw valt of moet kotsen. Dat heeft me altijd kwaad gemaakt. In een paar dagen ging ik van een levenslustig en gezond lichaam naar een wrak, bij wie het maar de vraag is wat er werkt als je wakker wordt. Áls je al wakker wordt. Die frustratie koelde ik altijd al af op de mensen die hem veroorzaakten. En dat is in mijn verhalen ook vaak genoeg gebeurd. Net als de seks, die ik in mijn hitsige fantasieën altijd had met de jongens die ze opwekten. De lieve nerds, de vrolijke sandaalstappers en de talloze vakkenvullers met wie ik seks heb gehad in mijn verhalen, die had ik graag willen verwennen in het echt. Maar goed, ik ben maar een verlegen meisje met veel fantasie. En de verlangens kwamen er pas echt duidelijk uit toen ik in een ziekenhuisbed lag zonder de mogelijkheid er iets mee te doen.

Toen, op een zonnige morgen, kwam er een man naast mijn bed zitten. Hij keek me niet begerig aan. Hij had geen valse intenties. Hij wilde alleen maar met me praten. Op het einde van ons eerste gesprekje zei hij dat hij terug zou komen. Ik geloofde er geen snars van, maar de volgende dag zat hij er weer. Ik vertelde hem alles. Ik biechtte alles op. En niks leek hem te shockeren. Mijn verhalen werden steeds erger, steeds vunziger en gewelddadiger. En hij bleef mijn vriend. Tot hij me op een dag een vraag stelde die me deed twijfelen aan mijn hele bestaan.
“Leef je wel?” vroeg hij me.
Lange tijd heb ik moeten huilen, omdat ik altijd het antwoord geweten heb. Nee, ik leefde niet. Ik was ver weg, verscholen in een eenzaam bos, wanhopig op zoek naar iemand die me juist die triviale vraag stelde. Dat was het derde breukvlak in mijn nog jonge leven.
En daarom zeg ik het maar waar het op staat: dit is mijn laatste column. Voor sommige mensen zal dit als een schok komen. Voor mij is het de afsluiting van een reeks verhalen die ik heb verzonnen.

Ik kap nu, maanden en honderden gesprekken later, met de onzin waarin ik altijd heb geloofd.
“Leef je wel?”
Kijk, als ik niet kan leven, dan haak ik af.

• • •
 

Avontuurtjes op de fiets

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 00:44

Het was weer eens zover. Een dag van hard werken was voorbij. Dat is natuurlijk een grapje. Ik en hard werken is namelijk een onmogelijke combinatie. Waar het om gaat is dat de werkdag voorbij was. Opgewekt fietste ik naar huis.
Had ik al eens verteld dat ik tegenwoordig op de fiets naar mijn werk kan en niet meer in die stinkende streekbus hoef? Vast wel. Voor de mensen die wat later ingeschakeld hebben: ik kan tegenwoordig op de fiets naar mijn werk en hoef niet meer in die stinkende streekbus. Ik heb een nieuwe werkplek! Had ik daar al eens van verteld? Vast ook wel, maar ik ga het voor de mensen die wat later hebben ingeschakeld niet herhalen, hoor. Dan hadden ze mijn vorige stukken maar niet moeten missen. Ik blijf niet aan de gang. Inmiddels heb ik die nieuwe werkplek trouwens al dik negen maanden. Negen maanden! Mag je dat nog nieuw noemen? In die tijd kun je potdomme een kind concipiëren!

Ik reed niet rechtstreeks naar huis, maar koos een weg via het centrum van Apeldoorn. Boodschapjes moeten ook gedaan worden. Als je van de wijk Zevenhuizen naar het centrum van onze prachtmetropool wilt, dan kun je via Het Sluisje, een bruggetje bij een ouderwetse sluis in het Apeldoorns kanaal. Ik stak de gevaarlijke straat over en reed het slingerpaadje naar Het Sluisje. Kijk, daar had je hem al.
Aan de overkant van het kanaal heb je, naast de sluis, een klein lapje gras met een paar bomen erop. Onder de bomen lagen een man en een vrouw. Ze droegen allebei dikke kleren, en dat terwijl het zulk mooi weer was. Zelf had ik alleen een t-shirtje aan op mijn dunne linnen broek en droeg ik mijn Teva-sandalen aan mijn blote voeten.
Het stel had slonzig haar. Zonder gelijk in vooroordelen te willen vervallen schatte ik in dat dit een zwerversstel was. Blikken bier lagen of stonden om de twee heen.
Ik was al op het bruggetje beland, toen ik de vrouw zag opstaan. Kennelijk had ze niet door dat er iemand aankwam. Ze draaide me haar rug toe, boog voorover en trok haar joggingbroek naar beneden. Ik kreeg het uitzicht op haar kale witte billen. Ze ging ietwat door de hurken en van tussen haar benen kwam een straal urine, in een boog! Even snel als ze haar broek naar beneden had gedaan deed ze hem ook weer omhoog.
“In Apeldoorn is altijd wat te doen,” zuchtte ik, terwijl ik mijn hoofd afwendde en mij van het tafereeltje verwijderde.

Even later had ik mijn boodschapje gedaan en fietste ik het centrum van Apeldoorn uit. Het stoplicht in de Stationsstraat stond op rood. Ik remde af en kwam tot stilstand. Mijn rechtervoet steunde op de stoeprand. Links naast mij kwam nog een fiets staan. Ik keek. Het was een jonge vrouw. Aha, mijn aandacht was gevangen. Ze reed nog een klein stukje door en ging links voor mij staan.
“Shit, er zit een kind achterop,” baalde ik. “Ze is geen maagd meer.” Het was een klein jongetje met blonde haartjes en grote blauwe ogen. Het knulletje keek aandachtig naar mij. Nu zie ik er ook wel ruig uit, met die kop met lange haren, dus ik begrijp wel dat ik wat bekijks trek. Ik gaf het kind mijn maniakale bazbo-blik, in de hoop dat het zou gaan huilen. Dat deed het niet. Veel tijd om me daaraan te ergeren gaf ik me niet, want mijn aandacht werd getrokken door de achterkant van de vrouw. Ze had haar lange bruine haren over haar schouders hangen en daaronder bevond zich een schitterende kont in een lichte, strakke zomerbroek. Niks geen oneffenheden van een slip of ondergoed zichtbaar. Prachtig, hoor.
Plotseling reed de reet van mij weg. Het stoplicht stond op groen. Ook ik zette mij in beweging, zij het veel langzamer. Het was te warm voor al te veel inspanning.
Het blonde jochie draaide zich om. Zijn grote blauwe kijkers bleven me aanstaren.
“Kijk voor je, knul!” wilde ik hem wel toeschreeuwen. “Nu heeft je moeder nog een prachtkont. Die is veel leuker om naar te kijken dan ik. Over een paar jaar is het voorbij. Dan heeft ze een hangend zijpgat.” De moeder sloeg af naar links en verdween.

Het Stationsplein van Apeldoorn is heel mooi geworden. Jaren is het een grote bouwput geweest, maar het eindresultaat is schitterend. In de felle zon fietste ik eroverheen. Het fietspad ging naar beneden in de richting van de fietstunnel. Ik stopte met trappen.
Vóór mij reed een jongeman. Hij had alleen een sportbroekje aan. Zijn huid was diep donkerbruin gebronsd. Ik passeerde hem. Hij reed met zijn ogen gesloten. Uit zijn mond klonk een lied in een taal die ik niet kon verstaan. Aan het eind van iedere regel zong hij: “Oen dos tres.” Vast Spaans. De jongeman slingerde. Ik ontweek hem.
Zelf zing ik ook veel op de fiets. Maar nu niet. Ik wilde zijn lied horen. “Oen dos tres.”

Veel tijd om het lied te horen kreeg ik niet. Van achter me kwam geluid. Muziek! Vlak voor ik de tunnel inging, werd ik ingehaald door iemand. Het was een Marokkaans uitziend meisje op een opoefiets. Roze hemdje, zwarte broek. Ze had er aardig de vaart in. Haar lange zwarte haren wapperden in de wind achter haar aan. Aan haar stuur hing een grote zwarte handtas, waaruit de muziek klonk. Het was populaire Marokkaanse dansmuziek, met een stevige beat en Arabisch aandoend gezang. Behendig slingerde ze zich een weg tussen alle fietsers door. Het is druk op deze route, zeker aan het eind van de dag als iedereen naar huis gaat.

Ik was aangekomen bij het einde van de Tweede Wormenseweg. Nu moest ik linksaf en daarna rechtsaf de Kayersdijk op. Naast mij was iemand komen rijden. Ik keek. Weer een meisje. Wat een leuk ding, zeg. Blonde haren, fris gezichtje, hemdje, spijkerbroek en gympies. Ze keek naar mij met heldere ogen. Ik keek naar haar terug en knipoogde met mijn beide ogen. Ze glimlachte. Zag ik dat nou goed of bloosde ze een beetje?
Langzaam haalde ze me in, maar ze bleef naar mij kijken. Had ik een beetje sjans? Ik hoopte stiekem van wel en glimlachte maar eens terug.
Plotseling klonk er luid getoeter. Van rechts was een auto aan komen scheuren. Die had voorrang, maar het meisje had het niet gezien. Snel keek ze vooruit en kneep ze haar remmen in. Met een schok kwam ze tot stilstand. Gelukkig, net op tijd. De auto was met piepende banden ook stil komen staan. Een raampje ging open en een lelijke vent riep: “Kijk uit, stomme trut!” Toen reed hij snel door. Gelijk stond ik naast haar.
“Gaat het?” vroeg ik. Het leuke blosje op haar wangen was weg en ze zag nu lijkbleek.
Ze zei niets.
“Ben je erg geschrokken?” Ze knikte. Even overwoog ik om haar in mijn armen te nemen, maar dat durfde ik niet.
“Gelukkig ben je ongedeerd,” zei ik.
“Dank je wel,” zei ze verlegen. De rode kleur in haar gezicht kwam weer terug.
“Doe je verder voorzichtig?” vroeg ik. Ze knikte glimlachend.
Ik knipoogde nog maar eens naar haar. Diep zuchtend zette ik mijn fiets weer in beweging en reed ik verder.

Mijn woonwijk De Maten was in zicht. Nog een klein stukje. Niet veel later was ik thuis. Ik zette mijn fiets onder de carport en opende de voordeur. In het halletje zette ik mijn tas neer. Toen zag ik mijzelf in de spiegel. Even keek ik.
“Oh, ik ben toch echt akelig knap,” moest ik hardop denken. Plots was het meisje van de bijna-botsing weer in mijn hoofd. Wat was ze leuk. In de spiegel zag ik een ouwe vent met rimpels rond zijn ogen, een dikke kop, een grijzende baard en veel te lange wilde grijze haren. “Of nee, ik ben toch echt knap akelig.”


Apeldoorn, augustus 2008

• • •
 

27-08-2008

Ranzige sekscolumn

Filed under: FOK!publicaties - 2007/2008 — bazbo @ 22:06

Het leven is kut. Of had ik dat al eens gezegd? Ik weet het niet meer zeker, dus even voor de zekerheid: het leven is kut. Zo. Weten we dat ook weer. Mocht je het nog niet weten, dan weet je het nu.

“Papa, de cranberry’s zijn op,” zei mijn zoon. Hij doet die rommel ’s morgens tijdens het ontbijt bij de muesli en de melk.
“Da’s mooi kut,” was mijn reactie, “want dan kunnen we deze zaterdag weer naar de markt om nieuwe te halen.” Zo gezegd, zo gedaan. Die middag reed mijn bazbo-gezinnetje op de fiets naar het centrum van Apeldoorn, alwaar de grote markt gaande was.
“Waar parkeren we de fiets?” vroeg vrouwlief nog. “In de fietsenstalling?”
“Joh, die is helemaal uit de buurt van de markt,” zei ik.
“Maar hij is wel gratis en bewaakt.”
“Cranberry’s kopen, hoe lang duurt dat?”
“Pa,” zei mijn zoon, “je moest niet alleen cranberry’s hebben, maar ook oregano, weet je nog?”
“BEMOEI JE D’R NIET MEE, ROTKIND!” schreeuwde ik. Opvoeden, die hap. Mij beticht je niet van zwak ouderschap. Een strakke hand hebben ze nodig, die kutkoters. Streng doch rechtvaardig. “We hoeven alleen maar naar de kruidenman en dan weer naar huis. We zetten de fiets dus gewoon even bij de Rabobank tegen een muurtje en zijn met tien minuten weer terug.”

Op de markt was het een drukte van belang. We hadden de fiets tegen de Rabobank gezet en liepen nu door de smalle paadjes tussen de kramen op zoek naar de kruidenman.
Die kruidenman is er wel eentje om hier te noemen. Bij deze. Of nee, laat ik het iets uitgebreider doen. Eigenlijk is hij een imker. Hij houdt bijen en produceert honing. Daarnaast heeft hij in zijn kraam onmogelijk veel soorten thee en verschillende kruiden en kruidenmengsels. Alles puur natuur en de meeste mengsels stelt hij zelf samen. Kom je aan zijn kraam en stel je een vraag, zorg er dan maar voor dat je geen haast hebt, want hij legt je alles uitgebreid uit. Het maakt niet uit hoeveel mensen er achter je staan; hij neemt de tijd voor je. Ik vroeg hem een keer om kruiden voor chili con carne en die had hij niet meer; ze waren op. De week erop had hij ze nog steeds niet en twee weken later weer niet. Toen ik er de week daarop wéér om vroeg en hij ze nu wél had, kreeg ik een enorme zak gratis mee naar huis. Kijk, daar houd ik van. In mijn supermarkt vraag ik ook wel eens of ze dat kunnen regelen: dat als het product op is ik het de volgende keer gratis meekrijg, maar daar wil de filiaalchef nog niet aan.
Maar goed, we waren op zoek naar de kruidenman en kwamen in zijn vaste straatje.

“Kut,” zei ik. “Die is er niet.”
“Zeker op vakantie,” zei vrouwlief.
“Wat nu?” zei mijn zoon. “Nou hebben we geen cranberry’s. En geen …”
“ZIT ER NIET DOORHEEN, BRUTALE SNOTAAP!” riep ik voordat hij “oregano” kon zeggen. “We gaan naar huis en rijden onderweg even langs de Turkse winkel.”
“Daar hebben ze geen…” begon de knul, maar hij had al een ram te pakken.
“Oregano zát daar!” zei ik. “Terug naar de fiets.”

“Waar is die van jou?” vroeg mijn zoon aan vrouwlief.
“Ik zou toch zweren dat ik hem hier had neergezet,” zei ze. “Hij is weg.”
“Het leven is kut,” schoot me te binnen, maar ik zei niets.
“Da’s mooi balen,” zei vrouwlief. “Want er is even geen geld voor een nieuwe.”
“Had je hem wel op slot staan?” vroeg ik.
“Wat dacht jij?” antwoordde vrouwlief en ze begon in haar handtas te graaien. “Waar is het sleuteltje nou?”
Ik keek om me heen. Iets verderop in de straat was de opvang voor daklozen, junks en ander gespuis. Ik kreeg zin om een willekeurige engerd aan te klampen en op zijn muil te hengsten. Maar ik ben een nette jongen, hè?
“Soms ben ik zo boos op mezelf, hè?” zei vrouwlief met tranen in haar ogen. Soms realiseer ik mij dat ik heel veel van haar houd.
“Joh, het is gebeurd,” zei ik zacht. “En je verandert het niet meer. Kom, we gaan naar huis. Neem de bus, dan fietsen wij langs de Turkse winkel.”
Niet veel later reed ik met mijn zoon door de Stationsstraat van Apeldoorn. We werden ingehaald door een stadsbus. Vrouwlief zat erin. Ze zwaaide. Ik zwaaide terug.

Onze weg naar huis ging via de fietstunnel onder het spoor door.
Ik voelde een steek in mijn hartstreek. “Au,” zei ik hardop. “Niet nu. Alsjeblieft, geen hartaanval nu. Het komt éven niet uit nu.” De steek zakte iets weg. Had ik al eens verteld dat ik een kleine hartafwijking heb? Niet alleen is mijn hart zó groot dat ik veel meisjes lief vind en verliefd op ze word, maar ook heb ik een hartruis. Er is goed mee te leven, maar volgens de dokter van bijna veertig jaar geleden moet ik rustig aan doen. Dát advies heb ik mijn hele leven maar al te graag ter harte genomen. De steek zakte verder weg en ik voelde er niets meer van. Weer geen hartaanval. Wat een geluksvogel ben ik toch. Niet dat ik me door dit idee ook maar heel iets opgewekter voelde. Ik voelde iets heel anders.

Er kwam lastige druk op mijn endeldarm. “O kut,” zei ik hardop. “Ik moet schijten. Nu!”
“Wat lul je, pa?” vroeg mijn zoon.
“Schijten. Kakken. Van poepenstein. Of hoe noemen jullie dat op het VMBO?”
“Kleien?”
Hij fietste te ver van me vandaan om hem een beuk voor zijn kop te kunnen verkopen. Daarbij: de nood werd érg hoog.
“Wacht hier, jong,” kreunde ik. “Hier is een cafetaria. Even afstappen.”
Ik parkeerde mijn fiets tegen een smeedijzeren hek.
“Jij past op mijn stalen ros. Eén gejatte fiets per dag is voldoende.”

Normaal gesproken ga ik – met mijn gezondheidsidealen – nooit een cafetaria binnen, maar deze keer was ik blij er een tegen te zijn gekomen.
“Goedendag,” zei ik tegen de uitbater achter de toonbank. “Ik maak even gebruik van je toilet.”
De dikke vent wees naar een smoezelige deur. Ik wist niet hoe snel ik erachter moest verdwijnen.
Gelukkig werkte de knoop van mijn broek mee en zat ik snel op de pot. Het was net op tijd. De afvalstoffen kletsten tegen het porselein.
“Is er wel papier?” vroeg ik mij af. Ik keek om mij heen. “Gelukkig,” zuchtte ik van opluchting.
Na de gedane zaken waste ik mijn handen en haalde ik de rol wc-papier van de houder. Ik stak hem in mijn ruime broekzak. Ik moest nog even fietsen en mijn fecaliën waren dusdanig dun geweest, dat ik verdere diarree-aanvallen niet uitsloot. Als ik ieder moment naar de bosjes moest, kwam ik in ieder geval wel met een proper gat thuis!
“Wat krijg je van me?” vroeg ik de uitbater, toen ik het toilethok verliet.
“Hoe bedoel je?” was hij met stomheid geslagen.
“Ik heb van je toilet gebruik gemaakt,” legde ik nog maar eens uit.
“Het is goed,” zei hij en weg was ik.

Vijf minuten later betraden we de Turkse winkel.
“Wat moeten we eigenlijk hebben?” vroeg mijn zoon naar de bekende weg.
“Negatief gedrag negeren en positief gedrag belonen,” herinnerde ik mij een vaag boekje over opvoeding. Liever had ik hem een schop voor zijn kont gegeven, maar er stond een aardig Turks winkelmeisje mee te kijken.
“Oregano,” zei ik en ik liep naar het rekje met zakjes kruiden. Al snel hadden we wat we zochten. Ook vonden we nog wat Turkse geitenkaas en mooie sla, dus die kochten we ook.
Bij de kassa probeerde ik klef te doen tegen het Turkse meisje dat achter de toonbank stond, maar ze bleek geen woord Nederlands te verstaan. Of ze was zo opgevoed dat ze niet met andere mannen mocht praten, dat kon ook. Je zou ze toch, die Turkse vaders! Uitzetten, die lui!

We reden naar huis. Onderweg had ik de gejatte rol pleepapier niet nodig. Veilig arriveerden we in onze woning. Daar schreef ik een lang verhaal, dat ik snel weer wiste. Het was namelijk een ontzettend ranzige seks-column.

Apeldoorn, augustus 2008

• • •
 

10-08-2008

bazboek – bazbo’s eerste boek ‘Alles kan kapot’

Filed under: bazboek 1: 'Alles kan kapot' — bazbo @ 16:39

Uiteindelijke verschijningsdatum: 7 oktober 2008.

Meer informatie hier.

De held in Alles kan kapot heet Bas Langereis.
‘Voor mijn hoofdpersoon zocht ik naar de allermooiste naam die ik kon bedenken,’ vertelt de schrijver. ‘Dat mijn verhalen autobiografisch zijn, komt daarbij goed uit. Zo zie je maar weer: toeval bestaat niet.’
Voortdurend wordt Bas heen en weer geslingerd tussen geboorte en dood, liefde en verdriet, realiteit en fantasie, weldenkendheid en waanzin. Zijn angsten en onzekerheden voeren de boventoon maar ook is er de vlucht in feest, muziek, drank en liefde. Niet dat het helpt, overigens. Dit alles speelt zich af binnen het decor van de wereldstad Apeldoorn.
Langereis’ hoofdstukken zijn afzonderlijk te lezen, maar als men vóór in het boek begint, ontvouwt zich een doorlopend verhaal, dat uiteindelijk leidt naar een ingrijpende gebeurtenis.
Alles kan kapot is het grote boek over de vluchtigheid, de lichtheid, de kwetsbaarheid, maar vooral ook de vergankelijkheid van alles.

Recensies, geschreven door lezers, vind je hier: hier.

In de krant:

http://www.destentor.nl/regio/apeldoorn/3960418/Versieren-mislukt-wel-de-verhalen.ece

http://www.deweekkrant.nl/files/pdfarchief/ASA/20081105/ASA_ASA-1-02_081105_1.pdf

boekomslag.jpg

En hier zijn blije lezers:

09 John Hölsgens - 16 maart 20090011 Tim Op het Broek (programmamaker Limburgse radio-omroep L1) - March 16, 2009012 BELASTING (Mijn naamgenoot Bas uit Amstelveen - trouwe lezer op FOK!)

omslag-boek.jpgomslag-boek.jpgomslag-boek.jpgomslag-boek.jpg

• • •
 

07-08-2008

Vakantie Lissabon – Dag 5 – Maandag, Augustus 25, 2008

Filed under: Vakantie 2008 - Lissabon — bazbo @ 22:06

650 Jardim Zoológico

614 Maandag 25 augustus 2008 - bazbo's breakfast615 Luuks breakfast616 Jardim Zoológico617 Jardim Zoológico618 Jardim Zoológico619 Jardim Zoológico620 Jardim Zoológico621 Jardim Zoológico622 Jardim Zoológico623 Jardim Zoológico625 Jardim Zoológico626 Jardim Zoológico627 Jardim Zoológico628 Jardim Zoológico629 Jardim Zoológico630 Jardim Zoológico631 Jardim Zoológico632 Jardim Zoológico633 Jardim Zoológico634 Jardim Zoológico635 Jardim Zoológico636 Jardim Zoológico637 Jardim Zoológico638 Jardim Zoológico639 Jardim Zoológico640 Jardim Zoológico641 Jardim Zoológico642 Jardim Zoológico643 Jardim Zoológico644 Jardim Zoológico645 Jardim Zoológico646 Jardim Zoológico647 Jardim Zoológico648 Jardim Zoológico649 Jardim Zoológico650 Jardim Zoológico651 Jardim Zoológico652 Jardim Zoológico653 terug in de Chiado - A Brasileira654 Fernando Pessoa bij A Brasileira655 A Brasileira656 Rua da Betesga657 boodschappen doen voor thuis658 queijo meenemen659 laatste lunch in Lissabon - Rua dos Douradores661 beginnen met queijo660 flesje wijn erbij662 bazbo's lunch663 Luuk heeft ook dorst664 uma bica665 Elevador de Santa Justa666 terug bij het hotel667 vliegveld Lissabon668 wachten bij het inchecken669 wachten op het vliegtuig670 nog een laatste cerveja en pasteís de Belém671 wachten op het vliegtuig672 hij is er nog niet673 vliegveld Lissabon674 eindelijk thuis

• • •
 

Zappanale #19 – Day 6, Monday – August 18, 2008

Filed under: Zappanale 2008 — bazbo @ 22:05

618 080818 Monday - festival area619 Billy and Ethell620 festival area621 breaking down the Zappateers tent622 breaking down the Zappateers tent623 leftovers624 breaking down the Zappateers tent625 Billy and Ethell going home626 Jellys camper going home628 ModifiedDog Ethell PrincessHelen Adam and Dirk waiting for Molli630 Billy and Ethell in Molli631 Luuk and Billy in Bad Doberan632 meeting Magdalena and BaldHeadedJohn in the MeinKampfTheater in Bad Doberan633 Bev HairZ and Magdalena634 TittiesNBeer Bev James and Magdalena635 BaldHeadedJohn Billy and Ethell636 HairZ Bev James and Magdalena637 Ethell Billy and Luuk enjoying spaghetti638 James BaldHeadedJohn HairZ and teaman in fron tof CafeZ639 ModifiedDog Luuk Billy and Ethell waiting for Molli640 Luuk waiting for Molli641 Molli arrives642 Ethell ModifiedDog and Luuk in Molli643 Molli644 Hamburg645 Billy in the train to Hannover646 Ethell and Billy having dinner in Hannover647 Luuk and ModifiedDog waiting for the bus to bring them home648 Luuk in the bus home

Zappanale Abschied

• • •
 

Wat aten zij? – What did they eat? – 2008

Filed under: Wat aten zij? — bazbo @ 21:42

Hiephoi, dit aten zij!
Foto’s van ons voer met data erbij!

Hooray, this is what they ate!
Pictures of our food, complete with dates of consumption!

August 9, 2008 - Tortilla’s with hot meat in tomato sauce, spring onions, cheese and samba saucePreitaart, krieltjes en Vlaamse gehaktballen in tomatensaus - Leek pie, baked potatoes and Flemish meat balls in tomato sauce - Saturday, August 2, 2008Prei en tomaatjes uit de oven - Leeks and tomatoes in the oven - Monday, August 4, 2008

• • •
 

Mousaka

Filed under: Gastronomie - Gastronomy — bazbo @ 20:53

Een leuke én makkelijke variant op de traditionele Griekse mousaka, deze is met ei in plaats van aardappelen!

Ingrediënten:
500g kalfsgehakt, maar wij gebruikten rundergehakt
1 ui
2 teentjes knoflook
2 aubergines
2 courgettes
4 el tomatenpuree = 2 kleine blikjes
4 eieren
4dl room
150g gemalen oude kaas
cayennepeper
zwarte peper
zout
1 tl kaneelpoeder
4 el olijfolie

Verwarm de oven voor op 200C
Pel de ui en knoflook, snipper ze en bak ze in 1 el olie goed bruin.
Voeg het gehakt toe en bak het rul.
Wij deden er ook kleingesneden groene Turkse pepers bij en hebben die meegebakken.
Doe er tomatenpuree, cayennepeper, zout en kaneel bij.

Snijd de courgettes en aubergines in blokjes.
Bak deze in de rest van de olijfolie in een andere (koeken)pan.

Klop de eieren los in een kom.
Doe de room er doorheen en voeg wat zwarte peper en zout toe.
Roer alles goed door.

Vet een ovenschaal in.
Doe het gehaktmengsel in de ovenschaal.
Verdeel de helft van de gemalen kaas over het gehakt.
Giet de helft van het eiermengsel over het gehakt.
Verdeel de gebakken aubergines en courgettes eroverheen.
Strooi de rest van de gemalen kaas over het geheel.
Giet tenslotte de rest van het eiermengsel eroverheen.

Dek de schaal af met aluminiumfolie en laat het gerecht ongeveer een half uur gaar worden in de voorverwarmde oven.
Verwijder dan het folie en laat nog twintig minuten garen in de oven.
Eet ze!

Eeuwige tip: zet alle ingrediënten klaar. Snipper de uien en het knoflook.Verhit de olijfolie in de pan en bak het gehakt rul.Doe de uien en de knoflook erbij en bak mee tot ze glazig zijn.Wij deden er ook nog wat Turkse pepers doorheen. Die bakten we even mee. Doe er dan kaneel, cayennepeper, zout en tomatenpuree bij. Roer alles goed door.Snijd de courgette en aubergine in blokjes. Let op, want aubergine wordt snel bruin. Als laatste snijden, dus.Bak in een andere (koeken)pan de blokjes courgette en aubergine in de rest van de olijfolie.Rasp de kaas.Klop de eieren los in een kom. Roer er dan de room, zwarte peper en zout doorheen.Doe het gehaktmengsel in een ovenschaal, strooi de helft van de kaas eroverheen en giet de helft van het eiermengsel eroverheen.Doe tenslotte de aubergines en courgettes in de schaal en giet de rest van het eiermengsel eroverheen. Strooi de rest van de kaas eroverheen.Laat het gerecht eerst een half uur afgedekt met aluminiumfolie, en daarna nog twintig minuten zónder folie garen in de voorverwarmde oven (200C)Een leuke én makkelijke variant op de traditionele Griekse mousaka, deze is met ei in plaats van aardappelen!Eet smakelijk!

• • •
 

Avondschool

Filed under: Tim's corner — bazbo @ 20:52

Beeld: een dronken leraar, groep acht. Hij zit aan tafel met drie vrijwilligers van het afscheidskamp. Er staan vier legen wijnflessen op tafel. Een van de vrijwilligers van het kamp is een politieagent en de vader van Mariska. Mariska is een meisje uit mijn klas met een sterke bril en twee stengels van benen. Niemand durft Mariska te pesten, want haar vader is politieman. Hij is net als onze leraar nogal dronken. De andere twee vrijwilligers kijken ons ietwat beschaamd aan als we de kantine binnenkomen. We kunnen niet slapen van de herrie die ze maken. In de kantine is net door ons nog een feestje gegeven met veel discolampen, meegebracht door Eddy, want ze hebben thuis een elektrozaak. Eddy mocht daarom de discolampen meenemen, want die werden toch niet zo goed verkocht. Onder strenge voorwaarde dat hij er voorzichtig mee om zou gaan. Iedereen die te dicht in de buurt van de lampjes kwam die avond, kreeg een vernietigende blik of een duw van Eddy. Ik mocht Eddy niet zo. Vond hem een omhooggevallen lul. Nu nog steeds trouwens. Hij heeft nochtans zijn eigen zaak in het dorp waar ik geboren ben. Een zaak in elektrotechniek.

Terug naar de kantine. Lege zakjes chips liggen nog op de grond. De stereo staat aan en op de achtergrond horen we muziek die niemand van ons heeft meegebracht. De grond onder onze voeten voelt koud aan. We hebben geen sokken aan. Twee van mijn beste vrienden, die me het hele schooljaar trouw zijn gebleven, staan naast me. Met slaperige ogen beklagen we ons bij de adolescenten. Giechelend schreeuwen ze overdreven kwaad dat we naar bed moeten. Ik snap dat het een grap is, maar vind het niet prettig. Ik weet even niet wat ik moet doen. Verontwaardigd, braaf terug naar de slaapzaal, of met ze mee lachen? Ik wil naar huis, de week heeft lang genoeg geduurd. De dronken politieagent staat op en komt wankelend dichterbij. Zou Mariska hem ooit zo gezien hebben? Hij kijkt ons alle drie streng aan. Z’n ogen zijn rood, z’n politiepak zit vol vouwen en stinkt een beetje naar rook. Hij komt steeds dichterbij en begint me te gebaren om mijn oor tegen zijn mond te leggen. “We gaan even een blokje om. Dat doet je vast goed, frisse lucht,” zegt hij. Ik walg van de drankgeur, maar laat het niet merken.

We lopen in het bos dat grenst aan het scouting gebouw waar we al een hele week verblijven. Het begint ochtend te worden. Het schijnt allemaal mooi te wezen als ik de agent moet geloven. Volgens hem heeft God zo de wereld in gedachte gehad toen-ie hem schiep, of zoiets. Ik heb het alleen maar koud, want ik ben meteen meegegaan zonder jas aan te trekken. Ik sta in mijn pyjamaatje midden in het bos en ik heb alleen maar oog voor de agent. Dit klopt niet. Mijn vriendjes zijn meegegaan, maar zeuren dat ze terug willen. Ik luister niet naar ze, maar voel me ellendig en alleen. Zou mijn vader al wakker zijn? Voor een moment ruik ik warme broodjes en verse jus.

Agent laat een boer en excuseert zich. Mijn vriendjes lachen niet eens, maar kijken chagrijnig naar me. “Wanneer gaan we terug?”, fluisteren ze overdreven. Ik haal mijn schouders op. Ik maak een gebaar richting mijn hoofd, waaruit mijn vriendjes kunnen opmaken dat ik de agent nogal gestoord vind. Ze moeten zich alle twee erg inhouden om niet in lachen uit te barsten. De agent zegt ons dat we moeten zitten in een kringetje. We doen wat hij zegt. Een hele tijd gebeurt er niets. Soms moet een van ons niezen. Het is vreselijk koud en onaangenaam in dit bos. Niemand van ons durft wat te zeggen. Ik zucht eens diep, in de hoop iets te kunnen veroorzaken. Maar het blijft nog langer stil en ik kan het niet meer aan.

Naast mij hoor ik diep gesnurk. Hij is in slaap gevallen. Ik stoot een van mijn vriendjes aan. “Zullen we nu weggaan?”, fluistert-ie stil, bang om hem wakker te maken. Het lijkt een idioot plan, maar ook ik krijg plotseling zin om hem hier gewoon achter te laten. We kijken elkaar een voor een aan. Niemand durft op te staan.

We zijn terug in het scoutinggebouw. De kantine is leeg. Alle flessen drank staan er nog. In de hoek, bij de weekendtas van de politieagent, zie ik nog meer lege flessen. Als ik terug de slaapzaal inloop, zit Eddy rechtop in zijn bed. “Hangen mijn discolampen er nog?”, vraagt-ie snel. Ik geef geen antwoord, maar gebaar hem dat het oké is en kruip mijn bedje in. “Mariska huilt al een tijdje”, zegt Eddy. Ik luister aandachtig en hoor inderdaad zachtjes snikken. Mariska ligt aan de andere kant van de slaapzaal. Ik durf niet naar haar te kijken en probeer in slaap te vallen. Morgen gaan we naar huis. Eindelijk.

• • •